(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Biographisch woordenboek der Nederlanden, bevattende levensbeschrijvingen van zoodanige personen, die zich op eenigerlei wijze in ons vaderland hebben vermaard gemaakt"

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 



¥^y 




^/ 




e. . 



a» 







Digitized by 



Google 



CT 
> A II 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



BIOGRAPHISGH WOORDENBOEK. 

XIV. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



4« «F» 

BI06RAPU1SCU 

WOORDENBOEK 

DER . : . - 

BEVATTENDE 

lievensbeschry Tingen van zoodanige Personen , 

die zifeh op eenigerlei w||se in 

ons Taderland hebben Termaard gemaaM, 

VOORTGEZET DOOR 
EN 

D'. &• 0. J. S C H O T E L. 

Onder medewerking van de Heeren.' 

P. J. B. C. RofilDÉ VAN DER Aa , Prof. P. o. VAN DER CrIJ8 

W. Eekhofl, Dr. J. J. de Hollander, 

S. G. KLtNSÉA, P. A. Leupe, H. C. Rogge, T. A. Rovein, 

Jhr* J. W. VAN Sypesteyn en anderen. 

VEERTIENDE DEEL. 



HAARLEM, 

J. J. VAN BREDERODE. 

1867. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 






BIOGRAPHISCH WOORDENBOEK. 

NEDERLANDEN. 



OBANDO (M), schreef een lijkrede en las onras del rejf 
Felipe IL Brussellus 1598 4, 

Zie Bibl. Hnlthem, o. 26689. 

06BËS (Assr) ofAesse ObbeEOon werd in 1582 Griet- 
man von iTaükerland. Hij was vele jaren Volmagt ten landsdosre 
en werd in 1594 eerste ouderling bij de gemeente te Joure. Hij 
huwde Aaltje Terisgha, en had ten minsten een zoon. 

Zie ChaHerh. v. ^riewl. l). IV, W. 236, 1111; Naaml, v, Pred. 
in de Classis v. Zevenwoude», bl. 119; van Sminia, N. Ntutmt, win. 
Grietmannen^ b). 35S. 

OBBES (Obbe^ werd 31 Jan. 1604 Grietman van Gaasterland ; 
ook was bij Dijkgraaf van de zeven Grietenijen en de stad Sloten, 
en werd in 1602 lid van Gedeputeerden. In 1620 volgde hij de 
lijkslatie van graaf Willem Lodewijk als lid der Staten van 
Friesland, [lij had een schoon huis Ie Balk, stichtte het raadhuis 
aldaar, overleed 8 April 1632 in den onderdom van 70 jaren 
en werd te Wijkei hegraven. Hij was gehuwd geweest \ met 
Foockel, dochter van Jochum van Wijckel die 17 Febr. 
1619 10 den ouderdom van 79 jaren kinderloos overleed , en 2 
met fttjckjen Wijtties, die hem twee kinderen schonk en 
30 Junij 1643 stierf. 

Zie Wapenb. Wijckel Gen. 2; Tegenw. slaat van Friesl, D. XV, bl. 
553; van Sminia, N. Nuaml, v. Grielm. bl. 379. 

OBBES (Nittert) of O b e n s z. was leeraar bij de Doopsgezinde 
Waterlanders te Amsterdam, die in den Grooten- Spijker, later 
de gemeente tan den Toren genoemd, vergaderden. In 1620 
werd hij met de gevoelens van Socinus bekend, omhelsde 
ze, verdedigde ze mannelijk en vergenoegde zich niet langer 
met de prediking zgner ambtgenooten Anslo en Hesssel ing. 
In 1624 predikte Hans de Ries van Alkmaar, die een groo- 
ten invloed bij de zijnen had, te Amsterdam, en liet zich uil 
over den invloed van Gods geest en over de godheid des 
Woords, volgens Joh. 1:1. Nittert, die ontkende dal er 
een ander woord dan hel geschrevene, de il. Schrift, was, 
sprak hem hier over aan. Men kwam overeen, elkander zekere 
vra^o dit geschil betreffende schriftelijk ter beantwoording 



365545 

Digitized by VjOOQ IC 



over te geven , doch in plaats van zulks te doen , liet O b b e s 
de zijnen rondgaan, zonder ze aan de Ries te hebben mede- 
gedeeld en gaf ze vervolgens in hel licht met dezen titel: 
Raag-Bezem zeer bequaam om zommige Mennonilische schuren 
te reinigen van de onnutte spinnewebben ^ zotte gr Hen en 
ijdelheden eeniger geestdrift erijen , Swinkveldianen en derselver 
voorst anderen , die op hunne bijzondere Drijvingen en Inspraaken 
steunen , tot verminderinge van "'t beschreeven Woord Gods, 
Toegemaakt door den Nicodemus Letterknecht van Wt, Geest 
Amst. 1625. 4o. Eerst lochende Obbes er de maker van te zijn, 
doch toen hij zag tot welke onaangenaamheden het aanleiding gaf, 
beleed hij het, met bijvoeging echler dat de titel dus builen zijn we- 
ten gesteld was, waarop hem hel nochlmaal ontzegd en hij van de 
dienst ontzet werd. Nu gaf hij door middel van ecnen Jan 
Theunisz, een zijner voornaamste voorstanders, andermaal het 
werk in het licht, met den volgenden titel: Eenige vraagen^ 
dienende tot onderzoek van de Natuure en kracht der Hei" 
lige schriftuure of het beschreeven woord Gods. Met noch 
een Briief (Brief van f^ittert Obbenz, aan Hans de Rys^ de 
voorrede van den eerslcn druk) Alles leerlyker en leergierig- 
lykerwyze by vraagen en beantwoordinge met Ja of Neen^ 
Hans de Rifs voorgesteld door N. H. Zoo gaat men ten He-- 
melwaert. Amst. 1826 4. en liet door eenige zijner vrienden 
„zijne zaak door nnmelooze geschriften op het schoonst aan de 
wereld voordragen," zijn medeleeraars Renier Wijbrandsz. 
Pieter Andriesz Hesseling en Kornelis Klaas Anslo 
op het allerhatelijkst afschilderen, drong deze leeraars, die 
de zaak mondeling op wetenschappelijke wijze hadden willen 
eindigen, zich ook in openllijk uitgegeven geschriften te ver- 
dedigen en de gansche zaak naar waarheid open te leggen. 
Het einde van dien twist was, dat zes onzijdige Water- 
landsche leeraars eenige artikelen opstelden, die door Obbes 
onderteekend werden, en uitgegeven zijn met den' titel: Z)er/ t6f» 
artykelen^ gesteld door Rippert Eenkes en zyne Medehulpers^ 
neffens hem by Yeme de Ring ^ Hans Alenson, Engel Pietersz,, 
Gerrit Jansz. en Jan de Pla ondertekend; Piit t er t Obbes voor- 
gelegd, en van hem, om den vreede te treffen , onder schreeven den 
8 Sept, anno 1620 binnen Amsterdam, 1627 4, ook door 
Maatschoen in zijn Aanhangsel van de Geschiedenis der Menno- 
nieten, hl. 119. volg. opgenomen. 

Zie Sch\jn, Gesch, d.Mennon.B. II, bl. 489 volgg. Maatschoen ^a«^. 
enz. bl. 81, 83, 85, 86, 90—28, 102—107, 115, 118, 119, 126— 
128 Kobus en de Rivecourt o.t.w. 

OBBES (Philipsz). Zie Philipssz. (OBBE). 

OBDAN. Zie Wassenaar. 

OBERDIEK (J. C.) schreef: Verhandeling over de nadeelige 
uitwerkselen van den winter van 1822 op boomen, heesters 
en planten j en over de middelen door welke de nadeelige 



Digitized by 



Google 



nttiDérkselen van felle vorst eenigermate :ufn te voorkomen in 
Natuurk, verhandel, v, d. Holl, Maats, van Wetenschappen , 
181^8, bl. 49. 

Zie lioltrop. Bibl. Med, CAir. p. 268. 

OBËRI)tAN (Anthont^ in 1781 te Amsterdam g^eboren, werd 
door bekwame meesters in de schüderknnst opgeleid. Hij schil- 
derde later Gelderscbe en Overijselsche landschappen, weiden 
met vee, paardenstallen en vooral in zijn laatsten lijd, bloem- 
en tninstukken. Zijn penseel was zeer vruchtbaar. Op het Pavil- 
ioen te Haarlem is van hem eene schilderij eene vaas met 
bloemen voorstellende; een dergelijke werd op de verkooping 
van Bernet voor f 105,00 verkocht. 

Hij gaf i2 staks gelithographeerde landschappen bij de Ge- 
broeders Portman to Amsterdam in het licht en etste 20 stuks 
fragmenten van dieren. Sedert 1833 was hij lid van de konink- 
lijke Academie van Beeldende Kunsten Ie Amsterdam , en over- 
leed aldaar 20 Oct. 1845, in den ouderdom van 64 jaren. 
Zijn portret komt voor in hel bekende werk van J. E. Afar ca s. 

Zie Immer ze el. Lev, en Werk d. Holl. en VL Kunstsch, D. II, 
W. 273; Kramm. Lev, en Werk der Holl. en VL Kunstsch, D. lY, 
bl. 1217. 

OBERT (Antonius^ geneesheer te St. Omer, in de eerste 
belft der 17e eeuw, schreef: Paraenesis de venae sectione in 
pleuritide adversus Ferneliiet Fucciiperadoxam senteniiam 1629. 

Paraenesis secunda de venaesectione in pleritide met zijn 
Assertio de venae sectione in^variolis administranda Airdo 
maropoli 1631. 

Anastichiosis apologetica pro paraenesi sua adversus Lud, 
du Gardin^ Audomaropoli 1641 4. 

Zie Val. Andreas. Bibl. Belg, p. 71 Joch. Gel. Lex. I, V. Fop- 
pens Bibl. Belg. T. 1. p. 82. 

OBERT (Walabndüs). of Yalerandns geboren te Atrecht, 
dit adelijken geslachte, was raadsheer in het hooge geregts- 
hof van Artóis. 

Hij liet in hands, na: 
Tract. de Motihus anno CJD lOLXXVIII a rehellibus Geüsiis 
Atrehati excitatis. 

Zie Val. An dr erf 8. Bihl. Belg. p. S48; Jöclier. Gelehri.Lex.l.y. 
Foppens. Bibl. Belg. T. Il p. 1161. 

OBRÉCHT (Jacobns of Jo ban nes.") beroemd Neder- 
fandsch contrepanlist, zag waarschijnlijk te Utrecht in 1430 
het levenslicht, en werd ih 1465 kapelmeester van de hoofd- 
kerk dier stad. Hij was de leermeester in de muzijk van 
Bras mus van Rotterdam, die ^ gelijk deze zelf verhaalde, op 
zijn zesde jaar als koorknaap aan die kerk geplaatst was. 

Zöé groot ifM de bekwaamheid eo gemakkelpheid van 



Digitized by 



Google 



Obrecht, dat hij slechts éénen nacht noodi^ bad om eene 
mis te componeren, welke door de eerste mannen van zijn* 
tijd bewonderd werd. Na Erasmns was A n t o n i a s W ij n- 
g-aert zijn beliendste leerling, ook zou hij Thomas Tza men 
en Adam Lnyr, beide van Aken, de mnzijk onderwezen 
hebben. Glareanus deelt van hem een Canon (3 stemmig 
en eén Parce Domine (3 stemmig}' mede , welker par- 
tituur bij Forkel voorkomt. Ook in een werk van Sebaid 
Heyden vindt men een Qui tollis, en een tweeslemmigen 
Canon, getrokken uit de Mis van genoemden meester, getiteld: 
Je ne demande, Octavio Petrucci van Fossombrone gaf in 
1503 een boek met vierstemmige Missen van hem in het licht. 
Ook in het eerste boek der Missen voor 5 stemmen van ver- 
schillende schrijvers (Missamm diversorum auctorum liber 
primus) door den zelfden uitgever 1 508 te Venetië in 4 d, in 
het licht gebragt, vindt men eenen van dezen meester, getiteld: 
Si dedero. Ook geeft de abt Baini missen van Obrecht op, 
welker mis thans in de archiven der bisschoppelijke kapel te Rome 
bewaard wordt. In het vierde boek der motetten van de kroon 
door Petrncci, te Venetië 1504 gedrukt, vindt men 4 Missen 
van hem, en 4 andere stukken in de Moletti a cinque^ libro 
primo (Venetië 1505, Petrucci, in 4o). Ook bevat de kostbare 
verzameling van motetten door Conrad Pentinger te 
Angsburg 1520 fol. uitgegeven een scboone motet van O b r e ch t 
voor 5 stemmen {Salve crux) Pet is heeft dit stuk in partituur 
gezet, een meesterstuk van compositie voor den tijd, waarin 
het geschreven is, Winterfeld haalt in zijn werk, waarvan 
de titel beneden wordt opgegeven, als een der oudste proeven 
van den oratorium-vorm eene passion aan, voor vier stemmen 
door Jacob Obrecht en Joan Galliculus, uitgegeven 
door Georges Rhau te Wittemberg 1538, in eene verzame- 
ling den titel voerende Selectae harmoniae, 

Tusschen 1470 en 1480 zou zich Obrecht eenige Jaren met 
den duitschen Heinrich Isaak te Florence aan het hof van 
den hertog Lorenzo il Magnifico opgehouden en zich na 
zijne terugkomst, volgens Gerber 1475, te Utrecht hebben 
neergezet. Zoo hij den voornaam Johannes heeft gevoerd en 
niet gelijk Glareanus wil, Jacob us, dan was hij in 1487 
organist in den Dom te Utrecht. Dit komt ook zeer wel over- 
een met de chronologie dal Erasmus, van wien een brief 
aan hem bestaat, zijn leerling was. Hij stierf in 1487 en werd 
in de galerU der Domkerk begraven, waar nog te lezen staat: 

In "t Jaer ons hen MCCCCLXXXVIU op sinte Egidius avond 
sterf blyde Janes organiste deser kerken. 

Zie Glareanus Dodecach, p. 256; Forkel, Jlgem. Qeseh, d, 
Muxijk D II, bl. 522, 524; Sebaid Heyden, Muticae id est arüs 
etmendi Lib, 11 eap- 6. Memor. stor. eriti, della vita e delle oper» di 
(Hop. FierUtisfi da Faleslrina t. 1 p. UO u, 226; C. Ptutiogcr ia 



Digitized by 



Google 



5 

Ziher Select, cantion, qnat vulgo mutetM appellant; Wioieiffeld, /o- 
Aanues Oabrieli u, tein ZeitaUer Th. Il S 206. Hiti. Tijdtöhrift 1842, 
bl. bl. 53; Nederl. Muzikaal Ti^dtchrijt 1S43 bl. 92, 93. Schilliug*8 
Univerêal Lexicon d. l^onk, 

OBREEN (^Jacobus) geb. te RoUerdam 3 OcU 1607, zooa van 
Otto Obreen oud kapitein van een jagt ten dienste vanden 
Raad van Staten der Vereenigde Nederlanden en van Anna 
SSwrylers, werd in 1719 proponent, in 1721 predikant te 
Philippine, in 1725 te Aardeuburg, in 1728 te Hulst, beoefende 
de latijnsche poèzy, blijkens twee latijnscbe gedichten op het 
overlijden van zijn ambtgenoot Ernastus Lndovicns Die* 
derix 20 Nov. 1729 overleden. Hij volgde hem als rector 3er 
latijnsche school aldaar op en sprak eene oratie uit de origine 
et progrtssu liter arum humamorum in Belgio focderato. Hij 
overleed 5 Dec. 1737. 
Zie Sociz. d. Gel. Wer. 1730 a bl. 115, bl, 97. 1738 a bl. 219. 

OBRIZIUS ^Robert) een geestelijke uit Hermanville in het 
graafschap Artois, was eerst pastoor bij de St. Magdalena 
kerk te Alrecht, vervolgens kannunik bij de cathedrale aldaar. 
Hij was een geleerd man , godgeleerde , dichter en prediker en 
overleed in 1584. Zijn grafschrift is door hem zelve vervaardigd. 

Hij gaf in het licht: 

EydilUa sacra in utrumque Testamentum, libris XIL Duaci 
1 587 8. typis Joan, Bogardi : cum auctoris Elogio per Franc. 
Moschum. 

De Atrehatensi urhis liberatione a Sectariorum factiosorum 
oppressione^ anno 1578. Antw. op Beüeruum 1590 4. 

Hymnorum libri VIL 

Epistolarum libri II. 

Coemeterum , seu virorum illuslrium , et Artesiae eomitum 
Epitaphia. Atrebat. 1592 4, apid Guil, Rieerium. 

In hands. 

Metaphrasis Cantici Canticorum. 

Progymnasmata ad veram piet at em. 

Zie Sweertias. Ath, Belg. p. 60 V al. Andreas. Bihl.Belg.^.1%li 
Foppens, Bibl. Belg.T. II p. 1078, Jöcber. OeleAr, Lex. I. V. 
Bihl, Hulth, n. 23483, 28074. 

OBRY (^Adriaen^ Obrys of A. Ubrius bijgenaamd de 
schoenmaker of doctor Leest, predikte in 1566 te Veere en nevens 
de Hoorne ook te Middelburg, waar hij ten hnize van Frans 
Conrtse zijn intrek had en bevriend was met den notaris 
Willem Domburg, in 1570 door Al va met confiscatie zijner 
goederen uit Middelburg gebannen. Ook Oh ry ontving hetzelfde 
vonnis twee jaren vroeger. 

Zie Marcus. Sent, van Aloa, bl. 233, s'Gravesande , Tvseede Beuwged. 
d. Middelb. Vrijh. bl. 33 376; Vaniperen, Tweehonderd-jarig Juhelf. 
te Veere, bl. 29, 105, 115; Te Water Bef. van ZeeL bl. 84, 90. 

OCCO Scarlensis of van Schar 1 zon, volgens sommi- 



Digitized by 



Google 



gen, omstreeks |iet.|iaar 970 uit de papieren van zijn oom 
Soico Fortemaq en anderen een krontjk opgesteld hebben, 
welke vervolgens in de XIV eeuw door eenen Johannes 
Ylytarp aangevuld en eindelijk op het einde der XVI eeuw 
door Andreas Cornelius van Staveren, in 1589 te 
Harlingen, waar bij organist was, overleden, zou vervolgd en 
uitgegeven zijn. 

lu 1597 verscheen te Leeuwarden deze kronyk met den titel: 
Cronyk^ ende toaarachtige Beschryvinghe tan [Vriesland^ Be- 
ginnende nae des JFerelts Scheppinghe 3070 jare : Ende deu- 
rende voorts tot na de Geboorte Christi 1565. Eerst door 
Ockam Scharlensem seer vUjtelick by een gheleekent, Ende 
andermaal door Johannem Vlitarp weder vermert ende verbetert. 
Als nu oock ten derde-mael door Andream Cornelium Starri- 
ensem seer neertelick ende ghetroutcelick gheschiet is; in fol. 

Dat Andreas Cornelius werkelijk een oud handschrift 
voor zich gehad en er de eerste boeken zijner geschiedenis 
uil ontleend heeft, is niet onwaarschijnlijk, daar hij zulks op 
verschillende plaatsen en met te veel schyn van waarheid 
bevestigt om zulks niet aan te nemen. Ook komt de inhoud 
hier en daar volkomen overeen met de kronyken van Sybe Ja- 
richs en -Cornelis Kempius, (^beide ouder dan Andreas 
Cornelius'), zoodat deze ten minste de fabeleu niet kan ver- 
zonnen hebben. £en andere vraag echter is, of O c c o en V 1 y t a r p 
werkelijk geleefd en de aan hen toegedichte kronyken ver- 
vaardigd hebben. Ubbo Emmius en de Wind bewe^'en, op 
inwendige gronden , dat beide fabelachtige personen zijn, geboren 
uit de gloriezucht der Friezen om hunne oudheid en hunne ge- 
schiedenis tot de versie oudheid te doen ppktimmen. Pe 
Wind gist, dat bet oudste gedeelte van het hands., 't welk 
Andreas Cornelius voor zich gehad heeft, het werk is 
geweest van eenen schrijver uit het begin der 13e eeuw, 
hetzij hij dan Occo van Scharl heette of niet, die, op het 
voetspoor van Hunibaldus, Galfridus, Turpiu en anderen, 
deze fabelen beefl zamengesteld , juist in dien tijd, toen Bijbel 
en ware geschiedenis in het kleed van een roman moesten 
gehuld worden, wilde men deze aanhooren. Hij achtte hei 
zeer mogelijk, dat dit zijn werk, 't welk in het latijn zat 
geschreven gevveest zijn, door eenen latereu schrijver uil de XV 
of hel begin der XVI eeuw, hij heelte dun Vlytarp of 
anders, vertaald of opgeschikt, vermeerderd en vervolgd is, 
tot eindelijk Andreas Cornelius, dit handschrift in zijne 
eenvoudigheid als een kostbaar kleinood aanmerkende, het op zijn 
beurt omgewerkt en vervolgd heeft. 

In 1742 verscheen van deze kronijk te Leeuwarden een tweede 
uitgaaf in 4o. De niet altijd even oordeelkuudige Westendorp 
nam in het eerste deel zijner Jaarboeken tan en voor de Protincie 
Groningen zeer veel van Occo over. Volgens dei]^ baron van 



Digitized by 



Google 



Schwartzenberg berusUe bet eersle af^obrift of opstel der 
^escbiedkandige Ycrhalen van Occo nog te zijnen.tqde flTTS} 
onder de papieren der Staten van Friesland; doch dit hand- 
schrift is niet bij het Provinciaal Gouvernement van Friesland 
voorhanden. Mr. J. van Lennep, gaf in het 2e d. 4e st. der 
Bljdr. voor Vaderl. Geschied, en Oudheidk. J. A. NyhoÉF eene 
Proeve van een kritisch onderzoek der zoogenaamde Kronyk 
van Andreas Cornelius, 

Kis S u f f r. P et r. De Script. Fris. dec. XIFno. 7, H a m c o n i i Fris. 
p. 7. 101. Ubbo Emmias. Sist. Lib. III, p. 45. Dez. Ue- 

fuiatio Apologet, en ook achter de groote uitg. van 1615. Gabbema 
Verhaal va» Leeuwarden bl. 3. Fokke Sjoerds, Beschr. van Vriesl, 
D. I Inl. bl. 7, 13. Val. Andreas. JSibl. Belg. p. 704. Ifoppens. 
Bibl. Belg. p. 704 Pars. Ind. Bat. p.711 Tjaden. Bas gelehrte Ost- 

friesl. Th. II S. 77, seqq. Voorrede van het Charterh. van Friesland 
1). Il bl. LX VII; Van Wijn, Kuisz. Lev. D. I. St. I bl. 7. 13. 
Friesehe Volksalm. 1855 p. 34. Mr. Daarn Fockema, Proeven van 
Taal- en Üeschiedk. Leeuw. 1838. Vad. Letteroef. voor Septemb. 1838, 
bl. 463 volg. Brief van den Heer D. Fockema te Leeitw. in Vaderl, 
Letteroef Nov. 1838 bl. 615, 616; De Wind. Bibl. d. Nederl. Gesch, 
bl. 6 volgg. 506; Aanh. op Niewenhuis Kobas en de Rivecourt. 
Joch er, Bibl. d. Maats. v. Ned. Letterk. D. II, bl. 152. Bibl. Hulth, 
DO. 31054, V. d. Chijs, De Munt van Fviesl. Gron, en Drenthe. 
bl. 43, 616. 

OCCO. (Adolphüs") , geb. in 1447 in Friesland, volgens an- 
deren in Ofterhusen in Oost-Friesland, lijfarts van Sigismund , 
aartshertog van Oostenrijk, een zeer geleert man, bevriend met 
Rudolphus Agricola, vau wien hij diens nagelaten hand- 
schriften erfde, en te Augsburg, zijne woonplaats, overleed 
|n 1503. Zijn portret is gesneden door D. Castos. 

Zie Joch er Gelehr. Lex. i. v. Chronijkv. h. Hist, Genoots.D. II bl. 43. 

OCCO (PoMPEJUs) Fries van geboorte, zette zich als koop- 
man Ie Amsterdam neder, waar zijn huis de verzamelplaats was 
van in- en uiteemsche geleerden. Volgens Valerius Andreas 
en Foppens gaf hij een gebedenboek uit met den titel In melius 
Pompejus Occo: volgens Ponlanus was het een psalraboekje, 
dat hij in 1519 op den naam van Hieronymus te Parijs liet 
drukken. Adolphus Occo gaf de handschriften van Rudol- 
phus Agricola uan dezen Pompejus, die ze ter uitgave af- 
stond aan All art van Amsterdam. Die uitgaaf had in 1539 te 
Keulen bij Gijmnicus plaats, doch reeds geruimen tijd te 
voren had Allart het voornemen eene zoodanige uilgave der 
ipverken van den vermaarden Fries met den Keulschen drukker 
Soter (^Seijl) te beproeven, waarvan echter waarschijnlijk 
niets is uitgekomen dan in 1532 de Progymnasmata van 
A phthonius in 8^. 

Zie Val. Andreas. Bibl. Belg. p. 781 Foppens. Bibl. Belg. 'T. lï. 
p. 1047. Pontanus Descr. urb, Amst. lib, II c, 28. Bat. Sacra T. H, 
p. 7. Wagenaar Beschrijv, v. Amsierd, D. XI bl. 203; Chr, v. h, 
Hisi. Qenoots, D. II bl. 43, 44. 



Digitized by 



Google 



OCCO (^Sibrant), won van den vorige, in den aanvang der 
16e eeuw te Amsterdam geboren , werd in 154L schepen zal 
ook in de jaren 1543, 1545, 1551 en 1553 in de schepenbank 
zijner geboortestad en bekleedde in 1556, 1558, 1560 en 
1562 er de burgermeesterlijke waardigheid. In 1549 vergezelde 
hij Slratins, raad van Gelderland, op kosten van U gemeene 
land, naar Denemarken, em over het verhoogen van den Sout- 
schen tol Ie klagen. Volgens Pontanus was hij een zeerge- 
leerd man , die met Andreas Alciatus, Viglius van 
Zuichem van Ayta en Jauu» Secundus in briefwisse- 
ling was Peirns Aphcrdiauus, die hem zijne ^jp^^ramma/a 
moraila opdroeg, getuigde dat hij niet onbedreven was in de 
dichtkunst eo de latijnsche dichters gaarne las. 

Vóór die Progymnasmala van Aphtonius, in 1532 bij 
Soter (lleijl) en de werken van R. Agricola in 1539 bij 
Gymnicus, beide te Keulen in het licht verschenen, wordt een 
brief van Al art aan dezen Sibranl Occo gevonden. 

Zie Pontanus Discript. Amst. Ub. II, C28; Valerius Andreaa 
Siöl Belg. p. Bat, S. II, p. 17. Foppens Bibl. Bely.'ÏAX p. 1047 ; 
Jöcher, Adelnng, Kok, Wngsnaar Vadcrl, Historie D. V bl 352; 
Besc/irijv. van Jmslerd. D. III bl. 88 D. XI bl. 203; Chronijk van hei 
Hiat, Genoots. D. II bl. 44. 

OCHS (JoBAN. Chph). Volgens Adelung en Eotermund 
Fort!i. u, Erganz «. Jöcher'' s Lexikon B. V. S. 914, een regts- 
geleerde die schreef: De contractu assecurationis L. B, 1 699 4. 

OCHSENDORF (Johan Matthias Wilhelm) werd den 3e Dec. 
1799 te Königslulter in het hertogdom Brunswijk geboren. Zijn 
vader beoefende als dilettant met veel talent de All-viool, 
doch leidde zijn zoon niet voor de kunstenaars loopbaan, 
maar voor de godgeleerdheid op. Van 1814 tot 1818 was hij 
leerling aan het Gymnasium te Helmsladt, ging van daar naar 
GöUin^en, en keerde in 1822 als Iheologiae studiofrus weer 
naar Helmstad terug. Hier vervulde hij tot 1826 de betrekking van 
Gouverneur en zette met grooten ijver de beoefening der muzijk 
als dilettant voort. Reeds op zijn 8ste jaar bespeelde hij de 
piano zeer vlug en was zijne liefde voor de muziJk zóó groot, 
dat zijn vader moest besluiten hem door cantor Riemann 
te Konigslutter en door Boije te Helmsladt in het praktikule 
gedeelte der muzijk, bij Dr. Hei n rol h te G5ttingen in de 
theorie en compositie te doen onderwijzen. In 1826 besloot Lij 
zich geheel aan de kunst te wijden^ toen een beroep als muzijk- 
onderwijzer te Dordrecht op bem werd uilgebragl. In 1828 werd 
hij tot Directeur der LiedertafeMurorcr. door den heer A. Kist 
opgerigt, benoemd, welke post hij tot aan de ontbinding dier ver- 
eeuiging ihet ijver vervulde. Ook stond hij vele jaren aan het 
hoofd der daaruit voortgevloeide gemengde zangvereeniging Cae- 
cilia, werd later onderwijzer aan de zangscboül d^r Maatschappij 
tot het ordering van Toonkunst en fungeerde als Directeur van bet 



Digitized by 



Google 



9 

winter-concert tot aan de komst van den kundigen mnzijk-direc' 
teur Böbme. In 1832 viel hem de moeljelijke post van org^anist 
aan de groole kerk ten deel, waarvoor hem iiiel de noodit»e liefde 
en ijver maar wel de middelen ontbraken om zich als een vol- 
komen goed gevormd organist te doen gelden. In 181S werd hij 
als directeur der choraal oefening tot bevordering van het pro- 
testantsche kerkgezang benoemd en was daarvoor lot zijn door! 
werkzaam. Flij overleed 30 Dec. 1843, bij zijne vroaw Eleonore 
Conradine Sophie Gerecke van Helmstadt, waarmede hij in 
1826 ia den echt trad, 5 kinderen nalatende. Mr. C. A. Vrie- 
zendorp en de predikant F. Michelsen hielden toespraken bij 
zijn graf, waarbij ook het treffend Abendlied Qvs. 1 en 3}, van F. 
Kublan en het Begrabnisslied Qvs, 1 en 7} van H. G.N 3 gel i 
met eenige instrumenten begeleid, gezongen werden. Aan den 
zeeschilder J. C. Schotel, droeg hij 3 door hem gecompo- 
neerde Polonaisen op. 

Hij maakte zich ook als componist verdienstelijk, zette de 
Volksliederen^ de Star der Hoop, de Hoop vierstemmig voor 
mannenstemmen en maakte ze door den druk gemeen. 

Zie CaecUia, Alg, Muzijk. Tijdiehrifi 1854. bl. 48, 49. Gr ego ir, 
let ariittea musaciens Neerl. p. 13Ö; G. D. J. Schotel, leven van J. 6'. 
ScAoiel bl. 139. 

OCKË ^BernabdusJ R. C. priester in de nieuwe roomsche 
kerk, die men van de saaihal na de ramp ie Leijden heeft ge- 
bouwd, landdeken van Rijnland en verdienstelijk christen leeraar, 
was ook een ervaren kunstkenner en kunstliefhebber en had 
een fraai kabinet schilderijen. De inrigting en versiering van 
het nieuwe kerkgebouw droeg onmiskenbare blijken van zijn 
kunstsmaak. Hij overleed te Leyden 6 Augustus 1816 in deu 
ouderdom van 61 jaren. 

Zie Jlff. Kont f, letter b, 181C. d. 2. bl 99, 

OCKËNBEKGH CGerardus) volgde in 1404 Johan Weent 
als abt van Egmond op. Hij wist door zijn invloed ten hove te 
bewerken, dat graaf Willem VI, na dat deze aan Arent 
van Egmond, de heerlijkheid van Egmond,. hem door hertog 
Aal bert in 1396 geschonken, weder ontnam. Toen echter graaf 
Willem in 1408 zijn broeder Johan. van Beijeren legen de 
Luikenaars wilde bijslaan, droeg hij Arenl de heerlijkheid op 
zekere voorwaarden lot een erfelijk leen op. In 1409 echter 
gaf de graaf als goede man deze uitspraak „dat de heer van 
Egmond het land, daar zijn slot reeds eenige eeuwen opgestaan 
had en waarover groote twisten waren ontstaan, ter leen zouden 
houden van de abdg , zóó echter dat de abdij het nimmer iu 
eigendom zou bezitten,* dat de heer van Egmond de landerijen 
van den graaf ter leen zou houden; dat de dienaars der abdij 
niet zouden staan onder den heer van Egmond, ten ware dst 
zij iets iu het dorp misdreven \ dat hij ook over die dienstkneeh- 



Digitized by 



Google 



10 

ten niets zou te zeggen hebben binnen de muren des kloosters 
en. de deuren van *t gastbuis, ten ware bij door den abt werd 
te buipe geroepen; dat bij de eigen dienstknecblen der abdij 
niet zou dwingen tot zijne dienst en geen ongelden afvorderen 
ten ware dat ze van eenig wanbedrijf overtuigd waren enz/* De 
heer van Ëgmond meende bij die uitspraak in zijn reglen ver- 
kort te zijn, waarop de graaf in 1313 wederom een uitspraak 
gaf, dat de beer van Ëgmond zijn bezwaren binnen zekeren 
tijd had in Ie leveren, of dat anders de eerste uitspraak voor 
goed en geldig zou worden gehouden. De beer van Ëgmond 
verscheen niet en gaf openlijk zijn ongenoegen tegen den graaf 
te kennen, weigerde hem in den oorlog met de Gelderscben 
bij te staan, ja zou zelfs verraad gesmeed en het op zijn leven 
toegelegd hebben. Na bet overlijden van den graaf meende 
Ëgmond, die de partij van Jan van Beijeren tegen Jacoba 
hield, dat het oogenblik daar was zich op den abt te wreken, 
Deze hiervan verwittigd, vlood met eenige monniken naar Utrecht, 
terwijl Ëgmond de abdij plunderde en J a n van Beijeren op- 
ruide om den abt en bet convent by den paus van vele misdrijven 
en ongebondenheden te beschuldigen. De abt wist zich echter 
bij den paus te regtvaardigen. 

Gedurende deze oneenigbeid was G e r a r d van Ockenbergh 
in 1424 in zijn ballingschap te Utrecht gestorven. Zijn lijk werd 
naar Ëgmond gevoerd en aldaar begraven, op zijn grafzerk 
leest men: 

„Abbas Gerardus Ockenbergh carne sohitus 
^Jsto sarcophago contegitur rubeo 
„Qui patria pulsus Traiecli moenia poscit 
^Annis in senibus, quo peregre moritur. 

Zie Job: k Leydis, Chron. Ëgmond. p. 81 seqq. Bo c k enbergh, 
Kronyk van Ëgmond, bl. 120. Bat. Sacra i). IV bl. 131; K i s t eu 
Royaards, Archief v. Kerk. GesnA. D. l bl. 426. 

OCKTËN {?, van) onderwijzer te Utrecht, gaf in bet licht: 
Algebra of Stelkunst behehende worteltrekkingen ^ vergelijking 
gen en voorstellen. Utrecht 1828—1831 , 2 D. 

Zie Brinkman, Naaml. van Boek. 

OCKERS (^Wein Adriaan) huisvrouw van Juriaan ter Meu- 
ten, was bij den beeldenstorm in de oude kerk te Amsterdam 
1566. Zij smeet hare pantoffel tegen een H. Vrouwenbeeld van 
S i ni o n S I e c b t, dat baar en haar dienstmaagd T r ij n FI e n r i k s, 
die er bij stond, het leven kostte. Zij werd in een wijnpijp met 
water op het schavot verdronken en baar man gebannen. 

Zie Eist. de Martel. bl.4;9b. Brandt. Hw^. éT^^c/^. D I, bl. 358,488. 
Wagenaar. Beschr. van Amsierd. D. III, bl, 180. 

OCKËRS (Willem). Arrenberg vermeldt van hem: 
ISagelaten geestige Mengeldichljes^ Amst* 8. 
Zie Naaml. van Boek. bl. 382. 



Digitized by 



Google 



11 

OGKEHSE (WiLLEH Antont} zooo van RudolphusOckerse, 
notaris te Yianen envanAUda Joorman, werd den 16 April 
1760 Ie Yianen geboren. Heeds vroeg werd hij te Rhenen Ier 
schole besteld, daarna genoot hij bet onderwijs van den hoog- 
bejaarden rector W. F. Ha c beu berg, en bezocht in 1776 de 
Qtrechtsche hoogeschool. Hi^r hoorde hij Carolus Segaar 
over het Nieuwe Testament, Saxe over het latijn, de geschied- 
en oudheidkunde, Rau over de hebreeuwsche taal, israelitische 
en chriskelgke oudheden, Hennert over de wijsbegeerte en 
Bonnet over de godgeleerdheid. Intusschen was het niet alleen 
het onderwijs van die geleerde mannen, waardoor hij tot zyne 
aanstaande bestemming gevormd werd: veel bragt ook tot zijne 
vorming toe de kennis aan en vertrouwelijke omgang met de 
voortreffelijkste jongelieden, die zich destijds met hem te Utrecht 
aan de hoogeschool bevonden of haar kort te voren verlaten hadden 
en gedeeltelijk nu nog daar verkeerden. Tot de laatsten behoorden 
Hieronymus van Alphen, tot de eersten Royaards, 
Yan Loo, van der Roest, van Yloten en meer dergelij- 
ken. Eenheid van smaak evenwel verbond hem allernaauwst aan 
eenen dichterlijken vriendenkring, van welken van Gogh, KIe ij n 
en Uytenhoven, en wat later Bel la my, Rau enHinlopen 
de voornaamste sieraden waren. Hoe deze edele jongelingen 
elkander opscherpten en met elkander wedijverden, daarvan le- 
veren sommige hunnen voortbr^g^eleJi , zoo als ie^Poëlisch» Spec- 
tator en de Proeven voor hj^t i^ers^tmd^ de ^maaH en hjel hart^ 
welhaast de onmiskenbare bewgzen op. Doch afzonderlijk met 
van Goch en KIe ij n gaf hij nu reeds een klein geschrift in 
bet licht, getiteld ReistragmenXen en Anecdoten^ gelijk nog 
een ander, dat den naam van Bardietjes droeg, waaruit toen 
reeds te gissen was, wat van die vernuften bij vervolg vap tijd 
te wachten was. 

In oogstmaand 1781 werd Ockersete Utrecht proponent, en 17 
^ebr. 1782 te Baarn en Ëembrugge, in de nabijheid van Spestdijk, 
beroepen, in plaats van de naar Wijk te Duurstede verhuisden 
leeraar Paulus van Hemert, wiens opvolger hij opk aldaar 
in 1784 werd. 

Het was hier dat Ockerse de grondslagen legde van zijnen 
roeni, door het uilgeven der twee eerste slukkei? zij^ner Karak» 
lerkunde^ ook ii\ het hoogduitsch en fransch overgezet. 
Aandoeningen van borst en zenuwen bewogen hem in 1 795 
eerst voor een poos, daarna voor altijd zijn ontslag van den 
wijkschen kerkeraad en van de dassen van Rhenen en Wijk 
te verzoeken. 

Hij vertrok naar Amsterdam en hield zich daar bezig met h^t 
derde deel zijner Karakterkunde en anderen letterkundigen arbeid, 
daarna kwam hij in zekere volksvergaderingen en werd daar 
gaarne gehoord. Dit baande hem den weg ter verkiezing dpor 
twee wijken tot volksvertegenwoordiger in het jaar 1797^ en 



Digitized by 



Google 



12 

ia treurige omslandigheden tot dat hij Id 1810 te Limmen bij 
Alkmaar als predikant werd beroepen. Weder deed de hevige 
wederkerende borstkwaal in 1818 hem dezen werkkring, waar- 
voor hij zoo geschikt was, verlaten. Kort daarop werd hij 
door den invloed van den generaal majoor van den Bosch tot 
tweeden secretaris (?. van Hemert was de eerste} van de pas 
opgerigte Maatschappij ran Weldadigheid benoemd. 

De werkzaamheden aan dezen post verbonden, waarbij ook 
de redactie van het maandschrift de Star kwam, namen na al 
zyn tijd weg, voor letterkundigen arbeid schoot er niet veel 
over. Evenwel liet hij niet oa te doen wat hij kon en zich 
daarbij door lectuur en nuttige gesprekken met geleerden en 
geoefenden verder te volmaken. Ook liet hij zich gebruiken 
in de kerkelijke commissie tot de oost- en west-indische kerk- 
zaken en wooude als afgevaardigde van dezelve in 1825 de 
algemeene synode der hervormde kerk bij , werd door deze 
tot lid eenen centrale commissie benoemd, en liet zich aan de 
werkzaamheden, welke deze vorderde, zeer gelegen zijn. 

Eindelijk weigerde het ligchamelijk werktuig, sints lang ver- 
lamd, geheel zijn dienst. Een langzaam verterende ziekte ontrukte 
hem den 19 Jan. 1826 aan zijne vrienden en betrekkingen. Den 
17 April 1787 huwde hij Alida Baudina Titia Bruyn, 
jongste dochter van Dirk Bruyn Georgiusz. burgemeester 
te Wijk, die den 208ten Aug. 1810 everleed, na hem vier 
kinderen , één zoon , die reeds vroeg overleed en drie dochters, 
Alida Sjoerdtje, in 1820 gestorven, Constanlia Lenora 
in deze betrekking kweet hij zich tot aan de omwenteling van 
Juuij 1798 , waarna hij ontslagen werd en naar Amsterdam 
terugkeerde. Thans legde hij zich op den handel toe, en sloot 
met W. C. van Vloten compagnieschap tot den handel in 
cfTectftn, die aanvankelijk goed slaagde, maar later deerlijk lot 
zijn schade afliep. Thans bevond hij zich met vrouw en kinderen 
eii Petronella Theresia geschonken Ie hebben. Hij is meer 
dan eens in portret gebragt, e<inmaal zeer in H groot, met 
gepoederd hoofd, zonder naam. 

Ockerse was een man van buitengewone geestvermogens, 
schrander inzigt, juist oordeel, diepe menschenkennis, waaraan 
hij goedhartigheid en opgeruimdheid van geest paarde. Zijne werken 
zijn alle in een krachtigen stijl, welke hetg-een hij gevoelde en 
anderen wenschte in te boezemen, met een vuur bezielde, dat 
toen ook in latere levensjaren bij is gebleven, ^'a zijn dood 
werd hem door den leydsche hoogleeraar J. Clarisse een ge- 
paste hulde toegebragt in een levensberigt voor het in 1826 
uitgegeven derde deel der Vruchten en Resultaten van een 
zestigjarig let en , terwijl hij in een uitvoerig artikel in van 
der Aa's Kieuw Biogr. Crit. en AnthoL Woordenb, als dichter 
beoordeeld wordt. 

Vroeg beoefende hij de dichtkunst, lleeds in de gemelde Proeten 



Digitized by 



Google 



13 

komen eeniae gerijmde en rijmloose stukjes van hem voor, die 
j^estreDj^elijk in den Poëtische Spectator beoordeeld vi'erden: 
later plaatste hij er ook in de Recensent der Recensenten^ 
▼an welke eenige door Prof. Clarisse in zijn voortrefTelijk 
levensberigt zyn overgenomen, waar uit blijkt, dat hij van het 
zachte, losse, bevallige en naive het meeste werk maakte. Ook 
had hij een verklaarde neiging tot de satyre. Zijne muse nam 
echter inderdaad een hooge vlugt doch scheen noch voor de 
ode, noch voor de epopee of het treurspel berekend te zijn. 
Men heeft van hem: 

Ontwerp tot eene Algemeene Karakterkunde ^ 3 St. Utrecht 
1788, 1790 Amsl. 1797. 

De constitutie der Franschen terdedigd tegen de lasterlijke 
grondbeginsels f>an de leden der Sociëteit , in de Kroon en 
het Anker te Londen vergaderende. In Holland 1793 8. 
Bataten! eischi een Nationale Constitutie (1793J. 
Bescheiden Antwoord van eenen Bataafs op het Iets van 
S. H. Vernhde y over het succinct Rapport of Berigt der 
Commissie tot onderzoek van het gedrag van het vorig be^ 
stuur 1796. 

Redevoering en tweede Redevoering der bekende Nederland-^ 
sche Staatsregeling 1796, 1797. 

Leerrede naar aanleiding van Ps. XXXIV: 2ia^ waarin het 
begraven der dooden buiten de kerk en stadspoorten wordt 
aangeprezen. Utrecht 1792 8. 
Napoleontische Redevoeringen, Eerste Tweetal Amst. 1814 8. 

Tweede Tweetal Amst. 1815 8. 

Nederlanders! Geen geloof aan Napoleon! Geen vrede met 
den Franschen! Te wapen Moed! Amst. 1815 8. 

De veldslag en overwinning van Waterloo, een leesboek voor 
alle ouders en kinderen^ die godsdienst en vaderland liePiebben. 
Lijkrede aan het graf van Napoleon Buonaparte. Amsl. iS2] . 
Gedenkschrift van de groote kerkhervorming in de zes- 
tiende eeuw, Amst. 1817 8. 

Gedenkzuil op het graf van Bellamy, Haarl. 1822. in ver- 
eeniging met zijne zuster. 

Tentoonstelling der Nederlandsche Nijverheid in drie zangen, 
Amslerd. 8. 

Nagelaten geestige Meng el stukjes, Amst. 8. 
Nagelaten Redevoeringen. Amsterd. 1826 8. 
Vruchten en Resultaten van een zestigjarig leven. Amsterd, 
1826 3 d. 8. Het eerste deel in H volgend jaar herdrukt. 

Voorts vindt men een menigte verhandelingen over allerlei 
onderwerpen en opstellen, van zijne hand in de Vaderl Let^ 
ter oefening en. 

(Aanspraak aan de Nederlanders^ die de lezer een voorbe- 
rigt noemen kan (1782). Denken, Spreken^ Doen (1782). 
Hogelijk ook de Vrifgeest verbeterd, de Mode^ Gemengde Aan" 



Digitized by 



Google 



u 

merkingen C1781}, de Rozen en de Leliën^ het Kind en de 
Vader ^ eene Aanmerking oter de Gierighetd^ Proeve over de 
hoegrootheid der menschelyke Hgchamen, de Woorden en Pen- 
ningen hebben eenerlei gelding. Profil van de Vr^'heid (1783); 
in de Lektuur van smaak , Amst. 1809, 1810. {Het vaderlffke 
huis, 5 stukjes. Aanmerkingen over Wereldkennis en Beschaafd- 
heid, Jets over de Beeldende taal der Dichtkunst, Klaag en 
Toonzang aan mfjne grijze moeder,^ ; in drie jaargfitigen van dèn 
Oeconomischen Tak, Amst. 1801, 1802; iti dén Recens. ook der 
Recensenten, waarvan hij van den aanvang, tnet Kemp er, 
Reinliardt, Clarisse, en Ten Brink, nevens eenige andere 
geleerde mannen, vaste medeschrijver en eenige jaren redacteur 
was, de meeste beoordeelingen van geschiedkundige , staatkun- 
dige , dichtkundige en romantische werken en een menigte op- 
stellen en gedichten plaatsten zoo als: 

De taal der liefde^ Maagdelijke zegepraal, ï^a het onverioacht 
vertrek van m(fn Meisje, Het weldadig vermogen der verheel- 
ditigskracht , Het Blosje van Mollg, Raad aan goede meisjes, 
de Oude en Hedendaagsche liefde, aan de zalige schim m^ner 
oudste dochter, op den dood van Leentje een uur na hare 
geboorte met hare moeder overleden, Uitnoadiging tot het 
zalig lenteleven. Lenteavond in m^n tuinhuis, B^ een verkwik^ 
kende regen. De dood der Natuur, Aan de koude Meimaand 
van het jaar 1816, Aan de lieve kleinen. Het slot Batestein 
te Vianen (Romance^, De Recenceni, Cajus Julius Caesar als 
Staatsman en als Krijgsman beschomDd^ Iets wegens het ver- 
handelen over Niets, Jets over het werktuigelijk vermogen der 
Dichtkunst, Iets o^er Bellam^, Mijnen Akademischen Vrienden- 
kring enz, Menschkundige aanmerkingen. Karakters, Twee woor- 
den over het oog, Aanmerkingen omtfêüt dé oorspronkelijke 
en algemeene beteekenis der Wortelklanken in de Nederduit- 
sche taal, eenige algemeene bruikbare, maar op de Fransche 
scholen minder in acht genométie hulpmiddelen om zich den 
geest der Fransche Taal eigen té maken, Wat behoort de 
Vrouw te zijn. Hoedanigheden in de Verkeering van het grootste 
aanbelang, De zucht der menschen om groot te zijn is kleinig- 
heden, Menschkundige aanmerkingen over de valschheid. Jets 
over het Briefwisselen, Aan Cordatus ^misschien A. Uit ten- 
hoven) toegezonden. Algemeene aanmerkingen en spreuken 
over vriendschap en vrienden, Trouwhart en Constantta, Lize, 
Famine en Leépöld, (zedelijke verhalen). Vragen aan de Na- 
tuurkundigen nopens den buitengewonen zomer van het jaar 1816 
en andereny, in de Star, Waarvan hij zoo lang hij leefde re- 
dacteur was, en die na zijn dood door den hoogleeraar P.O. 
van de Chijs vervolgd werd: Iets over de oorzaken der 
armoede en de hulpmiddelen daartegen , Iets over de ver- 
schillende denkwijze van het Nederl, publiek omtrent de in- 
rigtin^en en het lot der Maats* v, Wetd., Verhand, over de 



Digitized by 



Google 



15 

vraag: werkt eene grondontg innende en fabriceerende kuloni-' 
satie in de groote Maatschappü weldadig terug? en too Ja, 
hoe doet zff dil? Iets oter de besle wijze en meest gepaste 
middelen om Vaderlandsche jongelingen van geringeren of 
verarmden stand tot nuttige burgers der Maatschappij op te 
leiden , Aanwijzing der voordeelen van de €^zondelijke, en echter 
maatschappel^ke verzorging der Armen in Koloniën vereenigd^ 
boven die van derzeher ondeelig en verstrooid bestaan in de 
groote Maatschappappif\ Betoog dat de maatregelen der rege^ 
ring, betreffende de bedelaars te plaatsen in de koloniën der 
Maatschappij tan Weldadigheid, genoegzaam zijn om in 2 of 
3 jaren alle bedelar^ uit te roeijen^ De mensch^ als gezellig 
wezen ^ bestemd tot arbeidzaamheid en zedelijkheid en zijne 
opleiding daartoe de grootste weldaad die men hem in den 
staat van armoede kan toebrengen , Gedachten over eene meer 
doelmatige en bezuinigende verzorging der correctionele ge^ 
vangenen in ons Vaderland, door dezelven even gelijk de 
bedelaars in een koloniaal etablissement over te brengen^ 
Onderzoek of en in koe verre eene meerdere beschaving der 
lagere volksklasse met het belang der nlgemeene Maatschappff 
slrooke en eene strekking hebbe om hare leden van die klasse 
zélve gelukkiger te maken. Wat is ware armoede? Waardoor 
worden en blyven de menschen doorgaans arm? Welke zijn 
de beste middelen om het lot der ware armoede te verzach" 
ten^ om de reeds bestaande nationale armoede te verminderen 
en om de toeneming derzelve voor te komen? Iets over dé 
vatbaarheid van den mensch voor zedelijke opleiding^ zelfs in 
den slaat van z^n diepst zedelijk verval, Js de verplaatsing 
van weezen^ arme kinderen en vondelingen uit de bijzondere 
plaatselijke gestichten en godshuizen in de koloniale etablis" 
sementen der maatschappij van weldadigheid, voor die gestichten 
of de plaatsen hunner vestiging inderdaad nadeelig? Waarom 
waren de stedelijke Godshuizen voor kinderen eertyds minder scha- 
delyk en meer doelmatig dan thans? Eindelijk ontbreekt bet niet aan 
eene menigte van groote ei» kleindere , meest Hoogdoitsche stokken 
en stokjes door hem in onze taal overgebragt. Deze alle op te 
noemen is ondoenlijk. Tot de voornaamste behooren ée Brieven 
over den Kaukasus en Georgien, en Verslag van een reis in 
Persië in 1812, uit het oorspr, Fransch der Reizigers zelve; 
W. van Freygang en deszelfs echtgenoote met aanteekeningen 
Amst. 18} 7, en de meeste romantische werken van C. O. 
Saltzmann, zoo als Blaauwkool , Pappel^ Ligthoofd enz, ent. 
Zie behalve de Beknopte Levensschets van Cl ar is se en Tydeman, 
gedrokt voor de Vruchten enz. het Woordenboek vao van der Aa, Aanh, 
op Nieuwenhuis, Kobusen de Rivccourt, Galerie kist. des contem^ 
poranis T. Vil p. 309, 310; N. G. vap Kampen, Beknopte Geschied, 
der Nederl. Lelt. en Wetens. D. III bl. 182, Dagverhaal van de tweede 
Nation. Verg,, represent, het volk van Nederl. 1). VIII passim ; Heringa 
dg Judü. p. ai9« B o u m au Memoria Clarissü p. 29, 68, 178, 207 ^. 282, 



Digitized by 



Google 



IG 

327.831. J. Schellemn, Oeschied. en Letierk. Mêwgelw, D. ITl St 1. 
1)1. 195. Glasius Godgel. Ned. Tydeman in Mnemoiynz D. XIX bK 
292 — 294, o. h,w. Brinkman. Naaml. van Soeken.'üi nWtr cat , v.poitr, 

OCKERSSE (Jan Cornklis) Afstammeling van een aanzienlijk 
zeeuwsch geslacht, vijfde zoon van Cornelis Ockersse, 
raadsheer in den Hove van Holland en Zeeland, werd 17 Nov. 
1673 geboren. Twinti^jaren ond kreeg hij verlof met (2^ William 
als vriiw'illiger onder den Yice-Admiraal van de Putte in zee 
te gaan, waarmede hij dit jaar en eenige volgende aan de 
krijgsverrigtingen deel nam. Koning Willem III benoemde bem in 
1698 lot kapitein, in welke hoedanigheid hij, in het eerste jaar van 
den Successieoorlog het bevel over hel fregat PAurore voerde 
en de Noordzee legen de Duinkerkers hielp beveiligen. In bet 
volgende jaar tot geen commandement benoemd, wist hij te be- 
werken, dal hij in zijn rang van kapitein op hel schip Veere^ 
als vrijwilliger, onder den kapitein Jan de la Palma geplaatst 
werd. Hier moest hij, onder den vice-admiraal GeleijnEvertsen 
de vlaamsche kusten helpen bewaken. De la Palma^ gedurende 
dien logt overleden zijnde, werd hem het gebied over het schip 
Veere tijdelijk opsredragen. Hierin werd hij weder door de 
Staten van Zeeland bevestigd met de bestemming om zich met 
de vloot onder den Luitenant-Admiraal Gallenburgh naar de 
Middelandsche zee te begeven. Hier bood zich aan Ockersse 
de eerste, maar helaas ook de laatste gelegenheid aan te toonen 
welk een moedig en kundig zeeman hij was. Bij de inneming 
van Gibraltar was hij een der zes nederlandsche kapiteinen die 
met kloekmoedigheid deze sterke vesting tol de overgave hielpen 
dwingen. Vervolgens hielp hij, in den winter van hetzelfde jaar 
1704, een eskader vijandelijke schepen in de baai van Gibraltar 
vernielen en die vesting ontzetten. Eindelijk veroverde hij , 
in de lente des volgenden jaars, in de nabijheid dier vesting, 
na hevigen tegenstand, met de sabel in de vuist een fransch 
linieschap, behoorende tot het eskader van Po in lis, voor welke 
heldendaad hij van s"* lands overheden een regtmatige beloonin? 
ontving. Ockersse klom sedert van rang tot rang, werd in 
1709 Schout bij nacht, in 1723 Vice-Admiraal, in 1730 Luilenanl- 
Admiraal, en overleed 10 Junij 1745. 

Zie; J. C. de Jonge, Gcseh. v. h. Ned. Ztewezen. D IV bl. 

OCKES (Herman) dichler van Hemelsuchl ofte syne laatste 
besigheydt^ bevattende eenige stukken des Nieuwen Tesfaments^ 
als de geboorte , oproedivg . en eenige tconderdaden des Heeren 
Jesu Christi. Haarlem 1649. Lankw. kl. 12ino. 
Zie CaL JBibL Haarlem T. Ill, p. 296. 

OCKÏNGA (Tjaiung}. Friesch edelman, oefende zich in Italië 
in de letterkunde te gelijk met de edelen Homme Homminga, 
Godfried Boorda en SickelCammingha, begaf zich ver- 
volgens in 1099 met dezen naar hel H. land, werden, te Jeruzalem 



Digitized by 



Google 



17 

door koning Godfried minzaam ontvangen, streden legen de 
Saracenen en keerden in 1106 over Jaffa, Venetië en Rome naar 
Friesland terug, waar zij den lldca December van dit jaar, met 
processie, kruis en vanen pleglig werden ontvangen. 

Zie Occo Scarl. Ckr . v . Friesl. bl. 90, 91. Focke Sjoerds, Bist, 
^aarh. ö. bl. Ö81. 

OCKINGA (Watze), een der Friesche edelen, die zich in 1119 
naar het H. land begaven. Te Venetië aangekomen vonden zij 
daar een galei zeÜvaardig om naar Jaffa over te steken,* van Jaffa 
reisden zij naar Jeruzalem, waar toen Boadewijn II regeerde, 
onder wien zij tegen de Saracenen streden. In 1120 nam hij 
deel aan de gevechten in Klein-Azie, en werd met Sicke 
Cammingha door de Parthen gevangen genomen, waar- 
schijnlijk door 6 a 1 a k, toen deze het kasteel Chortbort of Chorl- 
berl, door de christen geschiedschrijvers Karteparta of 
Quartepiert, waarschijnlijk een verbastering van het romein- 
sche Qnarta Parthica, met den koning nam. 

Volgens Occo Scharlensis werden ïij naar Parthie 
gevoerd, doch later voor rantsoen weder ontslagen. 

Zie Otïco Scarl. Chr.v, Friesl. bl. 94. F. Sjoerds, Hist. Jaarb. 
D. I h\. 321. Van KampeB, Geschied, der Kruistogt. D 1 bl. 357. 

OCKINGA (Hebo Van), zoon van LoUe van Ockinga en 
Hls van Albada, komt als Grietman van Wonseradeel voor 
rn de verzoening, welke op den 16dea November 1481 tusschen 
Leeuwarden en de Schieringers werd getroffen. In 1504 was 
hij een der gecommitteerden uit de Staten, afgevaardigd aan 
Hertog George van Saksen, wegens het besluit omtrent de 
leengoederen. Hij woonde op Ockinga-State te Burgwerd en 
huwde IGraats, dochter van Watze Abbes van Dekama,2 
Bikls, dochter van Goslick Ju win ga en Sytske van 
A y 1 V a. 

Zie Vrieraoet, Aih. Wis. p. XXXIIl Geogr. Woordenh.v. Friesl. W, 
t%. Charterh. v. Fri-esl. D. 1 blz. 705, Winsemius. Oir. bl. 402; 
Baerdt van Sminia, Nieutoe Naaml. v. Grietm. bl. 253. 

OCKINGA (LoLLR van) zoon van Watze van Ockinga, 
sedert 1576 Grietman van Menaldumadeel. In 1574 was hy ge- 
committeerde bij de zeedijken en wordt zijn naam gevonden 
op het sleenen monument ter eere van Gaspar Robles bij Har- 
lingen opgerigt. In 1577 liep op eene reis van Mechelen 
naar Friesland zijn leven groot gevaar; want met van 
Tongeren te Ënkhuizen gekomen, werd hij aldaar door de 
soldaten en vooral door de Friesen, die aldaar in garnizoen 
lagen, aangerand. Zg wilden hem doorsteken, op grond, zoo 
als zij zeiden, dat hij een verrader van zijn vaderland was en 
schoonzoon van Anthonis Del Vaille, die voor zeer 
Spaanschgezind en wreed bekend stond , doch hij kwam er me 
den schrik af. Hij onderteekende in 1579 het rekwest aan Ren- 
nenberg tot verhindering van de Unie van Utrecht, doch moest 

2 



Digitized by 



Google 



18 

spoedig daarop het land ruimen; onderscheiden malen inge^ 
daagd, verscheen hij niet, maar begaf zich in Spaansche krijgs- 
dienst en lag in 1585, als luitenant yan Billy's vaandel, met 
900 man bij Geskesbrngge en Visvliet, met oogmerk om Fries- 
land voor den koning te heroveren. In 1580 was hij tegen- 
woordig bij den veldslag tusschen Schenk en Hohenloo. Hij huwde 
1, Elisabeth, dochter van Anthonius Del Vaille, Raad 
in het Hof van Friesland, en Genoveva Nicolaij 2 Hls, 
dochter van Sasker Heringa en Rixt, dochter van Jan 
Romkes, bnrger van Leeuwarden. 

Zie Charterh. D. Til, bl. 1174, 1175; D. ÏV, H. 160, 178, 190. 
Winsemius Chr. bl. 589, 631,754. Baerdt van S m i b i a N. i\^a«»i/, 
V. Grietm. bl. 178, 179. 

OCKÏNGA (Watze van) bijgenaamd de Oude, te Dronrijp, 
zoon van Lolle van Ockinga en Aaltje van Hermana, 
was Grietman van Menaldumadeel. Hij presenteerde op deit 
landsdag van 1540 rekwest tot redres van eenige lasten, zoo 
door de steden als anderzins op de ingezetenen van het platter 
land gelegd. In 1545 behoorde hij tot de Stalen, die zich 
verzetten legen de inbreuk op 's lands voorregten en privile- 
giën. In 1549 zat hij mede in de commissie aangaande het ge- 
schenk aan Filips 11. Den 10 Dec. van datzelfde jaar werd hij 
van wege den keizer tot Raad in het hof van Friesland benoemd. 

Hij huwde 1 Elisabeth Costers, van Brussel, 2 Wiek, 
dochter van Pieter van Cammingha en Eelk Aebinga 
van Blijya, en had bij elke vrouw twee kinderen. 

Zie Stavfib, van Adel. Vpo van Burm. iah. Gen, Charlcrh. D. II, 
bl. 817, Winsemius, Chr, bl. 519, Baerdt vaa Sminia, N. 
Naaml, van Grietm. bl. 175. 

OCKERSË (Antoinette) dochter van Rudolph Ockerse, 
openbaar notaris te Vianen, en van Alida Joorman, werd 
in 1763 te Yianen geboren, was eene dichteres van smaak, 
die zich geheel naar haren man , den beroemden dichter 
en aesthetiker Joannes Petrus KIe ij n. Raadsheer in 
het Hof van Politie en Justitie van Gelderland , en diens dicht- 
trant vormde, gelijk hare in 1800 in het licht verschenen Oden 
en Elegien Qn 1809 met de Nagelaten Gedichten van J. P. 
Kleijn^ en op nieuw Arnhem 1818 gedrukt) en hare in 1817 
Nieuwe Dichtkundige Mengelingen f Amst. 8*3 genoegzaam aan- 
toonen. Behalve deze gaf zij in 1792 gezamentlijk met haren 
echtgenoot, een bundel Gedichten (Utrecht 8^3 Mengelingen 
in Proza en Poëzij [Leijd. 1817 2 d.3 en in hetzelfde jaar 
gedichtjes en vertellingen voor kinderen (kl. 8 met en zon- 
der plat. 3 9 die door Nieuwe gedichtjes en vertellingen voor 
kinderen gevolgd werden. Al deze dichterlijke voortbrengsels 
geven haar een eervolle plaats in de rei onzer Nederlandsche 
dichteressen. Als prozaschrijfster gaf zij soms heerlijke proeven van 



Digitized by 



Google 



i9 

haar soms godsdienstig^ gevoel in hare Gedachten o^ het graf 
van R. Blair (1797 Zalt Bommel 1819. 12 2e dr.), ea De Bijbel 
een bron tan goddelijk onderwijs voor den mensch en zijne 
dagelykscke lecensbetrekkingen (D Ift 1825 3 d.) Id 1822 
gaf zij mei haren broeder een Gedenkzuil op het graf van J, 
Bellamg in hel licht. Zij overleed te Leyden 25 Dec. 1828. 

Zie van der Aa. iV. B. A. C. Woordenb. o. h. w., Kleirty VmcJit. 
en ResuUy van een. zestigjarig /«?a'^« (voorb.) bl. 3. Glasius. God- 
gel. Nederl. o. h. w. 

OCKERSE. (Adelaïde Geestrüida) , gehuwd met Dr. 
Schippers, dochter van de vorige, erfde van de talenten 
harer moeder, blijkens de gedichten die van baar in 1814 het 
licht zagen ea uit eeuige later uitgegeven Gedichten roor de 
ieugd. 

Zie vau der Aa, N, £, J. IFoordenb^ o> h. w» 

OCKINGA (Jawch van) Raad in het Hof van Friesland, 
teoon van Steve van Ockinga, Raad in het hof van Fries- 
land en van Magdalena van Burmania, werd 18 Febr. 
1644 te Leeuwarden geboren. Reeds als dertienjarigen knaap 
Werd hij, (13 Nov. 1651) tot kapitein der infanlerie aange- 
steld. Den 13 Febr. 1666 aanvaardde hij zijn militaire be- 
trekking en den gewigtigen post van Raad in den Hove van 
Friesland. In 1673 leverde hij met zijne ambtgenooten Hora- 
lius van Kn ij ff en Assuerus van Grovestinsbijde 
Stalen der Provincie een vertoog in, waarbij zij verzochten 
ontslagen te worden van het doen van den eed van geheim- 
houding der adviezen, in de vergadering van het hof gege-^ 
ven , vermits zij oordeelden dat iemand , die tot zulke hoogst- 
gewigtige ambtsbelrekkingen geroepen was, van zelfs behoorde 
te welen wat voor de dienst des lands moet verzwegen of 
geopenbaard worden. Bij resolutie van de Staten werden zij in 
het gelijk gesteld, en het Hof verzocht hen weder toe te la- 
ten tot de beraadslagingen, waarvan zij, uilhoofde van hunne 
weigering om den eed te doen waren uitgesloten. 

Tot eersten en presideerenden Raad in het Hof benoemd, was 
Jarich tevens Curator der Akademie te Franeker. 

Hg was een bekwaam en geleerd man, bemind en geacht 
bij zijne landgenooten en medeburgers, alsook bij de vorsten 
van Oranje-Nassau. Hij beoefende de wapen- en natuurkunde. 
In de variae geneahgiae van Jhr. Alex. Jos. van der Laen 
leverde hij de genealogie der Grovestins, en in het 5^am- 
boek tan den Frieschen Adel dat van Ockinga en meer anderen. 

Hij overleed 7 Nov. 1714 Tweemaal was hij gehuwd 1 
met Barber van Camslra, dochter van Homme van Cam- 
stra en Edwert van Juckema, wed. van Bonne van 
Harinxma Donia, geb. 9 Maart 1634, gesl. 30 Nov. 1696. 
2. Ida Maria van Sixma, dochter van Ulbe van Sixma 



Digitized by 



Google 



20 

en Alegonda van ünia, 26 Aug. 1705 overleden. Mi** 
G, J. van Eekoma vervaardigde een treurzang op haar dood 
en R. R o uk e ma een grafschrift op haar zoon Wat ze Hero 
geb. 30 Jan. 1701, overleden 11 Sept. 1705. 

Zie Vriemoet. Alh, Fris. J. van OcHn^a door H. Baerdt van 
Sm in ia in N. Frieschc volkszalm 1855 p. 93 volgg. Charterh. v, 
Friesl. 1). V, bl. 949 en 951. J, Baders Camoenae Juven, p. 96, 147^ 

OCKO TEN BROEKE was een magtig hoofdling in het tegen^ 
woordig O.-Friesland in de nabijheid der Ommelanden in dè 
15c eeuw. Tijdens den aanhoudenden strijd tusschen de Scïiie- 
ringers en Vetkoopers hield hij de partij dezer laatsten, en ver- 
bond zich met de stad Groningen, Hnnsingo, Frivelgo, Lange-* 
wold, Fredewold en Hnmsferland met de Vetkoopers van Hin- 
lopen en Workum tegen de Schieringers. In September 1420 
werd er te Leeuwarden een verbond tusschen Ocko ten 
B r o e k e , de landen van Ooster- en Weslergo en de stad Gro- 
ningen gesloten, iels wal te meer noodzakelijk was daar Her- 
tog Jan van Be ij eren, graaf van Holland , Zeeland en Fries^ 
land de Schieringers ondersteunde. 

Zie van der Chijs, de Munten van Friesïanct, Groningen en Drenthe. 
bl. 397, 619, 626. 

ODA. De H. O da was de dochter van eenen der koningen 
van Schotland, men gist van Eu genius VIL die in het jaar 
700 leefde en tot in 716 hel gebied over Schotland gevoerd 
heeft. Volgens de legende werd zij op eene wonderdadige wijze 
van eene blindheid genezen toen zij bij de heilige overblijf- 
sels van den H. Lambertus, bisschop van Tongeren, een be- 
devaart had gedaan. In haar land teruggekeerd, ontvlugtte zij 
omtrent het jaar 722 het ouderlijk huis, begaf zich eerst naar 
den berg Gargan in Apulië en naar Rome, en vestigde zich 
eindelijk in de landstreek Taxandria. Er worden verscheidene 
plaatsen van het oude Taxandrië opgenoemd , welke eenigen tijd 
lot verblijf aan de H. O da verstrekt zouden hebben , zooals de 
zandheuvels, welke zich aan de Poel, in het gehucht Mersele, 
onder Venray (^vikariaat van Limburg) bevinden, waarom men 
daar ook een bedehuisje, ter harer eere opgerigt, aantreft. 
Er is ook eene groote kapel ter eere van de H. O da bij 
de stad Weert gebouwd, ter gedachtenis dat deze heilige zich 
daar- eenigen tijd in een afgezonderd bosch heeft opgehouden. 
Ook voert een zandheuvel aan den regteroever der rivier de 
Dommel, in het gehucht Vressel onder St. Oederode, van ouds 
den naam van St. Odenberg, omdat eene oude overlevering 
getuigt da de H. Oda daar eenigen tijd haar verblijf heeft 
gehouden , eer zij hare laatste woonplaats , omtrent drie vierde 
uurs van daar verwijderd, gekozen had. In deze laatste ver- 
blijfplaats ziet men nog een klein , rond en met gras begroeid 
zandheuveKje , welk mede den naam van St. Odenberg draagt, 



Digitized by 



Google 



21 

waar de heilige, volgens overlevering, gewoond heeft, gestorven 
en begraven is. Men heeft eens een houten kapelletje gebouwd , 
dat in de eerste jaren na den Munsterschen vrede is wegge- 
ruimd, doch later heeft men in de nabijheid van dit heuveltje 
eene schoone kerk met een collegiaal capittel voorzien, ter 
eere van de H. O d a gesticht. Volgens de schrijvers der Acta 
S, S. Belgii is O d a omstreeks 726 , in den ouderdom van on- 
geveer 85 jaar overleden. Haar feestdag wordt in het Bisdom 
van 's Bosch jaarlyks den 27 Nov. gevierd. Te St. Oederode 
worden overblijfsels dezer Heilige bewaard, en vroeger ver- 
toonde men er ook hare doodsbaar. 

Zie: Acta S. S, Bel(/ii T. VI, p. 594—697, 602, 607-110, 615. 
Grammaye, Beland, p. 15. Van G i l s , Kath. Meijer. Memorih., bl. 
547 , van Gils en Coppena, Seichrijving van het Biadom van 
*i Bosch, D. III, bl. 123 volgg. 

ODE (Jacobüs) werd den 11 Dec. 1698 te Zulphen geboren, 
studeerde, schoon niet onafgebroken, in de Godgeleerdheid 
aan de Harderwijksche Hoogeschool. In jeugdigen leeftijd 
(^1723) reeds tot buitengewoon Hoogleeraar der wijsbegeerte 
te Utrecht beroepen , werd hij later almede met het buitenge- 
wone theologische professoraat aldaar vereerd, (1727} maar 
dit laatste leide hij na verloop van eenige jaren (^1 736} neder, 
om vervolgens alleen Hoogleeraar der Astronomie, Wis- en 
Natuurkunde te zyn. 

In 1733 geraakte hij in hevigen pennestrijd met den Groninger 
Professor Dri essen. Toen de hoogleeraar Lamp e van on- 
regtzinnige Roëllistische meening omtrent de generatie van Gods 
Zoon beschuldigd werd, trad ook Dri essen onder de bestrij- 
ders van dien geleerden man op. L a m p e was reeds overleden 
en nu nam Ode zijne parlij op met het schrijven eener J^jpis- 
iola ad A, Driessenium ^ in qua tera celeb, Lampü senten- 
tia de naturali et aeterna filii Dei a patre gencratione eX' 
ponitur. 

Dri e SS en antwoordde hierop in scherpen toon inhetvoor- 
berigt van zijne juist in het licht verschijnende terklaring van 
het Hooglied^ en zeer spoedig volgde nu van Ode een niet 
minder scherp tegenschrift bij de HoUandsche vertaling van zij- 
nen evenvermelden brief. Er volgden nog een aantal schriften, 
die echter weinig meer nut aanbragten , dan dat zij gelegenheid 
gaven om Driessen van een voorbarig oordeel te beschuldigen 
en te bewijzen dat geschillen op het gebied der godgeleerdheid 
zeldzaam zonder billijkheid gevoerd worden. Behalve eenige 
Dissertatien (o. a. de sole Chrisli ültr. 1727) gaf hij in 1739 
te Utrecht een Comwen/anws de ^w^c/«s, een zeer uitgebreid en 
geleerd werk, waarin hij o. a., gelijk vele zijner tijdgenoolen, 
het overgeloof aan tooverij en aan den omgang met booze gees- 
ten verdedigde. 

Hij huwde 25 JuUj 1748 met Jacoba Adolphine, doch- 



Digitized by 



Google 



22 

ter vaD Adolpli Frisvogel, Majoor van een regemenl gre- 
nadiers ia stalen dteusi, en van Sop h ia van der üoefL 
Zij werd den 22. April 1686 geboren, en overleed den 12 OcU 
1750. Hg stierf den 28 Nov. 1751, in den ouderdom van 55 
jaren j zonder kiu'leren na te laten. Den 20sten Jan. van het 
volgende jaar hield de boogl.^ Reits eene lijkrede op hem. 

Zie R e it z, OraL fuueb. Heringa, de Audit. p. ] 47 . Y p e y e» 
Dermout, Getch. der Herv. Xerk , D. III, 1)1. 507. SchoteU 
Kerk. Dord. D. JI, W. 299, 356. Naaml. van alle de HU. Prof. 
achter Voet»* Houder dj. Jubel. Gedacht, d^ JJtr. Jead. Bonman 
Geschied, d. Geld. Hooges. D. II. Glasius Godgel. lipderl. o. h. w. 
Bihl. Raia, T. XXIII p. 448, stiiv. Acta Lips. Moel'z. d. gcb. we^ 
reld, 17*3 a bl. 1733 a 229, 230. Miic. Dmsburg , T. ÏI p. 394, 
753. Misc.Gron. T. III p. 704. Kkker, de Hieronschool te Utrecht 
2de stuk bl. 85. 

ODËLARD. Volgens een sprookje leefde er in de 13e eenvr 
een zeker vermogend man, genaamd Odelard, die aan me- 
laatschheid lydende, op zekeren tijd te drinken vroeg. Zijne 
dochter nam een driokschaal, spoelde die om en gaf liarea 
vader te drinken. Nadat hij gedronken had, spoelde zij de 
schaal andermaal om, en het maagdelijn dronk insgelijks; 
doch die handelwijze mishaagde Odelard'*: het hinderde hem 
dat zijne dochter zwarigheid maakte om den beker, door hem 
zoo even gebruikt, ongereinigd aan den mond te brengen^ 
en daarom vertoornde hij zich, onterfde zijn kind, en gaf al 
zijn goed aan de abdij van St. Geertrui te Nyvelles. Op die 
wijze kwam ook de drinkschaal van Odelard naar die abdij 
en begon men , vooral onder de vorsten en edellieden , de ge- 
woonte aan te nemen om daar ter plaatse de patera hivellensis 
(^de schaal van Kyvelles) te gaan drinken. Men vindt eene af- 
beelding dier schaal in Vitae St, Gertrudis^ abbalissae JSlvil^ 
lensis Brabantiae ^ tutelaris historicae narrationes tres. Nuna 
primum in lucem erutae, cura el studio Josephi Gerolft 
Ryckel ab Oirbeeck^ Abbatis St, Gertrudis Lotaniensis, Lo- 
vauii 1632 4°, 

Zie S c r i V e r i u s , Toetsteen bl. 263, A 1 k e m a d e, Nederl. Displegt, 
bl . 208 Vimage de la noblesse de Sainte Gertrude et de ses garens par 
Rebreviette, sieur des Escoeuvres , Paris 1612 

ühr. V. h. Hist. Genoois. ü. II, bi. 324, 332. 

ODEN ( VAN dee]| volgens Na gier een kunstgraveur of 
kunstliefhebber, tijdgenoot van Jacob Collot (_zie dit art.) 
wiens portret hij graveerde. 

Zie Kramm, Lev. en werk, d. Hoü. en VI. Knnsis, D. IV 
bl. 1217. 

ODEVAERE (^Josjeiph DioktsiusJ, een zoon van een raadsheer 
te Brugge, werd aldaar den 2 Oct. 1778 geboren, ontving 
op de school der Augustijnen onderwijs in de oude leUe- 
ren, doch werd, daar de Leuvensche hoogescbool, bij de komst 
der Fransche troepen in België, opgeheveü was, door zijn va- 



Digitized by 



Google 



23 

der voor den handel bestemd. De jongde Odevaere gaf zieh 
in de uren, die bem van hel hem zoo verdrietige kantoorw^erk 
overbleven, aan z'u'ne neiging voor de teeken- en schilderkunst 
over, woonde de lessen aan de academie bij, won achtereen- 
volgens verscheidene medailles en eindelijk den grooten prijs. 
Nu wijdde hij zich, met toestemming van sijne ouders, geheel 
aan de beoefening der kunst en begaf zich met aanbevelings- 
brieven van zijn achlingswaardigen stadgenoot Suvee, naar 
Parijs, kwam daar, wijl Suvee tot directeur van de Fransche 
school te Rome benoemd was , onder de leiding van D a v i d , en 
bleef bij dezen tot in 1802, het tijdstip van den grooten wed- 
strijd, werkzaam. Schoon zijne pogingen ditmaal niet gelukten, 
vatte hij echter zyne studiën met vernieuwden ijver op en be- 
haalde in 1804 den grooten prijs in het schilderen (^het onder- 
werp der prijsslof was de Dood van PhocionJ) Luisterrijk werd 
hij (29 Oct. 1804} in zijne geboortestad ontvangen, de aca- 
demie bood hem een gouden medaille en het stadsbestuur een 
geschenk in zilver aan. In September van het volgende jaar 
vertrok hij uit Rome , waar hij acht jaren vertoefde. Gedurende 
zijn verblijf aldaar, vervaardigde hij de Krooning van Karel 
de Groote^ die in 1810 op de tentoonstelling te Parijs en vooral 
door Napoleon zeer werd geprezen. In 1811 werd Ode- 
vaere belast met de vervaardiging van twee groote schilderijen 
in fresco voor het pauselijke paleis Monte-Cavallo , Romulus 
des veldheers huit behalende en de Grieken en Trojanen^ el- 
kander het lijk van Patroclus belmstende ten onderwerp heb- 
bende. De politieke gebeurtenissen beletten de voltooijing dezer 
ordonnanties. 

Na zijne terugkomst uit Rome (waar hem het lidmaatschap 
der beroemde academie van St. Lucas was aangeboden) schil- 
derde hij verschillende stukken, waarvoor Napoleon hemeen 
gouden medaille vereerde. In 1814 bood hij , door den generaal 
Evers voorgesteld, Willem I, koning der Nederlanden , eene 
teekening, de Unie tan Utrecht voorstellende, aan. De vorst 
droeg hem op die in het groot op doek te brengen. Deze 
schilderij bevindt zich thans in de audiëntiezaal op het paleis. 
£en jaar later werd hij tot schilder des konings benoemd en 
belast eene schilderij te vervaardigen , voorstellende het oogen- 
blik, waarop de kroonprins in den slag van Waterloo werd 
gekwetst. Dit stuk, op uitgebreide schaal uitgevoerd, werd 
herhaaldelijk ten toon gesteld en bragt veel op voor de armen, 
ter wier behoeve de tentoonstelling, zoo te Brussel als in 
andere steden, plaats had. Ook schilderde hij, op last des kO'- 
nings, de Slag bij Nieuwpoort 1600, om tot pendant van den 
Slag van Waterloo te dienen. Op de Brusselsche tentoonstelling 
zag men van hem de Krooning van Karel de Groote^ Raphaël 
door Bramante aan Paus Julius 11 voorgesteld^ de Marteldood 
van St, Laurentius en anderen. Op de Gentsche expositie van 



Digitized by 



Google 



24 

1828 was vau hem Phedra hare misdaad aan Theseus ken&aar 
makende en Narcissus ^ zich in het water spiegelende^ en het 
volg^ende jaar op die van Gent de Zegepraal f>an Cimabure. 

Odevaere beoefende ook de fraaije letteren, verzamelde 
te Rome bouwstoffen voor eene geschiedenis der kunsten in 
Italië sedert hare herleving tot op Raphael, en arbeidde toi 
zijn dood aan eene overzetting van Ra phaePs leven, waarvoor 
hij reeds verschillende teekeningen vervaardigd had, toen hij 
in het begin van Februarij 1830 te Brussel overleed. 

Odevaere was Lid van het Kon. Ned. Inst. en Ridder van 
de Ned. Leeuw. Zijn beeldtenis is door hem zei ven vervaardigd^ 
ook gaan er andere portretten van hem mt. 

Z'e Galene des Contemporains, T. Vllf, p. ^11, 312. Immerzeet» 
Zev. en werk. der HoU. en 1^1. KunsUch, bl. 274, 275; Kramm, Lev, 
en werk. der HolL en VI. KunslscA. D. IV, bl. 1217. Verslag der j'aarl^ 
ziU, V. h. Kon. Ned. InsL 1830 Muller, Cat, t?. portr^ 

ODILBALDÜS , een Fries van geboorte , bekleedde na den 
Utiechtschen bisschop Hungerof Hungcrus, in de 9de 
eeuw, volgens sommigen gedurende 23 volgens anderen, meer 
waarschijnlijk, gedurende 33 jaren den bisschoppelijk ülrechl- 
schen zetel. Nadat de Noorman Gotfried, die eenig gebied 
in deze landen voerde, omgebragt en de zijnen door de Frie- 
sen uit Teisterband, aangevoerd door hunnen graaf Gerolf 
verslagen waren, werd Odiibaldus in het meer gerust be- 
zit van zijn bisdom hersteld. 

Het eerst ontmoeten wij hem uls bissebop van Utrecht in 
873 in eene kerkvergadering te Keulen bij gelegenheid der 
inwijding der St. Petruskerk aldaar gehouden , eene vergade- 
ring, waarin een besluit werd genomen dat voor het leven 
der kapittelgeestelijken belangrijke gevolgen had. 

In 887 ontmoeten wij hem wederom te Keulen in een pro- 
vinciaal-synode, die eenige gewiglige bepalingen aangaande 
zekere kerkroovers maakte, en andere die den zedelijken wan- 
del van geestelijken en leken betroffen. 

Gelijk zijne voorzaten behartigde hij de zaak der heidenbe- 
keering , ook was hij een vriend van de vrijlating der lijfeige- 
nen. In zijn tijd werd het Benedictijner nonnen, later mannen 
klooster, nog later abdij te Ëgmond, gesticht. Zwentibold, 
koning van Lotharingen , onlsloeg ten jare 890 , onder het be- 
stuur van bisschop Odilbald de onderdanen der -Utrechtsche 
kerk van de betaling der tollen, die ten behoeve van de vor- 
stelijke schatkist, te Tiel en te Deventer geheven werden, ter- 
wijl hij tevens de overige, vroeger verleende voorregten der 
kerk bevestigde. Bij Heda bl. 64 komt eene lijst voor van de 
goederen en vrijheden der Utrechtsche kerk, naar hij meent, 
van bisschop Odilbald opgemaakt, waaruit men kan opmaken 
hoezeer zij door de vrijgevigheid van vorsten en edelen in den 
(ijd van twee eeuwen in rijkdom en aanzien gestegen was. 



Digitized by 



Google 



25 

Eene min kritische beschouwing van die lijst of commemo-- 
ratio ^ waarvan nog twee teksten bestaan, heeft men Dr. Pb. 
G. V. d. Bergh tot het gevoelen doen overhellen dat men het 
stuk tot omstreeks 960 moet brengen. Volgens Re gin o stierf 
hij in 899. 

Zie Joh. de Beka. Chron. p. 20. Buchelius <m? Hedam p. 70. 
Begin o, Chron, Pertz. T. I. p. 609; liamconii Frina p. 108; 
Bat, soera T. I. p. 158; van Gils, CatA. Meijer ^ Memoriehoek. bl. 64. 
van Gils en Coppens. N, JBeschrijv, v, h. Bisd, van 's Bosch. D. I. 
bl. 124; V. d. Chfjs, de Munten der Bisschop van Utrecht bl. II — 12; 
de Munten van Holt. en Zeel. bl. 7; Friest, Gronin^, en Drenthe bl. 
368, Mo II. Kerkgeschiedenis van Nederl. bl. 264—265. Arend, Vod, 
Gesch. D. I, hl. 314, 316, 410 st. II, bl. 7; Cat. Biel. ]^M. Lugd. 
Bat. p. 58, 60, 370, 

ODILIA van Salvis en Jan van Salvis, zuster en broeder 
van Simon, heer van Born in Limburg, stelden zich na 
diens dood in het bezit van zijne erfenis, maar behielden ze 
niet laug, want zij verkochten ten jare 1400 Born, Siltard en 
Susteren voor 70.000 goudguldens aan Willem Hertog 
van Gulik en Gelder. Sedert dien tijd bleef de heerlijk- 
heid van Born aan Gulik gehecht, tot dat zij later, na de 
beroeringen der Fransche staatsomwenteling op het einde der 
18de eeuw, eene andere bestemming kreeg. 
Zie V. d. C h ij 8 , de munten der Leenen in Braband en Limburg bl. 73, 

ODIMARUS, Odtmarus, Orlmar, Orlmir of Ortmeijer, vol- 
gens Trithemins koning der Franken, doch volgens Pica rdt, 
niet een coninck der Francken maar een Prince, Dynasta en 
Heerscher der Sicamher of Geldersche Volcken , eer de Sales soo 
vermoert en bekend waren, die met hulpe der Gelderschen^ 
Westphalingen , Tubanlen en Sallanders, de Romeynen altydt 
in "'t vaarwater geweest is, en in de hayven geseten heeft, 
van dien tydt af dat die selte have Heerschappye in deze Landen 
stabileerden , en vertelt nog te veel van hem om hier mede te 
deelen. Tritteneus en van Heusden en met hen vele anderen, 
wilten dat hy de stichter van Oolmarsum in Overijssel zou 
geweest zijn , H geen echter door van Rhij n weersproken wordt, 
en wil den naam van de Marsaten, Maresaten of Moerasbewo- 
ners afleiden. Men wil dat O dim a rus iu het jaar 127 na C. 
gestorven is. 

Zie J. Picardt, Bcschrijvinge van eewige ver geiene en verborgene 
Antiquiteiten der Provinciën en Landen, gelegen tusschen de Noordzee , 
de Yssel, Eenise en Lijppe bl. 105, 105; van Beursen, Kerh. Ovdh, 
D. Yl bl. 655—657. Navorscher D. II bl. 247 DIII bl. 247. 

ODO of Odardus, te Orleans geboren, was abt der abdy 
van den H. Martinus bij Doornik van de orde van B ene- 
die tus, toen hij in 1105 tot bisschop van Kamerijk gekozen 
werd. Hij kon , zoo als zijn voorzaat Manasses, geen bezit van zyne 
bisschoppelijken stoel nemen. Deze toedragt van zaken duurde 
tot het jaar 1106, wanneer de afgezette bisschop Gualthe- 



Digitized by 



Google 



ras, bij den dood van keizer Hendrik IV, werd verdreven. 
Omstreeks het jaur 1112 weigerde hij den bisschoppelijken 
staf en ring uit handen vaH keizer Henricus V te ont- 
vangen, en werd daarom in ballingschap gezonden. Hij is, den 
19 Junij 1113 in de abdij van Anchin bij Douay gestorven. 
O do was een zeer geleerd en deugdzaam herder. Hij had te 
Doornik, voor dat hij bisschop was, met grooten roem on^ 
derwijs gegeven, zoodat men uit Saksen derwaarts kwam 
om zijne lessen bij te wonen. Hij heeft ook eenige god- 
geleerde werken nagelaten, die voorheen in verscheidene 
kloosters in Nederland werden bewaard. Zijne Homilia de i?t/- 
Uco inquitatis zijn door Martine in Thes^ anecd. Tom V. 
Par, 1711 uitgegeven. Zijn Expositio in canonem Missaestt- 
6cheen Paris. 1575, 1589 Colon. Agrip. 1618 Paris 1624 en 
in Bibl, Patr, vol, 4 col, 395 en fol. f>ol. 6 coL 549 in fol. voL 
Xn Part, p. 404 en fol. op de Bibliotheek der Leydsche Hooge 
school wordt bewaard Odonis Camer. Episc. disputalis cum 
Leone Judaeo de Jucarnatione Christi in hands. 

Zie Mi ra ei Dipl. T. I. p. 519; van Gils. Cath, Meijer Menofiib, 
bl. 47; van Gils en Coppens, Nieuwe beschrijving van '^ Bosch. D. 
I. bl. 92. A d el u n g en R o t e r m u n d, Cave, Scripte eccl. T. II. p. 189 ; 
Eist. liter, de la Francc T. IX. p. 585 seqq. Aschbach. Algem. Kir- 
chenl.t.w. Val. Andreas BiöLÈelg.-p.lOb. Goethals, Eist. de Let- 
tres T. III p. I suiv. 

ODOKAR. Sommigen gissen dat hij dezelfde was met graaf 
Dirk I. Hij was een der graven die door koning Zwenti- 
bold van zijne waardigheid was beroofd, met wien zich Ra- 
giner, hertog van Hasbain en Henegouwen, na in 898 in de 
ongenade van dienzelfden koning gevallen en van zijne bezit- 
tingen beroofd te zijn, verbond. Zij wierpen zich in Durfos, 
waar zij zich verschansten. Zwentibold kwam mei een leger 
voor die vesting, doch de ongenaaklbaarheid der plaats deed 
hem onverrigtea zake terugtrekken. Onmagtig om het langer 
tegen Zwentibold uit te houden, zochten Ra giner en O do- 
kar hulp bij Ka rel den eenvoudige. Kar el bragt hierop 
zijn krijgsmagt bijeen , toog eerst naar Aken , en, na het bemag- 
tigen dier stad, naar Nymegen, en reeds stond hij gereed 
dieper het land in te dringen en Zwentibold slag te leve- 
ren toen de vrede tusschen de beide vorsten onverwacht ge- 
troffen werd. Na herhaalde Zwentibold zijne pogingen om 
Durfos te bemagtigen, doch te vergeefs, en zag zich genood- 
zaakt het beleg op te breken. Het rijk van Lotharingen werd 
na den dood van Arnoud, door de grooten Zwentibold 
ontnomen en aan Lodewijk, wettigen zoon van den eerstge- 
noemden gegeven. Na den dood van dezen veroverde Ka rel 
de Eenvoudige Lotharingen. Raginer en Odokar waren de 
eersten die hem toevielen. 

Zie Begino ad annunt 898, 899, 900; Botkens, Pr.-unes 



Digitized by 



Google 



27 

T. I. p. U; Miraei Diplom, Belg. lib. II. C. XV, io Tom I. Opera 
JHplom, p. 252; Goudhoeven, Chr. bl. 77. Jnnal. Metens. ad annum 
898, 899. Wagenaar Vad. Hut. D. II. bl. lOO^volgg. v. d. Heurn, 
JBeschrijv. van *s Bosch, D. I. bl 64, 65. 

ODRADA werd in de Xllde eeuw te Balen (^de kanaat Geel') 
geboren en is daar ook overleden; doch werd te Alem be- 
graven, waar zij byzonder vereerd werd, gelijk ook hare 
overblijfselen in het klooster der Carthuizers te Yucht. Bis- 
schop Zoësius verleende den 9den Augustus 1617 eene aan- 
zienlijke relikwie van deze Heilige aan Philippus Nevius 
of Neuck, pastoor te Hoogemeerde , die deze relikwie, om ze 
den hervormden te onttrekken, aan den prelaat van Averbode 
heeft overgegeven, door welken zij den 27 December 1654 
aan de kerk van Balen is overhandigd. Genoemde bisschop had 
ook in een der allaren , die hij in 1 624 te Schijndel wijdde , eene 
relikwie van de H. O dra da gesteld. De overblijfselen dezer 
Heilige Maagd, welke te Alem berustten, zijn in 1663 naar 
Macharen (dekanaat van Ravenstein en Megen} overgevoerd. 
Ook de Millingen fdekanaat van GeelJ is van ouds de H. 
Odrada bijzonder aangeroepen. Men vindt vermeld dat Wi ch- 
mans het leven dezer Maagd met aanteekeningen verrijkt heeft. 
Het blijkt intusschen niet dat deze in druk zijn uitgegeven, er 
wordt althans onder de boekwerken van dezen schrijver, bij 
Foppens daarvan geen gewag gemaakt. 

Zie Officia, sanet. dioec. Sylv, p. 7 editl807. van G lis, CatA. Meijer, 
Memorieb. bl.207; van Gils en Coppens. N. Beschrijv, van^s Bosch, 
D. IV, bl. 206, 207. Miraei Dipl. T. I. p. 4t&^. 

ODRY ( ) Van dezen beoefenaar der teekenkunst kende 
Kramm slechts Ttcee koeijen^ staande in een waterplas ^ mees- 
terlijk met de pen geteekend en een weinig gccouleurd. 

Zie Kramm. Zeven en werken der Holl. en Vl. kunstsch. D. IV, 
bl. 1217; Catal van /, O. Uusly, AmsU 1798, bl. 10. 

ODULPHÜS werd, volgens eene overlevering, te Best Qn een 
huis, staande op den grond, waarop in 1437 een kapel ter 
zijner eere is gesticht), uil een voortreffelijk geslacht der Fran- 
ken geboren. Priester gewijd, wenschle hij in het kloosterleven 
zijne zaligheid met meerdere verzekering te bewerken, doch 
daar zijne ouders hem dringend verzochten dat hy te Oirschot 
de herderlijke bediening zoude aannemen, werd hij, naar 
men meent, omtrent het jaar 806 pastoor in die plaats. 
Later begaf hij zich onder de kanunnikken van Ulrecht , welker 
stichtende levenswijs hem getroffen had, en stelde hij zich 
onder het bestuur van bisschop Fredericus. Te Utrecht scheen 
hij door zijnen voorbeeldigen levenswandel, en door zijo ijver 
in het prediken zoo uit, dat hij lot bestuurder der gansche 
vergadering van kanunnikken werd aangesteld. Fredericus 
zond hem vervolgens naar Friesland, ora de inwoners van dit 
gewest, by welke een groot zedebederf heerschte en eenige do- 



Digitized by 



Google 



28 

lingen legen het geloof plaats hadden op den regten weg terug^ 
te brengen. Hij genoot de voldoening dat door zijn ijver de 
zuiverheid der zeden en de opregtheid des geloofs hersteld 
werden. Verblijd dat de breuk der kerk voor het oogenblik 
genezen was, doch niet zonder zorg voor de toekomst, en na 
te Staveren een kapittel van reguliere Kanunniken geslicht Ie 
hebben, nam hij afscheid van de talrijke schaar, die zich bij 
zijn vertrek om hem verzameld had en keerde hij naar Utrecht 
terug, waar hij omtrent het jaar 837 in hoogen ouderdom over- 
leed. Zijn jaarlijksch feest wordt den 12 Junij in het vicariaat . 
van ^s Bosch gehouden. Hij is ook de beschermheilige der kerk 
van Borch-Loon in het land van Luik. In Noord-Holland is hij 
de patroon der kerken van Wijk op Zee en van Assendelft, 
terwijl in Friesland, waarvan hem de kerk van Bakhuizen is 
toegewijd, voorheen nabij Staveren een klooster heeft gestaan, 
dat naar hem St. Odolfs klooster werd genoemd. Hij werd in 
de kapel van St. Victor naast de St. Salvator*s kerk te Utrecht 
begraven. Aldaar werd zijn hoofdpan in een zilveren hoofd be- 
waard. Lap van Waveren maakt melding van zijn houten sap. Men 
zegt dal hij geschreven heeft, Antidotum sive Amuletum ad^ 
versus striges^ incubos et simifes daemonum praestigias. 

Zie Bat Sacra T. I p. 140 seqq. Acta sanct. op 12 Janij. Vita S 
Odulphi bij Surius. Hamconii Frisia p. 66. A. Miraeus, Annal^ 
Belg. ad annum 830. Val. Andreas, Bibl. Belg. p. 704: Siveer- 
tiu8, Ath. £éri^. p. 58. Joh. a Leijdis, de rebus gesiis D. B. de Br ede- 
rode in A. Matthaei, AnaU T. I p. 661. Buchelias, ad Hedam 
in Fred. Epüc. Ckr. aucüus Joh. de Beka by Matthaeu», Anal. T. 
III p. 36, 475. Van Gils, Kaih. Meijer. Memoneb. bl. 244. Van GiU 
en Coppens, i^. Beschrijv. v. h. Bisd. va» *s Boseh D. IV, bl. 78, 
Mo 11, Kerkgesch. D. 1 bl. 377, 378; v. d. Chijs. Be Munten van 
Friesl. Gron. en Drenthe bi. 168, de Munten der Heeren en steden van 
Overijssel bl. 30, 141, de Munten van Hoü. en Zeel. bl. 168. Zaanl. 
Jrarb. 1843 bl. 90. (flfe vierdag van St. Odulphus) 1845 bl. 101 {St. 
OUulphus en de Zeeman.) Arend. Fad. Gcsch. St. I. bl. 389. 
Jöcher, Kobns en de Rivecourt. Muller, Cat. van Fortr^ 

ODYK. Zie Nassau (^Willem vanj 

OË (J.) Alleen bekend door een Leerdigt ter begravinge van 
Z. D. Willem Karel Hendrik Friso, op i SepL 1728. 

OËDË van Bergen^ dochter van den heer van Bergeni 
was gehuwd met Kloris van Borselen, die haar 9 
onder waarborg van hertog Aalbrecht van Be ij e re o, „to^ 
eenre duwarie**^ maakte , "horen leve gedurende de achte hon^ 
dert Hollantsce gulden H sjairs enen Ëngelschen nobel van des 
conincx munte van Ëngelant voir drie gulden gerekent, ofpay- 
ment dat also goei is dair voir\ 

Zie V. d. Chijs, Be Munten van Holl. en Zeel. enz. bl. 237. 

OËDSKA (^Mr. Aügustinus of Auke} zoon vanDirkFreerksz. 
in 1531, en broeder van Feike Dlrcksz. in 1550 griet- 



Digitized by 



Google 



toöiihen van Idaarderodeel, was sedert 1553 grielmaö van Dan- 
taroadeel. Doctor in dereglen zynde, stond hy als een bekwaam 
i'egtsgeleerde bekend. Afkeerig van de Spaansche dwingelandij 
beboorde hij tot het verbond der Edelen en was met Joban 
van Bonga en andere Friesehe Edelen in hel leger der ver- 
bondenen, toen zij den 24 Aug. 1571 de stad Staveren in- 
namen. In ditzelfde jaar en denkelijk noch voor dezen veldlogt 
werd bij van zijn ambt ontzet, en door Üoeke van Martena 
met Seerp van Galana en eenige anderen opgewekt, om 
Leeuwarden den ^rins van Oranje in handen te spelen, welke 
aanslag echter mislukte. Na nog menigvuldige bewijzen van 
vaderlandsliefde en dapperheid gegeven te hebben, schijnt hij 
omtrent 1578 of 1581 overleden te zijn. 

Zie C a r o 1 u 9 , Lib . II. de rebus gesiis. Billaei p 379 ; B o r, Ned. Histi 
B. VI bl, 279, Winsemins, Hist. p. 139; Schotanus, GescA. v, 
Friesl. bL 763. Gabbema, Verh.v. Leeuw. bl. 539. Tc Water, Ver- 
bond d. Edelen^ 8 st. bl. 194, 195. van S min ia, Naaml. v. Grietnt, 
bl. 117, 118. G. de Wal, de Clar, Frisiae Jnrisc. p. 15, 86. 

OELEN (Abrah. Jansz. van}. In 1683 verscheen, zonder naam 
van plaats: Kort en opregt ter haal van het droevig foederva- 

ren van A, </* v, O. in 1622.,... en hoe hy een wat^ 

visch gevangen heeft. 

Zie Cat, J. Koning. D. II. bl. 218. 

OEM ^Claas') afstammeling van een aanzienlijk Dortsch ge- 
slacht, zoon van Claas Oem en Elizabeth Vrank, was 
in 1304 een der voornaamste ridders en edelen in Holland. 
Hij was ambachtsheer van Dubbeldam, waarmede hij in 1318 
verlijd werd, en in 1325 schout van Dordrecht. In 1345 streed 
hij met graaf Willem IV omtrent Si. Odulphns klooster bij 
Staveren legen de Oosl-Friesen , waar hij sneuvelde. Hij huwde 
Johanna van Ark el van Bock hoven, bij welke hij ver- 
scheidene kinderen won. 

Zie Gondho?en, Cbr. v. Bolt. bl. 376, 380. Balen, Beschrijv* 
van Dordr. bl. 1172. Van Leenen, BaU ïll. p. 1033. Boxhorn 
foon V. Holl. bl. 83. Te Water, Verb, en Smeek. D. III bl. 888. 

OEM (^Godscralck), zoon van Gotschaick Oem, in 1385 
schildknaap der oude gravin van Holland te Kamerijk en van 
Catharina van der Woude, stond aan het hoofd der Dor- 
tenaars, die hertog Jan van Be ij eren Leyden hielpen bele- 
geren. In 1440 bekleedde hij de burgemeesterlijke waardigheid 
en huwde Willem Boordes dochter , bij wie hij kinderen 
won. 

Zie Balen, Beschrijv, v. Dor dr, bl. 1173. Van Leeuwen, Bat. lil. 
bl. 1033. Hoogstraten, o. b. w. 

OEM (Jehan') waarschijnlijk Jan Oem, komt in de in hel 
Fransch gestelde rekening der Meesters Particulier van de Munt 
te Dordrecht, Gilles de Cosesinde en Loys de Leefdale, na 



Digitized by 



Google 



30 

deii dood van hertog Filips van Bonrgondie, gtatit vatt 
Holland en Zeeland, den 29 Junij 1467 opgemaakt, ¥001" 
als waardijn (gaarde} van gemelde Munt. Hij was waarschijnlijk 
dezelfde met den volgende. 

Zie V. d. Chijs, JDff Munten van EoUand en Éeeiand, enz, bl. 43* 

OEM (Jan), zoon van Dirk Oem en Maria Nemery, be- 
kocht het H. land, en werd bij zijne terugkomst te Dordrecht 
Jeruzalems heer. Hij was heer vandeLind, burgemeester (1482) 
en schout (1500—1516) van Dordrecht. Volgens Balen Was 
hij in zijn tijd een zeer vermaard man. Hij huwde 1 Catha- 
rina dochter van heer Adolf van der Mark, ridder. 2 
Elizabeth de Vrieze, dochter van Jacob de Vrieze. 
3 Wilhelmina van Walscharlos. Hij stierfin 1522 té 
Mechelen iti hoogen ouderdom doch kinderloos en werd in de 
kerk van St. Romboul begraven* 

Zie Balen, t. a. p.bl. 1174,1175. Van leeuwen, t. a. p.W. 1037. 

OEM (AdriaNa) dochter van T iel man Oem en Margriet 
van Slingelandt, was meer dan 30 jaren abdisse van Leeu- 
wenhorst bij Leyden, stierf in 1527 in hoogen ouderdom en 
werd in de kerk te Rhoon onder een zerk begraven. 

Zie Balen, t. a. p. bl. 1175. Van Leeuwen, t. a. p. 1037. 

OEM (Godschalk.) oudste broeder des vorige, heer van 
Wijngaarden (dat hij in 1432 van Ar ent van Gent, 
Ridder, kocht) , ambachtsheer van IJsselmonde, Raamsdonk, Grys- 
oorde, Oude- en Nieuwe Tonge, Groot Waspik, Schrevel- 
duyn en van den ambachte en gewaarde regierschap van ^s 
Graven wildernisse, raad- en rentmeester generaal van Hol- 
land , Zeeland en Friesland , Raad ten gouvernemente derzelver 
landen. Hij huwde Margaretha, dochter van Floris van 
Alkemade (in 1421 door de Friesen verslagen) en van 
Elisabeth van Cronenburg, Willems dochter, wiens 
moeder een voor dochter was van Jan van Polanen, heer 
van de Leek, bij welke hij kinderen verwekte. Hij was de 
stamvader der Oems van Wijngaarden, wier genealogie 
bij Gouthoeven, van Leeuwen en Balen voorkomt. 
Zie Balen t. a.p. bl. 1175; van Leeuwen t. a. p. bl. 1037, 1038. 

OEM f Jacob) zoon van Tielman Oem, burgemeester van 
Dordrecht (^1415) en van Agnes van Blitterswijk, was schepen 
en kerkmeester ter Grooter-kerk f1475) en burgemeester 
(1476) te Dordrecht. Hij huwde Lulgera de Jonge, doch- 
ter van Reyer de Jonge, burgemeester, en van Johanna 
Quecckels, Gijsbrechts dochter. Zij hadden te zamen 20 
kinderen, 12 zonen en 8 dochters, alle op een tafereel gebragt, 
dat weleer in de Groot e kerk te Dort ophing en later in de 



Digitized by 



Google 



31 

familie bewaard werd. Hij stierf 3 Novemb. 1485; zij 5 Arfg** 
1498 en lieten kinderen na. 

Zie Balen t. a. p. bl. 1175. 

OEM fTiELMAN) zoon van de vorige, in 1459 schepen te 
Dordrecht. Hij huwde Elisabeth van der Does Bartho- 
lomeus dr. die in 1487, na hen kinderen geschonken te heb- 
ben stierf. Hij vertrok nog bij haar leven (1478) naar Rome en van 
daar naar hel H. Land. Na doode van zijne vrouw werd hij 
priester en kanunnik ten Grooter-kerke en stierf in 1503. 

Zie Balen t. a. p. W. 1176. 

OEM (Willem) zoon van Herman Oem, schepen te Dord- 
recht , en Catharina dochter van Adriaan van Moe- 
syenbroeck, was raad te Dordrecht (1570) later bur- 
gemeester van Rotterdam. In 1576 was hij gecommitteerd tot 
den vredehandeling. Hij huwde Elisabeth Karre Christi- 
aans dochter en stierf kinderloos in 1579. 

Zie Balen t. a. p. bl. 1178. 

OEM (Mr. CoRNELïs} broeder van den vorige, Jur* ülr. Dr. 
raad des konings in den Hove van Holland. (1575). Hij huwde 
Gellia van Hoytema van Olferda^ naaste nicht van den 
president Viglius, verliet in 1572 de stad Dordrecht, en stierf 
in 1599 te Utrecht, in den ouderdom van 60 jaar; zij in 1609. 
Uit dit huwelijk sproten 18 kinderen. 

Zie Balen t. a. p. bl. 1178. Hoyock van Papendrecht, 
AnaL T. III. p. I. p. 268. Schotel, IlL school bl. 17. 

OEM (Herman") zoon van Herman Oem en Catharina 
Boucquet, licentiaat in de reglen, liet zich in de orde der 
Jesuiten aannemen en werd prolonotrius apostolicus (eerst be- 
amblschrijver des H. Roomschen Stoels.^ In zijn vaderland te- 
ruggekeerd, zette hij zich in zijne geboortestad Dordrecht ne- 
der en werd in lè26 pastoor bij de R. C. gemeente aldaar. 
Hij stierf den 5den Mei 1694. De schrijvers der kerkelijke 
oudheden hebben bij hunne beschrijving van Dordrecht ^het een 
en ander uit de papieren van de stads kerken en uit de onge- 
drukte jaarboeken van Dordrecht, door H. O e m geschreven, ge- 
put". Ook Balen heeft die papieren gehad en gebruikt. Vol- 
gens opgave van van Heussen, Balen en Foppens liet hij 
de volgende hands, na, die, blijkens de uittreksels ervan, van 
het hoogste belang voor de geschiedenis van Dordrecht zijn. 

Beschrijmng handelende tan de opkomste en den voortgang 
des heiligen Rooms-Katholieken geloofs^ zoo in de hoofdstad 
van Holland f Dordrecht, als in de b^'gelegene plaatsen van 
Zuid'Holland. 

Annales Ecclesiae, in quibus titulus de ortu et progressu 
urbis primariae Dordracensis ^ Zuyt-HoUandiae^ et familiae 
Dordracenae, 



Digitized by 



Google 



Aanteekening op de Beschrfft)inge van W. ean Goudhoêteni 
fhopens de kerken, klooster$, Gasthuyzen^ kapellen enz. in 
bordrecht en deszelfs byvang begrepen, 

Vita D, ac M. Hermanni Haeckiï J. U, D. Presb. ae mcarii 
Ecclesiae D. Nicolai Dordrac. sm oUm cogna'us ex veteribu$ 
et autógraphis monumentis. 

Zie Balen t. a. p. bl. 215. Il78, Éat, secraT. til p. 555; Fop- 
pens, JBibl, Belg. T. I. p. 577; van Henssen, Proleg. Eist. JEpU- 
cop. Foed. Belg p. 36, 59. Sm! ds en Schotel, JBeschrijv, vati 
Dordrebht O. I. bl. LIV, LV. 

OEM (Mr. ANTHONts) zoon van Herman Öem Jansz. én 
Gornells de Zee, werd doctor in de beide regten, was be- 
vriend met den bekenden arts en geschiedschrijver J. van Be- 
verwijk, en vervaardigde Laf ijnsche gedichten o. a. voor diens 
Werk De termino Vitae pars III. Hij gaf Balen een hands» 
voor zijne Beschr^'v, t>, Dordrecht, 

Zie Balen t. a. p. bl. 84, 1120. Smidts en Séhotel t. a. p. 
bl. IV. Schotel, Let. en oudheidk. Aoondêt. bl. 98. 

OEM (CatharIna en Wilhelmina.) beide dochters vad Her-^ 
man Oem Hermans z. en van Catharine Boncqnet, de 
eene in 1660, de andere in 1654 te Ge nd gestorven, muntten 
in verscheidene kunsten en talen uit, en waren bij uitstek be- 
dreven in het latijn. 

Zie Beverwijck, TJHn, d. vr, gesl. bl. 145; Balen, t. a. p. bh 
1178; SchoteTs Letter- en oudh. Avondst. bl. 46, l5l, 152. 

OEM (^JoANKES SiMON Hermannüs) St. Theol. Sicent. Aarts- 
priester van Amstelland , deken van H kapittel van Haarlem , 
Pastoor te Amsterdam, geb. 1698, overleden 25 Mei 1771. Er 
is van hem een fraai portret naar P. Koers, door J. Hou- 
braken fol. 

Zie Muller, Cat, van portr. 

OEM VAN WIJNGAARDEN (Floris) oudste 2oon van God- 
Schalk Oem van W ij n g a a r d e n en Jonkvrouwe Margriet 
van Alkemade, heer van Wijngaarden, ambachtsheer van 
IJselmonde, GHjsoorde enz., was Baillin van Zuid-Holland 
(1450, 1474) schout (1474, 1475) en burgemeester van Dord- 
recht, (1464, 1465, 1466, 1467, 1475) iö 1468 een van 
de ridderschappen en edelen van Holland, die hertog Kar el 
van Bourgondie als graaf van Holland tot hunnen heer en 
prins huldigden te '*s Hage. Hij huwde Jonkvr. Bartha van 
der Boukhorst, dochter van Frank van der B o uk- 
horst, ridder en van vrouwe N. van Baken esse, Jacobs 
dr. schildknape. Zijne kinderen lieten. 

Zie Balen. t. a. p. bl. 1340. Van Leeuwen, t. a. p. bl. 1089. 

OEM VAN WIJNGAARDEN (Tielman) broeder des vorige 
heer tot Raamsdonk, Grootwaspik, Schrevelduin en Twaalf- 



Digitized by 



Google 



33 

talf Houve, bezitter van het huis en der hofstad Croone- 
stein, bailliu van Kennemerland , raad van "'t hof van Holland 
(1475) welke betrekking: hij vrijwillig neerlegde, in 1480 raad 
en rekenmeester van Holland , beschreven onder de ridderschap 
en edelen van Holland, huwde Jolenla van Egmond van 
IJselsleijn, wed. van Adolf van der Mark, ridder, 
stierf zonder nakomelingen. 

Zie Balen, t. a. p.bl. 1340; Van Leeuwen, t. a. p. bl. 1030; 
Hoogstraten. 

OEM VAN WIJNGAARDEN (Floris) zoon van Floris Oem 
van Wijngaarden en Bart ha van der Boukhorst, 
Ridder, heer van IJselmonde, raad in den hove van Holland, 
beschreven onder de Ridderschap en Edelen ter dagvaard en op 
de vergaderingen . der sfalen van Holland. Hij huwde 
Maria van S wie ten, dochter van Willem van Swielen 
en verwekte bij haar kinderen. Hun zoon Joost verkocht in 
1540 de heerlijkheid IJselmonde aan Hendrik van Mer ode, 
heer van Petershem. 

Zie Balen, t.a.p. bl. 1341; Van Lee n wen , t. a. p. bl. 1039. 

OEM VAN WIJNGAARDEN (Jacob) zoon van Floris Oem 
van Wijngaarden, ridder, heer van Wijngaarden en Ruy- 
brouk, lid der Hollandscho ridderschap, en van Otteline 
van den Coulsler, gezegd Alkemade , werd in 1525 te Dord- 
recht geboren. Indien zijne eigene gezindheid hem niet bewo- 
gen had om deel te nemen aan de vrijheidlievende pogingen 
der Edelen in 1566, kon hij echter hiertoe aangevuurd worden 
door het voorbeeld van zijne stamgenooten en de geslachten 
van Duvenvoorde, IJselsteijn, Zuijlen van Nijevelt 
en vele anderen , waarop hij door geboorie en huwelijk naauwe 
belrekking had. Al va en zijn raad wisten menigvuldige be- 
schuldigingen tegen hem in te brengen; hij had de predikan- 
ten van de nieuwe godsdienst ingebragt en naar verscheidene 
plaatsen geleid ,* hij voegde zich bij "'t volk dat vergaderd was 
om de predikanten te hooren; hij voorzag zich van pistolen 
om de menigte, indien men haar om die reden geweld aan- 
deed, te verdedigen; hij droeg deii rooden sluijer, het teeken 
en de grijze kleederen der verbondene edelen; zelfs verweerde 
hij zekeren predikant tegen den onder-bailliu van Rijnland, die 
■'t prediken te Waddink bij Leyden , waar zulks te voren nog 
niet geschied was, verboden had , terwijl van Wijngaarden 
verklaarde dat het tegen wil en dank dergeoen, die er zich 
tegen verzetten wilden, gebeuren zon, en den gemelden bail- 
liu met schandelijke woorden uitschold; de abdisse van Rijns - 
burg had hij door bedreigingen gedwongen de deuren van 
haar klooster te openen om aldaar de Calvinistische predika- 
liën te doen, lot welker bijwoning hij 't volk liet oproepen 
door brief kens, aan de stadspoorten van Leyden aangeplakt. 
Ook poogde hij de dienst in de kerken van Wassenaar by 

3 



Digitized by 



Google 



34 

Voorschoten (e verhinderen en verbood tot dit einde de kos* 
ters de klokken aldaar meer te luiden, en daarenboven had 
hij ieniand, die hem geholpen had de beelden in de 
kerken te Leyden te breken, bedreigd dat hij opgehangen zou 
worden , omdat hij zich niet verder tegen de geestelijken had 
blijven verzetten, "'t welk hem gemakkelijk kon vergeven 
worden. Alle deze beschuldigingen, waar of valsch, waren naar 
het oordeel van den blocdraad toereikende om van Wijn- 
gaarden uit de Nederlanden te bannen, doch, dat vreemd 
is, van verbeurdverklaring zijner goederen wordt in 't ge- 
drukte vonnis niet gerept, hoewel het blijkt dat alle zijne 
goederen aangeslagen zijn , bij voorbeeld de ambagtsheerlijk- 
heid van Wijngaarden, waarmede hij in 1534 verleid 
was, ook andere bezittingen, welke hij. toen uit den boedel 
van zijn vader verkregen had of die op hem gekomen waren 
H zij door het overlijden van Willem van Alkemade, 
ridder, 't zij in 1557 door den dood van Johanna, dochter 
van Jan van Wijngaarden, wier moeder uit den huize 
Duivenvoorde was. De Spaansche haat, die tegen hem bleef 
woeden en hem deed uitgesloten worden uit de algemeene 
vergiffenis in den jare 1574, kon zijne vaderlandsliefde niet 
uitdelgen. Dit bleek niet slechts uit zijne briefwisseling met 
prins Willem I in de kommerlijkste jaren voor "'t gemee- 
nebest , maar ook uit zijne verrigtingen , nadat hij uit zijn 
ballingschap was wedergekeerd. Hij verscheen wegens de rid- 
derschap in de eerste vrije staatsvergadering in Louwmaand 
1572 to Dordrecht gehouden en was sedert dien tijd tot den 
jare 1583 tegenwoordig bij de gewigtigste raadplegingen 
over den vredehandel te Breda en de opdragt der graaflijk- 
heid aan den prins. 

Het staatkundige besluit van koningin Ëlisabelh, waarbij 
hem Engeland ontzegd werd, deed hem minder nadeel dau 
het ongenoegen der burgerije te Gouda, in welke stad hij 
in de jaren 1574 en 1575 gouverneur was, doch met den 
dood bedreigd werd, om dat bij er eenig krygsvolk binnen 
wilde laten, zoo dat hij zich genoodzaakt zag uit Gouda te 
vertrekken. Driemaal is hij gehuwd geweest, eerst met Hes- 
sel Mulert, daarna met Johanna van Zuylen van 
Nyevelt, eindelijk mei een dochter van Ëmond van 
Schwartzenberg. Bij zijn eerste echtgenoote verwekte hg 
drie zonen en twee dochters. Ka rel, luitenant-kolonel, ge- 
bleven in 1581 in een rencontre op de Hoboker heide; 
Willem luitenant kolonel gebleven in een rencontre op de 
Hardenburger heide 1580; Roelof in een tweegevecht te 
Rome dood gebleven ; Ottelyne, na den dood van haren va- 
der, in 1604, vrouw van Wijngaarden, gehuwd met Ka- 
rel van den Rhijne, Ridder, heer van Nieuwenhoven, 
voogd van Iperen, en Maria gehuwd met Joachim Ren* 



Digitized by 



Google 



35 

gers. De drie Eonen van dezen bondgenoot waren hnnnen 
vader evenmin gelijk in waren roem als in lengte van le- 
vensjaren en schijnen ongehuwd gestorven te zijn. 

Zie Balen t. a. p. bl. 1340; van Leeuwen t. a. p.; Hoogstra- 
ten t. a. p.; Sentenlien van Alva bl. 48, 49; Orlers Beschrijving r. 
Leyden; bl. 654 B o r, Ned, HiHoHe B. VII bl. 10, (847), 29, (518), 
281, (386), B. VIII bl. 91, (602), B. XV. bl. 201, (187), 121, (645); 
van Meteren Nederl. Geschied. B. II. bl. 59, Register der RessU 
van Holl. 23 Maart en 5 April 1583 bl. 88, 97; Wagen aar Vad. 
Historie D. VII. bl. 82; Te Water, Verb, de Edel. D. III. bl. 
390 volg.; Scheltema staatk. Nederl. D. VI. bl. 168, 185, 377. 

OEM VAN WIJNGAARDEN (Gerard) zoon van Hendrik 
vanW^ijngaarden en Ermgard Spruyt vauKrieken- 
I) e e k, dochter van Bruyninck Spruyt vanKriekenbeek 
Raad-ordinaris in den Hove van Holland (^Nov. 1572), daarna 
Raad-ordioaris in den hoogen raad van Appel, bij commissie 
van den prins van Oranje van 18 Jan. 1582, en president 
van den hove van Holland, bij commissie van de Staten van 
Holland en West-Friesland van 31 Maart 1591. Hij werd in 
1579, 1584 en 1585 exlraordinaris beschreven, nevens an- 
dere edelen van den lande, om met de edelen van het col- 
legie te delibereren en adviseren op zwaarwiglige voorgeval- 
len zaken, die den lande ten hoogsten waren betreffende. 
Hij huwde Sandrina Croesing, vrouw van Benthui- 
zen en ambachtsvrouw van Soetermeer. Hun zoon Ja- 
cob Oem van Wijngaarden huwde 15 Junij 1610 Anna 
van den Rhijne, dochtervan Charl es van den Rhyne, 
ridder en Ottelyne van W ij n gaarden. 

Zie Balen t. a. p. bl. 1342 en 1343; vao Leeuwen t, a. p, 
bl. 1041; Wagen ft ar Fad, Eist, D. VII. bl. 451. 

OEM VAN WIJNGAARDEN (^Gerard) zoon van Ja cob Oem 
van Wijngaarden en Anna van den Rhyne, edelman 
extra -ordinaris van Frederik Hendrik, was in 1632 als 
volontair bij \ beleg van Maastricht. "Na de overgaaf werd hg 
in een ongelukkige recontre, schrijft Balen, binnen de voor- 
stad des avonds op straat aan H hoofd gekwest, zoodat men 
hem ' heeft moeten trepaneren , maar de koorts daarbij geko- 
men zijnde is hij op den 20sten October van dat jaar dezer we- 
reld overleden in de ouderdom van 21 jaren en te 's Hage 
begraven". 

Zie Balen t. a. p. bl, 1343; van Leeuwen t. a. p. bl. 1841. 

OEM VAN WIJNGAARDEN (Willem) tweede zoon van 
Jan Oem van Wijngaarden, de oude, bailliu en schout 
van 's Hage (1500) en raad in den hove van Holland, en 
van Catharina van Ëgmond van IJsselslein, was 
heer van Albrandswaard , arabachtsheer van Grijsoord, bailliu 
vao den Haag (1512) en houdvester van Holland. Hij huwde 



Digitized by 



Google 



36 



de dochter van Philips Raygrok van de Werve, rid- 
der, en van Johanna van Schagen, nalatende Co melis 
en Catharina, gehuwd mei Jasper van Blo is van 
Tres long, bailliu van den Briel en den lande van Voorne. 

Zio Balen t. a. p. bl. 1843; van Leeuwen t. a. p. 1042. 

OEN VAN WIJNGAARDEN (Cornelis) zoon van Cornelis 
Oem van Wijngaarden, meesterknaap van Holland, en 
van Maria van Abbensbroek en kleinzoon van Willem 
Oem van Wijngaarden, heer van Grijsoord en van Al- 
brandswaard. Dat hij een der verbondene edelen was, blijkl 
uit Alva^s vonnis legen hem, Sonoy en Binkhorst, 
vol<;eus hetwelk hij de vergaderingen der bondgenooten bij woonde, 
anderen zocht te bewegen om zich bij dezelve Ie voegen eo 
de nieuwe godsdienst op alle mogelijke wijze begunstigde. In 
H byzonder wordl nopens vanWijngaarden betigt, dat bij aan 
de nonnen van Loosduinen bij "'s Hage gezegd zon hebben, dat 
men van haar klooster een duivenhok maken zou, daarenboven 
zich bij haar beroemde dat de president van den raad te "^s Hage 
zoo verre gebragt was, dat hij zijne toestemming geven zon 
lot het ontslaan der gevangene beeldbrekers, om welke rede- 
nen bij gedagvaard , maar niet verschenen zijnde, uit den lande 
gebannen wcrd« met verbeurdverklaring zijner soederen, ilie 
bij in Zuid-Holland bezat en hem gedeellelgk aangebraigt wa- 
ren door zijn echtgenoole Alyd of Elisabeth van Wijs— 
bnrtb,^ of waarvede bij in ten jare 1555 verlijd was, mm. 
den dood van zijnen halven broeder Filips Oeai va» 
Wyngaarden« wiens aMteder geweest is, Geertrnid va» 
Hondliorst Nadat Alvn en de Spaanscbe dwiagdandij nt 
éu» landen ^weken wns, zon liij naar zijn wooaplaals^ ^«* 
Hanir,. zijn wedergekeeri. Tolgens Te Water was kS *^ 
die de (t^fafenis van fiins Willeai I bywooade^ ^*^*^%^^^ 
luilve brtM^r. ook Cornelis felieeten, was reci&s wn ^^^^^ 

i^^k t* ■ . , . ,. . _ . . .. , ,..-.. ■-' ^ - ^ *I 

%. ft. f, , y. t;5t4* V*». i ♦»» w nr a. t tt. Jlt„ W'- l**^ 



k^^^l^v 



OKU VAX WUN ïWRW^ i^hiM^ ^HU^t.ts.J - 
mm van 4£eertrti|i v^a Hdvntllt^r^l^ ^»^^ tkr^o^^ ^ 

f«et^èeji tadl ta» ^wêm jtm^f VM#tC- ^ 

Calkarlia laa E 
iln 



•^ \r<i£tMiff^ 





37 

ven, VolseBsGoidhoerei, Bererwyck en BtleatovliQ 
tasschen 1482 en 1502 het fiiffierschap mm bel Hof vti 
liolland bekleed bebbeo, docb deze Tenrarren bem nel t^a 
naamgeooot en bloedrerwant Floris ran Wyogaardea, 
ainbagtsheer ran IJsselaMnde , zoon Tan Floris Oem rar 
Wijngaarden en Margaretba Tan Alkemade, vt^ni 
dat deze toen ter tijd griffier ran bet bof ran Holland geweest 
is, leert ons een brief van 12 Nor. 1496, waarbij by by 
opdragt van Fbilips van Lannoy verlijd wordt net de 
helft ran bel Oost-ambagt ran IJsselmonde, en in welken brief 
hij genoemd is griffier der landen van Holland, Zeeland en 
Friesland. Trouwens deze laatstgenoemde werd eerst in 1503, ia 
plaats van Cornelisvan Dorp, raadsheer in bet voorschre- 
ven hof, daar onze Floris Oem van Wgngaarden deze 
waardigheid sedert 1495 reeds bekleed beefl. Men begunstigde 
hem sedert ook met het saperintendantschap van Leyden, en 
daarna met den ontvnngst der penningen ter bescherming van 
Holland in den Gelderschen oorlog. Doch deze laatste bedie- 
ning gaf hem zoo veel vijanden, dat hij verpligt werd om in 
1510 zelfs zijn raadsheerplaats neer te leggen. Hij were toen in 
sommige aangelegen zaken ten dienste van den lande en det 
keizers nog wel eens nn en dan gebruikt, maar van de wedde 
niet behoorlijk kunnende bestaan, nam hij in Nov. 1513 de 
bediening aan van Pensionaris der stad Dordrecht. Volgens van 
de Wall kweet hij zich zonderling in de waarneming van dezen 
post en verdedigde de voorregen dezer slad op eene meer dan ge» 
vone wijze. Hierdoor verwekte nij den nayver der overige steden 
ca baalde hij zich haren haat op den hals. Beverwijck eoBi' 
led wijten zulks aan de drift waarmede hij voor de privile» 
gien van het stapelregt gewoon was te spreken; maar, schoon 
dit, gelijk ook andere omstandigheddn bij de onder aangehaalde 
scfaijvers vermeld, daartoe kan medegewerkt hebben, beefl 
cdler de bevordering van bet regtsgeding, door de sententie 
▼an den Hoogen Raad van Mechelen, waarbij de steden van 
Ifoord-Holland verklaard worden niet ontvangbaar in baren ge^ 
émacn eisch, ten einde die van bet Dordrecht en bei kwartier 
wmm Zaid'HollsDd ia ^U^. fewone en bmteogewone beden en 
ia^cQ Eotide» feseliil worden, naar gelang van knnver- 
, daarin geldetid« v<»or een zevende ten minste roar een 
'neet' van ÏOApn» I *> 13/1514^ opgevolgd is, biertoe waar- 
dt fOüfti9*mtïr.n grond gelegd. Althans eenigenU^ 
lief de MAp*iftMl van Dordrecht, kg eenen brief nil 
\, edifleekeftd G Dec. 152$, bevel om v«n W^mk 
I na^ iwiJïir oren de ffad Ie doen minien. IHicli, 
éif den «M «ii»t^kisnde verdtenslen en kekwnnnikedea. 
Hl ^ ^mtgl^m stiWKi eenfgen f$d in ^ngmrt 

ï«i^l a«n edelmoedige vo«wrta0det>f, 
*§m «fa Inmi e«gea nMireUcs, <•# 



è 



Digitized by 



Google 



38 

têg men pok dit eerlang ten aanzien van dezen OBgelokkigeo 
minister bewaarheid. 

De geleerde kardinaal Adriaan Florysz., die zich na- 
derhand onder den naam van paus A d r i a a n YI beroemd heeft ge- 
maakt, trok zich de zaok van zijnen ouden vriend bijzonder 
aan, en schreef ten zijnen voordeele aan den stadhouder van 
Holland en aan anderen, ten einde zijn herstel bij keizer Ka- 
rel te bewerken. Hierop werd de geheele zaak, ten onder- 
zoek van daartoe bevoegde Commissarissen gebragt, die hem 
eerlang volkomen onschuldig verklaarden, met dit gevolg, dat 
b\j kort daarna in zijn vorige waardigheid hersteld werd. Wan- 
neer dit geschied is, kan, bij gebreke van bescheiden, niet bepaald 
worden. Van Wijn geeft echter naar het eigenhandig berigt 
van Mr. F I o r i s en het ms. Register in de zaake tan de verpond. 
hl. 100 — 156, een andere verklaring van de reden zijner on- 
genade. Hij geraakte, volgens dezen, in 1515 in ongunst van 
graaf Hendrik vanNassau, stadhouder van Holland, wijl hij« 
ter gelegenheid van zeker regtsgeding , hangende tusschen Dord- 
recht en Mr. N i c o 1 a a s C o e b e 1, voor den hove van dit gewest, 
geklaagd had over weigering van justitie, en men deze klagt 
den stadhouder had aangebragt als te strekken „ter vermindering 
ende verachting van zijn autoriteit."" Mr. F lor is hierop door 
H hof bij den grooten raad te Brussel aangeklaagd en door 
den raad gedagvaard zijnde, liet de stad Dordrecht hem niet 
toe op de eerste dagvaarding te verschijnen. Hij verscheen echter 
op de tweede, alwaar de procureur-generaal verscheiden 
zware beschuldigingen tegen hem uitbragt, ter zake ook van 
anderen hem aangewrevene handelingen, als had hij ingewik- 
keld gedreigd, dat Dordrecht wel eens van heer zoo kunnen 
veranderen, waarom gezegde procureur-generaal legen hem 
verbeortenisse eischle van lijf en goed, immers om het 
verbeurte zyner goederen uit Holland te worden gebannen, 
of ten minste onder dadelijke oplegging eener som van zes 
duizend Ehynsche guldens vooreerst dit gewest te moeten 
ruimen. F lor is zich op dat alles goed verdedigd 
hebbende, gelastte de groote raad de zaak te beschrijven. Hij 
keerde toen naar Dordrecht terug, en zijnen meesters van 
alles verslag gedaan hebbende, namen zij het voor hem op, 
U geen sedert een goede keer voor hem zal genomen heb- 
ben, nadien hy in zijne bovengemelde bediening bleef tot 
den jare 1518, toen hg, o\) last van Karel V, er van 
werd ontzet, doch omtrent 1521, op voorspraak van 
zijn yriend, Adriaan Floriszoon, toen kardinaal van 
Tortosa, hersteld. Het kan zyn, dal de ontzetting van zijn 
ambt door eeaig verschil met "s lands advokaat van Loo 
(^hy zou hem in het aangezigt gezegd hebben, dat het hem 
niet vrij stond twee ambten — advocaat van Holland en 
iTAad des irraven — ' te Relyk te bekleeden) is verhaast, maar 



Digitized by 



Google 



39 

die al het voorgaande overweegt en tevens opmerkt, hoe uit 
zekeren brief van den kardinaal Adriaan Floriszoon 
duidelijk blijkt, dat, behalve door den griffier du Blioul, ''s 
konings schrijven, voornamelijk was veroorzaakt „door raet 
en toedoen van den heer van Nas sa u/' Blioul gevoelt ligtelijk 
dat de laatste ramp van Mr. F lor is aan de oude vete met 
dezen is te wijten geweest''. Volgens aanteekening van Balen 
werd Mr. Floris de 4 Ocloher 1521 van sladswege reeds 
wederom te dagvaart gezonden. Ook meent deze dat hij twee 
jaren later, tot raad in het hof van Holland werd bevorderd, 
doch waarschijnlijk is Balen verleid door een verkeerde 
opvatting van Goudhoeven^s woorden. Wagenaar meent 
dat hij nog in 1525 onderde edelen ten dagvaart vfln Holland 
verschenen is, doch hij verwart hem met den heer van IJs- 
selraonde die, te dezer tijd, meermalen onder de ridder- 
schap en edelen ter staatsvergadering beschreven werd en in 
of omtrent 1534 overleed. Het sterfjaar van Mr. Floris is 
onbekend. 

Mr. Floris was een hevige vijand van de leer van Ln- 
ther die in zijn tijd, eenigen opgang begon te maken. Hij 
beweerde dat het glimmend vuur in zijn beginsel moest ge- 
bluscht warden en dat men het geen tijd moest gunnen zich 
in lichten laaijenvlam te zetten. 

Brieven van paus Adriaan aan Mr. Floris zijd bij Be- 
verwijck, Balen enBurman in de hier onder opge- 
merkte geschriften bewaard: een brief van Mr. Floris zelve 
is door Dr. Schotel medegedeeld in het Archief van de 
Hoogl. Kist en Roy aards. Hij huwde Arnoldina van 
Duivenvoorde, dochtervan Arend van Duivenvoorde 
en Margaretha van IJss eiste ij n, bij Welke hij de vol- 
gende kinderen verwekte: Jan Oemvan Wijngaarden, 
dom kanunnik en scholaster te Luik, Gijsbert Oem van 
Wijngaarden, Catharina Oem van Wijngaarden, 
beide ongehuwd, Adriana Oem van Wijngaarden ge- 
huwd 1 met Adriaan van Borselen, 2 Wouter van 
Berkesteijn, kinderloos, Maria Oem van Wyngaar- 
den, gehuwd met Carel T'serclaas, ridder te Brussel, 
liet kinderen na. 

Zie van Leeuwen Bat. 111. bl. 1039, 1041. 1155; Balen t. a. 
p. bl. 355, 856, 810, 813, 1344; Gouthoeven, Chr. van HoU, 
bl. 107, 314, 227; Beverwyck, Beschryving van Dordrecht bl. 227. 
32d ; D e R i e m e r Privilegiën van *s Hage D. I . bl. 884; B u r m a n 
nta Hadriani p. 448, 449; Wagenaar, Vod. Eist, D. IV. bl. 
418, 414; Van Wijn, NaUx op Wagenaar D. 1. bl. 218, 221. v. 
d. Wall, Privilegiën van Dordrecht. D. 2. bl. 858, 859; Kok 
Vad, Woordenb. D. XXIII. bl. 224; Scheltema. Staatkundig 
Nederl, D. II. bl. 514, 515; Du Rieu. Intrede en Inhuldiging 
van Ka rel V. bl. 145, 147; Kist en Royaards, Archief voor 
Kerkel. Qetch, D. VI. bl. 329. 

OEM VAN WIJNGAARDEN (Danibi), ïoon van Jan Oem 



Digitized by 



Google 



4a 

Tan WUn@f<>c^rd6i> ^Q heer van Werkendam, raad-ordinari», 
later president van den hove van Holland en van Jacoba de 
Wil te van Zierikzee, heer van Werkendam, baron van 
Wijngaarden, heer van Ruygbroek, Benthuizen en Zoeter- 
meer, bekleedde verschillende gewigtige ambten, zoo als io 
1648 dat van baljuw en dijkgraaf van de stad, lande en groot 
waterschap , mitsgaders kastelein van het huis van Woerden. 
Hij werd in 1666 beschreven in de ridderschap en edelen van 
Holland en wegens deze afgevaardigd in de Generaliteits reken- 
kamer, vervolgens in de vergadering van hun Hoog-Mog. de 
algemeene Staten, Hoogheemraad van Delftsland en Curator 
van ^s lands hoogenschool te Leyden. In 1669 wilde men hem 
naar Frankrijk zenden, doch hij verzocht van de reeds op hem 
nitgebragte keus ontslagen te worden « ia 1672 vertrok hij 
ala buitengewoon gezant naar Christiaan Y koning van 
Denemarken. In 1684 sloot hij benevens anderen een verdrag 
met Frankrijk, zoo het scheen ter bevordering van den vrede 
van Europa. Hij overleed den Oden October 1688, in den 
ouderdom van ruim 62 jaren, bij zgn echtgenoot, Catharina 
van Zuidland, eenige dochter en erfgename van Iman, 
heer van Zuidland, Moermond, Renesse en NoordwiUe, met 
welke hij in 1634 gehuwd was, nalatende: Catharina So- 
phia Oem van Wijngaarden, vronw van Zoetermeer, 
gehuwd 1 met Daniel Glezer, heer van Middelburg, 2 
met Frederik de Liere, raadordinaris in den hove van 
Hollond, die kinderen nalieten, Jacoba Oem van Wijn- 
gaarden, vrouw van Moermond, ongehuwd overleden, Wil- 
lem Oem van Wijngaarden, baron van Wijngaarden, heer 
van Benthuizen en van Werkendam, ongehuwd overleden; Jo- 
hanna Maria Oem van Wijngaarden, na baars broe- 
ders dood barones van Wijngaarden, Vrouwe van Benthui- 
zen, Renesse en Werkendam, 22 October 1690 gehuwd met 
Jacob van der Rijdt, heere van Endegeest, Woulwezel en 
de Westdoorn. Geboren te 's Hage 21 October 1654. Zij 
lieten kinderen na. 

Zie Balen t. ». p.; Van L e e n w e n, t. a. p.j Kok, Vad, Woor^ 
denb, D. XXIII bl. 223, 224; Wagenaar, Fad. Hut. J). XV bl. 
244; Van W ij n , Bijv, en aanm. op Wagenaart Vad. Eist. D. XIII 
bl. 122; Siegenbeek, Oeseh. d. Leid, Hoogesekool O. II bl. 17; 
Scheltema, Siaaik. NederL IV; Soermuns, Acad. i^^, bl. 14. 

OENEMA (Hectob') of Helte Tjepkes van Ipema, ge- 
naamd Oenema, friesch edelman, bewoonde met zijne 
vrouw Frouck Scheltema, die, na de hervormde godsdienst 
verzaakt te hebben, eene ijverige catholieke was geworden, 
in 1630 een aanzienlijke stins te Leeuwarden. Bij hen vond de 
jezuit, pater Wichard Mathyssen, gedurende zijn verblijf 
te Leeuwarden en omstreken, gastvrij onthaal. Zg waren de 
R. C. missie in Friesland seer bevorderlyk. 



Digitized by 



Google 



41 

Zie V. d. Heiden, Verh, v. d. verrigt. d. Jesuit. iu Friesl, bl, 
106, 278. 

OENEMA (DocwE Ankes van^, sedert 1475 grietman van 
Tietjerksteradeel , gaf den 28 Februarij van dat jaar een con- 
sentbrief op den verkoop van eenig veenland door Ge r rit 
Sjoerda aan het klooster Aalsum. Twee jaren later hing hij 
zijn zegel aan het akkoord gemaakt tusschen de regering van 
Leeuwarden en de vier grietenijen, omtrent vier zijlen in den 
Leppedijk bij Irnsnm. In het volgende jaar teekende hij de 
overeenkomst, waarbij het Klaarkampster klooster onder zekere 
voorwaarden aannam een zijl te leggen bij Klaarkamp in 
de Dokkumer Ee. 

Zie Charterb, v. Friesl, D. II bl. 661, 670, 673; van Sminia," 
N. Naaml. d. Oriefm, bl. 129. 

OENEMA f TiNCo VAN^ van ter Caple, eenige zoon van Tinco 
van Oen e ma, was in 1604 lid van Gedeputeerden en in 1607 
ordinaris gecommitteerde in de Staten-Generaal bij de hande- 
lingen over het bestand met Spanje. Hij volgde als Volmagt 
ten landsdage de lijkstatie van Willem L ode wijk. In 1622 
had hij nog zitting in de stalen. Sedert 1591 was hij Griel- 
man van Scholerland. Hij huwde Catharina, dochtervan 
Jaques de Blocq, Kon. Maj. Excijsmeester te Harlingen, 
en Maria van der Burgh,en had bij haar 4 kinderen. Hij 
overleed 20 Aug. 1631. 

Zie Stamb . v . Jdel ; W i n s e m i u s , CAr. v. Friesl, bl. 899 , 905, 
911; van Sminia, N. Naaml, v. Grietm, bl. 365. 

OENEIMA ^Ahel of Aehilius'), zoon van den vorige, sedert 
1627 Grietman van Schoterland. In 1637 twist ontstaan zijnde 
tusschen Schoterland en Aengwirden over den eigendom der 
kerk te Heerenveen, werd hy te rade om binnen zyne grietenij 
eene nieuwe kerk te bouwen op den grond, hem te dien 
einde door de ridderlijke orde der balie van Utrecht geschon- 
ken. Het gebouw werd voor f 9500 aanbesteed aan een Har- 
linger burger. In 1641 was hij lid van de Staten en in 1644 
van Gedeputeerden. Hij bleef ongehuwd en overleed 7 April 
1647. 

Zie Tegenw. staat van Friesl, D. XV bl. 521; van Sminia, N, 
Naaml, van Grietm. bl. 365. 

OENEMA fTiBERiüs van), broeder van den vorige, werd 1 
Dec. 1619 tot Grietman van Utingeradeel benoemd, was in 
1631 tevens lid van Gedeputeerden. Hij volgde in 1620 de 
lijkstaatsie van Graaf Willem L ode wijk, als lid van de 
Staten wegens Zevenwolden. Hij was toen Grietman en lid 
van de rekenkamer. Hij huwde Haesje, dochter van Wil- 
lem van Yiersen en Titia Godefredi, overleed 22 Mei 
1640, en werd ^ven als zijn vrouw te Oldeboorn in de kerk 
begraven. 
Zie van S min ia, N, Naaml. van Qrietm, bh 331^ 



Digitized by 



Google 



OENEMA (^Jacobüs of Jaques van), broeder van den vorige, 
was in 1622 kapitein, in 1635 kolonel bij de Infanterie, werd 
10 Jan. 1646 Grietman van Ooslslellingwerf en was in bet 
zelfde jaar Volmagl ten landsdage. Hij huwde Ta e Ij e van 
Viersen, zuster van de echtgenoot van zijnen broeder Ti- 
berius, Grietman van Utingeradeel , doch stierf 6 Ocl. 1646 
kinderloos. 

Zie van S min ia, N, Naaml. v. Grietm. bl. 396. 

OELSEN CJacob.) Luitenant ter zee, bevelvoerend officier 
van den Beschermer ^ tweede schip van de Bataafsche voor- 
hoede inden zeeslag bij Camperduin, 11 October 1797. Aan- 
vankelijk verdedigde zich dat schip kloekmoedig tegen 2 vij- 
andelijke schepen. Gedurende een uur handhaafde de bevel- 
hebber, kapitein Hinxt zich tegen de overmagt, doch ongeluk- 
kig bekwam hij een wonde, waaraan hij later overleed. Van 
dien oogenblik schenen de schepelingen den moed verloren te 
hebben. Kort daarop werd de bazaansmamast omver geschoten, 
door welk ougeval hel gebruik van het roer belemmerd werd 
en de Beschermer uit de linie afviel. Van dat oogenblik af nam 
het schip geen deel meer aan den strijd, zijnde, volgens ge- 
tuigenis van O e 1 s e n voor den zee^krggsraad , niet in de ge- 
legenheid geweest om de zich nog verdedigende schepen der 
voorhoede van de vice-admiraal de Winter bijstand te bieden 
of den vijand op eenige andere wijze afstand toe te brengen. 

Zie Sententie van den Hoogen xee- krijgsraad in de zaak van den overl, 
Jtapt . Hinxt en luit . Oelsen; J. C. de Jonge. OescA . van 
Aêt Ned. Zceio. D. VI. bl. 195, 196. 

OENKERK (^SixTüs van), door Winsemius.Sixlus 01 d- 
k er klus genoemd, een der eerste hervormde leeraars van Oen- 
kerk, Giekerk en Wijns, Cl. van Leeuw., moestin 1567 vluchten. 

Zie Grevdanus, Naaml, der Tredikanten onder de Cl, van 
Franeker., bl. 151. 

OENlüSof OEMIÜS (PaschasiüsI was in 1569 acht-en-twin- 
tig jaren rector of schoolmeester te Zierikzee geweest, toen 
hij, op last van Al va, door de vicaris Strljen werd gedis- 
tueerd. Op zijn verzoek ontving hij, ^tot reconpasse zijner ge- 
trouwe en lastige diensten'^ een jaarlijksch inkomen van zes 
jiouden groote vlaams. 

Zie Te Water Historie der Ref, in Zeeland, bl. 231, 232. 

OENTJES (Ruard) in 1477 grietman van Idaarderadeel, 
zegelde in dit en het volgende jaar de beide stukken omtrent 
den Leppedijk. 

Zie Charierb, van Friesland, I. 670, 67»; v t n S m i n t a, N, Kaamt, 
va» Grtetm, bl. 147. 

OËRSCHOT (Hekbi db) een Augustijner monnik in het kloos- 
ter fiethlehem bij Leuven, leefde in de eerste helft der 15de 
eeuw* Hij schreef: Hitlatia de cladihus Leodiensiutn au. 



Digitizéd by 



Google 



43 

1469 a Carolo Audace Burgun. duce illatiSy in ms. in de 
Biblioth. CoUon. p. 131. 

Zie Jocher, Adelung» I, V. Fabricius, Bibl. med, ac infim. 
Lat. T. V, p. 470. Oudini, Comment, de teript, £ccl. eic^, T. 
III p. 2615. 

OERTEL (abrahahJ. Zie Ortell (Abraham.) 
OESTBROEC (Claes van) bloeide in den aanvang der 16de 
eeuw als beeldhouwer te Utrecht, blijkens Kameraers reke- 
ning ]529 bij Dodt, Archief D. III. 

Zie Kramm, Lev, en vxerk. d. HolL en VI. Kunstach. D. IVt 
bi. 1217. 

OESCHELWITZ (Z. W. F.) schreef: de Nederlandsche stal- 
meester ; of grondige onderrichting tan al hetgeene betrekking 
heeft tot het kennen , beslaan en onderhouden , toornen , za^ 
delen der paarden^ zoo ook tot de ziektens en gebreken 
der paarden, en hoe dezelve te kennen en te geneezen zyn. 
En eindelijk eene verhandeling over het fokken en aanquee- 
eken van paarden* 2e ve7'beterde druk^ 's Hage 1774, 1777 
2 e. en pi. 

Militair Handhoek voor de Kavallerie m. pi. 's Hage 1761 8. 

Hedendaagsche krygshandel van de Infant ery 's Hage 1761 8. 

Zie H o 1 1 r o p , BibL med. ekr. p. 263 ; Arrenberg, Naamt, 
p. 384. Cat. E. H. k Roy. T. V. p. 2321. 

OËTBËRT een Nederlander uit de IXde eeuw, schreef het 
Via S. Frederici Episc. Ultraject, voorkomende in de Acta. 
Sanct. Tom. IV. 18JuI. p. 460. 

Zie Jocher ia ?. Fabricius £iöL med. ac inf. Lat. T . V, 
p. 470. 

OEVER (^ Hendrik ten) Kunstschilder, wiens werken, in den 
stijl van Terburg, zeldzaam voorkomen. In de kerkekamer 
der groote of St. Michielskerk te Zwol hangt van hem eene 
schilderij, de Regenten of Kerkmeesters die dezen kostbaren aan- 
bouw onder hun bestuur lieten volbrengen , voorstellende. Men 
wil dat hij zelf Onder deze voorkomt. Volgens Kramm is bet 
geheel uitmuntend geschilderd, klein leven, goed geteekend en 
schoon van klenr. Het zweemt naar de school van Rembrandt 
wat het effekt betreft , doch het geheel doet zich voor als een 
stuk uit de school van Gerard Ter burg. Zij werd in 1690 
door hem geschilderd. Een ander voortbrengsel van zijn penseel 
wordt vermeld op Cat. van Mr. C. van Gillers, van Mid-- 
heiburg te Rotterd. 1801 verkocht. Het stelt voor: eene wo- 
ning^ waarvoor een geslagt varken op een ladder , voorts eene 
vrouw bij fiich hebbende drie kinderen met den blaas spelende^ 
en ander bywerk^ ongemeen natuurlijk en meesterlijk afge^ 
beeld, 

Kramm, t. a. p. bl. 12X8. Kron. v. A, hiit Genoot*. D. II, 
W. 8. 



Digitized by 



Google 



44 

OETGENS VAN WAVEREN (T. R.) Zie W averen (T. 
R. Oet^ens van} 

OETS ^Pieter} een Zeeuw, werd in 1726 geboren. Hij 
teekende portretten, meest in crayon, woonde lang te Rot- 
terdam, vertrok van daar naar Amsterdam en stierf aldaar in 
1790. 

Zie Immer zeel. Léven en Werken der schild, D. II bl. 274. 

OEYEL (A. vaN^ bloeide in bet midden der 17de eeuw en 
was lid der Goessche rederijkerskamer de Balsembloem ^ onder 
de zinrpreuk: Uyt jonste begrepen. Er komt van zijne poezy 
voor in Vlissings Redens- Lusthof beplant met seer schoone 
en bequame oeffeningen, Vliss. 1642 4. 

Zie van der Aa, N. B. A. C. Woordenb. o. h. w. 

OEVER (A. H. ten) gaf in bel licbt: 

Eenige regtsgeleerde vraag en en antwoorden aangaande 
den doodslag^ als bij voorbeeld of de wille voor de daad 
moet gehouden worden enz, C a m p e n , 1 744 8. 

Zie Abcoude, Naamlijst; Awenberg, Naamlijst, bl. 317. 

OEVER (Aletta tenJ ecbtgenoote van den beer P. Roelf- 
sema te Groningen, schilderde op eene verdienstelijke wijze 
ter barer uitspanning landschappen. In 1818 waren van baar 
op de Amsterdamsche tentoonstelling vier schilderslukjes . Ge^ 
zigten in Drenthe en Groningerland ^ hi} zomer en winter, 
voorstellende. Zij stierf. 

Zie Immer zeel, Zev. en loerk, d, HoU, en VI, Xunstsch, D. 
II bl. 275. 

OEVER (Mr. Gebh. Joh. van) schreef: 
De sanctitate majestatis, L. B. 1708 4. 

Zie Adelnng en Rotermund. 

OEVER (^Henricüs Hieronymüs ten) werd in 1746 geboren, 
in 1769 predikant te Scharwoude, in 1773 te Giesen-Oudkerk, 
in 1777 te Oud-Beijerland , in 1784 te Woerden en in 1787 
te "'s Hertogenbosch. In 1793 kreeg bij een beroep naar Haar- 
lem, doch daarvoor bedankende, benoemde hem de regering 
van "'s Bosch tot hoogleeraar in de wiskunde, en droeg hem 
ook later bet onderwijs in de Oostersche talen op. In 1816 
kreeg hij zijn emeritaat en overleed den 2en Mei 1825 inden 
ouderdom van ruim 79 jaren. 

Hij is bij de geleerde wereld gunstig bekend door drie be- 
kroonde verhandelingen. In 1781 behaalde bij bet gouden 
eermelaal bij de Maatschappij tot Nut van "'t Algemeen voor 
zijne verhandeling over de zedelijke opvoeding der jeugd , en 
10 1801 voor zijn antwoord op de vraag: Op welke wijze 
kan men de min kundige ten klaarste en gemakkelijkste den 
Schepper leeren kennen in z^'ne volmaaktheden uit z^'ne 
werken. Amst. 1801 8. 



Digitized by 



Google 



45 

In 1790 wees het Genootschap tol verdediging van den 
Christelyken godsdienst te "'s Hage hem een zilveren medaille 
loe voor zijne beantwoorde prijsvraag: oter de leer der vot-* 
doening aan de goddelijke geregtigheid door een Middelaar^ 
in de werken van het Genootschap afgedrukt. 

Zie Aanh. op kei Woordend, v. Nisutoenhuis D. IVbl. 690; Roy- 
aards, Eaagsch Oenoota . bl. 141 ; C. R. Hermans, Getch, 
der SoU, en Lat. tchool te ^8 Bosch bl. 36; Glasios, Oodgel, 
Nederl o. h. w. Compact, hiit. Ut. p. 27. Levensg. v, d. JonkA, 
van Belgeur D. II bl. 100;Sepp, Proeve eener Pragm. Geschied, 
der Theol, bl. 90; K i s t en Royaards, Archief^ D. V bl. 268. 

OEVER fLAMBERTüs VAN DEN^ wcrd te Moergastel geboren 
en was bachelier in de Theologie. Hij werd in Nov, 1680, 
in plaats van Johannes Kempenius, president van het 
Bossche collegie en overleed in den aanvang van 1697. 

Zie van G i 1 s , Xaih . Meijer, Meniorieboek bl . 155 ; Van G i 1 a 
en Coppens, N. Beschrijv. v. h. Bisdom van *s Bosch J). Ibl. 357. 

OEVEREN fCoRNELis van), afkomstig uit twee burger fami- 
lien , van ''s vaders zijde uit Krimpen op de Lek , van moe- 
ders zijde nit Rotterdam. Zijn vaderlijke grootvader was Hu- 
bertus van Oe veren, te Krimpen op de Lek, proponent 
bij de Gereformeerde kerk, 7 Julij 1683 bij het Edelmogend 
collegie der admiraliteits op de Naze tot predikant aangesteld, 
onder commando van den schout bij nacht Almonde. Cor- 
nelis werd den 18den November 1694 te Krimpen op de 
Lek geboren. Toen hij acht jaren oud was werd zijn vader 
die schipper was, tot ^s lands dienst geprest. Gedurende de 13 
maanden die deze in dienst bleef, vergezelde zijn zoon hem 
naar bet oorlogstooneel. Te Rotterdam wedergekeerd, bestelde 
hem zijn vader eerst bij een schoenmaker, vervolgens bij een 
wagenmaker en in 1718 zette hij zich als wagenmaker op de 
Wijnhaven, en trad twee jaren later in het huwelijk met 
Neeltje Strytdonk, in 1689 geboren, een afstammeling 
van het geslacht Assendelft. Reeds in 1709 had hij zijn 
vader verloren. Hij zelf gaf van dat overlijden het volgende 
herig t : 

"Den 9den April van hel jaar 1709 stierf mijn vader. Hij was 
eeo man, naar den mensch gesproken, ongelukkig van zijne wieg 
tot zijn dood , doch is zeer christelijk overleden. Twee uren voor 
zijn sterven, riep hij mij nog aan zyn bed, en zeide: Gy zyt 
mijn oudste zoon, ik geef u de les, die prins Pre der ik 
Hendrik aan zyne kinderen gaf: „Eert God en hond zijn 
gebod, eert ook uwe moeder en hond vrede onder malkan- 
deren^\ Voorts zeide hij: ik ga nu henen naar mynen Vader 
in den hemel, daar heeft Jezus Christus, zijn eeniggebo- 
ren zoon, voor mij een plaats bereid; want in zyns Vaders- 
huis zyn vele woningen"". Zijne laatste woorden waren: "Hel 
is of er een rouwband voor myne oogen word gebonden, en 



Digitized by 



Google 



46 

KanV UI myae ooren gestrooil, maar myn geheogen wordt hoé 
langer hoe grooler en mijne zielsvermogens hoe langer hoe 
frisscher'\ Zó sprekende nam God hem op in zijne eeuwige 
heerlijkheid." 

Na den dood zijner eersle vrouw huwde hij in 1728 met 
Neeltje van der Baars geboren van Berkel, en toen 
ook deze gestorven was (14 Febr. 1748} nog in hetzelfde 
jaar (26 April) mei Magchiltje Bellaert. Van zijn jeugd 
af maakte hij zich bekend als een groole vriend van het huis 
van Oranje-Nassau en werd de hoofdpersoon der Oranjege- 
zinde kleine burgerij. Het was vooral aan hem te danken dat 
Willem IV door Rotterdam tot stadhouder, kapitein generaal 
en admiraal werd benoemd. Hij zelf geeft in een werk, waarin 
hij zijne levensgeschiedenis verhaalt, en na zijn dood onder 
den titel van Levensbeschryting van Cornelis tan Oeveren — 
waarin zyne geboorte , opvoeding^ verrichtingen, gewigtig Aan- 
deel in de verheffing van zyne Doorluchtige Hoogheid in 
1747 en verdere bedryven, benevens zyn getrouwe aan-- 
kleving aan het gezegend Huis van Oranje , en verscheide 
ontmoetingen van IToog-aanzienlyke personen worden voor"* 
gesteld en is in het licht gegeven, een breedvoerig verhaal 
zijner verrigtingen. „Die dag (der verheffing van Willem IV 
te Rotterdam tot stadhouder) (dus eindigt hij) die mij zo lang 
door de gedachten gemaalt had, liep dus zo gelukkig af. 
Myne ontwerpen , die ik menigmaal met myne vrienden had 
overlegd, wierden dus ten uitvoer gebragt. Myne daden hadden 
geringe beginselen, maar groote eindens. Ik mag zeggen, zon- 
der te roemen , dat ik een van de eerste in gansch Holland 
ben, die de verheffing van zyne Hoogheid opentlyk durfde 
voorslaan. Dit maakte mij een naam onder myne land- en 
stadgenooten. Myn voornemen volbragt zijnde, gedroeg ik my 
verder zoo als ik altoos gedaan had, als een gehoorzaam in- 
gezeten. Nergens wilde ik my nu meer mede bemoeijen. Som- 
mige myner medeburgers kregen concepten in \ hoofd , daar 
ik my niet konde noch wilde meede vereenigen." Hij werd 
den "prinselijken wagenmaker" genoemd. Zijn portret werd ver- 
vaardigd en gretig door de prinsgezinden gekocht, niet zelden 
werd hij door de regering van Rotterdam met vrucht gebruikt 
lot voorkoming of demping van oproeren ; bij Willem IV, 
de prinses gouvernante en bij W il 1 e m V was h!J zeer gezien , 
had de vrije toegang tot het hof en kwam met vele aanzien- 
lijken in aanrakirg. In 1748 werd hij hof-hellebardier bij 
de admiraliteit op de Maze, welk ambt hij tot zijn dood toe 
bekleede. Hij overleed 14 Mei 1787, in den ouderdom van 
%2\ jaar en werd vier dagen later in zijn geboorteplaats Krimpen 
op de Lek begraven. Behalve het bovengemeld werkje werd 
van dezen van Oeveren in het licht gegeven : Dagverhaal 
van de RoUerdamsche historie wegens de verkiezing van 



Digitized by 



Google 



47 

Willem Carel Hendrik Friso^ prince van Orange^ iot stad" 
houder enz, der tereenigde Nederlanden^ voorgevallen 19 
April 1747, opgesteld door C, r. O., gedrukt voor de uit-' 
gevers 6y de boekverkoopers in de Hollandsche steden te 
bekomen 1747. Hij zelf bezorgde in 1751 eeo tweeden druk 
van dit geschrift met een opdragt aan zijne Doorl. Hoogheid. 
Hij beoefende ook de rtjmkunst, blijkens eenige ter eere van 
het Oranjehuis doorhem vervaardigde rijmen, die, volgens zijn 
eigen getuigenis, de goedkeuring van twee door hem genoemde, 
doch overigens geheel onbekende dichters wegdroegen. Bij 
gelegenheid dat zijne afbeelding door G. Bakhuysen ge- 
schilderd en P. Tanjó gegraveerd, in het licht verscheen, 
vereerden sommige het met gedichten, van welke er drie bl. 
53 en 54 van de Levensbeschrijving zijn gedrukt. De schilder 
Stolker vervaardigde een carikatuur prent met van O e ve- 
ren 's portret met deze regels: 

"Dit 's Kees van Oeveren, de tweede Don Quichol, 

"Een Gek, een windbuil, maar noclithans een Patriot^\ 

Zie, Levensheschrijüing , in den tekst aangehaald. Astrea 1858. bl. 
134 . Muller, Cai. v. portr. 

OËXBlIËLlN (Albxander Olivier) reiziger en geschiedschrij- 
ver, volgens het algemeene gevoelen een Vlaam van afkomst 
en geboorte. In 1666 kwam hij als matroos der W. I. Com- 
pagnie op het Schilpadden eiland, waar hij voor 30 kroonen 
aan een inboorling verkocht werd. Na daar drie jaren gediend 
te hebben, trad hij in een rooverstrocp , v^ aaronder hij lot 
1674 bleef. Hij keerde met een Hollandsch schip naar Europa 
terug en deed vervolgens drie reizen naar Amerika op Hol- 
landsche en Spaansche schepen en was in 1697 bij de ver- 
overing van Carthagena. Ëenige zinsneden uit zijn reisverhaal 
doen vermoeden dat hij aan boord de betrekking van chiru- 
gijn vervulde. Alen weet den tijd van zijn overlijden niet doch 
zijne handschriften kwamen in handen van Frontignieres, 
die ze met den volgenden titel in het licht gaf: 

Histoire des aventuriers qui se sont signalès dans les 
Indes^ contenant ce quHls ont fa'4 de plus remarquable, 
avec la r»c, les moeurs et les coutumes des boucaniers ^ et 
des kafiits de St. Domingue et de la Tortue de Paris 1680 
2 vol in 12o. Tretoux, 1774—1775. 4 vol in 12o. "Le Ion 
de vérilé qui règne dans les écrits d'Ouxmelin les fait lire 
avec plaisir"'. 

Zie Biogr ,-TImv . i. v. 

CEY (^Philip Jansz. van} een Utrechtsch stempelsnüder, die 
in het midden der 16e bloeide. 

Zie Kramm Leo. en Werk. der Boll, en Fl, hintii, enz. B. 
IV. bl. 1218. 



Digitized by 



Google 



48 

OEYENBURCH f Hendrik van) volgens Echard te Brussel 
geboren, werd aldaar Dominikaner monnik en slierf er den 
laatsten April 1713. Men heeft van hem: 

Manuale Concionatorum Euangelicum. Dogmaticum^ Mo" 
rale t sive conciones morales et doctrinales in omnes anni 
Dominicas. Brux. 1708 8o. Zijn dood verhinderde hem de 
voortzetting van dit werk. 

Zie de Jonghe, Belg, Boninic. p.;428; Echard, T. II. p. 
785; Paquot, Mems, T. II. p. 117. 

OFFENHÜIZEN (Frederik van), zoon van Hans of Don we 
van Offenhuizen en Rintje Roorda, werd in 1568 door 
A 1 V a gebannen, wijl hij tot de verbonden Edelen behoorde , 
doch in 1579, bij de omkeering van zaken, in plaats van 
Pieter van Boe ij me r^ Grietman van FranekeradeeL Langen 
tijd was hij volmagt ten landsdage of voor zich zelven of als 
gesubstitueerde van zijn schoonbroeder Waltingha. Zijn 
naam komt ook voor op het monument, te Harlingen voor 
Gaspar Robles opgerigt. Volgens de gedrukte naamlijst 
was hij ook substituut Grietman van Barradeel , doch echter 
slechts voor korten tijd. Hij huwde Rieme van Wal- 
tijnga, zuster van Hobbevan Waltingha ^zieditart.) 
bij welke hij 2 dochters had. Zij woonden te Achlum. Van deze 
dochters huwde Habel Douwe Hottinga; Ath, Karel van 
der N i t s e n , zoon van M a r t i n u s , door zijn vrijheidsliefde 
bekend en van Ida Gratinga. Eene dochter van Ath. van 
Offenhuizen trad in het huwelijk met Nico la as Ar nol di, 
een Poolsch Edelman, Hoogleeraar in de Godgeleerdheid te 
Franeker. 

Zie Stamè. van Jdel; Vriemoet, Jfh. Fris. XXXII; vanSminia, 
N, Naaml, van Grietm. bl. 193; Winseinius, Ilisf. lid. II p. 
214; Te Water, Ferè, d. Edelen, ü. III bl. 196, 197. 

OFFERHAÜS f Christiaan Gerhard) zoon van LeonardOf- 
ferhaus, ontvanger van het Graafschap Mark , werd 30 April 
1672 te Hamm geboren, studeerde daar op het gymnasium, 
zette vervolgens zijne studiën te Harderwijk onder Meijer, 
in 1695 te Utrecht onder Witsius en van Haaien, te 
Franeker onder Roëll, Yitringa, Perizonius enEhen- 
ferd, te Dordrecht onder Salomon van Til voort, werd 
in 1696 proponent, en in hetzelfde jaar Hoogleeraar in de 
godgeleerdheid aan het gymnasium te Hamm, in 1701 predi- 
kaut te Wezel, in 1708 Hoogleeraar in de godgeleerdheid 
en de oostersche talen aan het Athenaeum te Deventer, in 
1733 emeritus. Hij overleed 31 Dec. 1758, bij zijne vrouw, 
M. Heshuijsen weduwe van D. Eldinkhuizeu één zoon 
nalatende, die volgt. Hij gaf in het licht: 

Disserlatio de taticinia Noëtica Franeq, 1695. 

DisserL de regno Assyriorum Hamm 1700. 



Digitized by 



Google 



49 

Exercitatio philologica exhibens synopticam descriptionefn 
x>et. Hierosolymae Paventr. 1718 4. 

Exercil Ph. lol. de prima mundi aelate Daventr. 

Disquisitio Theol. de AX^x Apacalypiico en Ahscell, Duisb, 
T. 1 p. 181—203. 

Zie Neues gel, Europa Th. XV S. 680—694; Meusels, Lex. Th. 
1 S. 214; Adelnnjjen Rotermund, e. v.; Wachter, Ge- 
schichtl. NachricMcn über das Uammsche Gymnasium T. IV. S. 77; F. C. 
G. Hirsching, Hisf Lilt. Handb. c. v. MiscelL Gron, T. IV 
fase. II ï p. 443; Bihl. Brem. Cl. lip. 613; Proffrani. Cl. J. de Uhoer; 
Van Eek en Bosscha, 2c eeuw f. v. //. At hen. lil. ie Deventer 
hl. 106; Bounian, Gesch. d. Geld. Hooges. D. I, bl. 241, I). lï, 
hl. 147, 148; Schotel, K.rk . Dordr. D. 11 bl. 378. Boekz. d. 
geh. wereld 1799, bl. 77 vol^^. 

OFFERHAÜS (Leonard), zoon van den vorige, werd 26 
Dec. 1699 te Hamm geboren, ontving: zijne eerste letterkun- 
dige opleiding te Wezel, kwam in 1706 op het gymnasium 
te Deventer, en in 1714 te Gouda, waar hij VVes ter hovius 
tot leermeester had. In 1720 werd hij student te Deventer, ver^ 
volgens te Utrecht, en in 1725 boogleeraar in de geschiedenis 
en welsprekendheid te Lingen, welk ambt hij met een 
Oratio de persecutione Wafdensium aanvaarde. In 1728 be- 
noemden Curatoren hem tot Hoogleeraar in dezelfde we- 
tenschappen te Groningen en hij aanvaardde den 29 Julij dit 
ambt met een oratio de causis incremenli Antichristi sex 
prioribus seculis site de Antichristo in utero ante ipsius 
ortum ei natilatit. In plaats der Professio linguae Latinae 
werd hem in 1752 het onderwijs in de vaderïandsche ge- 
schiedenis en aardrijkskunde opgedragen De algemeene ge- 
schiedenis b(handelde hij aanvankelijk naar aanleiding van het 
Ralionarium temporum van Petavius tot dat zijn eigen Com-- 
pendium (Gron. 1751) bet licht zag. Bij het onderwijsden 
geschiedenis des vaderlands gebruikte hij zijn Compendium 
hist. foeder, Belgii (Gron. 1765), bij dat in de aardrijkskunde 
hel Compendium Vellarii, Ook onderwees hij de Romeinsche 
Antiquiteiten, en in 1776/77 hield hij voorlezingen de Ais^o- 
ria tirorum eruditorum. Driemaal bekleedde Offerhaushet 
rectoraat. De onderwerpen zijner oratien, bij de overdragt 
gehouden, waren: in 1739 de Caroii crasso^ insigni alter- 
nantis fortttnae exemplo:^ in 1746, de caussis intalencentis 
Barbariei; in 1747 (als Prorector}, de singulari Romano- 
rum in re militari pmdentta; in i7bb de Originibus gentium 
foederatum Belgium incolentium. In 1752 hield hij eene 
Laudatio funebris W. C. H. Frisonis. Gron. 1752. 

Na het overlijden van Rossal (1744) werd hij Bibliothecaris 
der Academie , in welke betrekking hij uitgaf: Catalogus BibliO" 
thecae Acad. Gron. (Gron 1758}. 

Bij gelegenheid dat hij het feest zijner vijftigjarige ambts- 
bediening te Groningen vierde , begroette de hoogleeraar A r n t- 

4 



Digitized by 



Google 



50 

zenias den jubelaris met een uitvoerig dichtstuk, onder deü 
titel van Gralulatio tiro CL Leonardo Offerhaus cum quin- 
quagesimum gesti in Ac ad. Gr on. Omland. numeris annum 
celebrarei^ facta in choro templi Academici d. XVIIIJfiwt» 
1778, waarbij Latijnsche en Nederduidsche verzen van an- 
deren zijn toegevoegd, o. a. Gralulatio nomine quindecim 
nepolum facta a Leone Warmolts. Vroeger verschenen Carmina 
ad tirum celeb. Leon. Offerhaus in V1H Kal. Mart. 1775, 
den dag van zijn 50jarig professoraat 

Den 12 Mei 1779 w^erd hij op de meest eervolle wijze 
van zijne werkzaamheden ontheven en tot professor ordina- 
rius benoemd. Hij stierf reeds den 18 October daaraanvol- 
genden. 

Hij huwde Cornelia Hnijsinga, reeds in 1751 over- 
leden, hem drie kinderen nalatende: Herman Johan, pre- 
dikant te Winsum, Elisabeth, eerste echlgenoole van N. 
M. d'Assonville, daarna hertrouwd met Joh. Gregori te 
Vere en Cornelia Christina, echtgenoote van Mr. J. H. 
Warmolts. Zijne afbeelding vindt men vóór de 3e uitg. 
van zijn Compend. kist. univ. en vóór die van Schröckh 
De hoogleeraar de Rh o er hield een lijkrede op hem. 

Hij schreef: Compendium historiae Universalis , quo res 
sacrae ac profanae in orbe et ecclesia gestae bretissime 
exhibentnr Gron. 1751, 1756, 1775. Ed. J. M. Schröck. 
Lips. 1772 2 vol. 8. "Ce n'est qu'une refonte dans Ie sens 
d^ système religieux des Prolestans du Rationarium temporum 
de Petau." Biogr. Unit). 

Diss. hist. phtlol. de tita Sahatoris privata et publica. 
Devent. 1720 4o. 

Compendium Historiae Foederati Belgii per modum An- 
nalium in usum juventutis Academiae concinnatum. Gron. 
1753. 

Specilegiorum Historico-chronologicorum Libri tres , Quibus 
chronologia sacra , origines et fata Begnorum per Orientem^ 
ut et Graecorum migrationes exhibentur. Accedunt Dispu^ 
tationes duae, de Ptulomaeo Aulete., et Vita Sahatoris pu^ 
blica et privata. Plee non Disputatio in Epistola insti^ 
iuti a Viro Clarissimo Gerkardo ten Cate^ qua dubiorum 
et difficilium quorumdam e Prophetts locorum explicatio 
Evangelicae Historicae congruens traditur. Gron. 1759 4. 
Dit werk gaf aanleiding tot een letterkundigen twist met J. 
G. Walther. 

Korte schets van de volken^ die weleer 't gezegend Ne^ 
derland bevolkt en bewoond hebben (Haarl. 1761 8o.), ook 
in Verh. v. d. Baarl. Maats, der Wetens. D. VI. 

Zijne Oratio funeb. Guil. Car. Henr. Frisonis is door 

mr. Lucas Trip in het Nederd. overgezet en ziel het licht. 

Disput. Theol. de ecclesia apostolica totius Ecclesiae, N, 



Digitized by 



Google 



51 

r. matre, ad Galat. IV: 26. Ultraj. 1724 4. door Wolf in 
zijn Curae. philoL et crit, T. II p. 750 verkeerdelijk aan Lampa 
toegeschreven. 

Oratio de persecutione Waldensium Ultraj 1725 4. 

Diss. htstor. de antiquo Assyriorum imperio. Lingen, 1727. 4. 

Diss. altera acad, de monarchia Assyriorum dilaterata^ 
Lingen 1727 4o. 

Oratio de Antichristo in utero. Gron. 1728. 4o. 

Diss, histor. chronolog. exhihens synchronismum rerum 
paullo ante captivitatem Babylonicum gestarum. Ibid. 1730. 4o. 

Diss, hist. chronolog. de rebus sub, Nebucadnezare magno 
in oriente gestis. Ihid 1734. 

Diss, hist, Chronol, allera de rebus sub, Nebucadnezare, 
Ibid. 1734. 4o. 

Diss. de rebus a morte Nebucadnezaris ad Cyri exitum 
in Oriente gestis, Ibid. 1737. 4o. 

Epistola ad virum doctissmum /, Georg. Waltherum^ A. M, 
qua dubia^ ab ipso de aere templi mota^ renotantur et 
ratio putandi tempora in Spicilegiis propopsita illustratur et 
confirmalur, Gron. 1741 4o. 

Epistola ad Leon, Offexhausium^ in qua dubiorum et dif- 
ficilium quorundam e Prophetis locorum explicatio , Euangeli- 
cae historiae congruens^ in OfTerhusii Specïl, Hist, chrono^ 
log, p. 577 seqq. 

Zie J. de Rhoer, orat. funel. in obitum L, O, Groo. 1761 4o.; 
Sax, Onum. T. VI, p. 316, Anal. p. 708, H. Muntinghe Aota 
Secul. Acad. Qron. p. 130. J. F. Wachter Geschichtl, Nacirickten 
über das Hammsche Gymn. s. 71. 

Boaman Gesch. d. Geld. Hooges. D. Ilbl. 147, 148, 151; Scho- 
tel, kerk. Dordr. D. II. bl. 382 Biogr. Univ., Meusels Les, Th. 
X. 8. 214 — 218; Adelung eo Rotermund; Kobus en de Reve- 
court. Ziegler, Hamburg. Ferm. JSibl. I. B. 2 St. S. 288; J. D. 
Michaelis, Dissert. de prisea Hierosol. cujm cives christiani sunt 
Dez. Paraphras S. 38; Hombergers, gelehr. Teutschl. S. 537. 
Neue gelehrte Europa Th. \. S. 30—39. Th. IX. S. 91—92; F. 
C. G. Hirschig, Eist. Liit. Handb. IV; Nova acta erud. 1742. 
P. I. p. 111—129, Miscell. Gron. T. III. P. III. p. 523; Bibl. 
Hag. Cl. II. p. 627; Bibl. rais. Tom. IV p. 700; Nova. Misc. Lips, 
vol. IV. p.~3999. D. XXV. p. 63. 8e(iq. Novi. Bibl. Dec. 1740. 
p. 456,1741. Mars. p. 532; van Eek en Bossche, Tweehond. jarig 
jubclf. d. Doorl. school te Deventer p. 108. Gedenkboek der Gron. 
hooge school bl 400; Boekzaal der gel. wereld, 1787 ^ bl. 648, 
649, 1779 a bl. 535, b bl. 734, 494. Cat, der Maatschappij van 
Ned, Letterkunde, D. II. bl. 39, 77. Muller, Cat. v. portr. 

OFFERHAUS (E. D. Assonville geboren) bloeide in het midden 
der 18e eenw en maakte zich bekend als dichteres van gele- 
genheidsverzen, o. a. op het overlijden van Princes Anna 
weduwe van Willem IV en op hel huwelijk van Carel- 
Christiaan van Nassan-Weilburg en Wilhelmina Caro- 
lina, princes van Oranje-Nassan. 



Digitized by 



Google 



52 

Zie \an der Aa, JV. V, B. C. W, o. b. w. 

OFFERMANS CJohannrs^ werd in 1646 te Dordrecht ge- 
boren, legde zich op het landschapschilderen toe, doch daar 
niet in kunnende slagen, verwisselde hij zijn penseel met de 
verwerskwast. 

Zie Immerzeel, Lev. en Wprh. der Holl. en VI, Knnxtsfrh, D. II 
W. 275. Kramm, Lev, en Werk. d, HoU. en VI. Kunstsch. D. 
III bl. 1218. 

OFFERMANS (Josüah) een kunstffraveur, leefde in de XVÏI 
eeuw in Holland en graveerde portretten o. a. dat van Jo- 
hannes Michaelius Keratinns of Hornanus, praecep- 
tor aan het Gymnasium te Dordrechl. 

Zie Kramm t. a. p. bl. 1218. Aant. bl. 114. Schotel, ///. School 
bl. 84. 

OFFTGNIES (Jean d'") heer van Marque, sedert 1564 meer- 
malen schepen, in 1577 voorschepen of voorzitter in de sche- 
penshank der stad Beriren in Henegouwen. Hij was een 
dersrenen , die van wege die stad en dat landschap in 
1579 het verdrag van verzoening met Parma teekenden. 
Hij onderleekende ook in 1577 de Unie van Brussel. Hij 
huwde Catherine des Champs. 

Zie Bor, Ned. OorL D Tl, bl. 101, G. J. de Boossn. Eist. de 
la Ville de Mons in de lijst der Schepenen; J. C. de Jonge, Unie 
vau Brussel bl. 204. 

OFFIGMES (Thiebi d') heer van Callenelles, achterklein- 
zoon van Jean D'Offignies, schildknaap, kleinzoon van den 
bovenstaanden Jean d^Of fignies, schepen van Bergen enz , en 
van Catherine des Champs, vrouw van Callenelles, 
zoon van Guy d''Of fignies, heer van Callenelles en Me rgue- 
rite Fourneau. Hij werd te Bergen omfreeks 1 570 geboren, 
studeerde in de regten en was in 1597 en 1598 schepen 
zijner geboorteplaats. Hij werd vervolgens een der eerste 
raadsheeren van het Groot Baiih'uschap van Bergen, die als 
Raadsheeren van den gewonen raad des konings. vóór de in- 
stelling van het Souveraine hof van Henegouwen in 1612, dien- 
den. Hij was zulks ten minste tol 1602, werd in 1517, 
toen het van den gewonen raad werd gescheiden, raadsheer 
van het genoemde hof en stierf 3 April 1672. 

Hij schreef Obsertations sur les Loix et ('oslumes de Hat- 
naut in ms. Hij huwde Jeanne van Campen. 

Zie B0U8SU, Hisl, de Mons, p. 352, 853, 397, 433. Paqao, Jf^w. 
t. II. p. 475. 

OFFRINGA (NicoLAAs") of Klaas Luitjes, proponent on- 
der de classis van Groningen, werd in 1686 predikant te 
Haskerland. Bij zijn peremptoir examen werd hij op zijn ver- 
zoek in het Nederduitsch in de Theologie geëxamineerd. Zijn 
werk de Zin Christi in gdove en liefde^ zonder jaartal 



Digitized by 



Google 



53 

in het licht gekomen, werd eerst, nadat de visitatoren er 
verscheidene veranderingen in gemaakt hadden, geapprobeerd. 
Hij overleed den 4 Oct. 1699. 

Zie Engelsma, volglijst der predik, van Zevenwouden bl. 132. 

OGELWIGHT Junior (Hendrik") in 1764 te Amsterdam 
geboren, onderscheid'le zich onder de voor het tooneel arbei- 
dende schrijvers. De meeste zijner talrijke stukken zijn in 
proza, enkele geheel berijmd, anderen door zangen afgewis- 
seld. Zij onderscheiden zich door zachlvloeijendheid. Hij over- 
leed in 1841 , en schreef: 

I^ina of de Hnnelooze door Liefde^ insp. met 7,ang gev, 
n. h Fr, Amsl. 1789. 

Aan de uitmunt endst e Nederl, actrice^ Mej, Joh, Corn. 
Wattier,, by gelegenheid dat Haar Edel de rol van ISina 
onvergelijke/ijk fraai had uitgevoerd Aldr. 1790. 

De Vrindenraad^ of het welgelukl ontwerp; Tnsps. Aid. 1790. 

Louise en Vvlsan^ Tnsp. Aid. 1791. 

De Schulden ^ zangsp, gev. n. h, Fr, Aid. 1791. 

De korte Dwaling^ tnsp. met zang, van Monvel, gev, n, 
h. Fr. Aid. 1791. 

Azemia of de Wilden, tnsp. met zang, gev. n. h. Fr, 
Aid. 1791. 

Het Rozenfeest van Salencia, zangsp, gev. n. h. Fr, Aid. 
1792. 

Men doet wat men kan en niet wat men wil, blsp. gev. 
n. h. Fr. van Dorvigny. Aid. 1787. 

Aan den uitmuntenden Hederlandschen Tooneelspeler ^ 
den heer e D. Sardet 17b8. 

De verbeterde Dwaas, blsp. gev. n. h. Fr. van Patrat. 
Aid. 1788. 

Waldheim, tnsp. Aid. 1789. 

De Visitandines, zangsp n. h. Fr. Aid. 1796, 1799. 

De Pruik en de Das, blsp. n h. Fr. van D, Picard. Aid. 
1797. 

Het Geschenk, of de Gelukkige Misvatting; blsp. n. h. Fr, 
van Pairat, Aid 1797. 

De wanhoop van Jocriase, blsp, n, h. Fr. van Dorvigny, 
Aid. 1798. 

Toberne of de Zweedsche Visschers^ zangsp. Aid. 1798. 

Mathitde, tnsp, n. h, Fr, van Monvel, Aid. IbOl. 

De Medeminnaars, zangsp. gev. n, h. Fr, Aid. 1801. 

De twee Figaroos blsp. n. h. Fr. van Martelli, Aid. 1802. 

Don Juan of de Sleenen Gast', zangsp, n, h. Jdgd., vr{j 
gev. Aid. 1804. 

De Menschenhater ^ tnsp. n. h. Fr, Le Misanthrope van 
Molière, vrij gev. Aid. 1805. 

In Tooneel' en Mengelpoezy van het Genootschap, onder 



Digitized by 



Google 



54 

de zinspreuk: Kunstmin spaart ff een t>Kjt (Amst. 1776 — 37913 
komt in D. XV, behalve De Korte Dwaling, voor: 

Vangienne of de Karakt er toets , tnsp, n, VHabitant de la 
Guadeloupe van Mercier 1788. 

Zie van der Aa, B. N. C. Woordenh. o. h. w. Cat^d. Maats, 
van Ned. Leiterk. D. II bl. 31, 160, 268. Cat, 22. v. d, ^abl. 111. 

OGGELBEEK (Robert Joris) 
schreef: 

Onderwijs over den Leere des Catechismus en Avondmaal^ 
Rolt. 1708, 1738 8. 

Zie K o e c h e r , Caiech. Eist. d, 6er, Kerk bl . 320; Abcoude, 
Naamr, bl. 264. 

OGIER de Deen , een der getrouwe med^ezellen van K a r e 1 
den Groote op zijne wapentoisten , zoude van dezen vorst 
in 801, volgens den geschiedschrijver Mantelius, het graaf- 
schap van Loon in Limburg ten geschenke bekomen hebben. 
Zulks is echter aan twijfel onderhevig. Zeker is het echter, 
dat O gier, de edele Paladijn, afstammende uit een geslacht, 
dat 5 eeuwen zich zeer verdienstelijk had gemaakt, in deze 
landen zich lang heeft opgehouden. 

Zio v . d . C 11 ij s , ,ö?^ Munten der Leenen in Braèand en Limburg, 
bl. 218, 253. 

OGIERS (^Annehen) dochter van Jan Ogiersz. , gehuwd 
met Adriaan Boogaert, plateelbakker te Haarlem, werd 
als Doopsgezinde 17 Junij 1570 veroordeeld om verdronken 
en onder de galg begraven te worden, met verbeurdverkla- 
ring harer goederen. 

Zie van Bracht, Martel- Spiegel bl . 505. 

OGIER (Carolus} een Latijnsch dichter, over wien: 

B a i 1 1 e t , Jugem. des savans 1681 : H o e u f f t , Parrn. Lat, 
Belg. p. 79. 

OGIER (SiMON^ of Ogerius, Jur. utr. Doctor, geboren te 
St. Omer, bloeide in het laatst der 16e eeuw, en was een 
zeer vruchtbaar en, volgens Peerlkamp, een zoetvloeiend 
Latijnsch dichter. Hij gaf in het licht: 

Irene et Ar es ad magnum heroa Alexandrum Farnesium , 
Duac. 1588 8. Hierbij: 

1. Odarum libri, 

2. Ombrontherinón libri, 

3. Euctión libri, 

4. Sylvamm libri XII, 

Cantilenarum piarum ac pudicarum Enneades duae. Item 
Perietera. Duaci 1592 8. 

Encomiorum {quibus homines laude et Jionore digni^ dignis 
honestantur laudibus) liber 1 , Acceasit ejusdem Auctor is «y»- 

mirió'n HKpv 1 Diipni 1597. 



Digitized by 



Google 



55 

Epitaphiortm lieer 1./ ejuadem Brugae^ uli auioris Iter 
Audomaropoli Brugaê^ et rediéus inde domum describitur 
Ibid. 1597 8. 

Cameracum^ et Alpes versibus descripta Ibid. 1597 8. 

Artesia, ubi Provinda Tibulliano versu queritur de cala 
mitate sibi a Gallis nuper illatd; accedit ^uêdem Tibullis, 
ubi ostendit quisnam jprinclpatum teneat in Elegud tam aj^ud 
Graecos^ quant Latinos. Ibid. 1597 8. 

Lutetia, carmen, Ibid. 1597 8. 

Vervinum, carmen. Ibid. 1598. 

AlbertuB et Isabella^ Panegyricus carmine expressus, Ac-- 
cessit ejusdem Encomiorum liber secundus Daaci 1600, 2 
pari. 1 vol. 8. 

Melon libri III, 

Nicoleverene. 

Tkrenodiae, 

Charisteria Duaci 1600. 

Elegiarum Chris tianarum libri tres, 

Galatea, 

Calliopesachea. 

Faraenesês, 

Caletum, 

Symbola Antv. 1603 8. 

Morini Anlv. 1602. 

Opuscula sclicet Lutetia Duaci 1690. 

Ook had hij een episch gedicht, zoo lang als de Ilias, over 
de daden der graven van Vlaanderen, aangevangen , doch vol- 
tooide het waarschijnlijk niet. Dit gedicht bezorgde hem den 
titel van Florias, Ook vindt men gedichten van hem bij Gru- 
lerus. Delitiae T. III, p. 706—795. 

Zie L o c r i i , Chron. Belg. p . 695 j S w e e r t i i , Ath. Belg, p. 
676; Val. Andreas, Bibl. Belg, p. 812; Foppens, 5iW. 
Belg, T.IIp.ll02.Paquot, JfmT.l,p.212; H o eu f ft. Par». X«/. 
Belg. p. 78; Peerlkamp, de Poëtis Neerl. p. 175, 176. Bibl, 
HiUlthm. No. 23485, 23486,23487,23488,24350,24351,24352,26680. 

Pierse, Biogr. de Saint. Omer; Nouv. Biogr, Général ï. 38, p. 
523. Biogr. Univ,: Jöcher, Kobus cd de Rivecourt. 

OGIER (^Barbaba^ dochter van Gaillielmus Ogier, bloeide 
te Antwerpen in het laatst der XVII eeuw. Even als haar 
vader beoefende zij de Nederlandsche poëzij , en verwierf toen 
grooten roem als dichteres van: 

Verwellecoming op de Sael van Pictura , a£n Zijn Doorlucht, 
Hoogheyd Max. Emmanuel^ Hertog van Beijeren ^ Antw. 1693. 

De zegepraelende Academia 1694. 

De dood van Clytus^ op 's konings verjaarfeest, 19 Deo. 
1703, in tegenwoerdigheid van den Bisschop en de regering 
van Antwerpen vertoont. 

Pawtera, 



Digitized by 



Google 



56 

Zij dichüe in den trani van baar vader. Ook haar ecbtge- 
noot Guillam Ignatio Kerricx was een tooneeldichter. 

Zie J . W i 1 1 e m s , Ver hand. over de Ned. Tael en Letterk. D . 
II bl. 140; Witseu Geijsbeek, Biogr, Anth. Crit, IFoordenb. 
D. IV, bl. 73, 74. Jniw. Alm. voor 1819 bl. 44. Cat. v, Tooneel- 
spel, van W, üenakts , Mo. 110. 

OGIER (GuiLiELMUS^ Factor der rederijkerskamers de Vio- 
liere en den Olijftack Ie Antwerpen, waar hij omstreeks 
1625 geboren werd. Lamb. Bidloo noemt hem een dicliter, 

'^Die, in zyn taal en stijl en dichterlyke bloemen, 

"Meer Amsterdammer als Anlwerper is te noemen, 

"Bij wien niets ergerlyk voor H aller tederst oor, 

"Iii straf van ^t vuylste quaad der zonden komt te voor.*^ 

Minder gunstig is het oordeel van latere kunstkenners, schoon 
zij toestemmen dat zijne blijspelen zinrijker dan de rederij- 
kerspelen van den gewonen stempel zijn; maar de zamenspraak 
is in enge platte Vlaamsche straattaal. 

Hij schreef: 

De Seven Hooft-Sonden , speelsghewys vermakelyck ende leer- 
saem voorgestelt^ namelyki de Hooveerdighf^ydt ^ de Gierig- 
heydt^ de Onkuysheydt^ Haet en Nydt^ Gulsijheydt ^ Gram- 
schap en Iraegheyt {jn 7 TooneeUtukken ^ vertoont op de 
Kamer van de Violieren en die van dm Olyf-tack te Ant- 
werpen, tusschen 1639 en 16783 ^unl 1682. 

Belachelijck Misverstant ofte Boere-Geck, speelgewya uyt- 
gébeheelt d, 18 Oct, 1680 o/j de Camer van den Olyf-Tack 
binnen Antwerpen, Aid. (^helz. jaar.} 

Don Ferdinand ofte Spaenschen Sterrekyker , blsp. veythoont 
op de Saele der vereende Comtten geseyt S, Lucas Gulde, ende 
uyt-gewerckt door de Liefhebbers van den Olyf-Tack binnen 
Antwerpen d 21 Oct. 1714. Antw. J. P. Rob ij ds, z. j. kl. 
8vo. Een ongenoemde in den Nevorsche9- D. VII bl. 16, steil 
dit stuk met Snellaert op naam van zijne dochter Barbera 
O gier, wijl het eerst 25 jaren na zijn dood op den Amster- 
damschen schouwburg werd verloond. Met porlrel van Ogier 
door G. Boutats naar P. Tys, en twee buitengewone zin- 
nebeeldige tilelpl. 

Haet en Nyd, klsp. Amst. 1720 kl. 8vo. 

Docht dit is geen van de Seven Hooft-8onden onderschei- 
den stuk. 

Hij moet zijn eerste kluchtspel de Gvlsigheydt (voorkomende 
onder de Beven Booft-sonden) in 1617 begonnen zijn te schrij- 
ven, doch hij had het ongeluk ^jeene vrienden te hebben, die 
hem of konden prijzen, of hem zijn gebreken ouder 't oog 
brengen, tot dat hij lid werd van de zoo even genoemde 
rederijkerskamer de Olijftak. Daar leerde hij kennen^ Joan 
J a M 8 e 1} s. 



Digitized by 



Google 



^ eenen Man 

''Seer ervaeren, die door oude 
^In de coiisl niet en verkonde 
^Maar was noch het Hooft daervan, 
En voorts zekeren 

^van den Bosch, een tweede vriend, die hem mede be- 
hulpzaam was in zijne kuustlievende pogingen. 

Van de Klucht de Gulsigheyt ( speeisgbewijs vertoont op 
de Kamer van den Olffftack den IHden October Anno 1639 
binnen Antwerpen) zegt hij zelf: 

^Onse stadt scheen noyt versaedt 

"In het sien en in het hooren: 

"Hoiidert mael, en cond"" niet stooren^ 

"Want het bleef in eenen slaet. 

"Oft het sulckx verdient, oft niet, 

"Laet ick Lesers oordeel geven: 

"Meer als veertigh laren leven 

"Is mij d'*£er daervan geschiet. 
Daarop laat hij volgen: 

"Toch ick sie een ander Licht 

"En myn son begint te doelen: 

"Weirells Eer syn IJdel slraelen 

"Minnen 't Eeuwelijck ghesicht. 
Een zijner klachten de Gramschap , heeft zich onder den titel 
van Moedwillige Boolsgez-el nog ver in de Ibdeu eeuw aau 
het Amsterdamsch tooneel staande gehouden. 
Hij was in 1689 overleden. 

Onder zijn portret (Pi e ter Tijs, pinxit Anno 1660; Garp. 
Boutats fee. aqua tint. 1682) leest men: 

"Dit 'st Wesen sonder siel 

"Van aerde myns gelijck 

"De siel behoort aan 't Rijck 

"Van waers in 't lichaem viel. 

Zie Bi dl 00 Fanpoého. Bat.h\, 184; J. F. W i 1 1 e m s. Verhandel, 
over de Nederd. Tael eu Ltfitèrk. O. II. bl. 129 volgg; W i t s e n 
Geysbeek B. A. C. Wuordenb . l). V. bl. I. volgj?. ; Siegen- 
beek, JSekn. Gesch, d, Ned. Letierk. bl. 163; vaa Kam pen 
Beknopte Geschied, der Neder l. Letter k. en Wetens. D. II. bl. 655; 
Jntw. Alm. vuor 1819 bl. 48; Suellaert, Schets eener Geschied, 
der Nederl. Letterk. bl. 143—148; Belg. Museum 1). iX. bl. 308; 
Schotel, TUb. Avondst. bl. \^^ , Navorschcr , \} . V. bl. 271. 
D. VI. bl. 51. 339. D. Vil. bl. 16; Algem. Woordend, der Za- 
menl o. h. w. kobus en de Rivecoart; Muller (at. v. port» 
Cat d. Maats. v. Nederl. Letterk. D. 16. bl. 160; Cai. Hulim, 
D. III p. 370; Abküude, Naamr. bl. 425. 

OGIERS (Baüwin} beeldhouwer te Antwerpen in den aan- 
vang der 16e eeuw. 

Zie Kramm, Lev, en Werk, d, HoU. en VI, Kunstsch, D. IV. 
bl. 1219. 



Digitized by 



Google 



68 

OGLE of Ogly (Jean) kolonel en bevelhebber der Staatsche be- 
zetting in Utrecht. In 1610 ontdekte men aldaar een zamen- 
zweering om hem te vatten , het krijgsvolk te overmeesteren en 
de regering te veranderen. Hij was nog in 1618 in die betrekking, 
toen hij , die ter betaling van Holland stond, door de staten van 
dit gewest geboden werd niets te doen noch voor te nemen dan 
hetgeen hem voor de staten van Utrecht of de Afgevaardigden 
der staten van Holland bevolen werd. Meermalen komt zijn 
naam in de geschiedenis dier dagen voor. In 1604 was hij 
in Ostende , en gaf een verslag van een gedeelte des belegs , 
gedrukt 1556. Zijn portret, door Faithorne, slaat voor F. 
Veere's Commentaries ^ 1655. fol. 

Zie W a g e n a a r , Vad. Hist . D . X . bl . 31, 220, 230. 231, 293, 294. 

OGLE (^Ulricia) of Ogly, dochter van den Engelschen ko- 
lonel Ogly of voltooide hare opvoeding in Engeland, ver- 
bond zich in den echt met Willem Swaenen vestigde 
zich te Utrecht , waar zij door Anna Maria van Schurman 
en anderen met Nederduitsche en Fransche gedichten begroet 
werd. Die van Anna Maria van Schurman zijn volgens 
haar schrijven aan Yorstius (1648) te Leyden, builen haar 
weten uitgegeven. Ulricia Ogle was eene zeer begaafde 
vrouw en een sieraad van bet gezelschap dat zich bij Hooft 
op het slot te Muiden vereenigde. Zij muntte als zangeres uit. 
Huygens vereerde hare kunstmatige zangen met een vry 
luimig gedicht. 

Zie Koning, het Slot te Muiden bl . 186; Huygens, Korenhl, 
D. III. bl. 150. D. IV. bl. 297; Dez. Mom. Desult. p. 195; 
Astrea, 1852 bl. 242; Schotel J, M, van Schurman, bl. 50 %n 
bl. 13 der aant. 

OGUIER (Robert) van Rijssel in Vlaanderen, werd in 
1556 met zijn vrouw en beide zonen, Baudechon en 
Martin om den geloove ter dood gebragt. Het was in de 
woning van Oguier, dat de gemeente van Rijssel in het ge- 
heim vergaderde. 

Zie Haag, la Trance Protest. T. VIII. p. 41. 

OHIMONIÜS (Chrisiistella) een arts, schrijver van Divul- 
gatio professionis praxeos medicae in morhis curandis, quorum 
medica non possibilis est profligatio^ inéer guos est podagra^ 
coxendicis dolor et arthritia Antv, 

Zie Adelang en Rotermnnd, i. v. 

OËSEL, Oezel, Ousel, Ouzel, Oisel, Oiselius^ Loisel (Jacob) 
afstammeling van het aanzienlijk geslacht van dien naam, dat 
ten tijde van den Bartholomeus-moord Frankrijk verliet, zich 
in Vlaanderen vestigde, vandaar, om Alva's vervolgingen te 
ontgaan, naar Leijden week en er een lakenfabriek oprigtte, 
zoon van FhiliDs Gesel en Maria Ie Noir, werd 4 Mei 



Digitized by 



Google 



59 

1631 geboren. Zijn vader bestemde hem voor den koophandel 
en zond hem naar Holland, waar hij te Haarlem, Leyden en 
Amsterdam zich op dit vak toelegde. Hij had echter zooveel 
begeerte lot de studie, dat hij van de lessen der Hoogleer- 
aren, op de plaats waar hij zich bevond, gebruik maakte, tot 
dat zijn vader hem verlof gaf zich er geheel aan te wijden. 
In 1650 begaf hij zich naar Leijden, waar hij hel onderwijs van 
Salmasius, Heynsius en B o xhorniusgenoot. Hier maakte 
hij zulke vorderingen dat hij reeds op een-en-twinligjarigen 
leeftijd eene goede editie van Minutius Felix kon bezor- 
gen. Van Leijden ging hij naar ülrecht , waar hij in de regts- 
geleerdheid studeerde, die hij vervolgens te Leijden vervolgde 
tol dat hij in 1654 aldaar den graad van doctor verwierf. Nu 
deed hij een wetenschappelijke reis door Engeland en Frank- 
rijk en wenschte ook Italië te bezoeken ; doch daar er de pest 
heerschte, keerde hij te Geneve naar Frankrijk en vervolgens 
in 1657 naar Holland terug. Hier hield hij zich zoo te 
Utrecht, Leijden als "'s Hage met letterkundigen arbeid bezig, 
o. a. met de uitgave der Instüutiones van Cajus. Men be- 
schuldigt hem dat hij zoo voor zijn Minutius Felix als voor 
Cajus van den arbeid van anderen gebruik zou gemaakt heb- 
ben en dat de noten van O es el op den laatste uit den com- 
mentarius van Hier. Aleander op Cajus, in 1600 te 
Venetië gedrukt, zouden getrokken zijn. In 1667 werd Oes el 
hoo^Ieeraar in de reglen te Groningen, en bekleedde dit 
ambt tol den 20 Junij 1686, toen hij in den ouderdom van 
55 jaren stierf. Hij was nimmer gehuwd geweest. Zijn lijk 
werd in de akademiekerk begraven. J. Mensinga hield 
eene lijkrede op hem. 

Hij schreef en gaf in het licht: 

M, Minutii Felicis Octavius ^ cum integris omnium notis 
ac commentariis ^ novaque recensione Jacobi Ouzeli, ct^jua 
et acceduni animadversiones, Accedit praeterea liber Julii 
Firmici Materni V, C. de errore profanarum religionum L, 
B. 1652 4, 1672 8. 

Dispuiatio inaugm'alis^ de Obligatione ^ L. B. 1654 4. 

Caiï , antiquissmi JurisconsuUi , Institutionum fragmenta , 
cum notu perpetuis, Accedit insuper Aniaiii Epitome L. B. 
1658 8.^ 

/. A. Gellii Nocta attioae, cum Antonii Tkysii, Ouzeliet 
variorum Commentariius L. B. 1666 8,Jac. Gronovius 
heeft dien Commentarius streng beoordeeld en teregt berispt. 

Thesaurns selectorum Numismatum antiguorum eL Julio Cae^ 
sare ad constantinum magnum cum singulorum succincta des-- 
criptione et accurata enarratione. Amsterdam 1677. 4. 

"Les planches de eet ouvrage f schrijft NiceronJ sonl les 
mêmes que celles qui avoient servi en Touvrage Flamand de 
Joachim Oudaan (Roomaojke Mogendheid Amst. 1671 4.} „Les 



Digitized by 



Google 



60 

libraires qui les possédoient étant bien aise d^en avoir on 
nouvau débit , engagérent Oesel è les accompagner d'un 
commentaire Lalin, qu'il tira pour la plus grande partie de 
Toriginal Flamand.' Pezelfde schrijver oordeelt dus over hem: 
^11 (OiseQ avait quelque érudition, mais c'éloit uo insigne 
plagiaire, dont presque tous les ouvrages ne sont qu'une de 
pouille de ceux des autres, qui souvent il n'*è point nommès 
pour paroilre davantage original.'" 

Oratio funebris in obitum Jac, AUingii. Groning. 1680 4. 

Hij had eene voortreffelijke bibliotheek waarvan in 1687 te 
Leyden in 2 deelen de catalogus is uitgegeven. 

Zie I. M en 81 n ga, Orat. faneb . in obU. nob ac celeb. viri Jac, 
Oiseliiy Icii. ei Polyhist. cAmii Jur. nat. et ff ent lil . Fro/.Gron. 1&S6; 
Morhof Polyhist. 1, 14, 13, 9 j Sax e, Onojn. Uier. t. IV, p. 563, Kö- 
uiugii, Bibl. Vet. et Nuv. i. v. Creiiii Animad v. philul. p. 111, p. 
168, IX. p. 218; J. A. Fabricii, Ccnturia Flaffiariorum N.XXXU, 
p. 40; J. A. Fabricii, Htst. Bibl. p. 1, p. 174. Bibl. Brem. Cl. 
VIII, p. 880; Muntinghe, Jcta Üecul. p. 000; Ni eer on. Mem, 
T, XIII. p. 385, 389; Chaufepiè, Nouveau Dict. üist. et Vrit , 
T, III. 1. v. B ai liet, Juffem. T. II. p. 257; Bioyr. Univ i. v. 
Nouv. Bioffr. Univ. i. v.; Haag, la Trance Protest, i. v. Dict. Hist.; 
Journal des Savants Fevr. 1715. Gel. Preussen. Th. II. p. 320—338; 
Jöcher, Adelung en Rotermund; liibltoih. Germ. VII, 
Cal. Bibl. Bunav. T. I. v. IT. p. 1475, 1476; Kobus en de Rive- 
court, Gcdenkb. d, Gron. Hooges. bl. 42 — 43. 

OESEL (Philippus") neef van den vorige, zoon vanMichel 
Oesel en Esther van Huysteen, werd 7 October 1671 
te Dantzig geboren, verloor vroeg zijne ouders, en werd 
door zijne voogden en zijne schoonmoeder opgevoed. Na de 
lagere scholen te zijn geboorteplaats doorloopen te hebben , 
legde hij zich te Bremen op de wijsbegeerte, godgeleerdheid eu 
Hebreeuwsche taal toe. Van daar ging hij naar Groningen. Frane- 
ker en Leyden , waar hij groote vorderingen maakte in de godge- 
lerdheid en Bijbelscbe critiek. Vooral legde hij zich op de Ooster- 
sche talen toe, zoodat zijne tijdgenooten hem op een rij met Bux- 
torf en Coccejus stelden. In 1697 bezocht hij Engeland, 
maakte daar kennis met beroemde mannen en onderzocht de 
zeldzame handschriften die zich in de bibliotheek te Londen , Ox- 
ford en Cambridge bevonden. Vervolgens reisde hij door 
Frankrijk en Duilschland, bezocht zijne bloedverwanten te 
Dantzig, en keerde vervolgens naar lloliand terug (^17063, 
waar hij zich op de geneeskunde toelegde. In 1709 werd hij 
te Franeker doctor in de geneeskunde , na het verdedigen eener 
Vissertatio inaaguralis de lepra cutis Hebraeorum, Franeq. 
1709 4. Te Leyden wedergekeerd, werd hij erin 1711 pre- 
dikant bij de iloogduitsche gemeente tot 1717 toen hij te 
Frankfort aan den Oder, waar men hem reeds in 1706 tot 
predikant begeerd had, tot hoogleeraar in de Godgeleerdheid 
en tevens tot predikant werd beroepen. Omtrent twee jaren 
later huwde hij Anna Christina Ring, doch die yereeni- 



Digitized by 



Google 



61 

gingr duurde niet lang. Hij stierf 12 April 1724, zonder kin- 
deren na te laten. Dietr. Sigfr. Claessen hield eene 
lijkrede op hem, en Nicolaas Westermannus schreef 
een Elogium Philippi Ouselii Theohgi Prancofurtani propter 
Oderam^ geplaalsl in de Bibl, Bremensis cl. VII p. 877 
seqq. 

Hij schreef, behalve de genoemde Dissentatie, ookinSchil- 
lingii Comment. de leprd L. B. 1778 8: p. 4—68. 

De Accentuatione Hebraeorum metrica tractatus. Lugd. 
Bal. 1714. 

De Accentuatione Hebraeorum proscffrö. Lugd. Bat. 1715. 4. 

Welligl in het eersfgemelde werk hetzelfde met Jntroductio 
in accentuationem Hebraeorum metricam L.B. 1714 4o. door 
Chaufepié vermeld, in welks voorrede hij beweerde dat 
de punten en accenten zoo oud als de H. S. zijn, een gevoe- 
len ook door Buxtorf en Coccejns omhelsd, maar door C a p- 
pel lus verworpen. 

De auctore Decalogi, diss. duae, Francof. ad V. 1 7 1 7, 1 71 8 4o. 

De decalogo soli Israëli dato diss. tres, Francof. 1719. 

De naturd decalogi diss. duae. Ibid. 1723 4. 

De nominibus decalogi Francof. 1717 8. 

De denario regni coelorum s. Parabola Malth. XX. 1 — 16. 
diss. duae-., Francof. 1720, 1723. 

Encominm taciturnitalis ; Vituperium loqvocitatis , in 
ms. in het Britsch Museum, p. 893, 499. In Bibl. Brem, t. 
a. p. vindt men een Lat. brief van Fr. Burmannus en Ha-, 
drianus Relandus aan Oeselius en in Tom i. Thesauri 
epiatolici Lacrosinni een brief van hem aan Lacroze. 

Zie, behalve de Orat. Funeb. van Claessen en het Elogium van 
Westermannus, Bibl. Germ. Tom. XII Jrt. IX, p 188, 140. 
Chaufepié, Dict Hist, et crit. i. v.; Haag, la Trance Prat. i. v.; 
Bicgr. Univ. i v. Biogr. Hist. i. v. Nouv. Biogr. Unie. i. v. ; P r i- 
deaux Hixt. des Jaifs. T. II. p. 164 — 194 Journü des Scav. Fevr, 
1715, p. 215; Joch er, Adelung, Rotermnnd, Hinscbing, 
Etst, lil. Handb. beruhmter ü denkwürd. Personen. T, VI. L. 220. 

OKEGIIEM (Jan) beroemd toonkunslenaar omtrent 1430 in 
een der sleden van Henegouwen, waarschijnlijk te Bavay ge- 
boren, in de eerste jaren der 15e eeuw, te Tours in de 
eerste jaren der 16e eeuw gestorven. Men weet niet in welke 
school hij zich gevormd heeft, doch het is waarschijnlijk dat 
hij Gilles Binchois, eerste zanger van den Hertog van 
Bourgondie, wiens hof zich toen te Peronne, niet ver van Bavay 
bevond, tot leermeester heeft gehad. Zijn talent werd spoe- 
dig opgemerkt en hij kwam bij Ka rel VII als eerste zanger 
of kapelaan in dienst. Na den dood van Karet Vil (1461) 
verliet Okeghem waarschijnlijk het hof en begaf zich naar 
de abdij van St. Martijn van Tours, waar hij later hel ambt 
van zanger en Iresorier vervalde. 



Digitized by 



Google 



62 

Jean Lemaire, Belgisch dichter en geschiedschrijver te 
Bavay geboren, en tijdgenoot van Okeghem in diens ouder- 
dom , meldl dat hij in 1512 nog in die abdij was. Okeg- 
hem moet toen 81 of 82 jaren bereikt hebben. Zijn sterfjaar 
is onzeker: volgens Kiesewetter was het 1513. Deze 
meester, een der kundigste van zijn tijd, heeft ook leerlingen 
gevormd, die zelve weer leermeesters van anderen werden. 
De lofspraken van zijn leerlingen hebben hem lol hel hoofd 
eener school verheven. „On voit, par ce que sous reste de 
ses ouvrages, leest men in de Nouv. Biogr. Générale, „quMl 
était bien superieur a Dufay et a ses aulres prédécesseurs 
immédiats dans Tart d'écrire, les partiees sonl mieux conté" 
nues dans leurs limites naturelles; les croisements sont plus 
habilemenl évilés; Tharmonie est mieux remplie. Vimitation 
et Ie Canon ^ dont on trouve les premiers rudiments dans 
les oeuvres des musiciens de la fin du quaorsziéme siècle , 
prennent enlre ses mains plus de développement el une forme 
plus reguliere. Glaréan deelt in zijn Dodecachordon een 
Canon voor drie stemmen, een Kyrie voor vier stemmen en 
het Benedictus voor vier stemmen der mis ad omnem tinum, 
en Kiese we tter het Kyrie der mis Gaudeamus van hem 
mede. Verscheidene missen van Okeghem worden in hands, 
bewaard in de pauselijke kapel te Rome. Fétiss bezat een 
hands, uit de XVe eeuw met drie motetten van dezen mu- 
sicus. Glaréan zegt in zijn Dodecachordon^ en vele schrij- 
vers hebben het herhaald, dat Okeghem een mis voor 36 
stemmen schr-eef, doch D. Denne Baron houdt zulks voor 
zeer onwaarschijnlijk. 

Zie Glaréan, Dodecachordon ; F a b e r , Erotemata musices prac- 
iicae; Wilphlingseder, Erotemata practica e continentia praecipuas 
ejus artis praecepiiones ; H a w k i n s , Eistory of the science andprac- 
tice of music; B u r n e y, a general history of music ; F o r k e 1 , Al- 
gemeine Geschichte der Mu&ik ; F é t i s , Mémoire sur les musiciens 
Neerlandais en 'Recherches sur la musique des rot de Trance et de 
guelques Prinees , depuis PhiJippe Ie Bel jusqu'h la fin du règne de 
Zouis XI F. {Revue Musicale t. XII p. 234) en Biogr. univ. des mu- 
siciens ; Kiesewetter, Die Verdienste der Nierlander um die ton- 
kunst; Dez., Oeschichte der Europaeisch abendlandischen oder unsrer 
heuiiger Musik. Art. van D. Denne Baron, p. 574, T. XXVII , 
der Notw. Biogr. Générale publieé pa Firmin Bidot frïres , sous la 
la direction de M. Ie Br, Hoefer, 

OLDENBARNEVELD (Mr. J. van) Eidder, Heer van den 
Tempel, Roderys, Berkel enz., Raad-Advocaat van Holland, 
Bewaarder van bet Groot Zegel en der charters van Holland , 
werd den 14 Sept. 1547 te Amersfoort geboren. Hij sproot 
uit een adelijk geslacht 't welk in en voor de XVe eeuw de 
ridderhofstad Oldenbarneveld bij Nieuwkerk op de Veluwo 
bewoonde. In den jare 1603 noemde hem de Staten van Hol- 



Digitized by 



Google 



63 

land Jonkheer Joan van Oldenbarneveld. Zijn vader wa» 
Gerard van Oldenbarneveld, zijne moeder Dekena 
van Weedo van Stoutenburg, dochler van Johan van 
Weede van Stoutenburg: Claas van Oldenbarne- 
veld was zijn grootvader en deze een achterkleinzoon van 
Ernst van Oldenbarneveld, schildknaap, omtrenl 1425 
gestorven , die zich van Nieuwkerk met ter woon naar Amers- 
foort verplaatste. Hij was gehuwd geweest met Alyd van 
Lookhorst Johansd. Na zich waarschijnlijk aan het gym- 
nasium zijner geboorteplaats in de oude talen geoefend te heb- 
ben, legde hij zich in 1564 en 1565 te 's Ha ge op de regten 
toe en vervolgde in 1566 en 1567 zijne studiën te Leuven en 
Bourges in Frankrijk. In het laatstgemelde jaar dwong hem 
de burgeroorlog met veel andere studenten Frankrijk te ver- 
loten , hij reisde door het graafschap Bourgondië en Besancon, 
het graafschap van Monspelgart en een gedeelte vun Zwitser- 
land naar Bazel , en vandaar naar Keulen , waar hij zijne regts- 
geleerde studie hervatte. Vandaar begaf hij zich naar Heidel- 
berg, vervolgens naar Italië, en wedergekeerd werd in 1572 
advocaat voor H Hof van Holland. Toen in 1572 de President 
Radeo, en de meeste advocaten en suppoosten van het Hof 
den Haag verlieten en zich naar Utrecht begaven, weigerde 
hij te volgen en was een der drie advocaten, die zich het 
eerst onder het gouvernement van den prins stelden. Hij trad 
nu opeullijk als belijder der gereformeerde religie op, woonde 
verschillende kerkelijke vergaderingen en de openbare gods- 
dienst bij en werd gebruikt als commissaris tot het maken van 
behoorlijken staat van ^wapening der Ingezetenen en vordering 
eener wettige contributie." Toen men te 's Hage elk oogenblik de 
Spanjaarden tegemoet zag, vertrok hij inFebruarij 1573 naar Delft, 
en behoorde in hetzelfde jaar tot hen die onder Batenburg tot 
ontzet van het deerlijk benaauwde Haarlem uittrokken. Of hij 
toen reeds de post van advocaat der stalen van Holland be- 
kleedde, blijkt niet, doch wel dat hij laier daartoe werd aan- 
gesteld op een wedde van 18 ponden. 

Na als commissaris tot vordering van het ontzet van Leij- 
den werkzaam te zijn geweest, reisde hij in het begin van 
1576 naar Zeeland tot defensie van do gemeente van Zie- 
rikzee en werd na de pacificatie van Gend pensionaris (e 
Rotterdam. Sedert gebruikte men hem niet slechts in gewig- 
tige zaken, die steeds meer het geheel e land betroffen, als 
tot het sluiten der Unie van Utrecht (1579), en tot het ont- 
werpen der voorwaarden, waarop Willem I tot graaf vao 
Holkind zou worden gehuldigd. De prins beminde en achtte 
hem zeer en vertrouwde hem veel toe, ook omtrent de ge- 
wigtigste en neteligste punten van het staatsbestuur. 

Toen de treffende slag, die in 1584 hel vaderland yan zijn 
vader beroofde, dat ontwijfelbaar iran Parma's wapenen en 



Digitized by 



Google 



64 

staatkunde scheen te móeten onderwerpen, was bet Olden- 
barneveld die als door de Voorzienisheid areroepen was, 
zich voor den ^eschokten staat in de bres te stellen en hem 
door zijne staalkundige wijsheid voor den val te behoeden. 
"Wij lezen niet dal hij eeni^ deel heeft jrebad in den nood- 
lottigen handel over de opdragt der boosre overheid aan Frank- 
rijk, hij was daarenteg^en een der afffevaardipden tol betzelfde 
doel naar Engeland, waaruit oppervlakkig meer heir te spel- 
len scheen. 

Ook Elizabeth weigerde even als Hendrik III de souve- 
reinileit, maar besloot toch onderstand en hniphenden in- 
te verleenen en haar gunsteling. Lei ces ter, kwam met kriiffs- 
volk in het land. De aleremeene Staten benoemden hem onmid- 
delijk (15863 tot gouverneur-generaal der Unie, met gelijke 
magt als de vorige landvoogden onder de grafelijke reffering 
bezeten hadden. De doorzigtige Oldenbarneveld. bevroe- 
dende waartoe die uitgebreide mact, aan dezen vreemdeling 
verleend, zou leiden, bevorderde de benoeming van Man rits 
tol Stadhouder, Kapitein-generaal en Admiraal van Holland en 
Zeeland, onder eene instructie, gegrond op die, welke zijn 
vader iu 1556 van den koning van Spanje ontvaneren had, met 
toevoeging van een raad. op wiens advys hij in de gewig- 
ligsle zaken moest handelen. Leices ter nam de verhef- 
fing van Maurits zeer euvel op, en het schijnt dat bij 
van toen af daarop bedacht was. om zich in de landgewesten 
vrienden te maken en de belanden van Holland, vooral den 
koophandel, daaraan op te offeren. Hoe hel zij: Oldenbar- 
neveld was van dien tijd af de ziel der raadplegincen 
in Holland leffen Leicesler. Hel ambt van advocaat van 
Holland en Raadpensionaris, was slechts eene bediening 
in de handen van gewone menschen, doch aan groote 
mannen gaf hel altijd bet bestuur over de provincie en een 
zeer ffcwiertig aandeel in de reffering van den staal, waarvan 
Holland zulk een gewifftiff deel was, in handen. Daarom trachtte 
ook L e i c e s t e r den man , wien hij allen teffenstand legen 
zich en de Ensrelsche parlij toeschreef, die hem eenmaal de 
verkeerdheid van zijn bestuur, vooral de stremming des koop- 
handels, rustig had onder het oog gebragt en zelfs doen be- 
kennen, die meermalen alleen de spits tegen hem afbeet, die 
alle aanslïigen ontmaskerde, — dezen man Irachlte hij te vat- 
ten en naar Engeland op te zenden. Toen waren de namen 
van Oldenbarneveld en Maurits steeds onafscheidelijk 
als steunpilaren van 's lands onafhankelijkheid. Oldenbar- 
neveld was als een tweede vader van dezen beldbafligen 
vorst en zonder zijn zorg en waakzaamheid zou hoogst waar- 
schijnlijk de Engelsche invloed den zoon van Willem I, die 
toen nog die volksgezindheid niet genoot, welke later zijn 
deel weril , wel uit hel kabinet en het bestuur over 't leger 



Digitized by 



Google 



65 

hebben weten te weren. Moeijelijk eu gewigtig was de taak 
van den advokaat; gelijktijdig toch moest hij worstelen tegen 
Ëngelsche kuiperij, tegen de predikanten en het door hem 
opgeruide volk, tegen de misnoegde krijgsknechten onder S o* 
noy en tegen Spanjes magt onder liet beleid van Parma. 
Later heeft men hem beschuldigd van toen het hoofd te heb- 
ben laten hangen naar Spanje, maar hij was ten tijde van 
Leicester juist de man, die de toenmalige vredesonderhan- 
delingen afkeurde, als geschikt om het land weder onder 
Spanje te brengen, en toen bij den post van advokaat van 
Holland aanvaardde was het uitdrukkelijk onder de voorwaarde 
dat hy, in geval van onderhandeling met Spanje, dadelijk jan 
zyn post zou ontslagen worden. 

Toen Leicester naar Engeland was wedergekeerd, wa- 
ren de staatsieden bedacht op sommige veranderingen in den 
algemeenen toestand en het beleid van zaken. Het stadhou- 
derschap van het Sticht van Utrecht stond thans open. 01- 
denbarneveld oordeelde dat 's lands belang vorderde , dit 
gewest met Holland en Zeeland onder één stadhouder te ver- 
eenigen. Om de gezindheid der gemoederen te peilen, hield 
hij verstand met eenige stiehtsche edelen. Met veel moeite 
haalde hij deze tot zijn ontwerp over. Diensvolgens werd in 
Febr. 1590 de stadhouderlijke waardigheid van het Slicht van 
Utrecht aan Maurits opgedragen. Meer en meer ontving hij 
sprekende bewijzen van de tevredenheid van *s lands staten 
over zijn ijver voor het algemeen welzijn en wijs beleid. Zoo 
ontving hij voor zijne medewerking aan de inneming van 
Breda, door middel van een turfschip, een fraaijen vergulden 
kop, op welken de gantsche geschiedenis kunstig gedreven 
was, ten geschenke, en de staten stonden ten getuige bij den 
doop van zijn zoon Willem, later heer van Stoutenburg, 
schonken hem, bij wijze van pillegift, een kop ter waarde 
van / 600 en het kind eene lijfrente van / 200 ^s jaars. In 
1582 werd hij tot een der gemagtigden verkozen, tot het 
beramen eener kerkordening, die eerst in 1591 totstandkwam; 
in 1598 werd hij met Justinus van Nassau, admiraal van 
Zeeland, tot gezant naar Frankrijk en Engeland benoemd om 
Hendrik IV en Ëlizabeth tot volharding tn den oorlog 
tegen Spanje te bewegen; als afgevaardigde te velde hielp 
hg de belegeringen van Zutphen, Deventer en Nijmegen door 
Manrits doorzetten. Vijfentwintigmaal woonde hij van 1591 
tot 1604 in gemelde hoedanigheid de krijgsverrigtingen bij, 
bevorderde de togten van Linschoten, Heemskerk en 
Barendsz tot ontdekking van den Noordoostelij ken doortogt 
en bragl veel bij tot de oprigting der O. L Maatschappij in 
1602. In 1603 werd hij met Frederik Hendrik, Walra- 
ven, heer van Brederode en Jacob Val ke. Rentmeester 
van Zeeland, op nieuw naar Engeland gezonden om den ko- 

5 



Digitized by 



Google 



66 

niDg tegen den Spanjaard op te zetten en tot ondersteoninir 
der Nederlanden te bewegen, ook om de elf schepen, net 
toestemming des overledenen konings in Engeland met mond- 
en krijgsbehoeften beladen , tot ontzet van Oostende, vandaar 
te mogen voeren. Niet ongegrond bleek eerlang des advo- 
kaats vermoeden, bij den Engelschen koning geopperd, om- 
trent de neiging van het spaansche hof tot vrede. Ver- 
schillende oorzaken, die door den schranderen staatsman 
waren voorzien, liepen tot die neiging zamen. De oorlog 
kostte *s maands aan Philips meer dan drie honderd dui- 
zend kroonen, eene som, reeds voor jaren lastig, thans 
ondragelijk geworden. Dit geldgebrek was oorzaak, dat de 
koninklijke veldheer Spinola, geen kans ziende om den 
krijg met roem te blijven voeren, bij zijn meester ernstig 
op een vredehandeling aandrong ; ook eenige spaansche groolen 
en de Portugezen ^ thans aan het spaansche juk onderworpen, 
hunkerden naar dien vrede, daar de overwinningen der staat- 
schen ter zee hunnen koophandel en zeevaart , zoo in het Oosten 
als in Europa geheel ten gronde bragten: de aartshertog 
Albertus zelfs was er begeerig naar. Reeds in 1606 
liet de laatstgemelde aangaande zijne gezindheid, onder an- 
deren aan Oldenbarneveld eenige opening doen. Wijd uit- 
eenloopende waren hieromtrent de gevoelen hier te lande. 

Sommigen achtten den vrede gansch hopeloos, eenigen be- 
geerden haar niet, en onder deze prins Manrits en de 
Hollandsche en Zeeuwsche kooplieden. Oldenbarneveld 
stond aan het hoofd van een derden aanhang, die den vrede 
wenschelgk en noodig achtten, doch hij wilde geen vrede dan 
op eerlijke voorwaarden. Dit bleek genoegzaam bij de onder- 
handeling van 1608, toen hij bij het vertrek der gefcanten 
verklaarde , ^dat zij eenmaal vruchteloos zonden begeeren , dal 
zij thans zoo stijfhoofdig verwierpen, en dat het nog verder 
te vergieten bloed , den Spanjaarden aan H versmaden van den 
vrede zou schuldig verklaren."' Wij zouden de grenzen, ons 
tot dit artikel vergund, te ver overschrijden, indien wy de 
handelingen van Oldenbarneveld tot sluiting van het be** 
stand voet voor voet volgden. Genoeg zij het, dat verschil van 
inziglen de spanning tusschen Meurits en Oldenbarne** 
veld, waarvan reeds sporen ten tijde van den luisterrijken 
slag bij Nieuwpoort te ontdekken zijn, bevorderde, eene span- 
ning die gedurende het bestand onder de kerkelijke beroep- 
ringen meer en meer toenam. Het is bekend dat Olden^ 
barneveld beschuldigd wordt dat hij de wettige magt en 
den prins besnoeide ter verheffing van de zijne, en dtt hij 
zich daartoe van de godsdienstige twisten der Remonstranten 
en Contra-remonstranten bediend heeft. Ons bestek gedoogt niet, 
om ook hierover uit te wijden, evenmin als over eene andere be- 
schuldiging, dat hy diensten aan Frankryk zon bewesen liebbea, 



Digitized by 



Google 



Ö7 

die meer dat rijk ais onzen staat zouden hebben bevoordeeld « en 
waarvoor hij door den koning ruim beloond zou zijn geworden» 
Voorzigliger had hij , die volgens sommigen van geldgierigheld 
niet is vrij te pleiten, gedaan, zoo hij het geschenk had af- 
geslagen. Ook geven zijne trouwste aanhangers toe, dal hy 
in zijn ijver té verre ging^ toen hy ook in Utrecht de waard- 
gelders zocht in te voeren ,* hij had voor zijn gewest alleen, 
niet voor de andere zorg te dragen. De lotgevallen van 01- 
denbarneveld van 1609 — 1619 zyn uitvoerig geboekt en 
te bekend, om ze ook slechts in eene korte schets mede te 
deelen , doch, hoeveel er ook over hem geschreven is , tot nog toe 
bestaat er echter geen onpartijdige geschiedenis van dezen staats- 
man. Deze zal welligt dan alleen kunnen gescgreven worden, 
wanneer al zgne Gedenkackriften ^ van welke de heer van 
Deventer reeds drie deelen in het licht gaf, en andere belang* 
rijke stokken, die reeds ontdekt zijn, het licht zien, maar 
dan ook moet een man die niet slechts onpartijdig is, maar 
op de hoogte der historische wetenschap staat de pen voeren» 
Doch hoe men over Oldenbarneveld's gedrag oordeele, 
zeker is het, dat het vaderland grootelijks aan hem verpligt 
is, en dat hy een der eminentste staatslieden van zyn eeuw 
was; Ja dat hij schier alleen het roer van staal stuurde. Zijne 
buiten- en binnenlandsche betrekkingen waren uitgebreid; zyn 
invloed was onbeperkt ; hij was de vraagbaak van allen ; een 
man van groeten bedrijve, werkzaamheid, geheugen en be- 
leid, Ja ongemeen in alles. Hierin komen allen overeen, 
zelfs zij , die hem op het hevigst beschuldigen. Zijn dood was 
zijner waardig, en de woorden die hij op het schavot uit- 
sprak, zullen bij het late nageslacht eerbied blijven wekken. 

Na zijn dood is hy steeds verschillend beoordeeld: terwijl 
dezen hem den nederlandschen C a t o noemden , kreten anderen 
hem als een landverrader uit. Enkelen pleitten hem van alle 
beschuldigingen niet vrij , doch stemmen toe dat hij ^ter goeder 
trouw zijne oogmerken en middelen voor wettig hield en 
bleef houden.*' Maurits zelf beschreef hem ^als een grijsaard, 
die , na in zijne jeugd sommige dingen verzonnen en ze rond 
gevent te hebben, zelve in zijn ouderdom eindelijk die voor 
waar had gaan houden en van die waarheid zyn behoud deed 
afhangen."' 

Hij was een groot voorstander van al wat tot bloei en 
welvaart van zijn vaderland kon strekken; beschermde kun- 
sten en wetenschappen , en inzonderheid heeft de Leydsche 
Hoogeschool veel aan hem te danken. De geleerden hielden 
hem in kooge achting. Scaliger wijdde hem zijne , uitgaaf 
van Rippolyü Canon Paschalis Episcopi Lngd. Bat. 1595 4o* 
Hij, Dousa, Barlaeus, Baudius, Meursius, (^de leer- 
meester zijner kinderen) Bertius, Grotius, Heinsius, 
Schriverins en later Vondel, Westerbaan, om 



Digitized by 



Google 



68 

slechts eenigen te noemen, hieven lofliederen te zijner 
eere aan; de beroemste kunstenaars beelden hem af. Von- 
del, Duim, Nomsz, bewerkte een gedeelte zijner le- 
vensg-eschredenis roor het tooneel, in Frankrijk gaf de 
dichter L e mi ere een treurspel in het licht, getiteld: 
Barneveld, Grand^Pensionaire de Hollande\ zijn stokje 
waarop hij leunde toen hij het schavot betrad, het zwaard, 
waarmede hij onthoofd were, de ring die hij aan zijn dienaar 
gaf, en andere voorwerpen door hem gebruikt, worden als 
relikwien bewaard. 

Vondel, Oudaan, denElger, Zeeus, van der Pot en 
anderen, dichtten bijschriften onder zijne afbeelding ; Koster ver- 
vaardigd zijn grafschift. Buiten ''s lands wordt hij voor een martelaar 
van staat, ^voor een der edelste, maar ook der ongelukkigste lief- 
hebbers eener geregelde vrijheid beschouwd"; koning Willem 
I Het in ben aanvang van zijn bestuur het standbeeld van O I- 
denbarneveld te Brussel onder de vier grootste mannen, 
die het vaderland heeft voortgebragi , plaatsen. 

Hij huwde Maria van Utrecht en had de volgende kin- 
deren: 

'Reinier van Oldenbarneveld. (die volgt.) 

Jan van Oldenbarneveld, in 1632 of 1633 kinder- 
loos overleden. 

Willem van Oldenbarneveld. fdie volgt.) 

Gerard van Oldenbarneveld, gehuwd met Deliane 
van Weede, dochter van Cornelis van We ede. 

Adriana van Oldenbarneveld, gehuwd met Reij- 
nauld van Brederode, ridder, vrijheer en baron tot 
Wesenbergh, heer lot Veenhuizen, Spanbroek, Oosthuizen, 
Etershem , Hofreede , Schaerdam , Quadijk , president van den 
Hoogen raad van Holland , Zeeland en Weslfriesland. Zij over- 
leed in 1601. 

Maria van Oldenbarneveld, gehuwd met Cornelis 
van der Mij Ie, Ambagtsheer van de Mijle, Dubbeldam en 
Si. Anthoniespolder, raad in den Rade van State der Ver- 
eenigde Nederlanden. 

Francoise van Oldenbarneveld, vrouwe van den 
Tempel en Berkel, huwde Adriaan van Naaldwijk, heer 
van Tempel. Zij overleed omtrent 1645, hij leefde nog 23 
Dec. 1659 doch was X)verleden 1 Sept. 1660. Zij lieten na: 
Johan van Naaldwijk, ambagtsheer van Berkel, leefde 
nog 21 Jan. 1658, doch was overleden Dec. 1659; Re\j nier 
van Naaldwijk, ook voor zijn vader overleden. Anna 
Maria van Naaldwijk, huwde Hendrik van Losecaat. 
Zij was weduwe 21 Jan 1658, sedert 1660 vrouw van Ber- 
kel, 3 Jan. 1665 overleden, kinderen nalalende. 

Gertruda van Oldenbarneveld, op welke Meur si ns 
een lijkvers vervaardigde. J. v. O. is zeer dikwijls in plaat 



Digitized by 



Google 



69 

gebrast, o. a. naar H. J. Mie re velt door Ga spar d de 
Besliniere te Parijs. Zeer groot folio. Een portret door de 
Sta ten-Generaal 1619 verboden en daardoor zeer zeldzaam. 

Hij schreef: 

Remonstrantie aan den Hooffe ende Mooghende Heeren 
Staten van de landen van ff ollandt ende West- Vrieslandt van 
Heer Jokan van Oldenbarneveld ^ Ridder^ Advocaet van den 
zeiven lande, ''s Gravenh. 1618. Ook in het Dnitsch en Fransch 
en Lat. QMysteria Hollandica /. Oldenh, Apologia ad status 
Holl. et West-Frisiae» DurocortorilQlS 4, ex interpretatione 
Petri Holden Ibid 1618 4, Francof. 1618 4. 

Zie over de verschillende uitgaven dezer Rem. Manet ff, Cfrotii. 
p. 712, 718. MullerenThiele, £ibL v. Pamfletten bl. 188. 

Corte verthoninge van J. v, O. op de remonstrantie v, 
Frangoin van Aerssens in i6/d, met de Bijlagen daertoe 
betrekkelijk in Hist, Gen, Kron, 6 jg. 41. Ook in hands, op 
Cat, d'une remarq, collect, eet p. 9. 

Remonstrantie rakende constitutie van den staet deser Ne-- 
derlanden in 'I stuck van de politie ende financie door J, 
V, O, in ffist. Gen. Chr, D. VI, bl. 257 volgg. 

Gedenkschriften van J. v. O, en zffn tyd.^ verz. en met 
inl, en aanteek. aitgegeven door L. van Deventer. 

Brieven van en aan Oldenbarneveld vindt men zoo 
gedrukt als in mss. Gedrukt is zijn brief aan zijn huisvrouw en 
kinderen uyt de kamer der droeffenisse 13 Mei 1619 in zijne 
verschillende levensbeschrijvingen, in het Latijn in Proest, 
ac vir, erud, Epistol, Ep, CCCLY en in Manes Grotii p. 162. 
Voorts zijn drie brieven van hem uitgegeven door Dr. Schotel 
in Utrechtsche Volksalm, 1855 en een brief van Bockenbergh 
aan hem T. a. p. 1856, en een van Baudius onder diens Epp, p. 

Meer brieven op Cat. te Water bl. 114, Cat. mss, van 
Koning bl. 116, Cat,* mss. van Voorst bl. 136, 190. Cat. d^une 
remarq. collect. de mss. la ffaye 1862 p. 55. Cat. d'une belle col- 
lect. mss. de dont la vente auralieu 15 Oct. 1855 suiv.par M. 
^ijhoff p. 10. Cat. mss. v. J, Schouten p. 56. 

In hands. 

Overugt van de laatste kerkelyke gebeurtenissen y sedert 
de conferentien van 's ffage en Delft 1611 7 pp. fol., op 
Cat. d'^une remarq. collect, etc. p. 9. 

Zie Waerachiige ffistorie van de ghevanchemssc , bekenieniste , leitê 
woorden ende droevige doot van wijlen Heer Johan van Oldenbarneveld, 
Mdder enz. Te samen ghehracht meest viji zijner JSdt. eijgene beken- 
delijck uijtgezondene ende hewaerde schriften , die men daarvan heeft 
eonnen becomen. Mitsgaders uijt de verhlaringe van zijne JËd, Dieneer 
Johan Francien, ende 't gunt voorts bij een yder notoir is. Qhedruekt 
in H jaer ons Heeren 1620; Historie van het leven en sterven van 
Heer Johan van Oldenbarneveld ^ Ridder enz. waarachtclijk beschreven 
door een Liefhebher der waarheid. (Mr. Cornelis Bosch?) In 't jaar 
ons ff eer en Anno 1648; ffist&rie van het leven en sterven van Johan 



Digitized by 



Google 



70 

vun Oldeniarneveld , Ridder enz,, waaraehtelijk beschreven door een 
ïiefhelber der waarheydt, Den tweeden druch vermeerdert mei hetgene 
in den eersten druch was nagelaten , ende andere noodige dingen. Op 
Loevesteijn, voor Lieven van FH^heid, in Hjaer onses Heeren 1658; 
quaels; Waerachiige Historie van 't Geslachte , Geboorte, Leven, Be- 
drijf, Gevangenlsse , JEscaminatie, Bekentenisse , Rechters, Froceduren, 
Brieven, laatste Woorden en Doodt van wijlen J, van Oldenbarneveld 
Bidder , Te Amsterdam bij Jozua van der Straten, anno 1669 kl. 8o; 
Waarachtige Historie van H Geslachte , Geboorte, Leven, Bedrijf em, 
Den tweeden Drtick verbetert , van groote foiden gezuivert , en vermeer- 
dert met verschelde dingen en eenige Schriften van Jan Franken, laatst 
wachtmeester tot Amersfoort, e» in zijn jonkheid Dienaer van zijn 
Edelheid tot zijn Dood , reeds te voren gedrukt. Tot Rotterdam bij 
Johannes Naeranus Anno 1670 kl. 8 (verg. over deze biografien; Ty- 
deman, Nalez. op Bilderdijk, Vod. Hi&t. D. IX bl. 306 volgg. D. 
X bl. 326. D. Gr o eb e. Lettert. Maands. Febr. 1824; J.D.Meijer, 
Verslag v, d, openb. zit.d. 2e kl. v. h. Kon. Ned. Inst. d. 13 Maart 
1835 bl. 56, 82. H. Grotii, Manes p. 713, 714.) GuUen Legende 
van den Hieuwen St. Jan, dat is: Cori Verhael van den Edeldom, 
denchden ende handelingen van meester Jan van Barnevelt , ghewesene 
advocaat van Hollandt ende West- Trieslandt, Ghedruekt anno 1618. 
Vuil paskwil op O. op den titel een houtsnede, die zijn portret moet 
verbeelden. (Over de verschillende drukken , zie M u 1 1 e r en T i e 1 e , 
Bibi. V. Famflett. D. I, bl. 185.) Verhaal van J. v. Oldenbs. Leven 
en Daden gerigt tegen zijne beschuldigers 14 April 1618, 44 pp. fol. 
{Cat. des d^me Colleot. remarq, de mss. p. 10-) J Levensb. r. eenige 
meest Nederl. Mannen en Vrouwen D II; Vadert. Chocolaad, Amst. 
1706 bl. 1 — 15; A. C Oudemans, Het Leven en de Lotgevallen 
van J. V. O. Amst. 1826 m. portr. 

ms. Genealogie van J. v. O., Geneal. aanteek., preuves , stukken be- 
treffende de nalatenschap van J. v. O., meest allen opgesteld door F, 
van Limburch en M. v. d, Craght, 1 vol. f. ms.; Geslacht van J, v, 
O. Généal. aanteek. daarover met afschriften van oude charters en 
vele andere stukken daartoe betrekkelijk , voorts Correspondentie daar- 
over van V, Spaen , V. Wijn en andd. Allen verz. door G. van Hasselt» 
1 vol, fol. ms.; ms. Memorie over de afkomst van M. v. Utrecht en 
de brieven van legitimatie, opgesteld door M. v. d. Craght, corrcsp. 
daarover met W. v. d. Fot fol {Catal, d'une collect. remarq. de mss. 
d^auiographes etc. ven. 1 — 3 Dec. 1862 h ïq Haye p. 45 No. 603, 
604, 605.) Deze mss. behoorden tot de collectie van wijlen den minister van 
1*!aanen; Bouman, Geld. Hooges. D, II, bl. 15. Bijl. bl. 73 volgg. 
van het Hofdicht. Endeldijk van W. v. d. Pot (Leid. 1768 4o) m. 
portr. v. M. v. Utrecht. Belangrijke brief van den geschiedschrijver 
Bockenbergh aan J. van O., over de geslachten Amersfoordt, Stouten- 
bureh en van Weede, medegedeeld door Dr. Schotel in TJtr. Volks» 
alm. 1856 bl. 145; J.J.Dodtv. Flensburg, Goederen van O. 
in 't sticht van Utrecht in 1623 in v. d. Monde, Tijds. D. VII, 
bl. 171; J. IJ. Kesteloot, Oldenbarneveld' s heerlijkheid Roderijê, 
onuitgegeven opschriften van Vondel enz., Gend 1852 8o; Navorscher 
Regist. M. Siegenbeek, Toetsing der gronden over de on- 
derstelling dat tusschen M, van St. Aldegonde en O. vroegtijdig eene 
merkelijke verwijdering heeft plaats gehad in Nijhoffs Bijdr. D. VII, 
bl. 153. Dez. over den strijd van O. tegen de geestelijke heerschzucht 
en ter vestiging van het republikeinsch stelsel van regering in Redev. 
en verh. bl . 72; H. Beyerman, O. de staten van Holland en 
Leycester in 1585 en 1586. Dev. 1847 8.; Dez., Met wat hart hebben 
de Staten van Holt. en O. den graaf van Leycester verwelkomd m 
Vod. Letteroef. 1846 D. II , bl. 101 ; H o b e r > Eedend. RecMsgel. B. 



Digitized by 



Google 



71 

IV, K. XVIII, p. Uj H, Grotiüs, Faral. Repuèl, p. 11, 
15, 66 en 76; Schel te ma, Staaik. Ned, i. v.; V reed e. Over 
de verdiensten onzer voorouders in het vak van Diplomaiie bl. 14 
volgg. Dez. Inl. tot eene geschied, d. Nederl. Ihplom. Tweede ged. 
Tweede si. bl. 163 volgg.; J. D. Meyer, over J. v. O. als de 
maUy aan toien de staatk. vorming van ons land tot een gemeenebest 
is toe Ie schrijven, Z. Inst. versL d. openb. verg. der 2e kl. 1835. 
Verh. in gel, genoots, D. II, bl. 249; Mr. S. Ips. Wiselius, 
Staatk. Verlicht, d. Nederl. in Mnem, XIII st. bl. 56; Slinge- 
landt, Staatk, Geschrift. D. III bl. 80; (Karakter) Ceresier, 
Tafereel d. Ned, Gebeurt, D. I V, bl. 436, 424 ; V a n Kampen, Nederl, 
Karakterk., D. I, bl. 436, 437, 443, 447, 448, 452, 455. D. II, 
bl. 59, 63. (regtspl. dood.) Pasquiüen op de val van O, in Tiele 
en UuWex, Bibl.v. Nederl. Pamfl.jy.l, bl. 195, 196; G. Brandt 
Eist. d, Regtspl. v. O., Rott. 1710; Dr. F. L. Hoffmann, 
Notice relative h une collection de mss. possédée dans la seconde mot' 
tié du XVII siècle et les premières années du XVIII h Dordrecht, 
par Bavid Tlud van Giffen et vendue è la Uaye en 1705, p. 8. 

{Verhooren van J. v. O.), uitgegeven d. h, Hist. Gen. ütr, 1850. 
Siegenbeek, Verslay der verhooren van O. Haarl. 1849; Eist. 
Gen. Kron., 6 jg., bl. 257; Extracten uit de verhooren vanJ. v. O. 
met eenige aanteek, van Trof, K. W, T. ms. op Bibl. Tydeman,, in 
P. V, p. 41. Muysvan Eoly in Onmin met zi)n echtgenoot e wegens de 
bemoeijingen in het proces van O. in Nav., D. IX, bl. 296; Request 
der kinderen van J. v. O., aan den hove van Eolland om surcheance 
van de requestratie zijner goederen . — Copie Beclinatoir Advies van Mr. 
N. van Kinschot daarop. — Request van de wed. van O. in dispositie op gen, 
Request 1619 Zie Cat. d'une colt. rem. p. 10. Relation der causes et motifs 
pourquoi Ie sieur J. v. O. a esté decapité a la Eay e Doidr . 1618, 1619 
8; A. Stolker, Bijzonder h . uit het eigenh . verhael v . J. Francken, 
laatste dienaar van 'stands adv. J v. O., wegens het dezen en den 
dienaar wedervaren en tot op den dood van O. in Vad. Lett. 1825 D, 
II, bl. 36; Sententie van J. v. O., 's Gravenh., 1618, 1619 4 en 8 ; 
(Over de verschillende nitgaven d. sententie, zoo in het Lat. als Holl. 
Zie Manes Grotii p 712, 713) Articul en ordeel over J. v. O, Adv, 

V. Eoll, 1619 4; I. da Costa, Inlicht, omtrent het karakter van 
Prins Maurits en de Rechtspl. van J.v. O. Rotterd. 1825 2 St. 8; 
H. de Groot, Verantw. d. wett. reg. v. Eoll.; C. y&u Bijnckers- 
hoek, Quaest. Jur.publ. Lib. II; Kluit, Gesch, d. Holl. Staatsreg„ 
1). III, bl.135. 

Degen, waarmede O. tot ridder werd geslagen. Hist. Gen, Kron. 8 
jg. bl. 189; Koperen eereplaat op 'tpraalbeeld van O. Bild. t. a. p. 
U. X bl. 309. Koperen plaat van H wapen van O. Bild. t. a. p. Be- 
graf plaats Nav. (Reg.) 

{Ring) 13 Mei 1619 vereerd aan zijn knecht J . Francken, Cat. v. 
Geschiedk. zeldt,, Gornichem Aug. 1829, Bild. t. a. p. bl. 310, JT. ^» 
i. bode 1829 D. I, bl. 429, Hist. Gen. Kron. 5 jg. bl.440, 12 jg. 
bl. 58. 

{Stokje) Vondels Ged, bl. 77. Apollos hanp. bl. 309, 341, Wes- 
terbaan, Ged, Het is thans in bezit ?. d. Baron B. T. vanHeemstra 
te Leyden. 

{Zwaard) waarmode hij is onthoofd. Gat. d. Tentoonst. te Utrecht, bl. 
18. Cat. d. Tentoonst. te Delft 1863 bl. Cat. d. Boek., Aniiq. en 

Rarit., van Wilh, Greve med. dr. bl. 47.; Scheltema, Staatk. 
Nederl. D. II, bl. 159; Fraaltooneel v. Ned. wonderen, D. III. Graf- 
schrift door S, Koster in Bloemkrans v. versch. Ged. bl. 18. 

(Afbeelding en gedichten er op.) Muller, Cat. v.portr., Cat ^d' une 
eoUect. rcmarq, p. 10, Bloemkr. v. versch. Ged, bl. 89, 523. Den Bl- 



Digitized by 



Google 



72 

ger, Ned, bl. 98. Oudaan, Poezy, D. III, bl. 317; Zecus, Qed. 
bl. 361 ; Vondel, Heield., bl. 41. Nav. 1806 bl. 120. 

(Eereverzen) G r o t i i, Poèm, p . 210; M eu r s i n s, Poem p.211; Fr. Doint, 
£euwff. v,d.HeerJ.v,0,, onth.d, 19M«yl619, Oedr, inUjaar 1119, 

Ned, en Lat, Keurd., D. I, bl. 113, D. III. bl. 18, 15; J. van 
VoDdel, Ged. bl. 77. G. Brandt, Ned, bl. 117. Van Haren, de 
Geuzen. Penning op O,, Nao, D. II bl. 312. 

De gescbiedk. werken van Brandt, Baudartins, Ufjtenbo- 
gaert. Tri gl and, IJpey en Der mout. Regenbogen, Bor, Me- 
teren, Wagenaar, van Wijn op Wagenéuir, Cerisier, deClercq, 
Te Water, Bilderdijk, Groen van Prinstereo, Beeloo, de 
woordeboeken van Lniscius, Hoogstraten, Kok, Nienwenhuis, 
ook in è6 Bijv. Kobns en de Riveconrt. 

Hooft, Mengelwerk, bl. 191. 

Cal koen, Oldenb, eer verdedigd, legenden Adv, der Vod. KerJk, 
bl. 250. 

'sGravezande, de Unie van TJirecht herdacht , bl . 66. 

V. Mieris, Bist, der Ned. vortt., D. I, bl 61. 

Beaufort, Lev. van Willem II, D. bl.492. 

Te Water, Bef. van Zeel., bl. 240, 241;Stöl, Opkomsten 
bloei d, Nederl.; Blomhert, Gesnh. v. h. Ver. Nederl., 
bl. 201; Van Bemmel, Besehrijv. v. Amersf,, bl. 440; M. v. 
d . Kemp, Maurits van Nassau , pass.; Schotel, Ploris van Pal- 
lant, bl. 171 volgg. 244; Dez. Jean Biodati, bl. 74. Dez., Oeseh, 
Letter^ en Oiidheidk, werken , bl . 184 : Mr. C L. Vitringa, 
Oedenks, D. I, bl. 61: Vollen hoven. Broeders Gevangen,, 
bl. 179. 

N ij hof f, Bijdr. v. Ned. Gesch, en Oudh., D. I, bl. 99, D. V 
bl. 95, D. VI bl. 96, D. VII bl. 46—64, D. VIII bl. 131—140: 
Collot d'Escury, Holl, Roem, A. II bl. 26, 152, II bl. 64, A. 
II bl. 174, 175, 176, 177, 178; Vreede, Hooge Raad, I bl. 48, 
II bl. 10. 

Groen van Prins te rer, Jrchiv. 2e Serie, T. I, p. 850, 
392, 609, T. II, p. LIV, LXVI, LXVI— LXXVI, 35, 353, 78, 79, 
87, 121—206, 472, 475, 353, sw. 564 svv, 557. 

Kist en Rooyaards, Archief, D. III, bl . 407. 2e Serie, D. 
III, bl. 317—320, D. VIII bl . 351. Chr. v, h. Eist. Genoots. (Rcg.) 
De levensbeschrijvingen van G r o t i n s , door Brandt, Bnrigny, 
Lüden. Navorscher, Regist. Nederl, Speet., 1860, 1862. 

Du Thou, Eist, Sui temp., 1. I: H. Grotii, Belg. Phoen, 
Manes . (Ind .) Bentivoglio, Relat, delle Tregua di Mandra , p . 
298: Moreri, Biogr, Univ., N, Biogr, Génér,, Biogr. hist. Oe- 
t i D g e r , Bibl. Biogr, p. 1334; S i s m o n d i , Eist. d, Republ, 
Ital. T. XII, p. 234; l'Abbé St. Real, Conjur. eontre Nenise ; Car- 
leton, Zett. et Negec. (Ind.) L'Aubery, Mem,, p. 296, 368, 396. 

Bauer, Jöcher, Adelung en Rotermund, H. Gelzer, 
Prins Moritz tmd Oldenb ameveld, eine PoHiische und KirchlicheKrise 
der Niederlande in Frattenfeld Schweiz Mus Th. III, S. 167. 

Vondel, Palamedes oft vermomde Onnozelheyd, trsp. Annt. 1630, 
1664, 1671 enz. 

Fr. Duim, Eet regtsgeding van J, v, O., en Annt, 1746. 
J. N o m s z ., OldcfAarneveid , trsp. Amst. 1787 m. pi. Bibl, d. Maats, 
van Nederl. Lett., D. III bl. 442. Bibl. Tydem,, hss, p. 41. Bibl. 
Eulth, (Reg.) Muller, Cat. v, Portr, 

OLDENBARNEVELD (Dr. Elias van) Ridder, broeder van 
den vorige, werd in 1586, in plaats van zijn broeder, pen- 



Digitized by 



Google 



73 

sionaris van Rotterdam, in welke bediening bij zich loffelyk 
en eerlijk kweet. Hij werd in 1602 met anderen geroepen 
lot eene geheime opening van zijn broeder tot verheffing van 
prins Manrits. In 1610 werd hij met Johan van Dui- 
venvoorde, heer van Warmont en Woude (die kort voor 
het vertrek van hel gezantschap overleed), Johan Berk, 
Albert de Veer en Mr. Alberl Joachimi, pensionaris- 
sen te Dort, Amsterdam en Goes naar Engeland gezonden 
en door den koning tot ridder geslagen. Hij stierf zeer on* 
verwacht in 1612, bij zijne huisvrouw N. van Krimpen, 
de volgende kinderen nalatende. 

Gerrit van Oldenbarneveld, overleden 5 Aug. 1603. 

Willem van Oldenbarneveld, 

Deliane van Oldenbarneveld, 

Reijnier van Oldenbarneveld, 

Petronella van Oldenbarneveld, huwt met Tail- 
le fer de Moriacq, die de volgende kinderen bij haar ver- 
wekte: Anna, gehuwd met Steven van der Dussen, 
Heer van de Noordwijken, die kinderen naliet. 

Petronella overleden 7 Junij 1684. 

Zie ms. GeneaU v. Oldenè., Leven van Oldenb,, bl. 18; Van Wyn, 
JB(?v. op Wagenaar, D. X, bl. 25, Nal. op Wagenaar , D. I, bl. 
318:Scheltema, Slaat k, Nederl,, o.h.w. iV«^./. Kb«»»^(ms)p.ll6. 

OLDENBARNEVELD (Reinier van), zoon van den vorige, 
Heer van deu Tempel, Ambagtsheer van Groeneveld, Brand- 
wijk en Gijbelaud , Houtvester van Holland en West-Friesland, 
Hoogheemraad van Delfland. In Augustus 1606 werden hij en 
zyn broeder Willem te Heidelberg als studenten ingeschre- 
ven zoo wel als Johannes Meursius hun paedagoog. Toen 
zijn vader gevangen was genomen, begaf hij zich met 
zijne beide schoonbroeders van der Mij Ie en Veenhuizen 
naar prins Maurils, en verzocht hem dat men hunnen vader, 
wegens zijp ouderdom, zijn huis tot gevangenis mogt geven. 
De prins antwoordde dat zulks ter beslissing aan de Staten- 
Geueraal slond, waarop zij zich tot deze wendden, doch 
geen antwoord ontvingen. Ook begaf hij zich met zijn broe- 
der Stoutenburg en zijn schoonbroeder Veenhuizen 
naar den Engelschen gezant Carlelon, en verzocht hem 
een gunstig berigt te willen geven, wanneer de zaak huns 
vaders op het tapijt zou komen, en de staten het gevoelen 
der ambassadeurs vragen, waartoe de gezant meende dal z|j 
en hunne vrienden het werk trachtten te beleiden. 

Na den dood zijns vaders werd hij van het Houtvesterschap 
en Heemraadschap van Delfland ontzet. Zgn broeder Willem 
wikkelde hem in 1623 in den aanslag tegen het leven van 
Prins Maurits, waartoe hij geld verschafte. Na de ontdek- 
king van den aanslag nam hij de vlucht, en begaf zich, op 



Digitized by 



Google 



74 

aanraden zijner huisvrouw, naar Scheveningen , waar een vis- 
scher hem aanhood, hem elders heen te brengen. Verschrikt op 
het gezigt der ruime zee, ging hij met de visscher en zijn 
kamerdienaar langs het strand naar "'t naaste dorp , vtiiar een 
wagen besteld werd om hem naar Zandvoort en voorts naar 
Egmond te brengen. Hier trok hij een visscherspij aan, liet 
zich naar Pellen brengen en van daar overvoeren naar Texel. 
Zich hier niel vertrouwende, stak hij naar Vlieland over, waar 
hij scheep dacht te gaan. Hij werd echter herkend , door den 
schout van het eiland gevat, naar den Haag gevoerd, op 
de gevangenpoort gezet en veroordeeld om onthalsd te wor- 
den, welk vonnis, nadat zijne moeder en vrouw, vergezeld 
van hun zoontje, den prins te vergeefs om genade hadden 
gesmeekt, aan hem werd voltrokken in lt}23. 

Hij was gehuwd met Anna Weytsen, vrouw van Brand- 
wijk en Gijbeland, later hertrouwd met Jacob Wester- 
baan, en in 1648 overleden. 

Zie 't B.aegsche Discours, belangende de grooie verraderij ^ onlangs 
ghehoort ende ghesien, met allen het ghiene dat als tot noch toch toe 
in 's Graven- Haghe ghepasseert is. Met het Flacoaet der Staten {van 
9 Fehr).; Fubl. ter ontdekking van B. en W, v. Oldenb, Jdr. v, 
dt Dussen ende als medebeleyders ende aendrijvers van de zamenzwee- 
ring i^n d, 16 Febr.) Copye ofte Brief dewelcke is overgesonden uyt 
's Graven- Haghe dewelcke meester deel inhoudt het se hrickelijck verraadt 
't wclck gij souden begaen hebben aan den Roer Fr. van Oranje; Het 
vierdaeghsche Licht van Februarij , daer in Ie sien is de wowierlycke 
ende grouwelijcke Haeghsche Tragoédie: ofte compositie tegen het lieve 
vaderlandt ontdeckt door dese eerwaerdighe mannen enz.; Sententien, bij 
den Hove van Hollandt, ghearresteerdt jegens B. v, Oldenb. enz.; 
Justitia geschiedt in 's Graven hage den 23 van Meert, over van Oroe- 
nevelt, soon van den ouden Barnevelt. 

Brandt, Hist. de Bef. D. Il, bl. 647, 842, D. IV bl. 291, 
909, 933, 941, 956. 1045, 1047, 1048, 1049, 1050, 1052; U ij t e d- 
bogaert. Leven, B. IX bl 183; Baud art iu s , Mem. Bl. X bl. 
15; Dwinglo, Verantto., bl. 222, 223—229, 240, 304—306; P. 
Scriverius, Oud Bat. Aant. bl. 192, Jeannin, Negoc. T. II, 
p. 333, 334; Carleton, Lett. et Nego^, T. lip. 377,390; 
Wagenaar, Fad. Hist., D. X, bl. 238, 891, 350, 453, 459, 
461, 465, 473; Van Wijn, lïal. op Wagenaar, bl. 329, 360; 
Leven v. Nederl. Man. en Vrouw., D. V, bl. 210; van Deven- 
ter, Gedenkschr., van J. v. Oldenb., Chr. v. h. Hist. Genoots., 
D. V, bl. 304, D. Vllbl. 49; Kok, K obus en de Rivecourt. 
Westerbaen, Gedicht., Cerisier,; Bilderd^k, Halmael. 
B. en W, van Oldenb» trsp. Leenw. 1828; J. de Wal, in Handel, d, 
d. Maats. v. Ned. Letterk. 1865, bl. 82, 164.; Muller, Cat. 
van portr, 

OLDENBARNEVELD (Willem van) broeder van den vorige^ 
ridder , Heer van Stoutenburg en St. Aldegonde , ambagts- 
heer van Wesl-Souburg en Seroonspolder , gouverneur der 
stede en lande van £ergen-op-Zoom , edelman ordinaris van 
Zijner Majesteits kamer van Frankryk, ritmeester van een 
compagnie ruiters in dienst der Vereenigde Nederlanden, werd 



Digitized by 



Google 



75 

IQ 1590 te 's Hage geboren, en ontving bij sijn doop een 
piüegift der Staten van Holland (^IJ. Van ziijne jeugd is ons 
niets bekend als dat hij te Heidelberg studeerde. Wij ontmoeten 
hem eerst na de gevangenneming van zijn vader by Ca rl e ton, 
Czie het vorig artikel) en zien hem , even als R e i n i e r , van zijne 
ambten en waardigheden ontslagen, en daar zijn vaderlijke goede- 
ren, uit welke hij jaarlijks f2000 moest trekken , verbeurd ver- 
klaard werden, werd hij schier van al zijne inkomsten beroofd. 
Hij was de hoofdaanlegger van den aanslag op het leven van prins 
Manrits in 1623, die door de geschiedschrijvers uitvoerig ge- 
boekt is. Hij was gelukkiger dan zijn broeder, en ontkwam, 
nadat de aanslag ontdekt was, het gevaar. Hij zon zich in 
een kist uit 's Hage hebben doen dragen , kwam heimelijk te 
Rotterdam en onthield zich daar met van der Dnssen, 
wel tien of twaalf dagen , ten huize van een gewezen speel- 
man, doch nu van goede middelen, wachtende tot dat het 
naauwe toezigt wat zou verslappen. Eindelijk huurden zij een 
schip voor f 1000, met beding dat de schipper, JacobBelt- 
jes genaamd, kaas zou laden op Wesel, en hen en hunne 
dienaars er onder verbergen. Anderen zeggen dat zij zich in 
het vooronder verschuilden, en schippers pijen aantrokken om 
niet erkend te worden. Zij hadden zich van spijs en drank 
wel voorzien, en lieten, als zij bij steden kwamen, door den 
schipper eenige verversching koopen. Dus de Waal opvarende, 
bleven zij eenige uren voor Nijmegen liggen; hier werden 
zij het eerst door den schippersknecht gezien die hen echter 
niet kenden. Men maakte hem diets dat het geestelijke heeren 
waren, die hij niet moest verklappen, en schonk hem twee 
rijksdaalders, opdat hij zwijgen zou. Omtrent het tolhuis, niet 
ver van Schenkenschans , moesten zij eenige uren blijven wach- 
ten. Hier zond Stoutenburg zijn knecht aan land om iets 
te koopen, of, gelijk anderen willen, om te vernemen, welke 
geruchten in de schans omtrent zijnen heer liepen. In de schans 
werd hij terstond erkend door eenige soldaten, die hem te 
Bergen op den Zoom, terwijl Stoutenburg aldaar gou- 
verneur was, gezien hadden. Men vraagde hem terstond naar 
zynen heer. In het eerst hield hg zich onkundig, zeggende 
dat zyn heer al voor lang vertrokken was. Men hield zich 
met zijn antwoord niet voldaan, dreigde hem met de pijn- 
bank en deed hem dus erkennen hetgeen men weten wilde. 
Terstond werden eenige soldaten naar het schip gezonden ; doch 
deze kwamen te Iaat; want Stoutenburg met van der 
Dussen en den schipper, in de boot op het water visschende 
en nit het achterblijven van den knecht eenig vermoeden op- 
vattende, lieten zich zonder uitstel door den schipper naar 
de overzijde van den W^aal op Kleefschen bodem brengen. 
Hier huurden zij eenen wagen, die hen en den schipper te 
post naar Goch bragt. Deze stad had spaansche bezetting in, 



Digitized by 



Google 



76 

de bevelhebber ontving hen vriendelijk, en gaf hun, na 
eenige dagen toevens , een sterk geleide mede naar Brassel , 
waar de Aartsherf ogin I s a b e 1 1 a hen eerlang , bij eene schrif- 
telgke acte , in hare bescherming nam. De hnisvrouw van van 
der Dussen volgde eerlang haren man naar Brussel, en 
strekte hem tot eene trouwe hulp in zijne ballingschap. Maar 
de heer van Stoutenburg was zoo gelukkig niet. Zijn» 
echtgenoote Walburg van Marnix, dochter van den be- 
roemden Philips van Marnix, heer van St. Aldegonde, 
weigerde hetzij aan gebrek aan liefde of uit weerzin in zijne 
misdaad, hem in zijne ongelegenheid gezelschap te houden, 
en liet hare af keerigheid van hem en zijn doen openlijk blij- 
ken. De staten schreven sedert brieven aan de aartshertogin , 
met verzoek dat men hem zon overleveren; doch het werd 
geweigerd. Hij deed daarna eene reis door Frankrijk en Italië. 
Te Brussel wedergekeerd, vond hij zich in groote verlegen- 
heid. Aan de eene zijde zocht hij door zijne vrienden, toen 
de tijden een weinig bedaard waren, pardon en landwinning 
te verkrijgen, van den anderen kant werd hij van de spaansch- 
gezinden aangezocht, om zich onder hen in de krijgsdienst 
te begeven. Benige vrienden raadden hem, dat hij in eenigen 
anderen oorlog, buiten nadeel van zijn vaderland, zijn fortuin 
zonde zoeken. Lang stond hij in twijfel, werwaarts over te 
slaan. Eindelijk besloot hij geheel van partij te wisselen, en 
zoowel de godsdienst als de wapenen van den vijand aan te 
nemen. In of omtrent het jaar 1626, nam hij dienst onder de 
aartshertogin, en sedert zag men hem, als ritmeester de wa- 
penen voeren tegen het vaderland, tot groot verdriet zijner 
bloedverwanten. 

Hij werd benevens zijn vader 17 Mei 1611 door koning 
Jacobus I van Engeland tot ridder geslagen. 

(^1) In Tres. rek, van Dordrecht 1590. 

Jacob Muys van Holy de som 33 oC van 4 groot over 
z^ne verschoten reyscosten ende vacatien^ dat hij van wegen 
dezer stadt gecommitteerl zynde van heeren Staten van Hol" 
landt is gereijst in de Haege, om als getuyge te staen over 
den doop van de zoone van den Advocaat van den Lande 
met Johan van Oldenharneveldt ^ dte genoempt was Willem 
33 ot. 

Zie Brandt. Hist. d, Ref., D. IV, bl. 291, 900, 903, 904— 
929, 933, 957, 959, 960; V^agenaar, Vad. Eist., D. X bl. 390, 
450, 451, 452, 459, 461, 465,467; Cerisier, Bildcrdyk, 
Carleton, Lett, Mém. et Negociat, T, Il p. 377, 379; Ckr. u. 
h. Hist. OenooU., D. IV, bl. 102, 170, D. V, bl. 434, D. X bl. 
28; V. d. Monde, TJir. Tijdsch., 2e s., D. Il bl. 157; Lus- 
Bicus, Hoogstraten, Kok, Kobus en de Rivecourt. 
Muller Cal. van porir. 

OLDENBARNEVELD (A. W. van) was .... schreef: 



Digitized by 



Google 



77 

Spec. Acad, de Elhurgo ejusque statu municipali. Par- 
derofo. 1760 4o. 

Zie fiodel Nyenhuis Tofogr, Lijst van plaaUh. No. 810. 

OLDENRARNEVELT (J. G. van) genaamd Tuil in gh was in 
1757 te Leijden in de regten gepromoveerd, en noemde zich 
in 1789 Oud-Fiscaal van de Generaliteit te 's Hage. 

Men heeft van hem: 

Onderzoek of de Bestalthrief voor de militie van den staat 
van den laatsten Februari' 1679 kracht van toet gehad hebbe 
enz. Utrecht 1783 8. 

Brieven over Texel , uit de aanteekeningen van tDylen P. 
van Cuijck te saamengesleld door J, G, v, O, m. pi. Delfl 
17S9 8. 

Zie Arrenberg. Naaml. bl.j Bodel Nyeuhuie, Topogr, lijst 
van Plaatse, bl. 157 No. 1718. 

OLDENBORGH (Pieter van) Secretaris en Penningmeester der 
steede en Landen van Willemstad, geboren 1 1750, en aldaar 
overleden 14 Junij 1812, schreef: 

De belegering en verdediging van de Willemstad in Maart 
1793, met afbeeldingen. Dordr, en Amst» 1793 8. Bijlage 
tot hetzelve Amst. 1798. 

Zie mr. Bodel N^jenbnis, Topogr . lijst van Plaatsbeschrijv . 
bl. 49. 

0LDENBUR6 (Fa. Jüstus van") schreef: 

Verschil lusseken de leer der gereformeerde kerk en die 
der remonstranten in Nederland. Utrecht 1769 8. 

Over de tolerantie Utrecht 1769 8. 

De Hoogeerwaarde heer F. Chevalier verdedigd ten aan^^ 
zien van zyne kerkelyke gronden der christelijke zedeleer 
en het gebruik der Engehche Predikwijze. Leyden 1772. 8. 

Arrenberg Niamz bl. 384. Bibl. Hultkem. N. 25322. 

OLÜENBURG Jun. (F. J. vaw) (I. W. Boers) schreef: 
Vaderlandsche brieven over de denkwijze van J. F. War- 
tinel^ aangaande het Synode van Dordrecht m 1618 en 1619, 
het karakter der Fransche Natie en de Staatkundige inzigten 
der prinsen van Oranje 2e dr. Rotterd. 1794, kl. 8. 

Zie Brinkman, Naaml. Nat. der Maats. v. Ned. Letterh. te 
LHjd. D m, bl. 246. 

OLDENBURG. (Marcüs van) Opperkoopman in dienst der O. 
I. compagnie, werd in 1633 door FhilippusLucasz, gouverneur 
van Amboina, ordinaris raad en later (1635} directeur van 
den handel, naar den mogol Sjah Djohan gezonden ter 
regeling van eenige handelszaken. 

Zie Chfon. v. h. Eist. Genoots. D. YIII bl. 270 830. 



Digitized by 



Google 



78 

OLDENBrRG (Jacobus) doctor io de wUsbegeerte, was 
achtereenvolgende predikant te Wilmarsom, Blya, Hoge-Beyn- 
tum en Emden. Na ruim vier jaren in de laatstgemelde plaats 
^gelieft als een vader, ontzien als een opsiender van hare 
sielen, en een besorger van haar heyP' het Evangelie ver- 
kondigd te hebben, nam hij in 1688 zijn afscheid, en deed 
in Aug. daaraanvolgenden zijne intrede te Dordrecht, waar hij, 
in plaats van Yrechem, op eene wedde van f609 beroe- 
pen was. Beide, zijn afscheid en intreerede gaf hij in het- 
zelfde jaar met een gedicht van Alb. Alberfhome.- Eccl. 
Emd, te Dordrecht hg Symon onder de Linden in het 
licht met den volgenden titel: 

Laatste wensch en eerste aanspraak gedaan en gegeven 
aan de christel^ke hloeyende gereformeerde gemeente en moe- 
der-kerken binnen Emden en Dordrecht^ in welk de pligten 
van Leeraren en Ledematen begrepen zyn, met eene aan- 
spraak aan de seer waarde geagtede en bloedende gemeenten 
binnen Emden en Dordrecht. 

Een derde door hem te Dordrecht gdionden en uitgegeven 
leerrede Oter de Geestelijke ondertrouw tusschen Christus en 
syn kerke. Hebr. 11- 18, 19, is meer streng Coccejaansch. 
Zeer was hij ingenomen met de leer der verbonden, eene 
bijzondere methode vanCoccejus: en lang nadat Yitrin ga 
de ongegrondhetd van het gansche denkbeeld der onderschei- 
dene verbonden had aangetoond, kwam er een derde drnk 
in het licht van zijne Regte Natuur en Aard des Saligma- 
kenden Geloofs^ uytgehaalt uijt z^'n opsigt^ U welke het heeft 
op het verbond der genade^ steunende op den raad desvre- 
des^ waardoor de sondaar overgaat in de gemeenschap met 
God en de Middelaar Jezus Christus^ waarin de middelen, 
om dat Geloove te verkrijgen^ te bewaren en te doen was- 
sen en regt werkzaam te maken y met een worden aange- 
toont. Dordr. 1735 12. 

{Op nieuws oversien, verbetert en door vele onderschey^ 
dingen opgeheldert en vermeerdert met een korte schets van 
het geheele werk,") 

Ofschoon anders hoogelijk ingenomen met het stelsel van 
Coccejas, werd hij echter niet door weggesleept tot het 
lijdelijk berusten in het xorW ^'i<ptt. 

Volgens van lp e ren toch is zgne Schriftmatige verkla- 
ring over de drie eerste Hoofdstukken van het Hooglied 
(^Dordr. 1691^, geheel analytisch met vragen en antwoorden 
bewerkt, veelal tegen het Profetisch stelsel van zijnen groo- 
ten leermeester. 

Het meest gerncht maakte zyne Nietigheyt en ongegront- 
heyt der Sociniaansche Godsdienst en Twyfelingen en Swa- 
righeden over de Dryeenigheyt , voorgestelt aan J. v. O. te 
Witmarsum en Smden, geschreven tegen Joh. Beccns, 



Digitized by 



Google 



79 

hoogleeraar en predikant te Middelburg, die eerst in eene 
bijzondere zamenspraak en later voor den kerkenraad ver-> 
klaarde ^het ten aanzien van de leer der Drieëenheid en der 
Godheid van J. C. met de socinianen, en, voor zoover het 
de 5 pnnten aanging, met de Remonstranten eens te zijn. 
Be ei as beantwoordde het geschrift van Oldenbnrg en die 
van Nicolaas van Hoorn, emeritus predikant teSt. Aag- 
tekerk, in het eiland Walcheren, Tarquinius Poppinga, 
predikant te Pietersbierum in Friesland, David Zaccher, 
predikant in den Polder en van Petrus Appeldoorn in 
zijne VeranttDOordinge voor de terdrukte waerheydt^ welke 
teer onchristl^'k wordt beoordeelt en te kort gesproken van 
Jacobus van Oldenburg^ Amst. 1682 8. — Beproeving en 
wederlegging van de Tw^jfelinge enz. 1680 8. — Probatio 
Spiritus authoris redivivi, d. i.: Beproevinge van den geest des 
Autheurs van Arrius^ en in zijne Defensio Apologiae mo^ 
desta et Christianae J. B. d. i.: Beschouwinge van de %edige 
en Kristelyke verantwoordingen beide 1669 4. 

Behalve de bovengemelde schriften gaf hij nog in het licht: 

Aanspraak aan de Gemeente te Witmarsum, 4. 

Verklaring van den iste Zendbrief van Johannes Fran. 1684 
Amst. 1731 12. 

Ongegrondheid der zoogenaamde Sociniaansche Godsdienst 
tegen Swiccher en Swartepaart^ 1681 8. 

Blijk der Waarheid tegen de Leugen^ Leeuw. 1681 8, 

Hij stierf in 1690, nalatende eene weduwe, Marretje 
Lollcdes, die sedert van stadswege een pensioen van ƒ 300 
trok. 

By zyn overlijden vervaardigden Jacob Gordon en an- 
deren Lykdichten en Treurzangen ^ en Isaak van Veen 
twee grafschriften. 

Onder zijne afbeelding door A. Houbraken geschilderd 
en door A. Haelwegh in plaat gebragt, leest men een 
vierregelig latijnsch vers van Herm. Neuspitser. 

Zie Schotel, Kerk. Dordr. D. II, bl. 91 volgg. Y p e g , QescMed. 
der Sr/stem, Godgel. D. III bl. 264: Van Iperen, Brieoen, over 
het Hoofflied, vo&rr. M n 1 1 e r , Cat, v. Portr, 

OLDELAND (Hendrik} teekenaar en plaatetzer in het mid- 
den der XVII eeuw. Tot zijne prenten behooren: 

De Geeseling van Christus naar Jac. Palma 1636 4o. 

Een man in een leuningstoel gezeten , met zijne beide ar- 
men er op leunende. Gorcum 1640, zeer zeldzaam in Rem- 
brants'stijl. 

Zie Kramm. t. a. p. bl. 1219. 

OLDENEËL. (Willem Anthonie Joseph Bar. van) zoon van 
Paulus en van Anna Maria Elisabeth van Eussum. 
werd geboren te Groaingen 19 Febr. 1778, Hy trad als 



Digitized by 



Google 



80 

hassaar in 1 799 in fransche dienst en werd het volgende jaar 
tot 2 luitenant bevorderd. Hij kwam in 1814 in Nederland 
met demissie terng, laatst majoor van de kavallerie geweest 
zijnde. 

Hij had van 1799 vele veldtogten bijgewoond o. a. van 
1808—1812 in Spanje, in 1813 in Duitschland en 1814 in 
Frankrijk en was door den keizer in 1810 tol ridder en in 
1811 tot officier van het legioen van eer bevorderd. 

Als Lt. kol. werd hij in bet jaar 1814 geplaatst bij het 
regiment belgische karabiniers, werd later kolonel en chef 
van bet 9e regiment knrassiers. 

In 1825 was bij gen. majoor, provintiale kommandant van Oost- 
Ylaanderen en werd in 1830 gepensioneerd. 

Hij was ridder der militaire Willemsorde 4e klasse en over- 
leed te Maastricht den 4e Maart 1836. 

ParUcBerigU OLDENLANDUS, een Hollandscb natuurkundige. 
Men heeft van hem: Co^a/o^t duoplantarum Africanarum^ quorum 
prior compleclitur plantas ab Hermanno observatas^ posterior 
vero illas continet, quas Oldetdandus et Hariogius indaga" 
runt in Thesaurus Zeylanicus^ exhihens plantas in insula 
Zeylana nascentes. Curd Joh, Burmanni Amst. 1737 gr. 8o. 
met 110 koperen platen. 

ZieAdelnng en Rotermtind. 

OLE. (CoRNELis CoRNELisz) vice admiraal onder Piet Heyn 
in 1620. 

Zie CJkr. v. h. Sist, GenooU., D. IV bl. 287. 

OLEN (^Jan van) niet , gelijk de meesten willen , dezelfde 
met Jan 01 es en Jan van Alen. Hij was een Amsterdam- 
mer, ten minste hij woonde er van 1651 tot 1698, toen hij 
overleed. Hij copieerde schilderijen inzonderheid de vogel- 
stukken van Melchior Hondekoet er. 

Zie J. C. Weijerman, Lev. d schild., D. Hbl. 169; Kramm, 
t. a. p. bl. 1219. 

OLENNIUS was een Romeinsche landvoogd in bet tegen- 
woordige Friesland en Groningen die bet volk uitermate streng 
en onbillijk behandelde. Zoo eischte bij b. v. dat men de 
scbatting van ossenhuiden door zijne voorgangers aan het volk 
opgelegd zoude voldoen met de huiden van de groote, doch 
zeldzame buiden van de anerossen. Het volk sloeg daardoor 
tot eenen opstand over , dien de Romeinen niet dan met moeite 
konden bedwingen. 

Zie V. d. G h ti 8, de Munien van FriisU Oron. en Drenthe bl. 299. 

OLFFEN (H. G.) schreef: 

Diss. med. de aphtis adullorum Gron. 1816. 

Zie Holt r op, JBibl. Med. Chir. p. 264. 



Digitized by 



Google 



81 

OLIBOL ( } van dezen meester, die overigens geheel on- 
bekend is, vermeld Kramm: Een atuk^ zijnde H AdmiraaU 
schip zeilen op "'t IJ ^ voor Amsterdam^ minder uitvoerig. 

Zio Cai. van Koet. D. Il bl. 249; Kramm, t. a. p. W. 1219. 

OLING (Lucas) een Oostfries van geboorte, was in het be- 
gin der 19e eeuw zilversmid te Leeuwarden. Hij was zeer erva- 
ren in de geschiedenis, de natuurkunde en rekenkunde, en schreef: 

Over eenige getnigtige pUgten opzigtelffk de oogen: tot 
onderrichting en waarschouwing Amst. Leeuw. 1806 8. 

Rekenkundige voorstellen ontleend uit de Natuur"^ Sterre^ en 
Zeevaartkunde enz. uitgegeven door M, Le^nans^kmsX. en Leeuw. 
1803 — 5 2e dr. 4 stukken Annt. 1827. Met dit werk was 
Prof. Swinden zeer ingenomen. 

Over de nieu^uitgevondene filtreer-werktuigen in Alg. Vad. 
Lett. 1803, D. XIII, st. 2 bl. 441. 

Zie H ol t r o p , Bibl. Med. Chir. p. 264 ; van Cleef, Naaml. 

OLDENBURG. (Johan van) Deze oude ervaren kapitein be- 
hoorde tot de moedige verdedigers van Aardenbnrg tegen de 
Franschen in 1672. 

Zie Schelteraa, Geschied en Letterk, Mengélw. D. V St. 2 
Bosscha, Neérl. Heldend, Ie land D. II, bl. 85. 

OLIKAN, f P. Jacobsz.} neef van den Drossaard P. C. Hooft 
die twee brieven (^Dec. 1640^ aan hem schreef, die opge- 
nomen zijn in de verzameling van Hoofts Brieven door van 
Vloten D. IV bL 3, 5. 

OLIKAN of Olycan (Ysbrand) deed 18 Deo. 1658 eed als 
lid van den Hoogen Raad van Holland, Zeeland en West- 
Friesland, overleden 8 Maart 1680. 

Zie V r e e d e , Hooge-raad bl. 46. 

OLIER (D. F.^ schreef eene Dissertatio de vuineribus sclo" 
petariis L. B. 1741. 

Zie C. H. & Roy, Bibl. med. T. IV, p. 1545. 

OLIPHANT (Mr. Jacobus) geb. 1737,was nog student te Leyden 
toen hij in 1 764 3e praeceptor werd aan de Illustie school te 
''s Bosch. In 1778 werd hij conrector, den 2 Maart 1786 
rector en den 13 Jan. 1790 professor in de fraaye lette- 
ren. Als rector hield hij den lOAug. 1786, zijne openingrede: 
de Gymnasii moderatoris principio officio et munere. De ver- 
maarde advocaat van 's Hertogenhosch Jan van Sassen, 
spreekt in de voorrede zijner academische Disputatie met groo- 
ten lof van zijnen leermeester (Lugd. Bat. 1806} en zijn broe- 
der Jacob Jan van Sassen, die in 1804 ook te Leyden pro- 
moveerde droeg hem de zijne op. Oliphant werd 1 Febr. 
1806 emeritus en stierf kinderloos 18 Maart 1813 in 76jari- 
gen onderdom. 

Zie Konst en Leiierh. 1818 D. I bl. 194: Hermans, de iü. 

6 



Digitized by 



Google 



82 

4chool te ^sJSosoA, bl. 48, 49. S t i ▼ e n, Hut. of the Scoliiêch ik urch. 
Botterdam, p. 285. 

OLIS fjAN^ een bekwaam kunstenaar, die omstreeks 1670 
of later bloeide. Hij schilderde gezelschapsstukjes en zeer 
uitvoerige portretten. Ook ordonnanceerde en feekende hij voor 
de werken van Jacob Cats, door Adriaan Hatham ge- 
sneden. 
Zie Kramm, t. a» p., bl. 1209. 

OLISLAGER (J. M. W.) schreef: 

Bereiding van het acetas plumbi liquidum in Schei^^ 
Artsenijmeng" en Natuur k. Bibliotheek^ door B. Me^link^ 
1827 D. III no. 6, bl. 300. 

Bereiding van den aether aceficus. T. a. p., bl. 301. 

Candelae fumales, T a. p., D. III no. 4, bl. 202. 

Extract van bruine Kina (extractum corticis peruviam 
fusc.^ T. a. p., 1826 D. II p. 3 bl. 133. 

Extract van druiven-udjngaard (extractum pampinarum 
vitis) T. a. p. 

Bereiding van het hydro-sulphuratum stibii T. a. p., D. 
U no. 4 bl. 234. 

Middel om Planten voor insecten te bewaren, T. a. p., 
1827, D. Il no. 4 bl. 203. 

Rookpoeder van eene fraaie kleur en eenen zeer aange^ 
namen reuk, T. a. p. bl. 201. 

Alcoholische Salpeter^aeiher (aether mtricus alcoholicus,^ 
T. a. p. 1826, D. II no. 3 bl. 135. 

Unguentum Piharelli T. a. p. 1827, D. III no. 4 bl. 201. 
Zie H o 1 1 r o p , Siöl. Med. Chir. p. 264. 

OLIYARIUS CJan') of Olieschlager, werd omstreeks 1545 
te Gend geboren , bezocht de meeste universiteiten in Duitsch- 
land en legde zich daar toe op de letterkunde, vervolgens 
heorde hij in het college royal te Parijs de lessen van Adriien 
Tournebu of Turnebus, en van Jean de Ia Rame 
of R a m u 8 , die er de grieksche en laiynsche wijsbegeerte 
aan onderwezen. Zoo groot waren de vorderingen die hij 
maakte, dat hy op zeventienjarigen leeftijd reeds in staat was 
het Grieksch te onderwgzen. Toen opende hij te Gend eene 
school, die hy vele jaren bestuurde en die door een groote 
menigte leerlingen bezocht werd , tot dat de onlusten in 1566 hem 
deze plaats deden verlaten. HU begaf zich naar Duisburg, 
waar hij het Grieksch en Latijn onder Jan Otto van 
Brugge onderwees. In 1575 overreedde hem zyn landge^ 
noot Livinus Pontanns naar Douai te vertrekken, waar 
hy hem den leerstoel in het Grieksch en de welsprekendheid 
afstond. Olivarius bekleedde deze betrekking met grooten roem 
en legde zich in zyne vrye uren op de regtsgeleerdheld toe. 
In gevorderden leeftyd liet hy zich tot licentiaat in de regten 



Digitized by 



Google 



83 

hevorderen, verliet vervolgens Doaai en vestigde sich lo 
Kanergh , waar hij het amht van syndicus of sensioram ver- 
kreeg. Hij stief waarschijoiyk in deze stad en zeker voor 
1624. Justus Rijckius ipaakte een gedicht op zyn dood. 

Andreas Schottus roemt zijne welsprekendheid, San- 
derus zijne kennis in de grieksche en latijnsche talen, zijne 
gedichten en regtskennis. Ook noemt hij hem een deftig t^ 
denaar en een uitstekend wijsgeer. 

Men heeft van hem: 

Michaeus^ Tragoedia sacra, 

Nebuchodonosor^ Tragoedia sacra, 

Divi Prosperi^ Agustanici^ EpUcopi Rhegien$is Opera ^ 
collaiione velustorum exemplariwn emenéata , et edita studio 
et labore Joannis Olivarii. Duaci i577 S> 

Zie Sanderus, d^ Gandavenaibus p. 75: SeottQs, Fri$ef, ad 
Sii. Aarel. Victoris lib, de virU illusirib, üis^. Rom, Scriptor , 
Latini minor es, Francof. 1588 T. lp. 487: Val. Andreas, Bibl, 
Belg, p. 545; Sweertii, Ath. Belg. p. 457 J. Otto p. 
468: Foppens, Bibl. Belg. T. II p. 707j Paquot, Mém., 7. II, 
p. 477; Jocher, Adelnng en Rotermund i. v., Kobns en 
de Rivecourt. Schotel, Tilb. Aeondst. M. 285, 824. 

OLIVAWÜS SCHOLASTICÜS was een geestelijke nit de 
dertiende eeuw, vooral beroemd door zijne Historia Damiatina. 
Hij was geboortig van Keulen en verscheen herhaalde malen 
in de streken , die thans de provincie Groningen uitmaken om 
den volke de kruisvaart als een Gode welgevallig werk te 
prediken. Hij volbragt zijn werk met de door hem gewenschte 
uitkomst. Olivarius wierf in het jaar 1214 in Friesland 
en Groningen niet alleen vele strijdbare mannen, maar ook 
tevens vele vrouwen aan. 

Zie V. d. Chijs de Munten van Frieü,, Groningen en JDrenthe^ 
bl. 8, 334, 335. 

OLIYERIUS (Arnold') geestelijke van de orde der Angnstyoea » 
de laatste prior te Haarlem , vervolgens gedurende vele jaren 
te Maastricht Definitor der provincie, stierf te Maastricht 
14 April 1600. Volgens Burman was hg prior te Utrecht, 
Hij schreef Exegesis in Psalmum 44 en Commentarius in 
Canticum Cantieorwny beide in hands op de bibliotheek, 
te Utrecht. 

Zie Bninaan Trog «^. p. 26$ ; Foppen? ^ü^, 5ci^, T. ï, 
p. 100; Slsius Bneopiiasi. Jugusi. p. 84; Jöcher i. v. 

OLIVERIUS( Jo. Ergelbert) Jesuit, in 1 588 te Barton in LnxeiB* 
bnrg geboren, was langen tijd prediker en studiomm prae* 
fectus te Greutznech, en stierf aléaar 8 Oct. 1631. Hij v^- 
taalde ait het Italiaansdi in het Latijn het boek van lo. 
Dom Oandela de bem^ ^atus tdrgüUtatis et eonUnentiae 
lib. 11, te Mentz 1603 12o wtgegeTeB, 



Digitized by 



Google 



84 

Zie Val. A n d r e a s , £iöL Belg. p. 204; Foppens, Bibl. Belg, 
T. 1 p. 263, T. II. p. 706: Jöcher, Adelung, i. v. 

OLIVERIÜS (_JoHANNEs) schreef; 
Preces Horariae Antv. 1567 12. 

Zie A d e 1 u o g en R o t e r m q n d, i. v. 

OLIVIER ([Jobdan) predikant Ie Pan, „honnéte homme, 
bon chrétien , et fidiele pasteur''\ Hij had reeds lang met zijn 
ambtgenoot Daneau in den kerker gezucht, toen de protes- 
tanten in Pau of liever eenigen van hen , die geneigd waren 
tot de R. C. kerk over te gaan, tot voorwaarde van dien 
overgang zijne loslating stelden. De bisschop nam dit voorstel 
aan , de beide predikanten werden ontslagen en voor vijf ja- 
ren verbannen. De reden hunner gevangenschap is onbekend. 
Olivier verliet Frankrijk, begaf zich naar Holland, en werd 
eerst predikant te Breda, later te ^s Hage, waar hij in 1709 
stierf. Hij gaf in het lichl: 

Lepons chrétiennes cTun père è ses enfants, ou Von étO" 
Uit les principaux vérilés de la réligion chrétienne et ou 
Pon explique les principaux devoirs. La Haye 1706, 2 
part. 8. 

Zie H a a g, £a Trance Troiest. i. v. Ad e 1 q n g en Ro te r m nn d, t. v. 

OLIVIER ^Antoine). Deze Henegouwsche schilder speelde 
etfn voornamen rol bij de inneming van Bergen in 1572. Hij 
werd door Alva, bij plakaat van den 17deu Maart 1573, 
even als kapitein Ewout Worst, vogelvrij verklaard, en 
daarbij een belooning van ƒ4000 uitgeloofd aan dengenen, die 
hem levend zoude uitleveren en dood slechts de helft dier som. 
Vroeger diende hij Alva als teekenaar van landkaarten en 
als spion, '^doch deze liet zich door hem bekouten."" Hij 
sneuvelde in het gevecht aan den dijk tusschen Amsterdam 
«n Ouderkerk op den 7 Mei 1573. 

Zie J. van de Capelle, Beïeg van Baarlem, D . III bl . 42 : 
K r a m m , t . a. p bl . 1219, 1220 : G a c h a r d , Córresp. de Philippe 
II, T. n p. 356, 357. Navoncher D. 111 bl. 130, 181. 

OLIVIER (^WiUEMsz.) geboren te Mjmegen , pastoor te Leeu- 
wen, tusschen Nijmegen en Tiel, verdacht van de leer der 
doopsgezinden te zijn toegedaan, week, op aanraden zijner 
vrienden naar het land van Kleef, ging tot de Doopsgezinde 
gemeente over, en huwde eene Antwerpsch3 weduwe, ook 
derwaarts om den geloove gevlucht. Toen z\j hem twee 
zonen geschonken had en deze niet gedoopt werden, werd 
zy en haar man op den steen gebragt. Zij raakte vrij, doch 
bij werd 22 Jan. 1574 te Antwerpen levendig verbrand. Hij 
was een man van "zeer kloek en doordringend verstand ,"" in 
het Hebreeuwsch, Grieksch en Latijn ervaren. 



Digitized by 



Google 



85 

2ie van Hragt, Bloedig Toneel, D. II bL 692. 

OLIVIER VAN DIXMÜDE, zoon van Pi el er van D ix- 
mude, die zich in 1380 roet Lodewijk, gezegd Baezevan 
Vlaenderen^ voor Ëenbam bevond tegen de witte kaproenen, 
en van Catharina Godenox, kleinzoon van De nis van 
Dixmude, Ridder, voogd van Ypre, en vzn Catberine 
Paeldijnck, zuster van De nis, proost van St. Maartens 
klooster aldaar, was in 1423, l428scbepen, en, tusscben 1425 
en 1456, bijua elk jaar schepen of raad, en in 1436, 1446 
en 1435 voorscbepen van Iperen. Hij beschreef de regering 
der drie eerste hertogen van Bourgondië , Philips de Stoute, 
Jan zond«;r Vrees en Philips de Goede, en begint 
zijn historisch verhaal zonder eenige voorbereiding met een 
oproer van het graauw te Iperen ontstaan, na de vernieuwing 
vao den magistraat en de raden der kamer dezer stad, 15 
Sept, 1377. 

J. J. Lambin gaf in 1835 te Iperen in 4o. in het licht: 
Merkwaerdige Gebeurtenissen^ vooral in Vlaenderen en Bra- 
bant^ en ook in de aangrenzende landstreken van 1377 tot 
1443^ letlerlyk gevolgd naer het oorspronkelijk onuitgegeven 
eu titelloos Handschrift van Olivier van Dixmude; — met 
Voorrede , geschiedk. Aanteekk. en lyst van verouderde iroor- 
dsn en Alph, TafeL 

Zie Voorrede van dit werk; Cat. d. maats- v, Ned, Letterh, D. II, 
bl. 180. 

OLIVIER (Gerrit van") werd in 1759 te Dordrecht uit een def- 
tig geslacht geboren. Zijn vader, die een aanzienlijk handels- 
huis had, wenschle ziju zoon daarin op te leiden. Deze vol- 
deed met opoffering van zijn eigen begeerte om zich aan de 
letteren toe te wijden, aan diens verlangen. Intusschen 
ilreef eene aaugeborene leergierigheid hem altijd tot het 
lezen en bijzonder tot het onderzoek van historische en god- 
geleerde onderwerpen. In de staatkundige geschillen, die, na 
den Ëngelschen oorlog, in 1780 ontstaan, geheel het oude 
Nederland beroerden, trok hij, met jeugdige geestdrift, de 
partij van hen, die eene hervorming in den staat verlangden, 
en was in zijne vaderstad , eene der bekwaamste en werkzaam- 
ste voorstanders van die partij. Dit had ten gevolge dat hij, 
na de omkeeriug van zaken in 1787, het raadzaam oordeelde, 
het land te verlaten en zich eerlang te Keulen nederzette. 
Hier geraakte hij in kennis met den beroemden natuurkenner, 
den boogleeraar Bennet, ter gelegenheid dat deze met zyne 
echtgenoote eene reis door Duitschland doende, zich eenigen 
tijd aldaar onthield. Bennet in onzen Olivier een groote 
mate van beschaving en bijzondere zucht voor wetenschap 
en kennis ontdekkende en te gelijk bemerkende dat gebrek 



Digitized by 



Google 



86 

aan geiette beiigheld hem bat gemis vaa zijo vaderlaad met 
dabbele smart deed geroelen, wekte hem op om zich op 
de beoefening der Natuurlijke Historie toe te leggen , waartoe 
zyne gemeenzaamheid met een aanzienlijk ingezeten van Keu- 
len, die een fraai kabinet daarvan bezat, hem de schoonste 
gelegenheid aanbood, hem te gelijk eenige aanwy zing doende 
om zich daarin te oefenen. De hierdoor reeds opgewekte lost 
werd nog meer versterkt op een reis door eenige voor- 
name Dnitscbe Akademiesteden , waarop bij Bennet verge- 
zelde. By bun bezoek van den beroemden natuurkenner BIu- 
menbach te Göitingen, vernamen zij van dezen dat een 
vermeerderde uitgave van zijn Handboek der Natuurlijke His- 
torie gereed was in het licht te komen. Dit bragt Bennet 
op het denkbeeld, om zijne landgenoolen , die tot hiertoe 
eeue volledige handleiding tot de kennis der Natuurlijke His- 
torie miste, van dit werk eene vertaling te bezorgen, hij 
sloeg 1 i v i e r voor , dien arbeid gemeenschappelijk te onder- 
nemen, en wist diens zwarigheden uit den weg te nemen, 
door dat gedeelte van den arbeid, Hwelk een meer weten- 
schappelijke kennis vorderde, voor zijne rekening te nemen. 
Hieraan hebben wij de voortreffelijke vertaling en bewerking 
van het genoemde Handboek dank te weten, die in 
1802 het licht zag. Inmiddels was Olivier, ten gevolge der 
verandering van zaken, in den aanvang van 1795, naar zijn 
vaderland teruggekeerd, waar hij zich, wegens zyne kunde 
en bekwaamheid, de belangrijke betrekkingen, eerst als lid 
van het CommiUé van Marine^ en later in andere, mede tot 
bet zcewezen behoorende^ geplaatst zag, terwijl hij zijne ge- 
liefkoosde studiën bleef voortzetten. Na de herstelling van ons 
volksbestaan, verkoos hij een ambteloos leven te leiden en 
zicli geheel aan de laatste te wijden. Hij vestigde zich daartoe 
0p een buitenwoning (Postrust^ onder Hazerswoude bij Ley- 
den, ten einde in do nabijheid van Bennet te zijn. Onder 
anderen gaf hij, met dezen, drie belangrijke bijdragen toteene 
Fauna Belgica in het licht, de eerste de zogende dieren, 
vogels en amphibien betreffende, de tweede rakende de vis- 
schen en insekten, de derde eene opgave behelzende van de 
wormen en weekdieren, welke achtereenvolgens, in den jare 
1822, 1824 en 1826 door de Hollandsche Maatschappij van 
Wetenschappen te Haarlem met goud bekroond werden. Die 
Maatschappij (1815), en de Maatschappij van Nede rl and sche let- 
terkunde te Leyden, Q8073 benoemdeu hem tot lid. 

Olivier huwde tweemalen, voor de laatste reize de we- 
duwe van den geleerde en staatsman Pi eter Pen lus. Bij 
zyne laatste echtgenoote had hij eene dochter. Hy overleed 
6 Sept. 1827. 

Men beeft nog van hem: 

Be^ehr^ing van eenen zelétamen zeehoorn van het ffe* 



Digitized by 



Google 



87 

klacht der tepelbakken m, afb. in Nat, Verh, 4- Maats, der 
Wetenschappen te Haarlem^ 1811 bl. 241, en 

eene vertaling^ van het Handboek van de beoefenende leere 
der geneesmiddelen voor veeartsen door August Rysz^ in 
1825 nitg^egeven. 

Zie Siegenbeok, in Eandel. v. d, Jaarl. Vergad. d. Maait, 
van Nedert. Letierk. ie Leyden 1828 bl. 42 volgg. Komt- en 
Leiierb, 1827 bl. 162. 1829 D. I bl. 100; O ollo t d'Escar y , 
EoU, roem D. YII bl. 228—230. Nat. verkond, d. Maait. v. Weient, 
te Haarlem. D. XI, XIII, XIV, XVe d. 3 at. HoUrop, Bibl. 
Ned. Ckir. p. 241. 

OLIVIfiR (^AdolphusJ predikant te Beek bij Maastricht, en 
1702 te Stavenisse. Hij overleed op reis naar Amsterdam al- 
daar in Oct. 1706. Hij vervaardigde een niet onverdienstelijk 
lofdicht voor J. Mauricius, Zegenpralende Loftooneel der 
Vrouwelijke Sexe Amst. 1704. 

Zie Heringa, Naaml. v. dichi, bl. 68 ; de Jong, Naomi, der 
Fredik. van Geld. bl. 381. 

OLIVIER rj.) Jan. schreef: 

Ungelsch leesboek je ^ Amst. 1816 8. 

Verzameling van opstellen en regelen der Engelsche taalf 
Annt. 8. 

Met A. W. N. van Gent, Handboek der Engelsche taal^ 
Amst. 1816 8. 

Choice reading pieces for dutch young learners of the 
English language^ Rott. 1826. 

Zie Brinkman, Naaml. van Boek, 

OLIVIER (J.) Jzn. vergezelde een jongeling, vi^iens op- 
voeding hem was toevertrouwd, naar Batavia; werd se- 
cretaris van Palembang; redacteur van den Oosterling ^ en 
directeur van 's Lands drukkerij te Batavia. Hij huwde D. J. 
van Rietschoten en overleed 26 Sept. 1858 te Batavia. 
Men heeft van hem onderscheidene schoolboeken en werken 
over de Oost-Indien, onder welke zeer belangrijke o. a. 

Aanteekeningen op eene reize in Oost-Jndie en gedurende 
een veeljarig verblyf in onderscheidene Nederlandsche Eta- 
blissementen^ Amst. 1827. (Op den Alph. Naaml, v. Boeken 
bij Gobr. van Gleef bl. 438, wordt dit werk aan Olivier 
(Joh.J toegeschreven.) 

Land- en zeetogten in Neerlands Indte en eenige Brit- 
sche etablissementen in 1817 — 1826, 2 d. m. pi. gr. 8vo. 
Amst. 1828. 

Eerste handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands 
Indie, m, een kaart, Amst. 1830. 

Merkwaardigheden uit den tiendaagschen veldtogt der Ne* 
derlanders in België^ Amst. 1834 m. pi. en kaart. 

Manuel de la conversation fran^aise pour les Neerlandais» 



Digitized by 



Google 



88 

Ouïirage redigé d'après la 16 êdition des Biologues dts na- 
tions, Kampeo 3 Sections. 

Engelsche Spraakkunst^ naar de leerwyze van Muraij, 
Grant en wat de uitspraak betreft^ tolgens Walker en She- 
ridan, ten dienste der scholen ingerigt^ Leeuw. 1836 kl. 8^ 

Levensschetsen van de beroemdste mannen der oudheid in 
het gebied der kunsten en wetenschappen^ naar de meest 
geloo/u), bronnen opgesteld en ter vertaling in het Franseh 
met een woordenboekje voorzien ^ Kampen 1837. 

Reizen in den Molukschen Archipel naar Macasser enz , 
in het gevolg van den Gouv.-Gen, van Neêrl. Jndie in 1824 
gedaan , en , volgens de dagboeken en aant» van onderschei • 
dene reisgenooten beschreven, Amst. 1834 en 1837, 2 d. gr. 8. 

Tafereelen en merkwaardigheden uit Oost^ Jndie ^ Amst. 
1836—1838, 2 dn. 8. 

Hetzelfde werk voor Jongelieden^ 1844 2 dn. 8 m. pi. en 
1 kt. 

Tafereel van Oosl-Indie voor jongelieden tan beiderlei 
kunne, Amst. 1841 kl. 8. 

Eerste handleiding tot de Aardrijksk. van Neêrl, Indie^ 
Amst. 1842 kl. 8 met een kaart. 

Hoog- en Nederd, Spreekwijzen , tot voorafgaande oefening 
van hen, die de Hoogd, taal willen leeren. 

B. Hall, Zee- en landreizen voor NederL lezers {JJit hei 
Eng.) vertolkt door J. O. Amst. 1836—1838 2 dn. 8. 

C. S. W. van Hogendorp, Beschouwing der NederL 
bezittingen in Oost-Indie. Uit het Fr, vert. door J, O. verm. 
met eene inleid, en vele aanteek, o. d, auteur^ Amst. 1833 
gr. 8. 

C. de Jong, Reizen naar de Kaap de Goede Hoop ,. Ier- 
land en Noorwegen^ voor jongelieden bewerkd door </. O. 
Amst. 1834, 1839, kl. 8. 

De Oosterling. Tijdschrift bij uilsluiting toegewijd aan de 
verbreiding van kennis van Oost-Indie; rerzam, en in het 
licht gegeven door J, O., Kampen 1835 — 1837. 

J. Ross, Verhaal van eenen tweeden zeetogt^ en van 
verscheidene landreizen in de Noordpool gewesten,^ tot op^ 
sporing eener noordwest-door taart. Uit het Eng, vert, door 
J. O, Zulphen 1837, 3 dn. met een kaart. 

J . Spencer, Reizen in Circassie en eenige naburige lan- 
den, in 1826 gedaan. Uit het Eng, bekn, vert. door J. O. 
Amst. 1838, gr. 8 m, i plaat, 

J. T a y I o r, Merkwaardigh. uit elk landv, Europa^ Amst. 2e dr. 

Azie^ 

— — . Africa 



America 



alle uit het Engelsch overgezet door J. O. 

Vergani, Engelsche Spraakkunst^ vereenvoudigd en tot 



Digitized by 



Google 



89 

2i lessen gebragt^ omgew. voor de Holl. scholen door J. 0^ 
Kampeo 1840 bl. 8. 

V olim er, Rehen en lotgevallen in onderscheidene ge-^ 
westen der aarde, Vry vert, door J. Q, ülr. 1837, gr. 8 m. pi. 

J. van Wijck Rz., Lectures on the Hislory of the Net- 
herlands , originally published in the Dutch language , trans- 
lated bij J. 0. Arnh. 1838 8. 

Bydrage ter beantwoording der gewigtige vraag: is de 
cholera mintus besmettelijk? — Zoo ja: is de oorzaak der 
besmetting in den dampkring of in het menschelyk ligchaam 
gelegen io Ree. ook der Ree. 1831, D. XXIV Mo. 7, bl. 
335. 

Verhandeling over de kunsten en handwerken der Chine- 
zen in het Tijdschrift van Neêrl.-Indie^ 3e jaarg. I, bl. 283, 428. 

Over de Tydrekening der Mahomedanen in T. a. p. Il bl. 322. 

Zie Brinkman, Naaml. v. Boeken. Holtrop, Bibl, Ned. me 
Chir. p. Javasche Courant 6 Oct. 1858 No. 80. 

OLIVIER (N.3 van 's Gravenhage, gaf in het licht: Het zee- 
regt van vroegeren en tateren tyd, 's Gravenh. 1831 gr. 8vo. 
Zijn oudste zoon is de tegenwoordige minister van justitie 
(1866), N. Olivier. 

Zie Brinkman, Naaml. 

OLIVIER (W. J.) gaf in hel licht: 

Plegtige intogt van Hunne Koninklijke Eoogheden^ den 
Prins van Oranje en Prins Frederik der Nederlanden op 
den 17 September^ en komst van Zyne Majesteit en de ko- 
ninklijke familie^ op den id Septemher biunen Amsterdam ^ 
Amst. 1831 gr. 8vo. 

Van Speijk's dood en nagedachtenis gehuldigd door Neer- 
lands hoofdstad op den 4 en 5 Mei iS3l , met eene afbeel- 
ding^ Amst. 1832 gr. 8. 

Zie Brinkman, Naaml. v . Boeien, 

OLIVIER SCUILPËROORT (T.) door menifirvuldigen letter- 
kundigen arbeid, in tijdschriften en dagbladen, voortreffe- 
lijke vertalingen en verdienstelijke eigene geschriften algemeen 
bekend. Hij behoorde tot de hevige bestrijders van de Bel- 
gische omwenteling van 1830, maar was desniettemin 
een groot voorstander van eene zich op degelijke gronden 
ontwikkelende openbare denkwijze. De laatste jaren zijns le- 
vens bragt hij te Brussel in zeer kommerlijke omstandigheden 
door, gedurende eene langdurige ziekte door twee dochters 
liefderijk bijgestaan, terwijl hij van onderscheidene zijden 
blijken van waardering zijner bekwaamheden ondervond. 

Bilderdijk heeft meermalen getuigd, ^zelden iemand te 
hebben aangetroffen met zooveel taaltakt als 1 i v i e r S c h i I- 



Digitized by 



Google 



90 

p e r O o r t ( 1) ;'' en ook aodereQ is het voorgekomen, dat hij eene 
buitengewone kennis van talen, inzonderheid van eenige der nien-* 
were, bezat, en scherpzinnigheid aan vlugheid op ongewone wijze 
vereenigde. 

De door hem vervaardigde taalkundige geschriften zijn de 
volgende: 

Proeve van Nieuwere Taalkunde op de Nederiandsche Spraak- 
kunst toegepast, Gron. 1806. 

Premier cours de Orammaire Anglaise d Vusage des écoleSy 
Gron. et Amst. 1806. 

Proeve over de uilgangen der (Jransehe') Naamwoorden^ 
^sGravenhage 1818. 

Algemeens Taalregelen^ ten gebruike der Nederl, scholen ^ 
Deventer 1818. 

Kort Begrip van het samenstel onzer tadt^ na inzngevau 
Mr. W, Bilderdijks Spr aakleer enz, Amst. 1827. 

Het eerste werk is eigenlijk eene kritiek van Weilands 
Spraakkunst^ waarvan het menige leemte aanwijst. Ook de 
spellingleer van Prof. Siegenbeek kwam hem niet in allen 
deele onberispelijk voor, hoewel hij ze dadelijk om der een- 
parigheid wille, aannam. Het laatste bevat eene proeve van 
bewerking van een nieuwe ^de beteekenissen onderschei- 
dend Taalkundig Woordenboek,'^ waaraan hy, in 1825 
yverig arbeidde, en nopens 't welk hij reeds eene ver- 
bintenis met een onzer boekhandelaars had aangegaan. Er 
is van dit woordenboek echter, gelijk van menig ander, waar- 
van bet plan werd opgezet, niets gekomen. Ik twijfel ook, 
of zoodanige arbeid, althans in zijn geheel bijzonder geschikt 
zou geweest zijn voor Olivier Schilperoort, die meer 
uitmuntte door oorspronkelijkheid en scherpzinnigheid, dan 
door naanwgezetheid en grondigheid van studie ^ in 't geen 
tot den ganschen omvang der taal behoort. 

Voorts zijn van zijne hand nog bekend een paar op- 
stellen van taalkundigen inhoud in het mengelwerk van den 
Recensent ook der Recensenten van 1817 en vervolgens, en alzoo 
dagteekenende van den tijd, toen hij, blijkens den titel van 
het tweede en derde der bovengemelde geschriften, ^Eegent 
van het atheneum te Luxemburg" was. 

Van 's mans overige werken is zeker voor de gesehiede- 
nis onzer letterkunde het merkwaardigst , Proeve van beoor-^ 
deelende Tooneel- Dichtkunde ^ op het treurspel HAonéigni toe-- 
gepast ^Amst. 1822}, opgedragen aan de Tweede Klasse van 
het Kon. Ned. Instituut. Deze kritiek ^een boekdeel van 216 
bladz.} van een in der tijd zeer gevierd tooneelspel, berok- 
kende hem veel onaangenaamheden. 



(1) Schuil en van der Hoop, Bijdragen tot Boeken en Men- 
sckenkennis, 1833 bl. S83. 



Digitized by 



Google 



9! 

Mm venpreiddt téih het gerncht, dat het werk eigenlijk 
▼m Bilderdijk, Wiselius of anderen, af komstig- was , en 
dat Olivier Schilperoort er slechts zijn naam aan geleend 
bad. Dit g«f den sohryver eene verantwoording- in de pen, 
in den vorm van een^ Brief aan den Algemeenen Secretari» 
des lastitnula, iredagteekend 's Gravenh. 22 Augr. 1822, die 
aan de leden ^erd toegezonden, doch nimmer in den handel 
is gebragt. Tot zijne werkzaamheden van letterkundigen aard 
behooren nog de nieuwste uitgave van Bellam Ij's Froeeen 
voor het verstand en Aart^ 2 din. (^Rotterd. bij Smit 1825.) 
De inleidende verhandeling tot dat werk is van zijne hand* 

Voorts heeft men van hem: 

Tafereel der Oehetarteniseen van Europa^ op het einde der 
achtiende en hei begin der negentiende eeuw {Bijzonder met 
betrekking tot dit gemeenebeaï) in vier deelen. Voorafgegaan 
door een kort begrip der voornaamste gebeurtenissen zedert het 
begin der 18 eeutó tot den aanvang van den laatsten oorlog^ 
Utrecht 1803, 2 d. m. pi. 

Eerste beginselen der toerknndige aar dr'^ksbeschrij ving ^ Dordr. 
1812, met en zonder kaarten, 8. 

Aurora^ mjsgeerig staatkundig jaarboek over 1815, Zalt- 
Bommel 181 1>. 

Levens- en karakterschets van ïTillem Frederik ^ Prins van 
Oranje- Nassan, Naar het hoogd. van J, van Amoldi m, portr. 
Zntphen 1818 8. 

Schets der Algem, geschiedenis > Eott. 8 

Nederlandsehe Geschiedenis, Rott. 1825, kl. 8. 

A. Brief, exposition of the fcreign Folicg of Great Bretain 
ioiüords Holland, 

Herinneringen uit Engeland als Bijdrage tot de kennis van 
den tegenwoordipen staat des Rijks , meerendeels uit atnptelijke 
bescheiden gestaaft^ Kampen 1839, 2 d. 

Gedurende 1825 en 1826 woonde hij te Rotterdam, en hij 
stierf te Brussel in den ouderdom van 71 jaren. 

Zie Brinkman, Naaml, v. Boek, Cai. der Maats, v, Nederl, 
Zetterk, D. I. bl. 129, 130. D. 16. bl. 5. D. 111. bl. 269. 

OLLAI*ID (J.J Van dezen bezitten wy een Herdersspel^ ge- 
titeld: Dametas en Fhilis^ Amst. 1791, gr. 8vo. 

Gedrukt voor en opgedragen aan het gezelschap Eendrachté 
Zit Cat, d. Maai», v, /jsderl, Letterk, D. 16 bl. 161. 

OLLANDO (^Alberto de} Zie Ouwater ^Albert van) 
OLLANDO (^Mabtino d') Zie Gend (Martin van) 

OLLEFËN (Lieve van) den 13 Oct. 1749 te Amsterdam 
geboren, beoefende de poëzy en geschiedenis. ^Hij was een 
dier letterkundigen, die men wel geen bekwaamheid of ver- 
iiaft ontseggen kan^ maar die zich altyd in dentelfden kring 



Digitized by 



Google 



92 

bewegen , en wier geest somwijlen geene óngevallige bloesems 
drijft, doch immer de vruchten uitwerpt vóór zij tot genoeg- 
zame rijpheid gekomen zijn, om den kieseben. smaak te vol- 
doen". Veel, zeer veel heeft van Oiiefen geschreven in 
proza en poëzy, en inzonderheid veel gecompileerd naar het 
recept der boekverkoopers , in wier soldij hij stond. Hg wist 
sich uitnemend naar den geest der tijden te<^schikkefif Tol 
zijne beste gedichten behooren: de Wereld is geeft Tranen- 
dal^ in 4 zangen, Amst. 1784, welk gedicht hem in moeije- 
lijkheden met de Amsterdamsche Synode bragt, in Juiij van 
dat jaar gehouden, en ket rieten kluisje van Mej, E, Wolf, 
geh. BeJeker ^ op Lommerluat in de Beverwijk, Amst. 1784, 
waarvan Witsen Geysbeek eenige coupletten aanhaalt. 
Vun Ollefen overleed 16 Junij 1816 te Amsterdam. 

Hy gaf nog in het licht: 

15 Gelegenkeidsgedickêjea ^ wier titels voorkomen op den 
Cat. d. Maatsck. van Ned. Letterk, D. IL bl. 642, 543, D. 
III. bl. 157. 

Aan Francina Bane, de minnaresae van «/• Bellamg. Amst. 
1786. 

Proeven van Vaderlandsche Gedichtjes voor Kinderen, Aid. 
1786. ' 

Clarissa, of de Mislukte BoosJieid^ tnsp. Amsterd. 1781. 

Het ligten van den Derden Man of Henry Quatre geprest; 
tnsp, Alomme te bek. 

De werving voor het Vaderland, ten dienste van Neêrlands 
Oorlogsvloot of de wonderlijke en klugtige koophandel en 
Matrozen- Boldaten etc. etc. etc. Een herberg spel z. pi. 0n j. 

Het Revolutionaire Huishouden nasp, Amsterd. 

De Revolutie in Jmsterdam, tnsp. toegewijd aa/n de Muni- 
cipaliteit te dier stede, Aid. 1795. 

Het beminnelijke kind, tnsp, onder de zinspreuk Hoop voedt 
Lust, 

De redelijke en de geveinsde Droefheid tnsp, 

Orgon of de gestrafte Valsheid tnsp. 

Het spel, tnsp. in zijne Bibliotheek der Kinderen of verza- 
meling van Mengélstoffen, geschikt voor de opvoeding der jeugd 
(pr, en dichten^ met kop, pi, versierd Amsterd. 1782, 2 dn. 
8. Amst. 1789, 2 dn. 8. ^\ , 

Dankbetuiging aan de acteerende ^eden van het Tooneel- 
lievend Kunstgenootschap Oefening kweekt Kunst bij gelegen- 
heid van eene overheerlijke representatie van mijn tnsp, Cla" 
rissa enz. Door dat Kunstgen, gegeven op d, 9 Jan, 1785. 

Verkorte beschrijving van Amsterdam geschikt voor de op* 
voeding der jeugd 1782 8. 

Leven van Joost van Vondel Amsterd. 1783 8. 

L, van Ollefen en R. Bakker, de Nederlandsche Stad" 



Digitized by 



Google 



93 

en Dorpbeschrïjver. Amsterd. 1791 — 1811 d. met pi. 8. 

Beredeneerde Rekenkunst of Schatkamer der Kooplieden, 
Amsterd. 1783 8. 

Beschrijving der Nederlanden, Amsterd. 8. 

Beknopte Historie der Nederl, Amsterd. 1783 8. 

Be Viansche en Nederl, spr aakmeester der jeugd. Amsterd. 
1793%. 

Zie Witsen Geijsbeek B, A. C, Woordenb. o. h. w. Ar- 
renberg, Naaml. v . Neerl. Boek. Brinkman, Naaml. v. Boek, 
Cal. der Maatsch. v, Neerl. Letterk. D. I. bl. 267 6 )60. D. II. 
bl. 542, 557, 1). III. bl. 157, 212, 457. 

OLLEFEN (^Willem van) Caspersz. tooneeldicbter uit hel 
laatst der 18e eeuw, ijverig lid van Kunstmin spaart geen 
vlijt en Oefening kweekt Kunst, 

Hij schreef: 

Clarissa of de Mislukte Boosheid; tnsp, gevolgd naar de 
proza van L. van Ollefen Amst. 1784. 

Het Trommelend Huisspook of de Echtgenoot waarzegger 
blsp, gevolgd naar het proza van Lijnslager, Aid. 1784. Ook 
in Tooneel en Mengelpoezy van het Oenoots, onder de zin- 
spreuk Kunstmin spaart geen vlijt D. VIL 

Joachim; of de zegepraal der Ouderliefde ; tnsp, Aid. 1785. 

De minnaar standbeeld^ zangsp, gev, n, h, Fr, Aid. 1794. 

De jaloersche tegen danky tnsp, n, h, Fr, A!d. 1798. 

De onstuimige avond ^ tnsp, met zang n, h. Fr, Aid. 1799. 

Willem de Vijfde , Prins van Oranje enz, tnsp. geschikt 
voor de opvoeding der jeugd, Amsterd. 2 kl. 8. 

Mevrouw Bentinck enz, tnsp, Amst. 1782 met pi. gr. 8. 

De gewaande Koetsier^ klsp. n, h, Fr, van Hauteroche, Am- 
sterd. 1811 8. 

Van der Aa vermeldt een zijne stukjes voorkomende in kleine 
Dichterlifke Handschriften getiteld de Mensch, overigens leest 
men van hem: 

Proeve van Muzikale Uitspanningen, 

Vrije gedagten over de grijsheit en het graf in dichtkunst 
voorgesteld, 'Amsterd. 1784. 

Zie van der Aa, N. A. B. C, Woordene, o. h. w. Cat. der 
Maatsch. v, Nederl. Letterk. D. I. bl. 161. D. II. bl. 538, 542, 
D. III. bl. 157, 168, 169. Arrenberg, Naaml. bl. 886. 

OLM (J. M. van) gaf in hel liehl: Arithmetica of Reken- 
kunst, Gron. 1729, 1735, 1755. Vermeerderd door M. van 
Olm Jz. 17e druk 8. Gron. J. Oomkens en U. E. Risch 
4e druk Gron. 1827. 

Zie Abcoude Naamr, bl. 264 ; Arrenberg, Maaml. v, Nederl, 
Boek. bl. 439 Brinkman Naaml. 

OLM (L, van) rekenmeester, gaf in het licht: 

60 voorbeelden rekenkundig opgelost. Gron. 1811 , 2e dr. 8, 



Digitized by 



Google 



94 

75 dUo dito Gron. J. Oomkens. 
Zie Brinkman, Naaml. 

OLM (Mathaeus van) wiskunslenaar, ^aP in het licht: 
Kort ondermjs in de zeevaart of komt der Stuurlieden, 

Gron. 1763, 1765, 1787. 

ScJtatkamer der Negotie of grondig onderwijs in hei Ita* 

tiaansch boekhouden, Amsterd. 1766, 1768. 

Zie B r 1 n k m n n , Naaml, v. Boek. Arrenberg, NaamZ, v. 
Boek, bl. 36ÖJ Boek. d. Gel, Werken. 1766 6. bl. 874. 

OLME (J.) gaf in hel licht: 

Beschouwing der staatsgesteldheid van Engeland» Derde dr. 
1772 8. 
Zie Arrenberg, Naaml. v. Ned. Boek. bl. 386. 

OLMEN (^J. van) schreef: 

Bijdrage om zich zehen e» anderen te leeren kennen, 's 
Bosefa 1826 gr- l^o. 
Zie Brinkman, Naaml. 

OLMIERS (Joos) diende onder Adolf van Boargon- 
die. Heer van Wackene, Admiraal en Capilein generaal van 
de armee en schepen van oorlog in 1557, blijkens een or- 
donnancie van dien tijd. 

Zie J..0. de Jonge, Nederl. Held^ ter zee D. I bl. 574. 

OLNHAUSEN (J. H. van") was in 1794 eerste luitenant 
van de tweede compsfirnie der pas opgerigte scheeps-artilleris- 
ten, waarover van Woensel het bevel had. HtJ noemde zich 
oud-ofRcier op den titel van de door hem, even als het werk 
van Hoeufft, met voorweten en op kosten van van Kins- 
bergen uitgegeven geschriften. 

Ordree hetreffende de Linie van Defensie te Water ^ in 
1793—1795, Amsterd. 1797. 

Ook gaf hij in het licht: 

Fraeticale Zeemansleiddraad voor zee-officieren . Amst. 8vo 
2e druk. 

Zie J. C. de Jonge, Nederl. Helden, ter Zee D. VI a bl. 473, 
Bibl. Mus9ehcniroek. p. 100. 

OLON CJ. ) gaf eene beschryving van Ifarokko m. pi. ^s Hage 
1698 8. 

Zie Arrenberg, Naaml. bl. 880. 

OLORINÜS ook Cygnaens eigenlyk Swaens, te Goorle 
bij Tilburg geboren was deken en pastoor te Geerlruidenberg , 
van daar door de Geusen verdreven, nam hij de wijk naar 
het Bagijnhof te 's Bosch. Hij stichtte het gasthois te Ces- 
terwi^k en andere vrome gestichten. 



Digitized by 



Google 



95 

Hij schreef: 

Thesomrus salutaris sapientiae, 1610 Bo. 

Explicatio Missae e( Canonis 1611 1 60. 

De arte concionandi, 1611 I60. 

Scdutarea doctrinae ac phrasea mentem linquamque omatUes, 
1612 80. 

Summa virtutum et vitiorum 1615 8o. 

In het Hollandsch: 

Doctrina consolatoria contra sicrupulos et puailanimitatem 
1612 8. 

Demonstratio verae et chrütianae Jldd 1613 80. 

Expontio coenae et passionis Domitdcae 1622, alle bij Job. 
Turnhout, te ^s Bosch uitgegeven. 

Zie Val. Aüdreas, ^»^/, ^«/^. pu 86, F o p p e a 3 BiH.BclgA.l. 
p. 100; Joch er, t. a. p. 

OLPEN (Abraham Isaak yab) in het begin dezer eeuw te Haar- 
lem %in^ in 1823 naar UdUf, was aldaar aan het bureau van 
den GoHverneur-Generaal werkzaam en klom tot den rang 
van Adjunct-Secretaris der Hooge-Regering ; werd in 1834 
Resident van Ternate tot 1839, wanneer hg om redenen 
van zwakke gezondheid zyner vrouw met een tweejarig verlof 
naar Nederland ging. In 1841 vertrok hg van daar wederom 
naar O. L, in 1843 werd hy resident van Menado, ia welke 
betrekking hij tot 1850 den lande diende. Toen verzocht hU 
zyu ontslag en keerde voor goed naar zyn vaderland terug. 

Hij overleed 15 Febr 1861 ie Leyden. Fartic. herigt. 

OLPHEN (Henwcüs yam) in 1694 geboren, werd als propo- 
nent te Kopenhagen bij den Ambassadeur van onzen staat in 
1674 beroepen, in 1675 predikant te Wormerveer, in 1679 
te Weesp, ia Nov. van dat jaar te Alkmaar, waar hg in Dec. 
1712overieed. Zijn portret is in 1706, toen hg 57 jaren oud 
was, vervaardigd en met 8 reg. vers van J. VoUenhove 
in het licht gegeven. 

Zie Pauw en Veeris Alph, Kaaml, bl. 146, 147. Maller Cat. 
V. Forti. 

OLPHBRT Barendsz. Zie Barendsz. (Olphekt.) 
OLPHERÜS (J.) schreef een werkje over de tafelen der 
hoekmaten^ raahlijnen en mijllijnen 4o. 

Zie A beo o de, Aanh. en verh, van Ned, Boek^ bl, 251; Arren» 
berg, Naaml. v, Ned. Boek, bl. 3S0. 

OLTHOF (Jan.) Factor der Rederijkerskamer de Witte 
Anderen te Haarlem, bloeide in den aanvang der 186 eeuw, 
blijkens zgne Jaarzangen aan die kamer met die van andere 
factoren dier kamer, uitgegeven te Haarlem bg J, van der 
Vinne en Mozes van Hulkenray. 

Zie Witsen Ge^sbf ek, B. A. C. Woordenl. D. bl Oü. BihU 
ffaarl 2e 9%pplem* p* 70. 



Digitized by 



Google 



96 

OLOFZOON (DiBK.) Vlaskooper en schatter te Amsterdam 
bevorderde in 1566 aldaar de preeke en bragt met anderen 
de predikant Jan Arendsz met een schuit nit Waterland 
derwaarts. 

Z\e Crommelijn, Besehrijv.v.Amst, W.986j Wagenaar, Be- 
sehHjv. r. Amnterd. D. III. bl. 268. 

OLTMANS (Alkxander"). jongste loon van den even zoo 
genoemden ontvanger der directe belastingen te Amsterdam 
en van Anna Maria van der Kloot, werd aldaar 25 
Februarij 1814 geboren. Als kind ontving hij les in de tee- 
kenkunst van P. 6. Bentichen, later begon hij met zelve 
plannen van vestingen na te teekenen en las eenige werken 
over de vestingbouwkunst , waarvoor hij zooveel lust en aanleg 
betoonde dat zijne ouders hem zeker naar de militaire aka- 
demie te Breda zouden gezonden hebben, om als ingenieur 
te worden opgeleid, zoo de zwakke staat zijner gezondheid 
daartegen geen beletsel had opgeleverd. Hij zette echter zijne 
teekenoefeningen voort, en vervaardigde ook eenige stadsge- 
zigten, die niettegenstaande zijne nog geringe bedrevenheid 
in het teekenen, de verdienste van eene getrouwe gelijkenis 
bezaten^ de oefening in de doorzigtkunde stelde hem evenwel 
ook al spoedig in staat zijne teekeningen te verbeteren. Na 
dien tijd ontving hij onderrigt in die teekenkunst van Be- 
re tta, doch ook dit was van korten duur, daar diens vertrek 
naar "'s Hage, als wanneer Oltmans bij K. Karssen on- 
derwijs in de schilderkunst ging nemen. Tot hiertee had Olt- 
mans de teeken- en schilderkunst slechts beoefend als lief- 
hebber, evenzoo de muzijk, waarvan hij zich eene groote 
mate van kennis eigen maakte, terwijl hij de viool met veel 
vaardigheid bespeelde. Hij was overigens op het kantoor van 
zijn vader werkzaam tot diens overlijden, in het begin van 
1839. Nu besloot hij zich geheel aan de knnst te wijden en 
hield bij voorkeur zich met het vervaardigen van stadsgezig^ 
ten onledig. Zijne schilderstukken zijn echter niet talrijk; het 
scheen dat hij zelf zijn werk niet voldoende achtte, althans 
niet beantwoordde aan datgeen wat het, volgens zijn oordeel, 
moest zijn. Later hielden andere werkzaamheden hem veel 
vau zijn eigentUjk kunstvak terug, zoodat hij in de laatste 
jaren zijns levens weinig meer de schilderkunst beoefende. 

In 1845 werd hij benoemd tot plaatsvervangend of tweede 
secretaris der maatschappy Arii ei Amicitiae en twee jaren 
later tot eersten secretaris, welke betrekking hij tot zijn dood 
toe vervulde. Ook werd hij opzigter van de vereeniging tot 
bevordering der beeldende kunsten ten naauwste aan de be- 
langen van Arti et Amicitiae verbonden. 

Behalve de reeds genoemde beoefening der teeken- en 
schilderkunst en die der muziek hield Oltmans zich ook niet 



Digitized by 



Google 



97 

literarische studie onledig, en in verband met zijne vroegrere 
teekenoefeningen, was het vooral de theorie en de archaeolo- 
gie der kunst en meer bepaald der middeleeuwsche bouw* 
kunst, waaraan hij zijne onderzoekingen wijdde. Zijne be- 
lezenheid in de geschiedenis, zoo onmisbaar voor de kennis 
der oudheid en hare voortbrengsels, stond hem hierin bijzon- 
der ten dienste. De vruchten zijner archaeologische onderzoe- 
kingen plaalsie Oltmans van tijd tot tijd in eenige tijdschrif- 
ten o. a. Jets over het praalgraf tan den hertog tan Gel- 
der in de St. Eusebius-kerk te Arnhem, in de Kunstkronijkx 
eter den toren tan de Oude Kerk te Delft ^ in Bouwkundige 
Bedragen tan de Maats, tot betordering der öouwh^nst D. 
I, en in D. II deelde hij de nieuwe enkaustische scHlder- 
wijs van Fernbach, met eenige opmerkingen over de ver- 
schillende schilderwijzen van vroegeren en lateren tijd mede. In 
het derde en vierde deel komt voor eene beschrijving en een 
archaeologisch onderzoek der achthoekige en romaansche 
kapellen op hel Valkhof te Nijmegen , die door hem op de 
plaats zelve taet veel naauwkeurigheid werden opgenomen, 
en in teekening gebragt, en bij hare beschrijving deelde h|j 
de met veel zorg bijeenverzamelde geschiedkundige berigten 
desaangaande, gepaard met zijne eigene beschouwingen over 
den aard, de inrigting en den oorsprong dezer gebouwen 
mede. Dit opstel is door hem in de Fransche taal overgezet 
en te Amsterdam bij J. M. E. Meijer uitgegeven met den 
titel: Deacription de la chapelle carlolingienne et de la 
chapelle Romane, restes du chdteau de Nimègue, Recherche 
Archeoiogique etc. 4. 

Zijn verdiensten werden erkend door de koninklijke Aca- 
demie van beeldende kunsten te Amsterdam^ het Comité his- 
torique des arts et monuments te Parijs en de Maatschappij 
tan Nederl. Letterk, te Leyden, die hem tol lid benoemden. 
Hij overleed te Amsterdam 10 April 1853. Zijn afbeelding, 
door N. Pienenian geschilderd is door W.F. Wek me ij er 
gegraveerd. 

Zie Eandel. d. Maats, v, Nederl, Letter k, 16 Jan. 1843, Levensb, 
bl. 105 volgg. Immerzeel t. a. p. bl 276; Kramm t. a. p. b). 
220; Kobas en de Rivecourt en Nieuwenhuis 2e uitgaaf. 

OLTMANS (^Jan Frederik.^ Deze verdienstelijke schrijver, 
die onder de pseudoniem van J. van den Hage, eenige uit- 
stekende romans o. a. het Slot Loetestein in 1570 (^Amst. 
1830 2 D. 1839 2e D. 2e dr.) De Schaapherder, een ter-- 
haal uit den ütrechtschen Oorlog (1839 4. 8.3 uitgaf, over- 
leed in Gelderland in Januarij 1854. 

Onder de naam van J. van de Cappell, gaf hij belang^ 
r^'ke stukken toor Geschied" en Oudheidkunde'^ z^nde bijla- 

7 



Digitized by 



Google 



gen en aanteekeningen betrekkelijA het beleg en de terdedi^ 
ging van Haarlem in 1572—1573, Schoonh. 1844 8o, 
Zie Konst en Letterb. 1854 bl. 41. 

OLYVE (S.) Den 17 Maart 1804 was op de Schelde nabij 
Zierikzee, een rijk geladen beurtschip, benevens twee andere 
vaarluiüen, door eene groote gewapende Engelsche sloep, be- 
hoorende tol bet voorpaals krnissende Tijandelijke eskader 
onder sir. Sidney Smith genomen. Dientengevolge werden er 
(/p verzoek van het Departementaal Bestunr van Zeeland, 
eeni^e gewapende schepen derwaarts gezonden, ten einde de 
inirezetenen van dat gewest tegen zulke sirooperijen te be- 
veiligen. Onder deze behoorde ^è Lands kanonneergaljoot de 
Schrik^ gevoerd door den eersten luitenant S. Olyve. Dit 
vaartuig liggende nabij Colijnsplaat , nabij de kust van Noord 
Beveland, werd onder begunstiging van een dikke lucht, in 
den nacht tusschen den 23 en 24 Maart, door zeven Britsche 
vaartuigen, waaronder drie barkassen, gewapend met 12 pon- 
ders canonnades , en te zamen bemand met 200 koppen, onver- 
hoeds aangevallen. Niettegenstaande het onverwachte van den 
aanval en de groote overmagt des vijands, zijnde de Schrik 
met slechts 30 koppen bemand , verdedigde Olyve zich gedu- 
rende bijkans twee uren met de grootste onverschrokkenheid, 
doch ten laatste moest hij voor het geweld bukken. Reeds in 
hel begin van het gevecht werd Olyve zwaar in het aange- 
zicht gekwest, doch niettemin bleef hij het bevel voeren en 
volstandig den hem aanvertrouwden bodem verdedigen tot dat 
hij door een tweeden kogel onder de borst getroffen op het 
dek nederstortte Op hetzelfde oogenblik beklommen de Brit- 
ten, die 17 dooden en 25 gewonden telden, onder het aanhef- 
fen van iuichtoonen, de kanonneergaljool maakten zich van 
haar meester en werpen^ tot schande der menschheid, den ziel 
togenden Bevelhebber met drie gesneuvelden over boord. 

Zie J. C. de Jonge, Gesch v. h, NederL Zeeuw. D. VI. bl. 
549, 656. 

OMAERS (Jan TAN St.) Toen Jan van Blois in 1361 
verlof bekwaam om op den burg te Schoonhoven in de kapel 
mis te mogen lezen, kwam Jan van St. Omaers uit 
Utrecht om haar te beschilderen. Hij en zijne helpers waren 
er omtrent een half jaar aan bezig. 

ZieC. J. de Lange van W\jngaerden, Geach . der Heeren 
en Beschrijv. van Gouda, D. I. bl. 710, 716; Kramm t. a. p. 
bl. 1220. 

OMAL (Johak) wiens naam ook Jan d'Anmaele, Om- 
mal en misschien Johan Thomale wordt geschreven, zoa 
volgens den een welligt aan het Fransch geslacht Aumale 
zijn verwant geweest, volgens den anderen uit een adelijk 
Duitsch geslacht afkomstig zijn. Van Eit ecliter schrijft uit- 



Digitized by 



Google 



drukkelijk dat bij niet van adel was, en Fruin gist dat hij 
naar het DuKsche dorp Omal, van waar hij w'elligt 
ffeboorte was, heette. Weleer was hij kanunnik te Luik, maar 
werd een apostaat; ontweek met Lu mey zijn vaderland, verge- 
zelde hem op zijne verschillendp, toglen, was de bloeddorstig*- 
ste der woestelini^en , die onder hem dienden , en een zijner meest 
vertrouwde aanhangers, kwam met hem in den Briel bleef 
er ten minste tot in Nov. 1572, en was er in eenig 
bewind, want hij verscheen 18 Nov. met Treslong, Gou- 
verneur van den Briel, op het stadhuis om te faooren naar 
de klas^len der Brielsche burgerij, door het onderhouden der 
soldaten tot de uiterste armoede gehragt. Hij was bloeddor- 
stig en droeg zorg voor de uitvoering der bloedige bevelen 
van zijn meester. Weinige dagen voor de inneming van den 
Briel, was hem in een zeegevecht de regterhand afgehouwen , 
en deze verminking had zijne boosaardigheid nog verhoogd. 
Niet lang nadat den Briel was overgegaan, werd op zijn last 
de kanunnik Be rw out Jansz. des nachts van het bed geligt , 
zonder eenige vorm van proces opgehangen en nog half le- 
vend onder den grond gestopt. Omal leefde met eene con-> 
cubine, wier moeder zekere Maria Ta se 1 en, het huis van 
B er WO ut begeerde, maar niet van hem krijgen kon, op de 
voorwaarde die ze wenschtte. Om haar te believen en aan het 
begeerde goed te helpen zou de eigenaar ter dood veroor- 
deeld zijn. Zeker is het dat Lu mey, later over dien moord 
ondervraagd, geen woord tot rechtvaardiging er van heeft 
bijgebracht. Hij had deel aan het dooden der geestelijken uit 
Gorinchem door Brand naar den Briel gezonden. Yan Haren 
onderscheidt hem te regt met de naam van barbaar. Waarschijn- 
lijk verliet hij met Lu mey het land. 

Zie Opkomste der Ned. beróerUn enz. Tot Centen, hij de Weduwe v* 
Gasper de Kreimcr 1666 12o. Hisioria Martyr. Batavic auctore Petro 
Opmeero Col. 1625. Te Water Verb. der Ed. D. II. tl. 225. D. 
III. bl. 19 Groningen Gesch. d. Watergeuz. bl. 281, 468; Fruin, de 
Gorcumicke Martel, bl. 31 volgg. van Haren de Geuzen, 

OAIARUIS (JoANNES FaberJ noemde zicb aldus naar zijn 
geboorteplaats OmaU in bet Luiksche. Hij was een beroemd 
regtsgeleerde en schreef vele werken in dit vak, die niet zijn 
uitgegeven zoo als De SenatuscoHsuUis'^ De Officio Procon-^ 
iuliê ^ Quaeatoris^ Praefeoti Vigilum'^ De OffidariOjPraetoTe\ 
Baillivis\ De Divortiia et repudiia^ De Cencibus et vectigaH- 
tu8\ De alimentis ; De Filla , tienariiê , Piacinis, Salttibua^ Fe" 
nationibua, Aucupüa ^ Aqvaeductu^ Fluminibua, Finibua agro- 
rum, Vind^mid^ Olande legenda^ defue InterdicUa ad haec om^ 
nia competentibns. 

Zie V a 1 A n d r e a s, Mbl. Belg, p. 49$ ; Foppens BUfl. Belg, 
t. I. p. 70. Jöeher» Adelnng, RotetMafid. 

OMAZUR (N.) gaf in 6et lichf: 



Digitized by 



Google 



100 

Labyrinthua Cupidenis d, i. den doolhof der liefde^ waar^ 
van eertijds Laphne van Jpollo vervolgd^ verkeerde in een 
laauwerboom, versiert met Itoosetnynen van rijmen op de nieuw- 
ste danstcijsen ende stemmen^ èestaende in Minneliedekens , Her- 
derssangen^ Feldtde^inijes enz. te Antwerpen bij Jacob Mesen. 
1663. Lankw kl. 12o. 

Zie V. d. Aa, N. B. A, C. Woordenb, op Omazur. Cat. Bibl.Earl, 
T. III. p. 272. 

OMËIJER Jb. (R.*) dichter, die in het midden der 18e eeaw 
bloeide. Hij leverde o. a. in 1757 in het Aanhangsel op de 
Dichtkundige Cijpressen bladen: Amstels Treur klagt over het 
droevig afsterven van zijne Doorluchtige Hoogheid W, H, K, 
Friso. 

Zie van der Aa, N. JB. J. C. Woordenb. o. h. w. 

OMIÜS (S.) Zie Oomins (S.) 

OMME (Jl, van) waarschijnlijk van Oudewater, ten minste 
in hel weeshuis aldaar hangt eene schilderij in 1651 door 
hem vervaardigd, voorstellende een (7a«/^aa/,waarop de binnen- 
vader en moeder met de weeskinderen van dien tijd zijn afgebeeld. 

Zie Kinschot, JSeschrijv, van Oudewater bl. K r a m m , t. a. p. 
bl. 1220. 

OMMEN ( ), onder luitenant in 's lands zeedienst. Toen hij 
in Aug. 1808 met vijf kanoneerbooten de haven van Bologne 
verlaten had, werd hij tusschen de kapen Grisnez en Blanez 
door acht Ëngelsche brikken hevig beschoten , doch hij bood 
dapperen tegenstand en kwam zonder veel schade belionden 
te huis aan. 

Zie J. C. de Jonge, JSesc/i, v, h. Kederl. Zeew. D. VI. 6. bl. 542 

OMMEGANCK (Maria Jacoba) zie Myon (Maria Omrae- 
ganck, Ommeganck, Balthzar Pau IJ werd 26 Dec. 
1755 te Antwerpen geboren, ontving onderwijs van den land- 
schapschilder Hendricus Josephus Antonissen, doch 
heeft zich, „voornamenllijk door ingeschapen genie en 
het vlijtig bestuderen der natuur, tot eene zoo aanzien- 
lijke hoogte verheven in het vak van het landschap met 
dieren , bijzonder met schiipen , dat hij onder de latere 
schilders in dat vak den eersten rang bekleedt^. Doorgaans 
maakte hij zijne studies te Dinant, Chanfontaine en Huy. 
Terwijl hij eens in die streken met teekenen bezig was, 
werd hij voor een spion aangezien en in de gevangenis gebragt, 
terwijl zijne schetsen en krabbelingen naar Parijs werden opge- 
zonden , doch door tusschenkomst van een vriend kwam hij spoe- 
dig weer op vrije voeten. Op de tentoonstelling van 1 795 Ie Parijs 
verwierf hij den grooten prijs voor het landschap, op het deksel van 
een klavier, buiten zijn weten door een zijner vrienden opgezon- 
den. In 1808 vereerde hem de keizer van Frankrijk een 



Digitized by 



Google 



101 

gouden roedaille met zijn beeldten is. Sedert moest hij jaarlijks 
een stuk voor de keizerin Josephine schilderen. In 1814 
werd hij mede benoemd in de commissie, die te Parijs de 
door de Franschen weggevoerde schilderijen terug moest vor- 
deren. Daar Ommeganck zijne reputatie voor een goed 
gedeelte in die stad bad verworven, deed men hem gevoelen 
dat deze commissie minder voor hem geschikt was, waarom 
hg ook de werkzaamheden meestal aan zijne mede-commis- 
sarissen, Regemorter en Odevaere, overliet. In weerwil 
daarvan, ging de verbittering tegen hem te Parijs zoo hoog 
dat men kort daarna op eene tentoonstelling met een mes 
een snede over een landschap van hem kraste, dat gelukkig 
op paneel geschilderd was. Bij zijn leven maakte Ommeganck 
geen bijzonder booge prijzen voor zijne kunst, zelden 
meer dan 100 of 150 louis d'or. Kort na zijn overlijden, 
verminderde de waardering er van, doch de prijs steeg zóó 
dat in 1143, 12,000 francs voor een kapitaal stuk werd betaald 
en in 1856 voor een dito op de verkooping der kunstnala- 
tenschap van den beer de Coninck te Gent 14,000 francs. 
Zijne ordonnautien, zijn doorgaans eenvoudig, maar natuur- 
lijk, warm eu aangenaam van toon, en het mollige der scha- 
pen is allerkunstigst en schoon. £r bestaan ook van hem 
fraaije teekeningen en vele in potaarde geboetseerde schapen. 
Ommeganck overleed te Antwerpen den 18e Jan. 1836 
en werd den 21 dier maand in de parochiale kerk van 
St. Charler Borromaeus begraven, bij zijne huisvrouw Me- 
jufvrouw Parmnt, acht kinderen nalatende, onder welke één 
zoon, die echter geen schilder werd. Een zijner dochters 
erfde het kunsttalent van haren vader. Ommeganck was 
ridder der orde van den Ned. Leeuw,., lid van bet Kon. Ned. 
Instituut, correspondent van dat in Frankrijk, raad der aka- 
demie van Antwerpen, vice-president aan het genootschap ter 
aanmoediging van schoone kunsten aldaar en van vele andere 
maatschappijen zoo binnen als buiten "'s lands. In zijne be- 
trekking als lid vau het Nederl. Instituut, zond bij in der tijd 
2 mcmorien bij hetzelve in, die van zijn oordeel en kennis 
getuigen, de eene over het schilderen op witte of donkere 
gronden^ de andere over het ideale schoon. Er gaat een fraai 
portret van hem uit, in een bonten pels gekleed, dat hem 
veel jonger voorstelt dan dat van J. J. Eeckhout, door 
Grevedon gelithographeerd voorde Galerie des peintres par 
Chabert et Franquinet. Parijs 1822. 

Ook vindt men hem bij Immerzeel afgebeeld. Zijne na- 
gelalene kunst is in 1827 te Antwerpen verkocht. Ter nage- 
dachtenis en om ^s mans roem te huHigen heeft de vermaarde 
beeldhouwer P. J. de Cu y per, in 1856 een monument ver- 
vaardigd, voorstellende een bladend êchaap op eene tombe^ 
bestemd voor het Maseum te Antwerpen. 



Digitized by 



Google 



102 

Zie Ira merzeel, t. a. p. bl. 276, 277, Kramm, U a, p. hl. 
1221. Verslag der jaarl. verg ad. van het Kon. Ned. Inst. 1826. Maller 
Cat. V. Portr. Nouv. Biogr.-gener. i.v. J. A, Snijers, Lofride op B» 
p, O. Antw. 1826 8. A. Voisin, Eloge du peintre B. P. O Gend 
1826 8. {Extrait du Missagei des Sgiences et des Jrfs, N i e u w e n- 
huis. Kunst in Letterh. 1S26 D . I. bl. 49. Woordenb. der Zamenl. o. h.w. 

OMMEREN (J. van) schreef: 

J)e ware aanbidding in geest en in waarheid* Grave 1794 12. 

Zie Brinkman, Naaml. v. Boei. J. D e e d e s. Leerrede ter Na- 
gedachtenis V, J, V. O. 

OMMEREN (Mr. J. van) sebreef: 

Dissetatio ad iuris Velaeici Cap, XXXI art. V. Groning, 
1786 4. 

Zie Cat, der Moois, v, Ned. Letterh, D. III. bl. 814. 

OMMEREN (RiCHEüs vak) werd den 12 December 1757 te 
Leeuwarden, volgens Nieuwenhuis in 1578 te Amsterdam, 
uit burgerouders geboren. Naauwelijks had bij zijn ze- 
vende jaar bereikt, of deze zonden hem naar de latijn- 
sche school, waar hij bet onderwijs van den bekwamen Va- 
lentijn Slothouwer genoot. Vervolgens bezocht bij de 
hoogescbool te Franeker, waar hij de lessen van Wassen- 
bergb en Schrader bijwoonde. Deze laatste boezemde den 
jongeling liefde in voor de lattjnsche poëzy. Hij had bier 
voor een gelukkigen aanleg, blijkens zijne in 1778 nog als 
student te Franeker uitgegeven Syhae site Lusus Juteniles, 
Te gelijk met hem studeerden te Franeker H. Bosscha en 
J. A. Nodell, met welke hij vriendschap sloot. Na volein- 
digde sludien ontving bij eene benoeming tot praeceptor aan 
bet Gymnasium te Zwolle, dat toen onder het bestuur van J. 
P. de Medenbach Wakker stond. Twee jaren later (^1780) 
werd bij rector te Dokkum en drie maanden daarna te Amers- 
foord, waar bij in December van hetzelfde jaar zijn ambt 
aanvaardde met een carmen elegiacum de immensa damno- 
rum et miseriarum serie ^ quae ex jutenlufe in olio et ro- 
lupiate transacla proveniunt. Kort daarna werd dit met een 
voor- en narede in bet licht gegeven. 

Gedurende zijn verblijf te Amersfoort trad bij in bet hu- 
welijk met Ida Santinck, en gaf hij bewijzen dat hij steeds 
voortging in bet beoefenen der poëzy. Hij vervaardigde na- 
melijk een Elegia consoiaioria ad amlctim suavisisimum Her-^ 
mannum Buosscham deobituxoris^ in 1 782 met Bosschaas Ele- 
gia ad Ommerinum , de Ulo obitu in het licht verschenen, en een 
Epicedium^ gewijd aan de nagedachtenis van zijnen leermees- 
ter J. Schrader, dat met andere lijkdicbten in 1784 door 
Wassenbergb achter zijne Laudatio funebris J. Schrader 
is gevoegd. Dit lyrisch gedicht, een gelukkige navolging van 
Horatius, bragt hem iu kennis met den beroemden dichter 
en letterkundige Hieronymus de Bosch, op wiens aan- 
beveling bij tot rector van het Gymnasium te Amsterdam werd 



Digitized by 



Google 



103 

beftoemd. Te g«ltjker tijd oalving hij ook een beroep naar 
Botterdam, en boden die van Amersfoort bem aan zijn inko- 
men te verdubbelen, hem den titel van hoogleeraar en zitting 
in den raad te geven, doch beide aanbiedingen sloeg hij af 
en deed in 26 Maart 1784 zijn intrede met een uitstekende 
Oratio de prudenti velerum poëtarum lectione^ optima vir 
tute altrice^ in [Hroza (]Amst. 1 785 4.}, later door den hoogleer- 
raar Siegenbeek op nieuw in het licht gegeven. Deze be- 
hoorde tot de uitstekende leerlingen van van Ommeren 
en gaf een blijk van zijne booge achting voor zijn leermees- 
ter door de uitgave van diens Carmina et Oratio Lugd. Bat. 
1827, voorafgaan door zijn levensberigt. In zijne ledige uren 
bleef van Ommeren de beoefeuing der latijnsche dichtkunde 
voortzetten: en er zijn verscheiden vruchten van zijnen geest, die 
den stempel zoowel van genie als van bekwaamheid dragen. On- 
der (leze behooren o. a. een Ode, in 1790 bij Didot, in alcaï- 
sche voetmaat, en in 36 coupletten uitgegeven (]Ode ad Gal- 
los, Paris. 1790), welke ten onderwerp had, de eerste ver- 
bindteois iu het veld van Mars, en waarin men hem de 
voetstappen van Meoaenas gunsteling ziet drukken, welke 
bij nog in een ander soort van gedichten, in de Brieven na- 
melijk, gevolgd heeft, die door hem zijn uitgegeven onder den 
tiiel: Epistolae Horatiana ad Jctfiobum Hooft ^ de natitilate 
fllioli. Zijne bijzondere voorliefde voor Uoratius blijkt ook 
uit zijn Quinéus Horatius Flaccus ah mensch öesckomod, 
Amst. 1789 8, (ook in het Hgd. Horaz^ als Mensch und 
Burger von Rom^ dargestellt in zwei Vorlesimgen. Aus dent 
Hollandischen von L. IValcJi, Nebst einem, critischen Anhang 
von Herru Hofrath Eichstüdt, Leipzig 1802), waarin hij 
met niet minder oordeel dan geleerdheid de nagedachtenis van 
den dichter tegen de lasterlijke aantijgingen verdedigt, waar- 
mede men zijne zedelijkheid en vaderlandsliefde had zoeken 
te bezwalken. iMarron, Hoeufft, Peerlkamp en Sie- 
genbeek hebben met hoogen lof van de verdiensten van 
van Ommeren als latijnsch dichter gesproken. 

Zijne gedichten zijn meest alle verspreid, enkele in de 
Belitiae voëticae van van Kooten opgenomen. Geschiedkun- 
dige opstellen van zijne hand vindt men in de Mnemozyne van 
Prof, Tydeman en in de Bibliotheek van oude Letterkunde^ 
waaraan hij medewerkte. Volgens Ni e uwen huis zijn zijne 
Kederduitsche en Latijnsche werken in 1797, onder opzigl 
van Hier.de ^osch en M. C. van Hall, by P. van 
Hengst te Amsterdam uitgegeven doch Siegenbeek ge- 
waagt hier niet van in zijn Epistola ad D. J, Lennepium vóór 
zijne uitgaaf der verstrooide Carmina van van Ommeren. 
Hoeufft vermeldt nog zijn Elogium Egberti de Vrij Tem- 
minck. Hij arbeidde aan eene nieuwe uitgave der Argonau-^ 
tica van Val. Flaccus, toen bü 6 Janoarij 1796 overleed. 



Digitized by 



Google 



104 

Twee jaren te voren verloor hij zijne vrouw, die hem drie 
kinderen schonk. Afzonderlijk verschenen zijne. Redf^voering bij 
ds bevordering der Latijnsche schooljeugd op den 3e van 
grasmaand (^1795), i, de N. Z. Capel te Atnsterd. uitgespr. 
gr. 8, en Anthologia poëtica in tisum Gymnasii Amstelodam, 
Amst. 1793 12. Tot zijne leerlingen behoorden Kern per, 
D. J. van Lennep, Siegenbeek, Jer. en Abr. de Vries, 
Urselius en anderen. 

Zie S I e g e n b e e k Narratio de Vita R. v. Ommeren vóór de 
aitg. van diens Canmina etc. Hoeufft, Parn, Cat. Belg. p. 250; 
Pecrlkamp, Poet. Cat. Neerl. p. 531, 532 ; J. de Vries, Re- 
('eo. nver R. v. O. in Fad. Letteroef. 1833, ü. II. bl. 145, 193; 
iNJeuwenhuis, Kobusendefiivecourt, van Kampen, 
Bekn. Geseh. d. Nederl. Letterh. en Wetens, l). II, bl. ^66, D. III, 
bl. 24,1; Co Hot d'Esciiry, Holl. roem, I) IV, (I) bl. 46. Ma- 
ffasin Encyclop. T. VI, \i. 89. Nouv. Biogr, Gener. i. v.; Adelnng 
en Rotermund, Int. Bl. der A L. 1796, p. 826 ; Alg. Lilt. Zeitung, 
1791, p. 172, 669. fol^g. Biöl, Haltm. N. 21926, 23073, 2337i , 
23387, 23789; Navorscher D. II, bl. 214. 

OMMEREN (Sicco van) zoon van den jorige, in 1782 Ie 
Amersfoort geboren, in 1808 als rector Ie Zwolle overleden, 
beoefende gelijk zijn vader de latijnsche dichtkunst, waarvan 
proeven voorkomen bij S i e g e n b e e k : R. v. Ommeren Car- 
mina et Oratio p. 130. 

OMMEREN (^RuDOLPH van) werd omtrent hel midden der 
17e eeuw wegens Gelderland afgevaardigd ter vergadering 
der stalen generaal. In 1655 werd hij naar Zwitserland en 
Savoije gezonden om ten behoeve der ongelukkige Waldenzen 
te onderhandelen, welken last hij ten nutte der zoo deerlijk 
lijdende christenen en tot genoegen zijner meesters vervulde. 
Deze zonden hem later naar Bergen op Zoom met Johan 
van den Honert om opkomende twisten met de Prinses 
van Hohenzollern weg te nemen In 1666 sloot hij een Irac- 
laal met Denemarken, vervolgens werd hij rekenmeester van 
Gelderland, en overleed 16 Febr. 1689. Ilij huwde Alber- 
tina Pauw. De Witl noemde hem, „een goed Geldersch 
heer van goede qualiteiten^. 

ZieWagenaar, Vad. Gesch. D. XII bl. 432; S e h e 1 1 e m a Slaaik. 
Nederl. o. h. w. Brieven v. J. de JFitt Dl, bl. 218. 

OMMEREN (Carel van), burgemeester en syndicus van Bom- 
mel, schreef: ^ 

Authentique Resolutien^ Aden, Missiven en Itescriptien , 
wegens den Magistraet der stadt Salt- Bommel ^ aenwtjs wat 
voor ende bij de belegeringh witsg ., bij het overgaen van de 
selve stadt Bommel gepasseert is (Julij 1672) 's Gravenhage 
1678 opgedragen aan den prins van Oranje in d. 10 Nov. 
1673. Remonstrantie aen de Staten Generaal enz. overgeg. door 
den heere C. v, O. Borgem en Gecommit der stadt Solt- 



Digitized by 



Google 



105 

Bommel behels mede een Provisionele wederleggingh van seec- 
ker lilel op de namen van H. de Foei en JE- Mestekor^ uit- 
gegeven enz. (23 Maart) 's Grav. 1674. Tweede Hemonstran- 
siranóie streckende om 7 erlanghen commissarissen of gedeli- 
geerde Rechteren enz* (^Dec.) 's Grav. 1674. 

OMMERING (Luitenant Kolonel van) komt voor op de 
Staat van sterkte en Indeding van het EngHsch-Nederlandsche 
leger in de eerste dagen der maand Junij 1815, als luite- 
nant kolonel, bij het Bat. Inf. N. N. no. 28 te Helleghem 
bij de tweede brigade, eerste devisie, luiten, generaal S t e d- 
man. 

Zie Bosscha Nederl. held, ie land D III Bijl. bl 16. 

OMMERING Jacobszoon (Adriaan) middelmatig dichter uit 
hel midden der 18e eeuw, van wien men, behalve eenige 
gedichten in de Dichtkundige Cypresseóladen^ in A r n o u d 
van Halen's Par/poëticon en in de Boekzaal der gel. H^e- 
reld, de volgende afzonderlek uitgegeven dichtslukken heeft. 
Aan den prof, /. v. d. Honert^ ter afmaninge om zijn tijd 
niet langer te verspillen oen het Nieukerksche werk en las- 
terpennen, Amsl. 1751. 4. 

Heilwensch aan den hooggel, heer Johan van den Honert 
T, H Z. toen zijn hoog-eerto, den 20 Nov. 1752 hetXXKsXe 
jaar van zijn hoog -leer aars amJbt met veH luister bekleed hadt, 
Amst. 1745 4o. 

Op de stigtelijke troostrede over 1 Samuel XXF vers 1, 
door den godvruchtigen en geleerden heer P. Nahuis^ oudste 
leeraar der gemeente te Monnickendam , opgestelt ter gezegende 
gedachtenisse en ter plegtige uitvaart zijner Doorluchtige 
Hoogheid H^illem Carel Hendrik Friso enz. 

Zie V a n d e r A a, i\r. ^. ^. C. Wooraenb. o. b. w. SchrifUn tegsn 
het werk ie Nieuiokerk bl. 13. 

OMMERING (Jacobus van) 6 Jan. 1675 te Leyden geboren, 
in 1703 als proponent te Hazerswoude gekomen en in 1726 
aldaar gestorven , gaf als proponent predikatien in het licht 
die met die van anderen gedrukt zijn Leijd. 1717, 4o. en in 
1733 herdrukt. 

Zie Vrolijkhert Vliss. Kerkhemel h\ . 210, Boek der Gel. Wer. 
1716 6 bl. 684; Brans Kerk, Reg. bl. 59. 

OMMINGHA (Hanck) Grietman van Winseradeel komt voor 
in eene ferdban wegens Sybalda-goederen van het jaar 1420. 

Zie van Sm in ia Naaml. v. Grietmannen bl. 251. 

OMPHAL (^Mr. Jaw Floris van) afkomstig uit een Geldersch 
geslacht, een zoon van Anthony Frederik van Om- 
phal, majoor in H oud Geldersch regiment van den prins 



Digitized by 



Google 



106 

van Oranje-Nassau, vóór Sept. 1781 Ie Nijfflegen overledes, 
werd te Nijmegen geboren en studeerde Ie Groningen, waar 
hij in 1768 het meesterschap in de re^en verkreeg, na het 
verdedigen eener Dissertatio Jurid inaug. de origine alque 
indole reconciliationia propinquorum occisi^ quae patria 
lingua Soeninge nuncupatur, Hy leefde omstreeks den jare 
1780 te Nijmegen, waar hij de betrekking van advokaat- 
fiskaal des Ampts vau Overbetuwe bekleedde. Hij was ijverig 
ia zijne ambtsbetrekking en onderscheidde zich door zijne 
christelijke menschlievendheid , waarvan hij hel offer werd. 
Den 2en Maart 1784, namentlijk, ter gelegenheid van een 
watersnood, die in dien tijd Gelderland teisterde, verloor hij 
het leven in den ouderdom van 36 jaren, in een aak, beladen 
met mondbehoeften om de overstroomde Over-Betowe te ver- 
zorgen. Hij werd benevens nog 7 andere personen door dea 
vliegenden storm weggerukt. 

FarL herigL Bibl. Bag. CU. IL p. 428. 

OMPHAL. (^AffTHONiE Fredërik Jan Florts Jacob baron van} 
onderscheidde zich reeds als luitenant in het gevecht bij 
Cividad Real, diende in Rusland en was later adjudant van 
Z. M. koning Willem 1. 

Zie Bosscha, Neerl, heldend, ie land D. III, bl. 337, 392, 
401. 

ONDAATJE (^M. J.} proponent in de Tamulsche gemeente 
(^1771—86) gaf in het licht: 

Tamulsche Kinder-catechismus ^ — uitgegeven door S, A. 
Bronsveld^ Bedienaar des H, Év. en Rector 'm U semina~ 
rium te Colombo'^ nu bij den 3en druk verbetert door M. 
J. Ondaatje proponent in de Tamusche gemeente. Aid, s. 
j. 8o. 

Zie Cat. der Maats, v. Ned, Leiterh. D II bl. 431. 

ONDAATJE (Mr. P. Pb. J. Qüint) geboortig te Utrecht in 
1760, studeerde aldaar te gelijk met Bellamy. Hij werd 
een boezemvriend van den voor dichtkunst en vaderland gloei- 
jenden ZeeuM' en vervaardigde ook verzen. Daar hij sedert 
een werkzaam deel nam aan de staatkundige woelingen van 
dien tijd, schijnt hij later de lier niet meer te hebben ge- 
hanteerd. Allhans, behalve hetgeen van hem in de Proeven 
voor het verstand^ den smaak en het hart is geplaatst, is 
niets ten onzer kennis gekomen. 

Hij stierf te Batavia, den 30 April 1818, in den onder- 
dom van omtrent 60 jaren als lid van den Hoogen-Raad van 
justitie over Neerlands Indie. 

Hij gaf ook in het licht: 

Bijdr, tot de Geschied, der omwenteling in 1787. Duinker' 
ken 1791, 1792 2 st. 8o. 

Historiesch verhaal van de onwettige behandeling de pro- 



Digitized by 



Google 



107 

vinlie en stad van Utrecht^ aangedaan in den jaaren 1672, 
73 en 74 (ülrechl) 1784 8o. 

O. ontwierp en ^af in 1799 in hel lichl eene kaart der 
BaataOff^che RepuhÜek verdeeld in Departemnnten en Ringen^ 
voIij:ens de acle van staatsregeling bij publicatie van 17 Nov. 
1798, en in districten bij publ. van 14 Mei 1799, gegr. door 
C. van Baarse) te Amst. één bi. gr. fol. 

Zie van der Aa, N, JB. J. C. Woordenb. e. h. w. ; Verv. op 
Wagmaar D XV. bl. 333, 853, 359, 386, 387, 388, 390. Cat, d. 
Maats V. Nitdtrl. Letterk, B. III. bi. 262 , 350. 

ONDER DE WIJNGAART ("mr. CanziüsJ Raad en schepeo 
der stad Delft, in de 2e helft der I8e eeuw, beoefende de 
Neder), poezij, blijkens zijn lijkvers te vinden in de Lijkzan- 
gen op de I^Keleerw. ZeerUeL Heer Petrus Onder de Wijn- 
gaart y rustend leeraar in de Ihrv. Gemeente te JJe{ft, Deze 
was in 1729 als prop. te Hendrik Ido*Anbacht beroepen, in 
1731 predikant te Maaslanssluis, in 1732 te Middelburg, ia 
1735 te Delft, waar hij in 1778 emeritus werd en in 1782 
overleed. 

Zie van der Aa, N, B. A, C. Woordenb. o. h. w. 

ONDERDEWIJNGAART (^P. V.) zoon van den vorige, dich- 
te op hetzelfde onderwerp, niet beter dan zijn vader. 

Zie van der Aa, t. a. p. 

ONDERDEWIJNGAART Canzius (Mr. Jacob Hendrik') werd 
13 van louwmaand 1771 te Delft geboren, bezocht in 1787 
de Hoogeschool te Leyden, en werd reeds in 1790 tot 
doctor in de beide reglen bevorderd , na de verdediging eener 
dissertatio de jurisprudentia cura Philosophia connulio. Thans 
de maatschappij ingetreden, hield hij zich nog eenigen tijd 
met de voortzctiing zijner studiën bezig en werd eerst tegen het 
einde van 1793 bij het Hof van Holland, als advocaat en no- 
taris beêedigd. De omwenteling in den aanvang van 1795, 
deed niet slechts zijn vader, die burgemeester, lid der sta- 
ten van Holland en aan het Hoofd der Hollandsche Magazijnen 
was, maar ook Canzius alle zijne openbare betrekkingen 
verliezen. Nu had hij zich een andere loopbaan te kiezen en 
deels zijne neiging tot beoefening der wis- en natuurkundige 
weienschappen, waarin hij zich tot een boogen trap, zoo 
van theoretische als praktische, kundigheden verheven had , 
deels het uitzigt, 't welk de gestremde invoer van voort- 
brengselen der Ëngelsche nijverheid op een goeden uilslag 
scheen aan te bieden, bepaalde zijne keuze tot de oprigling 
eener fabriek van wis- en natuurkundige werktuigen. Deze 
kwam, met het begin van 1797 werkelijk tot stand, en werd 
sedert door hem nog grootelijks aitgebreid, en op een geheet 



Digitized by 



Google 



108 

syslematischen voet ingerigt. In dalzeifdc jaar werd hij met 
eenigen anderen, de stichter van het godsdienstig' genootschap 
onder den naam van Ckristo Sacrum bekend , en tevens , uit 
loutere godsdienstijver, een der beide leeraren van dat ge- 
nootschap, in welke betrekking hij tot aan zijn verhuizing 
uit Delft met gemoedelijke getrouwheid, en tot groote stich* 
ting van velen, zoo in als buiten het genootschap volhardde 
Het werkzaam deel echter 't welk hij aan deze instelling had, 
haalde hem van de zijde van het Waalsche kerkgenootschap , 
bij *t welk hij vroeger den post van diaken en later van ou- 
derling bekleed had, eene ontzetting van den laatstgemelden 
post op den hals. 

Intusschen arbeidde hij onverdroten aan de volmaking zij- 
ner fabriek, en had ook de voldoening, dat de daarop ver- 
vaardigde werktuigen den lof van alle kundigen wegdroeg, 
en zijne inrigting als een sieraad des vaderlands door hen ge- 
roemd werd. De raadpensionaris Schim melpennick ver- 
eerde hem, gedurende zijn kortstondig bestuur, met een bezoek, 
en koning Lo de wijk schonk hem de orde der Unie en 
het brevet van Manufacturier des Rijks. Het laatste aan- 
vaardde, hij doch het eerste wees hij van de hand, uithoofde 
van de hem reeds kneUende omstandigheden , waarna hij , ten 
gevolge van gebrek aan vertier, met opzigt tot zijn fabriek 
verkeerde. Wel had hij het genoegen van bij cene tentoonstel- 
ling van nationale Kunstvlijt in 1820 zich, wegens de daarop 
door hem geleverde voortbrengselen zijner fabriek, met een 
gouden eerepenning beloond te zien, doch dit bragl weinig 
of niets toe tot de verbetering van haren ongunstigen staat, 
die zoo verergerde, dat hij zich genoodzaakt vond eene in- 
rigting geheel op te geven, die hij met opoffering van eeu 
goed deel van zijn vermogen had tot stand gebragt. In de 
leute van 1811 besloot hij met de zijnen zijn verblijf te Em- 
merik te vestigen, van plan zich voortaan aan de voortgezette 
beoefciiiiig van drie zijner meest geliefde vakken van studie , 
de wis- en natuurkunde namelijk, wijsbegeerte en nijverheid 
toe te wijden, en die beoefening met het onderwijs te ver- 
binden. Hij verkreeg hiertoe , binnen kort , althans ten deele . 
gewenschte gelegenheid , door zijne benoeming tot professor 
bij het Gymnasium Philosophiciim in het gesticht Sophia^ 
welke leerstoel hij, ofschoon de eenige Protestantsche onder- 
wijzer aan het gymnasium, tot genoegen van Roomschen en 
On-roomschen bekleedde tot aan de geheele opheffing er van 
door het Fransche bestuur. Dit bestuur benoemde hem tot 
Maire der stad Emmerik, welke belrekking in het volgende 
jaar (1812) toen de Pruissische regering de Fransche had 
vervangen in die van Burgemeester veranderd werd. Na ge- 
vraagd en bekomen ontslag van deze waardigheid, aanvaarde 
hij in Febraarij 1816 de post van eerste commies by het se- 



Digitized by 



Google 



109 

cretanaat van het departement voor het onderwijs, der kun- 
sten en wetenschappen, aan welks hoofd toen, met den titel 
van commissaris-generaal Repelaer van Dri el stond. Twee 
jaren laler, werd dit departement met dat van Nationale Nij^ 
verheid en koloniën onder één ministerie vereenigd, aan welks 
hoofd Fa lek geplaatst werd. Door de onder de hand be- 
werkte benoeming van van Ewijck tot vervanging van de 
Geer, die zijnen vorigen post van secretaris bij het dep rte- 
ment van onderwijs met dien van griflier der Staten-Generaal 
verwisselde, in zijne, op vroeger slellig gedane verzekering 
gebouwde verwachting van dien heer, bij het verlaten van 
zijnen post, te zullen opvolgen, teieurgesteld,werd C a n s i u s thans 
als eerste commies bij de divisie van Nationale Nijverheid ge- 
plaatst; eene plaatsing, die, wegens mindere overeenstemming 
met den man, die aan het hoofd der divisie stond, en over 
wiens gedrag hij billijke redenen van beklag meende te heb- 
ben, hem, op den duur, minder aangenaam viel. In 1820 was 
hy , boven anderen , werkzaam tot regeling van de toen te 
Gent gehouden e Tentoonstelling van voortbrengselen der Na- 
tionale Nijverheid ^ werd als lid der daartoe ingestelde com- 
missie met het uitbrengen van hel rapport belast en opende 
de plegtigheid der openbare uitdeeling van de toegewezene 
eereprijzen met eene toepasselijke redevoering. Dezelfde taak 
volbragt hij in 1825 te Haarlem, bij gelegenheid dat aldaar 
eene dergelijke tentoonstelling plaats had. Met genoegen had 
hij zich, een jaar vroeger, weder in zijne vorige betrekking 
tot het departement van onderwijs overgebragt gezien, en 
met nog grooter genoegen ontving hij in 1825 zijne benoe- 
minif lot referendaris, vergezeld van bet geschenk van een 
gooden snuifdoos, ten blijke der tevredenheid van den koning 
over zijne werkzaamheden. In 1826 werd hij tot directeur van 
een te Brussel op te riglen Museum van Kunst en Volksvlijt. 
aangesteld. Na de omwenteling van 1830 bleef hij te Brussel 
doch weigerde elke aanbieding hem door hel Belgisch gou- 
vernement gedaan, daar hij zich door den gevordenden eed niet 
aan hetzelve wilde verbinden. Eindelijk keerde hij in 1837, 
op herhaald en dringend verzoek der zijnen, naar Holland 
terug, waar hij den 10 van Louwmaand 1838 overleed. Als 
mensch en christen was Canzius zeer eerbiedwaardig. Zyne 
wezentlyke braafheid verwierf hem evenzoo de algemeene 
achting, als zijne wetenschappelijke kennis. De Maatsch. van 
Nederlandsche Letterkunde te Leyden benoemde hem tot lid. 

Dal hij ook de poëzy beoefende, bHjkt uit de Poëtische 
Men^eUtoffen van het Haagsche dichtlievende genootschap 
Kunstliefde spaart geen vlijt, 

Ily gaf in het licht: 

Bericht aangaande zijne Fabricg van hunatioerktmgen ie 
Delft 20 Oct. 1800. 



Digitized by 



Google 



110 

Het genooiachap ChrisiO'Saerum binnen Delft, Delft 1801. 

Catalogus van mathematische ^ physische^ anatomische ^ chi" 
Turgifiche en andere Instrumenten^ te bekomen in de Fabrieq 
van O. a Aid. 1804 2 si. 8o. 

jéan J» Ypey over eenige aanmerkingen in het verslag van 
het kerkgenootschap Christo Sacmm te Delft, Leid. 1801. 

Eeredienst ly gelegenheid van de vijf en twintigste verga'' 
dering der oprigting van het Genootschap Christo Sacmm 
'«Hage 1822 8o. 

Redevoering bij de plegtige uitreiking der eere penningen aan 
de bekroonde Tentoon stel Iers vwn voortbrengselen der Nationale 
fiijterheid op d. 10 Jvg, 1825 benevens V, Loosjes^ Dichtst, 
op den lof der Nijverheid, Hatrl. 1825 8o. 

De Maats, v. Ned, Létterk. te Leyden betit van bem in 
bands. 

Drie nngfelatene verhundeliniren of voorlezingen 4o« 

1. Ten betoofje^ dat de kennis der Nederlandsche taal, in 
derzeker omvang , gelijk die der Latijnsche , eene bron is van 
uitgebreide geleerdheid 1806. 

2. Over de kracht der Nedefduitsche taal, met opzigt tot 
de vitdrukHng van het schoone in al deszelfs betrekkin- 
gen 1808. 

3. Over den steendruk 1808. 
Ook wordl hem toegeschreven r 

Over de beteekenis van het woord godsdienst, zijnde eene 
redevoering , gedaan in een gezelschap van lieden, die geene 
bijzondere secte van godsdienst beladen. Delft 1799. 

Zij bezit ook zijn portret in steendruk z. pi. of j. van 
uilgave of naam van bewerker fol. Hij voert er de titel op 
van A, L. M. PhiL et Jur. Vir. Doet, die hem in 1812 
door een der vaderlandscbe H oogescholen eenshalven werd 
geschonken. Ook komt z^n portret voor bij Rogge, Jacob 
Hendrik, Onder de Wijngaart cansius en het Christo Sacmm 
te Delft in kalender voor de Protestanten in Nederland 1862 
bl. 195 volgg. 

Zie Ypey Gesch. d, Chr. Kerk in de 18e eeuw ^ D. X bl. 90 verv.; 
Ypeyen Oermout, Gesch, d. Ned. Hers. Kerk D IV bl 248; 
Glazins, Nederl Kerigesch, na de Herv D. III bl. 376 verv.; 
DfïJ. Godgel. Nederl o. b. w.; Sie^enbeek in Handh. d. Jaarl. 
Vergad. v d. Maait. v. Nederl. LeUeth. te Leid. 1839; van der Aa 
N. B. A. C Woord enh. o. h.w.; Poëtische Mengeltfoffen van KunstL 
spaart geen Vlijt D VIII bl. 156; X /. F. Janssen^ "Bafport ov^r 
hands, documenten door mevrouw Onder de Wijngaart. Cansius aan 
de Maats. v. Ned, Letierk. Geschonken in Letter k. Handel. 1844 
bl. 85; Cat. d Maats, v Nedl Leiterk, D II bl. 94, 125, 235, D. 
III bl. 30; Muller Cat. v. portr. 

ONDEREET (B. C. J.") was schrijver van Klaere instructie • 
voor de pryzers in cosmiers Gendt 1780 in 12o. 



Digitized by 



Google 



Itl 

Zie Blommaert, Nederl. Sclrijvers van Gent hl. 357. 

ONDERMARK, ook Undebmark en Oüdermark, (Waarten) (e Gent 
geboren, studeerde te Wittenberg onder Luther en Me- 
lancbton, en woonde bij den eerste in huis. Hij werd in 
1525 door Hertog Ernst als predikant naar Celle geroepen 
om daar de hervormde leer in te voeren en in 1529 met 
hetzelfde doel, benevens Hendrik Bock enMattheus Gen- 
de rich naar O. Friesland, werd 1542 superintendent te Celle 
en stierf 1569. 

Zie 6>^ te meister de Vita Scriptis et meritif supremor^ praeiuhiln 
in dtteatu Luneburg,, p. 20 seqq. Adelong en Kotermund. 

ONDERIJK (T.) schreef: God in den zondaar verheerlijkt 
Amsi. 1694. 4o. 

De dwaze Atheut ontdekt én overtuigd^ Amst. 1702, 
2 d. 4o. 

Zie Arrenberg Naamreg, bl. 319 CaU d, Groe, bl. 65. 

ONDERWATER (DirkJ zoo» van een welgesteld landman 
in den omirek aan Leyden geboren. Even als P o o t vormde de na- 
tuur hem tot dichter. Ee» krachtig gedicht van hem De jon- 
ste dag maakte veel opgang. Jammer dal hy door verloop 
zijner zaken, van een schraal amblje moetende leven, als 
vertaler van roman en tooneelstukken , zijn onderhoud in zijne 
pen vinden moest en dus de lier niet naar wensch kon han- 
teeren. Behalve eenige dichtstukken in verschillende bundels 
verspreid gaf hij in 1804 te Leyden een kleine verzameling 
in het^licht , waarin wezentlijk verdienstelijke stukjes voor- 
komen , hoewel niet zonder gebreken. Hij overleed te Leyden 
12 April 1818, oud omtrent 60 jaren. Zijn portret ziet het 
licht. 

Hij gaf in het licht: 

De Eerlijke Mgenzinnige , trsp, u, k, ligd, vertaald, Ilaarl. 
1795 gr. 8o. 

De verzoening of de Broedertwist ^ trsp, n» V kgd. van 
JF. A, Ifflavd. Aid. 1799. 

Sint Maarten of de gestolen Ganzen tnsjs, door Hageman 
(n, h, hgd.) vertaald, Leyd. I7ij9. 

AdeUide , Gravin van Teek , Ridder — tnsp, n. 7 hgd van 
U. Burger geh Hahn. Aid. 1799. 

Het Doodshoofd, of de Vogelkooijen , Bidder — tntp, n,* het 
hgd. van G, Hageman, Amst. 1799. 

Noch de een noch de andere. Klsp. n. h, hgd* in den 
Haag 1801. 

Mengelingen in dichtmaat en proza Leyd. 1804 8o« 



Digitized by 



Google 



112 

Ernstige^ aativique en Domocratiêche Letterarbeid, Leiden 
1802. 

De vriend der Kinderen of gedacïiten voor het opkomend 
geslacht. Leiden 1817 3e druk met vervolg 1819, 

Zie W i t z e n G ij s b e e k B. A. C. Woordenl. D V bl. 5 . 6. Cat. 
d, Maati, v. Nederl. Lctterk. D I 1 d bl. 162, D III bl, 99. Mol- 
Ier, Cat. van porirett. o. h. ,w. 

ONDERWATER (Pompejüs^ waarschijnlijk afstammeling van 
het bekende bnrgermeesterlijke geslacht van dien naam te 
Dordrecht, diende den lande als ritmeester en onderscheidde 
zich in 1745 bij de verdediging van Doornik tegen de Franseben. 

Zie Bosscha, Neerl. Heldend, te land D. II. bl. 581. 

ONDERWATER (Cornelis) burgemeester van Delft, toen 
Delft in 1672 door de opgezetenen van Maasland en Maaslands- 
sluis werd ingenomen en zij de Wethouderschap noodzaakten 
het eenwig edict af te zweeren en den prins lot stadhouder 
te verklaren. 

Zie Wagen aar, Vad. Hiêt. D. XIV. bl. 81. 

ONDORP (Andr.) uit Alkmaar, artium et utriusque medici- 
nae dr. te Bazel en in 1484 rector dier Universiteit. 

Jlhen, Raar. p. 168. Adelung en Rotermnnd. 

ONESIMUS DE Kien een kapucijn uit Iperen, zette uU het 
Spaansch in het Latijn over Medulia cedri Libani^ s, Concep- 
tus praedicahiles super Dominicas totius anni ex HomiliJs Qua" 
dragesimalibus Rieron. Bapt. de la Nuza, Antw. 1683 4o 
Colon. 1655, 1660 4. 

Zie M i r a e i , Scrip. Sacc. XYII ; F a b r i e i i , Eist. eccl. p. 
329; Lipen , Bibl, Theol. T. I. p. 647. seqq. Adelung eu R o- 
t e r m un d. 

ONGHENA (Jan} te Gent geboren, stond in 1566 met zijn 
broeder Lieven aan het hoofd der volksbeweging, die de 
beelden brak en uit de kerken wegnam. Net een ge waanden 
brief van den graaf van Egroond hadden zij de stadswacht 
verwijderd en waren zoo onverhinc'erd in de Augustijner 
kerk gedrongen. Den 10 Febr. 1568 werd hij voor den Raad 
van beroerte gedaagd, doch hg verscheen niet, en verschool 
zich te Antwerpen in het gewaad van een bootsgezel, doch 
hij werd ontdekt en den 31 Julij 1568 te Gent gevangen 
binnen gebragl, en den 2 Augustus van hetzelfde jaar opge- 
hangen. De Kempenare betreurde den dood van dezen ver* 
nnfligen jongeling, dien hij een verdienstelijk dichter noemt. 
„Hij was (dus luiden zijne woorden} in zijn leven een eer- 



Digitized by 



Google 



113 

dig Vlaamsch dichter, en had een geestig dicht gemaakt, in 
hetwelk hij al de kloosters dier stad beschreef, trouwende de 
monniken met de nonnen of bagijnen, den deken van Rinse, 
heer Pieter Titelman, broeder van Franciscus, min- 
derbroeder en voorlezer der Godgeleerdheid te Leuven, inqui- 
siteur, paerde hij roet het verken der Byloke, waerom hij 
ook gevangen en gestraft werd over ketterg van gemelden 
deken, maer ontkwam het nog alsdan, ter oorzake en voor- 
sprake van sommige edeten, aen de welke hij zoo om zijne 
poësie als geestigheid aangenaem was; maer nu werd die 
groote kunsienaer opgehangen^. 

Zie de Kerapenare, Vlaemsche Kronijk bl. 12, 29, 42, 44, 56, 57. 
Blommaert, Ned, scAriJyers \an Gent, bl . 108 , 109. 

ONGHËRS f Jacobus of Jan} een geboren Nederlander,' die 
zich in 1691 , In den bloei zijner jaren te Praag vestigde. 
Van hem bestaan vele schilderstukken , historische en bouw- 
kundige onderwerpen, die rijk gedacht en goed geteekend 
doch rosachtig van koloriet zijn. In 1714 werd hij pre- 
sident der schildersbroedersschap aldaar, en overleed er. in 1730. 

Zie Kram m, t. a. p. bl. 1221. 

ONGNYES (^GuiLBERT d') zoon van Jan , heer van Ongnyes , 
gouverneur van Doornik en van Nargaretha de Lannoy. 
dochter van Philips de Lannoy heer van Santes en ridder 
van het Gulden vlies, werd ter laatstgemelde ptaats om- 
trent 1520 geboren. Hij omhelsde den kerk elijken staat, werd 
kanunnik, aarts-diaken van Doornik en in 1552 vicaris- 
generaal van den aartsbisschop Charles de Cr oy, die te 
gelijker tijd abt der kloosters van AfQighem en St. Guislain 
was en ook dat van Haumont bestuurde. Na den dood van 
dezen prelaat in 1564 werd hij in diens plaats benoemd en 
den 9 October 1565 in de kerk van St. Anna gewijd. 

De nieuwe bisschop poogde met ijver de besluiten van het 
concilie van Trente in zijn bisdom in te voeren, wendde alle 
pogingen aan tot uitroeijng der ketterij, en het kapittel zijner 
cathedrale met geleerde lieden te bezetten; hield eene sy- 
node en overleed te Kortrijk den 25 Augustus aan de pest. 
Zijn lyk werd naar Doornik gevoerd. Zijn grafschrift leest 
men by het P a q u o t. De acta der onder hem gehondene sy- 
node zijn uitgegeven roet den titel : 

Decreta et statuta Synodi Dioeeeos Tormicensiê per Bevereu'- 
dissimum in Ckristo patrem Ouilbertum ê^ Ongnyes^ Episco- 
pum Tomacensem Duaci^ 1574, Lovanii lbS9 12o. ook in Sum- 
ma 8t(Uutorum Synodalium JSpiscop, Tornacens. van J. de 
Groux. Insnlis 1726 8. T. ïï. p. 173—217. 

8 



Digitized by 



Google 



114 

Zie Gazet, HUL Eccles* du FaysBasi^. 239, 240; Gallia Chris- 
Hana T. III. p. 240, 261; Paquot, Meni. T. II. 473—475. 

ONGOYS (Iean »'3 (e Busnes in Arlois, in de 17e eeuw 
geboren, was in 1576 en 157^ boekdrukker en boekbandelaar 
te Parijs. 

Hij scbreef : 

Le Prompiuaire de tout ce qui est advenu de mémorable de- 
jmis la creaHon du monde jusques a présent^ redvict en forme 
de calendrier, ou Journal, Paris 1576 12o. 

Prompiuaire de tout ce qui e^t advenu plus digne de memo- 
rable dépuis la création du monde jusques a présent, Auquel 
ont este adjoutés (Jb cette seconde édition') les catalogues des 
Papes^ Empereurs^ et JRoys de France; avee trois Genealogies 
et deseentes des Roys d" Angleterre ^ Espaegne et Portugal; 
contenant le temps que prèci$ement ils ont regné^ et kurs 
gestes plus memorables jusquaujourd^huy, Ensemhle le nombre 
des Archives chez de ces Royavme^^ et les Eveschez dépen- 
dants d'iceux. Paris 1579, petit in 12o. 

Zie Le Croix de Maine p. 219, 320. Locrii, Chron. Belg. p. 689. 
Paquot. Mém, T. III, p. 78. 

OLST CRifiNiEB yan3 voornaam glasschilder, bloeide waar- 
schijnlijk te Zntphen, in het begin der 17 eeuw. Hij be- 
schilderde in 1610 een glasraam door de staten generaal aan 
de hoofdkerk van Zutphen vereerd. 

2,\e RetoL Stat. Qcner, 13 Julij 1610; Kramm, Aanh, op deX^. 
en Werk, rf. Hall, en VI, schilders enz. bl. 214. 

ONKRUIT (Theodoris^ te Zwolle geboren, was een be- 
kwaam portret- en landscbapscbilder in miniatuur, hield zich 
meest op te ^s Hage en Amsterdam , en was een geruimen 
tijd werkzaam op de porcelijn fabriek van den graaf van Grons- 
veld te Hnnchen. Hij beschilderde ook w^aaijers en maakte 
teekeningen voor boekwerken. Omstreeks 1766 verliet hij 
^sHage, doch werwaarts hij vertrok is even onbekend als 
zijn sterQaar. 

Zie Immer zeel p. 8« p. bl. &78» Kramm^ t. a. p. bl. 1221. 

ONNBN (F. J.) Med. dr. schfeef: 

Bisaertaiio Chir. de prolaps» vesicae imersae coimaio. 
TraJ. ad Rken. 1824. 

Zie Holtrop, JBibl. Med. et cMr. p. 265. 

ONNEN (H.) Med. dr. schreef: 

Bissertatio medica de rs consuetudifiis ia»iquam varietatum 



Digitized by 



Google 



115 

nlriusque hominia principü causamm summa, Trai. ad RheE.' 
1803. 

Zie H o 1 1 r o p, Biel, Med, Chir. p. 265. 

ONSELEN (A. van} van dezen heelmeester vindt men twee 
waarnemingen eener genezene verlamming van het bovenste 
ooglid in Hippocrates, D. I st. I bl. 94. 

Zie Holtrop, Bibl. Med. et Chir, p. 265. 

ONSENOORT (Anthoniüs Gerardus van) werd den 27 Oc- 
tober 1782, uil brave, burgerouders te Utrecht geboren; zijn 
vader Huyberi van Onsenoor t, oefende bet vak der 
heelkunde in die stad uit en werd als gildebroeder, in het 
toenmaligen collegium medico-chirurgicum , in het jaar 1786 
opgenomen. 

In zijne vroege jeugd ^ naauwHjks negen jaar oud, werd 
zijn vader hem door den dood ontrnkt; reeds moederloos, en 
op het tijdstip, dat hij de leiding eens vaders nog zoo zeer 
behoefde, werd hij met eenen jongeren broeder en twee zus- 
ters, als afstammeling van een burger van Utrecht, in het 
Gereformeerde burger weeshuis opgenomen. 

De regenten van het gesticht, aan wie thans de zorg voor 
zijne verdere opvoeding was toevertrouwd, bemerkten weldra 
in den knaap eenen meer dan gewonen aanleg, welke veel 
goeds voorspelde. Hij scheen echter meer lust te gevoelen 
voor een werktuigelijk bedrijf, dan dat hij eenige zucht tot 
wetenschappelijke ontwikkeling liet blijken. 

Na geëindigde schooljaren gaf hij de voorkeur aan het vak 
van schrijnwerken (kastenmakenj waarmede hij gedurende 
eenigen tijd met vrucht zich bezig hield. Met deze oefening 
vereenigde zich eene, by hem heerschende zucht tot lectuur, 
{V^ en ieder oogenblik, hem van zijn handwerk overschie- 
tende, werd daaraan toegeweid. Deze begeerte naar kennis 
intusschen, meer en meer de overhand verkrijgende, werd 
naar die mate de lust voor het gekozen ambacht verdrongen, 
zoodat hij, nu 17 jaren oud, aan de regenten des gestichts 
de toestemming verzocht, zich op het vak der heelkunde te 
mogen toeleggen. Dit werd hen toegestaan, en hg ten dien 
einde, onder de leiding van den ervaren heelkandige J. A. 
van de Water te Utrecht gesteld. Het een belder oordeel 
tevens een gelukkig geheugen parende, waren zijne vorde- 
ringen zoo in het oog loopend, dat h^ reeds binnen eenjaar 



(1) Door eigen oefeniogbekwaamde hii zich in de Fransche taal, welke 
hQ gelegenheid had in 1T93, bt| de aankomst der Fransdien tt Utreeht, 



verder aan te leeren 



Digitized by 



Google 



116 



in het geslicht zgner opvoeding, ten overstaan van twee 
genees- en twee heelkundigen, onder welke laatsten ook zijn 
leermeester, een examen in het vak der ontleedkunde met 
allen lof doorstond. 

Twee jaren onder de leiding van de heer van de Wa- 
ter doorgebragt hebbende, verliet hij in den ouderdom van 
19 jaren het gesticht en begaf zich naar Amsterdam om zich 
verder te oefenen. 

Den 1 Mei 1804 trad hij in militaire dienst bij het hospi- 
taal te ^s Gravenhage, alwaar hij als chirnrgien sonsaide ver- 
bleef tot den 9 Februarij 1806, toen hij tot chirurgien aide 
major bevorderd werd. 

Al spoedig echter werd hij tot chirurgien der eerste klasse 
benoemd. Den 17 Januarij 1806, onder het bewind van ko- 
ning L o d e w ij k , werd hij gecontinueerd als chirurgien princi- 
pal (1) en tevens benoemd tot lijf-medicus van de heeren 
van Grasveld en Daendels, gouverneurs generaal van 
d6 Nederlandsche Oost-Indische bezittingen. In genoemde be« 
trekking volgde hy laatstgemelde op een Amerikaansch schip 
met den staf en bagaadje van dien gouverneur. Deze bodem^ 
welke over Noord-Amerika naar Batavia bestemd was, werd 
door de Engelschen genomen (2), in het vermoeden dat de 
gouverneur-generaal Daendels zich aan boord zoude be- 
vinden. Gedurende een kortstondig verblijf in New- York, waar- 
van hij melding maakt in een zijner werken (3}, maakte hij 
gebruik van de gelegenheid zijne kunde en ervaring te ver- 
meerderen. 

Alras uit de Engelsche krijgsgevangenschap ontslagen, tref- 
fen wij hem wederom aan op het Nederlandsch oorlogs- 
fregat de Gelderland, bestemd naar de goudkust van Guinea, 
ten einde van daar zijne vroeger mislukte bestemming te 
volgen. 

Deze bodem, welke den 5 Maart 1808 de reede van Texel 
verliet, had aanvankelijk reeds met tegenspoeden te kampen. 
Door het lek worden van het vaartuig, was de kapitein Pool 
verpligt te Bergen in Noorwegen ter kalefatering binnen te 
loopen, hetwelk op den 24 Maart plaats vond. (é) Spoe- 



(1) De staat van dienst, van wege het Departement van Oorlog ver- 
strekt, is. omtrent dit punt onduidel^k. Van zijne benoeming tot chirur- 
gien principal wordt niet gesproken, slechts staat daar vermeld, dat h$ 
in dien rang gecontinueerd is. 

(2) Zie Staai der Oost-Indische heziUingen door den generaal 
Daendels, 's Hage 1814 folio 1 deel blz. 1 in de noot. 

(B) Over de vorming van eenen iunsügen oogappel bladz. XIV der 
voorrede, 

(4) Zie J. A. d e Marre Heizen op en hesehrijving van de goud- 
kust van Quinea 2e deel, bijlagen bladz. 80. 



Digitized by 



Google 



117 

Hg was het schip hersteld, en den 4 Mei zeilde het 
v«reder nit tot voortzetting van de reis. De oorlog met En- 
geland, welke toen op het hevigst woedde, maakte de zee 
;eer onveilig; op alle Nederlandsche vaartuigen werd jagt 
i^emaakt en ook de Gelderland ontging dit gevaar niet; den 
L9 Mei werd het door het Engelsche oorlogs-fregat the Vir- 
i^inie aangeklampt, en op het vernemen, dat het een Neder- 
landsche bodem was, in een gevecht gewikkeld, hetwelk de 
overgaaf ten gevolge had, na een dappere verdediging en het 
verlies van 13 dooden en 43 gekwetsten. 

Van Onsenoort die als passagier aan boord was ^1} 
verleende hier den gekwetsten grooten bijstand; met den 
Chirurgijn-Majoor Tappert behandelde hij onverschrokken 
de lijders onder het hevigst vuur; hij was met den overste 
van Gorkum en de kommissaris ordonnateur Kok, de laat- 
ste, die zich aan boord van het veroverde vaartuig bevond. 

Het schip Gelderland werd door de Virginie te Cork op- 
gebragt, alwaar de admiraal der engelsche vlag gestationeerd 
was. Beklagenswaardig was toen het lot der gevangenen ; zij 
waren bij het nuttigen van schrale scheepskost , verpligt steeds 
tusschendeks op een zeil te slapen Gelukkig dat dit niet van 
langen duur was. De heer Kok overleed sedert aan de ge- 
volgen. Velen werden ziek, doch van Onsenoort had aan 
zyn sterk ligchaamsgeslel zijne voortdurende gezondheid te 
danken. Den 21 Mei verliet het engelsche fregat met de ge- 
vangenen de reede van Cork, en wierp den 1 Junij op de 
reede van Plymouth het anker. Als passagier had van On- 
senoort het geluk alhier het lot van ^slands ambtenaren, 
immers voorshands niet te deelen. (2) 

Den krijgsgevangenen werd Moreton Heamstead, in het 
graafschap Devonshire, als verblijfplaats aangewezen, alwaar 
zij negen maanden vertoefd hadden, toen in Febrnarij 1809, 
hun verlof aankwam, om naar het vaderland terug te kee- 
ren. (3) 



(1) T. a. p. W. 37. 

(2) De eerste krygsgevangenscbap schyot van Onsenoort ge- 
leerd te hebben zich niet als militaire arts in werkelyke dienst, bekend 
te maken. Z|jn Engelsche paspoort, vermeldt zgnen titel als "Private 
Fhyaidan", De passagiers werden als neutraal, de bargerl^ke ambte- 
naren, doch vooral militaire officieren, als krggsgevangenen beschouwd, 
en tot uitwisseling bestemd. De gevanp^ene burgerlgke ambtenaren be- 
klaagden zich later hunne onvoorzigtigheid , van zich niet als passagiers 
te hebben opgegeven. Zie Marre t. a. p. biz. 43. 

(3) In boeverre van Onsenoort het lot der krijgsgevangene amb- 
tenaren deelde, om nameiyk te Moreton Heamstead te moeten verbleven, 
is ons niet duidelgk gebleken. Dit is zeker, dat zjjn adres op de pas 
tot terngkeering naar het vaderland, te Londen gesteld was. 



Digitized by 



Google 



118 

Na een verblijf van acht dagen op het Cartelschip, hetwelk 
hem naar het vaderland overvoerde, wierp deze bodem op 
de reede van Hellevoetsluis het anker. Teleurstellend was het 
verbod van te mogen ontschepen (IJ: eerst den volgenden 
dag, na de aankomst van eene speciale vergunning uit ''sGra* 
venbage, werd ook van Onsenoort ontscheept, die zich 
onmiddelijk naar 's Gravenhage begaf, alwaar hij , na afgelegd 
verslag zijne mislukte reis, in denzelfden rang bij het leger 
geplaatst werd; immers hij woonde in het jaar 1809 deo 
veldtogt in Zeeland, tijdens het landen der Engelschen op 
Walcheren, bij. 

De inlijving van het koningryk Holland in het fransche kei- 
zerrijk bragt geene verandering in hel lot van van Onse- 
noort te weeg; hy bleef tot 1811 in denzelfden rang, lot 
dat, op den 31 Januarij van dat jaar, eene aanstelling als chi- 
rurgijn majoor bij het fransche leger in Portugal hem naar 
dat koningrijk riep, alwaar hij al de moeijelijke en gevaarlijke 
veldtoglen mede maakte. Van daar vertrok hg met het fran- 
sche leger naar Spanje , alwaar hij den bekenden worstelstrijd 
tusschen vrijheid en overheersching bijwoonde, onder het 
opperbevel van de maarschalken Masseua, Marmont en 
Sou et (23 wien hij vergezelde in de veldslagen Ie fiusaco, 
Salamanca , Victoria , op verschillende plaatsen ia de Pijreneen 
en te Toulouze. (31 In den veldslag bij Salamanca bragt 
hij den maarschalk Marmont, die gevaarlijk gekwetst werd, 
de eerste hulp toe. fiij de terugkomst van het fransche leger 
uit Spanje, werd van Onsenoort, den 16 Mei 1814, in 
denzelfden rang overgeplaatst bij het leger van het zuiden, 
vanwaar hij, bij den val van Napoleon, den 1 Junij, by 
het 1 regement van linie overging. Toen, door den algemee- 
nen maatregel van 31 Augustus 1814, alle vreemdelingen uit 
de fransche dienst eervol ontslagen werden , behoorde hij on- 
der diegenen, welke van dat ontslag gebruik maakten. 

Na nog eenigen tijd zich te Parys te hebben opgehouden, 
waar hij van de menigvuldige gelegenheden , welke tot ver- 
meerdering zijner kennis zich aldaar aanboden , met den mees- 



(1) Bit verbod ran keizer Napoleon nitgaande, moest gevolglgk 
door zijnen broeder Lo de wijk geëerbiedigd worden; hierin straalde 
genoegzaam de soh^jn •koning door; men ziet echter uit de toestemming 
▼an ontscheping, welkgewigt men hieraan hechtte; doch deze ataatkande 
verhaastte den val van den, door velen miskenden koning van Holland. 
Zie Marr^ t. a. p. en JDocumsfU AUtoriquea et refleciions, sur Ie gou- 
vernement de la Hoüande par Lonis Bonaparte Tom. 2 p. 310, 
414. 

(2) MiUUdf^ Chirurgie gesekiedi, beschouwd, bl. 67. 

(3) T. a. p. bl. 64. 



Digitized by 



Google 



ten ijver gebruik maakte, keerde hij in zijn yaderland teruf, 
alwaar eeae aanstelling in zijnen ooden rang hem dadelijk te 
beurt viel. 

Reeds spoedig was van Onsenaort in de gelegenheid 
den natuurgenoot hulp toe te brengen; tijdens den veldlogt 
van Waterloo in 1815, was hij belast mei de behandeling van 
de gekwetste pruissische soldaten in het Lazaret Vlt>erbak te 
Leuven. Hoezeer hij zich hier van zijnen pligt kweet , getuigt 
de Divisie-generaal-arts Dr. Gr fi f e, die aan het hoofd van 
de pruissische geneeskundige dienst stond, in zijn voordmgt 
aan den minister, voor de ridderorde van den roodeü Ade- 
laar. (1) 

Van den 18 Junij tot den 6 October 1815 was hy in dit 
hospitaal met den meesten ijver, onafgebroken werkzaam, toen 
de directie over hetzelve opgedragen werd aan den Ober- 
stabs-arzt Dr. Weber, met bevel het naar Faucon over 
te brengen. In dit tijdsverloop werden er 12 a 15000 pruis- 
sische krijgslieden in dit hospitaal, onder zyn toezigt behan- 
deld, in welke moeijelijke taak hij getrouw werd bijgestaan 
door den gevangen franschen inspecteur generaal van de ge- 
neeskundige dienst, den barou Larrey. (^2) 

Bij besluit van Z. H. den koning der Nederlanden van 20 
Maart 1817 aangaande éi oprigting van 's rijks hospitaal te 
Leuven en te Leyden, werd van Onsenoort het volgende 
jaar als officier van gezondheid der Ie klasse bij het hospi- 
taal in eerstgenoemde stad aangesteld, en tevens met het 
onderwijs belast Gedurende vier achtereenvolgende jaren 
onderwees hij aldaar de theoretische en practische chirurgie 
en oogheelkunde; tevens werden hem de lessen in de oog- 
heelkunde, aan de hoogeschool aldaar opgedragen, (^3} en 
hem in hetzelfde jaar, den graad van medicinae et chirurgiu 
doctor verleend. Zijne dissertatie de cataracla^ welke niet 
gedrukt is, gaf .aanleiding tot het later door hem uitgegeven 
werk over de graauwe staar enz. (4^ 

Toen in 1822, de beide rijks hospitalen te Utrecht ver- 
eenigd. werden, benoemde Z. H. van Onsenoort tot eer- 
sten officier van gezondheid bij deze nieuwe inrigting. In dat 



(1) iRUtaire chirurgie ^ blz. 46 ia de noot. 

(2) T. a. p. \A, 46. 

(3) De heer Har baar, later lospectear-Qeneraal van de genoemde 
dienst, was toen hoogleeraar aan de hoogeschool te Lenven, en bQ hare 
oprigting rector magnificus; het was door 2^n toedoen, dat het onder- 
wijs, bg het hospitaal aldaar met het academische onderwijs in verband 
werd gebragt. 

(4) JntuUes Academiae Lovanienvis 1818—1821. 



Digitized by 



Google 



120 



zelfde jaar opende bij zijne lessen met eene redevoering over 
de militaire chirurgie geschiedkundig beschouwd enz. 

Het was omtrent dezen tijd, dat de bekende oogziekte on- 
der de militairen, zich ook in het Nederlandsche leger meer 
verspreidde. Van Onsenoort werd op hoog bevel, eene 
inspectie in België opgedragen, waar deze ziekte onder de 
troepen bijzonder woedde. 

Ook bij ons bleef er een groot verschil heerschen in de 
gevoelens over de oorzaken, welke het ontstaan der oogziek- 
ten bevorderden en hare voortduring en verspreiding begun- 
stigden. Dit gaf aanleiding tot menigerlei geschriften van onze 
militaire artsen, en zelfs begonnen er ook buitenlandsche 
geneeskundigen zich mede te bemoeijen; enkelen schenen niet 
ongenegen er winst mede te willen bejagen. 

De oogarts A d a m 8 uit Londen bood het gouvernement aan 
lot geenen geringen prijs , de oogziekte in het Nederlandsche 
leger te zullen uitroeijen. 

De stukken tot deze onderhandeling betrekking hebbende, 
werden door den toenmaligen inspecteur-generaal Harbaur 
aan van Onsenoort medegedeeld; deze droeg ook het 
zyne bij, dat men aan de schatkist eene zeer aanzienlijke 
som bespaarde voor den aankoop van een geheim^ waartoe 
een schat, zonder doel zoude verkwist zyn geworden. 

De ondervinding had toch reeds genoeg geleerd, dat door 
een geheim middel niets meer zoude verkregen worden, dan 
men tot dusverre, door doelmatige hulpmiddelen te vergeefs 
beproefd had. 

Men mag dus in dezen ook van Onsenoort dank weten^ 
dat door zijne bemoeijingen eene aanzienlijke som gespaard, 
en de eer der Nederlandsche militaire artsen niet verder ge- 
krenkt werd. f 1) 

In het laatst van het jaar 1827 werd hem door den ko- 
ning eene verplaatsing als eerste officier van gezondheid by 
het hospitaal te Nymwegen gezonden, ten einde hem, by ont- 
heffing van vele werkzaamheden , meer gelegenheid te geven, 
tot de voortzetting van zijn letterarbeid. Bij deze gelegenheid 
boden hem de kweekehngen van ^s rijks hospitaal, als een 
bewys van hoogachting en dankbaarheid, eene instrument-tasch 
roet zilveren werktuigen aan, benevens een adres, waarin zy 
de gevoelens hunner erkentenis, op de ondubbelzinnigste wyze 
aan den dag legden. 

Daar van Onsenoort meende deze overplaatsing met 
zijne betrekking niet te kunnen vereeiiigen , verzocht hij , 
dat hem voorloopig een verlof mogt worden toegestaan; later 
oordeelde hij beter, van wege eene uitgebreide en even 



(1) Geschiedenis der oogheelkunde, bl. 48. 



Digitized by 



Google 



121 

winstgeveode praclijk, zich geheel aan den dienst Ie ontrekken. 

Van nu af aan wijdde van Onsenoort zich geheel en 
al aan letterarbeid, en aan de behandeling zijner lijdende na- 
tnurgenooten , en spoedig werd zijne hulp op eene hoogere 
schaal noodzakelijk, toen namelijk de cholera in 1832, zich 
op eene dreigende wijze binnen Utrecht vertoonde. Eene der 
armoedigste en uitgebreidste wijken der stad (^wijk C} viel 
van Onsenoort ten deel*, hij liet zich deze keuze gaarne 
welgevallen. Het vooroordeel, wegens de behandeling der 
lijders berokkende hem in deze, waarlijk onbeschaafde wijk, 
in den aanvang groote onaangenaamheden , doch zijne overre- 
dingskracht en vasten wil bewezen den lijders, dat hij voor 
hun behoud alleen werkzaam wilde zijn; hij betrok eene 
woning in de nabijheid dezer wijk en overtuigde, zoowel 
door zijne zorgen, als door opofferingen uit eigene middelen 
ter voorziening in voedsel, deksel enz. hen weldra van de 
waarheid zijner gezegden. 

Na den afloop der ziekte weigerde hij de geldelijke be- 
looning, welke van wege de stad den geneesheeren was 
toegedacht, doch nam gaarne van de bewoners dier wijk 
eenen zilveren inktkoker aan, hem als een blijk van erkente- 
nis voor zijne menschlievende hulp aangeboden. 

Reeds sedert geruimen tijd, bij herhaling aan rheumatismus 
lijdende, werd hij eindelyk genoodzaakt van zijne zoo werk- 
zame loopbaan afstand te doen, doch ontving nog lijders aan 
zijn huis, ja zelfs toen hij zijne legerstede niet meer kon 
verlaten, was hij nog de hulp der lijdende menschheid. 

Zijne snel toenemende ziekte in eene verzwakking ontaard, 
deed hem den 23 December 1841 nog zeer onverwachts be- 
zwijken, na eene bedlegering van slechts weinige dagen. Hij 
bereikte den ouderdom van 60 jaren. Zijn stoffelijk overschot 
werd op eene plegtige wijze, met de militaire eerbewijzen, 
aan zijnen rang verknocht, den 27 daaraanvolgenden, ter aarde 
besteld. Onderscheidene zijner vrienden vergezelden het lijk 
naar de laatste rustplaats. Hij had dus slechts kort genot van 
het pensioen, hetwelk hem den 22 April 1841 door Z. M. 
Willem II goedgunstig werd toegestaan. In België vatte 
een zijner waardigste leerlingen, het voornemen op het leven 
van van Onsenoort, uit een wetenschappelijk oogpunt be- 
schouwd, te beschrijven, en zijne verdiensten vooral met be- 
trekking tot de oogheelkunde in een waardig daglicht te stel- 
len. Het portret is een getrouwe afbeelding der oorspronke- 
lijke schilderij van J. Verhagen voor weinige jaren ver- 
vaardigd. 

Van Onsenoort was lid van het genootschap ean kruid- 
en landbowokunde te Leuven ; het geneeskundig genootschap 
te Leuven] het genootschap ter bevordering der hedkunde 
te Amsterdam (8 oct. \%%i)-^ het provincitMl ütr. genoot-- 



Digitized by 



Google 



122 

schap ; La société des sgiencea medicales et naturelles de Bru» 
xelles (^15 Mei 1829); Societas medica Bruxellensis (2b fiov , 
18293 ^^ société de médicine de Gand, (^13 Dec. 1836) 
La société de médicine d^Amiens ; Le eerde Medico^chirur-- 
gica de Bruxelles. 

Zijne voornaamste schriften zijn : 

Observations sur le retahlissement de la vue in Annales 
de la Médicine Physiologique ^ par F, J. r. Broussais, 
Tannée 1822 p. 89. 

Verhandeling over de graauwe staar met betrekking tol 
de verschillende kunstbewerkingen ^ welke tegenwooidig 
tot derzelver genezing in gebruik zifn, alsmede iets over 
den kunstigen oogappel en de belangrijkste^ sedert CheseU 
den, tot op heden aangewende en nog bestaande methoden^ 
door welke dezelve kan gevormd worden, Amst. 1819 8o. 

De operative heelkunde , stelselmatig voorgedragen, Amst. 
1822—1827, 3 d. 8o. 

De geneeskundige heelkunde^ stelselmatig behandeld, ten 
leiddraad by zijne lessen en in verband gebragt met zijne 
operative heelkunde. Amst. 1825—1827, 3 d. 8o. 

Beschr^'aing van den heelkundigen vddtoestei (Apparatus 
chirurgie O'Castrensis^ door hem uitgevonden en veranderd^ 
uitgegeven en onder deszel/s opzigt vervaardigd door T. 
Bonneels chirurgicale instrumentmaker te BrusseL Gorinch. 
1828 met afb. 

Description de Vappareil chirurgical de campagne^ com-- 
posé par A. G. v, O, et confectionné sous sa surveillance 
par F. Bonneels, Bruseiles 1828 fig. 8o. 

Bijdragen tot de geschiedenis van de vorming van een kunstig en 
O") ff appel, in het algemeen, en tot die voor Nederland in het by- 
zuiider-^ inzonderheid om deze kunstbewerking, volgens geheel 
nieuwe methode en daartoe uitgedachte,, zeer eenvoudige in- 
strumenten te verrigten^ gestaafd door practische gevallen, 
Utrecht, 1829 8o. 

De militaire chirurgie geschiedkundig beschouwd en met 
betrekking tot derzelver uitoefening, zoo bij de land- en 
zeemagt als in de koloniale dienst onderling vergeleken,^ 
benevens de ptigten^ die een officier van gezondheid^ zoo in 
vrede als in oorlogstyd^ doch inzonderheid op het slagtveld 
te eervullen heeft ; geschetst in eene redevoering^ 6y gelegen- 
heid van den aanvang der lessen in den jare 1822 in het 
groot rijks Hospitaal te Utrecht b\j N. van der Monde 
io gr. 8o. met het portret van den schryver. 

De kunst om de oogen wd te verplegen en voor ziekten 
te bewaren, een handboek ten dienste van alle standen^ ge- 
slachte» en ouderéhm^ volgens eene rijpe ondervinding, te 
zame» gesteld^ met afbeeldingen. Utrecht in gr. 80. 



Digitized by 



Google 



153 



Geschiedenis der oogheelkunde^ als inleidmg toi hel onder" 
Wijs derzelve betracht. Eene redevoering gehouden bij den 
aanvang der lessen te Leuven in 1828, benevens een over- 
zigt der literatuur betreffende dit onderwerp^ sedert dien 
tijd tot op lieden, Utrecht 1838 gr. 8o. 

De operative heelkunde^ stelselmatig voorgedragen, Amsf. 
1822 — 1827, 2de verbeterde en zeer vermeerderde druk, 3 
deelen^' 4 stukken, Amsl. 1835 — 1837 met platen. 

Genees- en heelkundig handboek over de oogziekten en ge- 
breken^ in derzelver geheelen omvang , 2 deelen met 4 ge- 
kleurde platen. Amst. 1839—1840. 

Het Nederlandsch lancet^ tijdschrift aan de practische 
chirurgie en oogheelkunde gewijd. Gr. 8o. 1832 -1842, 4 
jaargangen met platen en portretten. 

Opgave eener nieuwe manier om de afzetting van den arm 
in het schouder geioricht te verroten (met afb.} medegedeeld 
door J, vun de Velde in Prakt, Tijdschrift voor de geneesk, 
in al haren omvang, 1828 st. I bl. 52. 

Nieuwe manier ter wegneming van het drnifgezwel can het 
horenvlies. Met afb. t. a. p. 1829. si. I bl. 31. 

Genezing der waterbreuk, door binding en nadere loijziging 
dezer kimslbewerking , medegedeeld door J, va7i der Felde 
met 2 afb. t. a. p. 1829, st. IV, bl. 310. 

Nieuwe methode om den arm uit het schondergewricht door 
ééne snede weg te nemen in Gen. bij dr. door C, Fruys van 
den Hoeve 1827, D. II, st. 1 bl. 62. 

Schildoormig beursgezwel in en beneden de toenkbraauio ; 
loegneming deszelven, aanwending der dr oog e hechting en ge- 
nezing met een naauwlijks merkbaar Udteeken, (^met afb.) in 
het NederL Lancet 1838, &t. 6, bl. 203. 

Mijne wijze van behandeling der beursgezwellen aan of in 
den omtrek der oogleden. T. a. p. 1839, st. II, bl. 490. 

Verslapping van het bindvlies van het bovenste ooglid (pro^^ 
lapsus conjunctivae palp, superior.) tbaardoor het gezigtver-- 
mogen verhinderd werd ^ wegneming en genezing. T. a. p. 1838, st. 
3, bl. 87. 

Eenige bedenkingen betrekkelijk de amputatie door de dr- 
kelsnede of door de lapvorming. T. a. p. 1839, st. 5, bl. 363. 

Waarneming van een drnifgezwel van den regenboog 
binnen de voorste oogkamer {staphyloma iridis intra bulbum) 
T. a. p. 1839, st. 6, bl. 346. 

Scheeve hals door onvolkomen verouderde ontwrichting aan 
de linkerzijde van den vierden en vijfden halswervel^ door 
mechanische middelen bestreden. Met afb. T. a. p. 1839 , si. 
12, bl. 562. 

Operatie eener hazelip , bij etn man van 38 jaren^ stilling 



Digitized by 



Google 



124 

der bloeding door oindraaifing Qtorsio arteriarum) met 1 afb. 
T. a. p. 1838, st, 1, bl. 31. 

fFelgeslaagde behandeling van den aangeborenen buiten- 
waarts gekeerden horrelvoet {parus) met behulp van mecha- 
nische middelen met 1 afb. T. a. p. J839, st. 10, bl. 420. 

Waarneming van aanmerkelijke met haar begroeide moe- 
dervlekken (naevi materni pilares) over de geheele oppervlakte 
des ligchaams verspreid met afb. T. a. p. 1839, si. I, bl. 25. 

Vergroeijinq der neushuis aan derzelver neusgedeelte. T. a. 
p. 1838, st. 1, bl. 19. 

Aanvankelijke kwetsing van het regteroog met verplaatsing 
en uitneming des lens, T. a. p. 1838, st. I, bl. 18. 

Orthopaedie^ inleiding en strekking der zelve, T. a. p. 1838 
st. I, bl. 20. 

Behandeling van een peesknoop door pleisters , bedeeld met 
het protO'iodur, hydrarg, T. a. p. 1838, st. 2, bl. 52. 

Bijdrage tot de geschiedenis der aanwending van het ge- 
gesmoUe salpeter zure zilver (nitr. argent, fus) onder den 
eenen of anderen vorm als ectroticum, in oogontstekeningefè 
met sUjm-vloed enz, T. a. p. 1838, st. IV, bl. 122. 

Waterbreuk van den traanzak Qhydrocele sacci lacrymalis) 
Met afb. T. a. p. 1839, st. 7, bl. 234. 

Aanmerkelijke onvolkomen uitwendige verspreide Iraamak- 
pijpzweer {fistvla sacci lacrymalis incompleta^ externa^ dif- 
fusat)y met goed gevolg door de kunstbewerking bestreden , met 
1 afb. T. a. p. 1839, bL 8, 387. 

Behandeling der vel gezwellen aan de oogleden door de 
uiLicendige aanwending van de calomel onder zalf vorm, T. a. 
p. 1838, st. II, bl. 57. 

Behandeling der vlekken van het doorschijnend horenvlies 
door creosot, T. a. p. 1838, st. 1, bl. 17. 

Aanmerkelijke waterbloedbreuk (hgdrohaematocele) bij 
een man van hooge jaren onder bezwarende omstandigheden , 
door de knnsibewerking met goed gevolg bestreden, T. a. p. 1839. 
t\. ffl bl. 17. 

WaterO. LU k^ behandeld door de naaldsteek (^acupunctura^ na 
gedeeltelijke mislukking der inspuiting met tinct. iod. T. a. p. 
1838, st. 2, blad 64. 

Nieuw instrument van Wagner, tot vorming van een kunsti- 
gen oogappel^ getrokken uit de Algemeene Medicinische an- 
nalen voor de maaftd October 1818 Id Rippocrates D. IV. 
st. IV. bl. 318. 

NasporiTigen betreffende de Hgyptische oogontsteking door 
B. Chamseru. T. a. p. D. V, stuk 8, bl. 235, D V, st. 4, 
bL 341. 

Tweede geval van gelukking eener kunstmatige eerplaatsing 
der pupil met inklemming in het harde oogvlies {scleroüca') 
van een gedeelte oogappelrands van den regenboog (mei 1 afb.) 



Digitized by 



Google 



125 

in Praktiéch tijdschrift enz. 1823 sopplem. band. 1, st.2,Li. 
170. 

Beschrijving en afbeelding van een brilvormig werktuig , ter 
verkelping van het scheelmn in Algem. Vad, Zetteroef, 1829 
D. XIX, st. 2, bl. 201. 

Genezing der waterbreuk door binding {ligatura') in Gen, 
bijdr. door Pruys. van der Hoeven. 1827 D. II, si. I, bl. 80. 

Zie Visscher, Hiat, Tijdsck, bl. 3; Levensh. van dr, A, G, O. 
in Ned. Lancet 1 s. IV, bl. 620; Levensb, in ?. d. Monde 
Tijdt, B. YIII, bl. 146 m. portret naar de oorspronkelijke schildery 
van J. V e r b e ij e n, dat naar bet ras. van den schrijver door ons is 
gevolgd); Frogr, v. h, Frov. Utr, Genoois,; Konst- en Leiterb, 1841, 
d, I. Noiiec sur G. A, v, ö.jD«rFlorent Cunier Brun, et Leipz. 1842, 
O; Holtrop BihL Med, et chir, p. 265—267. 

ONRAET (Jan Baptiste) Belgisch Jezait. 

In 1808 verscheen te Leuven: 

Phü, Vêrheyen^ ffistoria de sanguinis fluxu P, «/. E, On- 
raet^ S, J, et mirabili ejus sanatione, ope 5. Franuscii 
Xaverii Lovauii 8o. Trad, en Frang (^Guerison miraculeuse 
etc.) Louvain 1709 12o. 

ONVERSAAGD ( Hans) Onversaagd is waarschijnlijk een 
bynaam, achter de namen van velen in de sententien van 
Al va gevoegd. Doch volgens Cl e ij n, staat die naam opeen 
grafzerk in de groote kerk van den Briel te lezen, en de 
overlevering in die stad telt hem mede onder de water- 
genzen. 

Hij was volgens de sententien van Alva te Schalkwijk in 
het land van Utrecht woonachtig en werd beschuldigd dat hij 
onder den heer van Brederode (vele van wiens krijgsknech- 
ten zich onder de watergeuzen bevonden) gediend heeft. 

Zie Cletjn, Dankoffer enz. bl. 74; Sentent, I. bl. 226 volgg. van 
Groningen. GetcA. der Waterg, bl. 282, 280, 468. 

ONZANTE (J.) Komt als dichter voor in Oude vo^n in 
nieuwe lederen utkken 1670. 

Zie van der Aa, N, B. A, C, Woordene, D. III, bl. 15. 

OOGHE (H. J.) R. C. priester, schreef het Leven vanden 
H. Amandus. Brussel 1718. kl. 8o. 

Zie Biel. HuUm, no. 25423. 

OOGWANT(A.) schreef, volgens Abcoude {^Aanh, e.verv* 
bl. 156) over de Openbaringen, 8o. 



Digitized by 



Google 



120 

OOMEN. (^CoRNELis Wilhelmus) te Amsterdam 29 Dec. 1811 
geboren. Reeds vroegtijdig onderscheidde hij zich door 
een bijzondere neiging tot studie en door eene groote 
werkzaamheid. Op zeer jeugdigen leeftijd stond hij dan ook 
reeds gunstig bekene wegens zijne menigvuldige kennis; ten 
blijke waarvan kan strekken, dat hij, bij koninklijk besluit 
van 14 April 1833, tot secretaris der gemeente Ginneken en 
Bavel werd benoemd en wel met vrijstelling van het bepaalde 
bij art. 115, in verband met art. 386 van het reglement op 
het plattelandsbestuur, voor zoo veel den vereischten ouder- 
dom betreft. Deze betrekking, waarbij hem tevens wat later 
die van plaatselijk ontvanger werd opgedragen, bekleedde 
hij tot korte dagen voor zijn dood, op eene loffelijke wijze. 

Bij kon. besluit van 6 Ang. 1815 werd hij aangesteld als 
plaatsvervangend kanlonregter te Ginneken , tot welke betrek- 
king hij bij kon. besluit van 13 Aug. 1856 en 10 Julij 1861 
op nieuw werd benoemd. 

Bij kon. besluit van 30 Oct. 1855 No. 36 werd hij 
schoolopziener in het 6e schooldistrict van Nootdbrabant , 
Rij de invoering van de nieuwe v^et op het lager onder- 
wijs behoorde hij tot hen, die zich over eene herbenoe- 
ming mogten verheugen, daar hij, bij kon. besluit van 23 
Dec. 1857 No. 59, geroepen werd om als schoolopziener in 
het 10e district op te treden, in welke betrekking hij bij 
kon. besluit van 21 Dec. 1863 No. 49 werd gecontinueerd 
en waaruit hij op zijn verzoek, met in^ans van 1 Sept. 
1865, bij kon. besluit van 28 Julij te voren, eervol werd 
ontslagen. Groot zijn de diensten, die hij als zoodanig aan 
Noordbrabant heeft bewezen en hoe hij bij de onderwijzers 
van zijn district geacht en bemind was, kan blijken uit de 
omstandigheid, dat hij kort vóór zijn afsterven van hen eene 
prachtige pendule met twee candelabres, vergezeld van een 
smaakvol album, houdende de namen der schenkers, mogt 
ontvangen , als eene erkentenis van al hetgeen hij én voor 
hen én voor het onderwijs gedaan had. Door het vertrouwen 
zijner medeburgers werd hij in Julij 1859 tot lid van de 
Tweede Kamer der Staten Generaal gekozen. Zijne toen reeds 
wankelende gezondheid en zijne menigvuldige andere bezig- 
heden waren echter oorzaak dat hij na verloop van weinige 
jaren als zoodanig zijn ontslag nam. 

Jaren achtereen was hij ook president van den militieraad 
als lid der staten van Noordbrabant, die hem, in hunne zo- 
merzitting van 5 Julij 1865, tot lid van gedeputeerde staten 
benoemden. Hoogst te bejammeren is het, dat bij deze be- 
trekking slechts weinige maanden heeft mogen bekleeden ; 
van zijn helderen geest, van zijne buitengewone werkzaam- 
heid , van zijn edel en godsdienstig karakter was voor Noord- 
brabant nog zoo veel goeds te wachten! 



Digitized by 



Google 



127 

Hij slierf te 's Heriogeobosch 12 Jan. 1866, omringd door 
zijne naaste betrekkingen en betreurd niet alleen door hen, 
maar door allen, die het voorregt hebben gehad heoi te ken- 
nen en te leeren waardeere». Hij huwde Maria Theodore Del- 
hez die. hem vijf kinderen schonk. 

Part, Berigt, 

OOMS (JoHANNis Baptista) licentiaat in de godgeleerdheid, 
pastoor van St. Bavo te Gent, kanunnik en aartspriester 
derzelfde kerk. Hij nam bezit dezer laatste waardigheid 18 
Junij 1694. Hij was neef van Cornelius Ooms, die in 
den aanvang dezer eeuw het ambt van deken der cathedrale 
kerk van St. Baafs bekleedde, en zoon van Hendrik en 
Elisabeth Claes Johannes Ooms werd te Geel in de 
Kempen geboren en overleed aldaar den 24 Julij 1710 ten 
huize zijns broeders. Zijn stoffelijk overschot werd in de 
groote parochie kerk zijner geboorteplaats ter aarde be- 
steld. 

Hij gaf drie werken in het licht, die, naar den smaak 
zijner eeuw geschreven, meermalen werden herdrukt. Het 
eerste was hel leven van van O. L. vrouw naar apocryfe 
bronnen, vooral naar Nicephorus, door Paquot wegens den 
inhoud gelaakt, door Blommaert wegens den stijl niet on- 
verdienstelijk genoemd. 

De titel luidt: 

Verclaringhe van het leven ende mysteriën van der Al^ 
derheylighste Maghet ende Moeder Godts Maria. Midtsgaders 
van de andere principaalste feestdaghen van de H. Kercke^ 
ende tyden van devotie^ dienstigh om wel te vieren ende de 
vruchten daer uyó te rapen , ende het geheel jaer devote- 
lyck over te brenghen. Ghendt 1705, 1706, 8o. 1710, 1711 
in 3 d., 1715 4e dr. 3 d. 6e dr. merkelijk verbeterd bij 
Michiel de Goesin 1744 2 d. 8. 

Godtvruchtigk Ecclesiastyke Theologie van de deuffhden^ 
ghetrocken uyi de HeyUghe Schrifture ende Heyligke vaders^ 
principalyck uyt de twee honinghvloeyende leeraers , 5. Augus- 
tinus ende S, Bernardus, Gheudt 1708 3 d. 4o. 

Leven van de edele jouffrouw Francisca Taffin^ woonder- 
baer soo in de maeghdelycken , houwelycken als weduwefy- 
eken staet , nae maels Jttstelder en eerste Eerweerdighe Moeder 
der Religieuse Penitenten^ gezeidt capucinerssen. Gend 1717, 
1721. 12o. 

Zie S a n d e r i Flandr. Uk T, l p. 241 ; S w ee r t i 1 J^'ecrol. p. 90 ; 
Paqaot, Mem. T. Il 644, 645; Blommaert Ncderd. schrijvers 
van Gend bl. 317, 318. 

OOMIÜS (^Simon) of O m i u s werd in 1628 geboren. Na zijne 
theologische studiën volbragt te kebbeB, werd hy doc- 
tor in de godgeleerdheid en in Dec. 1653 als proponent te 



Digitized by 



Google 



128 

Purmerlend beroepen. In 1674 diende hij als v^ldprediker 
in het legeer van den staat. In Dec. 1677 ontFlng hij een 
beroep te Kampen, waar hy in Jan. 1678 werd bevestigd. 
Hij overleed in den herfst van 1 706 , in 't 54sle jaar van 
zijn dienst en in den ouderdom van 78 jaren. 

Oomius was een der vrnchtbaarste schrijvers van zijn 
tijd. Zijne geschriften zijn van acetischen aard, gelijk die 
van Ridderus, Borstius en anderen. Hij stichtte er een 
uitgebreid nut door en ze werden herhaalde malen herdrukt. 

De zeldzaamheid der meeste getuigt van het veelvuldig 
gebruik dat zijn tijdgenooten er van maakten. De meeste zijn ^n 
ook alleen bij name bekend door de opgave bij Abcoude, 
Manrik, Arrenberg en dergelijke schrijvers. 

Hy schreef: 

Opmerking en lestiering tot waare vergenoeging om in 
ataaê vergenoegt te zijn, Amst. 1658. 12o. 

Bescherminge des Levens tegen de selfsmoorderijen. Amst. 
1660. 8o. 

Prophylaeticum vitae. Ofte bescherminge des Levens tegens 
Selfa-moorderije. Amst. 1660. KI. 8o. 

Be Bestieringe der Gedachten, Amst. 1660. 1. 

J. Dijk e van de Ergernisse vert, en verm, door S. O. 
Amst. 1660. 8o. 

fTeenen der Tortelduyven of Geloovigen, 1661. 12o. 
Kleijne Kerk. Amst. 1661. 8o. 
Vrede-Schrift. Amst. 1662. i2o. 

Des Heer en verderjlyke Pyl of van de Pest, Amst. 1665. 
8o. en 1683. 8o. 
Schriftuurlijke Prognosticatie, Amst. 1866. 12o. 

Het geopende en wederlegde Muhammedendom of Turckdom, 
Amst. 1663. KI 8o. (o. 1000 blz.J 

Satans vmstslagen of Tractaet van de intüet:pinge der God» 
lasterlijke -ge J^ten, Amst. 1663 12o. 

Van de een r\ nd, 1663 12o. 

Troost-Fonteyn of bedroefd lyden, Amst. 1660, 1566, 8o. 

Heerlykheid van een kind Gods, 12o. 

Brandklok. 12o. 

Vrede Gods, 12o. 

Geestelycke verlatinghe, 12o. 

Christelycke Saamenspraak, 12o. 



Digitized by 



Google 



129 

Discours over de vrye oeffening der pa^psche IteUgie in 
deeze landen, 80. 

Van de Goddelycke voorzienigheid, 1665 80. 

Oorloghs bazugne^ geblaesen ter opwecïcifige va7i alle itige- 
setenen in de nogh overige provinciën ^ steden en sterckten 
van Nederlandt^ om onder de Baniere van ónsen seer ge- 
wens chten stadthoüder Willem de III kloeJcmoediglick te vegh- 
ten tegen onse tegeniooordiae vyanden. Amst. 1672 4o. 

Oorloghs- Bazuyns Ttceede Deel^ — opgedragen aan den 
Wel- E delen en Manhaften zee-heldt Cornelis Tromp, Amst. 
1673 4o. 

Troost'baziiyne ^ geblaesen ter aenmoediginge van alle he*- 
komimrde ingesetenen enz, op sekere gronden van hope , dat ze 
nogh eens uyt hare vernederinge verhooghi sullen worden, 
Amst. 1673 4o. 

Triumph-bazuyn ^ geblaesen bij gelegentheyt van de verwon- 
der licke en heer licke overwinninge onder het beleydt van 
Willem II L Amst. 1674. 

Vrede-baziiyn ^ goblaesen by gelegentheijt der aengename 
vrede tusschen den koningh van Groot Brittannien en de 
S toet en- G ener ael der vereenighde Nederl. Amst. 1674 4o. 

Practyck der Godt(feleert7ieid, Utr. 1672 3de D. 4o. 

Griethoorn's, Huijsboeck voor de twee en vijftig Zondagen 80. 

Zie Jöcher, Adelung, Bihl. d. Maats, van Ned. Letierh, T). 
III, bl. 253; F. Mnller, Blhl. van Nederl. Pamfl. No. 6548, 
6962, 6963, 7112; H. C. Rogge, Bibl. van Contrarem. en Geref. 
geschriften y bl. 179. 

ONSTEIN (^G.) vermaard teekenaar io het midden der 
XVII eeuw. Op Catal, Louis Metayei', Amst. 1799 bl. 15, 
vindt men o. a. een land en watergezigt ^ waarbij eenige boe- 
renwoningen^ fraai met de pen gearceerd (1651). 

Zie Kram m, t. a. p. bl. 1223. 

ONTIJD (C. G.) med. dr. te 's Hage, ridder der orde van 
de Nederl. Leeuw, president van de provinciale geneeskundige 
commissie, was een man van veel omvattende geleerdheid 
die zoowel builen als binnenlands een grooten roem verwierf. 
Hij stichtte door zijne menigvuldige geschriften en uitge- 
breide praktijk veel nuts, was lid van de vele geleerde ge- 
nootschappen o. a. sedert 25 Dec. 1832 van het kon. Ned. 
Instituut. 

Uij overleed 13 Jan. 1844 in den ouderdom van 68 jaren. 

Hij schreef: 

9 



Digitized by 



Google 



130 

Uiss. pkysiol. de causa ahsorptionis per vasa Lymphatica 
L. B. 1795. 

Diss. med, de mor te et varia moriendi rationa L. B. 
1797. 8o. 

De waarde der Koepok^inënting gehandhaafd tegen de Ie- 
Btrijding derzelve door A. Capadocc, Roti. 1824. 8o. 

Nieuwe bijdrage tot de waarde der Koepok^inënting , Amst. 
1818, gr. 8o. 

Belangrijke waarneming ter hevestigivg van het uitmuntend 
nut der arnica-wortel en campher ^ ter afwering en heteuge^ 
ling der plaatselijke rotting in Qeneesk, Magazijn door Sti- 
priaan Luiscius , Ontijd en Macquelijn \ 807 , I) IV , si. 3 , 
bl. 34. 

Zeven Irieven aan F, van der Breggen Cz, over de al of 
niet besmettelijkheid der Cholera , in Algem. Eonst en Let- 
terb. 1832, D II, bl. 35, 98, 147, 228, 290, 306, 373, 
386; 1833 D I, bl. 20, 35, 53, 66. 

Proeve over den tegentboordigen staat der geneeskunst in 
Nederland in VerJi, v, de eerste kl. v, h. Kon, fied. Inst, 
1838, D. VII, bl. 47. 

V&'7iandeling over de longtering in Geneesk. lHag azijn i SOS, 
D II, si. 3, bl. 1; 1804, D lïl. st. 2, bl. 1; st. 3, bl. 1; 
1809, D V, si. 2, afd. 1, bl. 63; 1815, D V, si. 3, 
bl. 104. 

Iets over het perkinisme in Qeneesk, Mag, 1801, D I, si. 
2, bl. 42. 

Froeve over den invloed der scheikunde op de werkingen 
des dierelijken lichaams in Geneesk. Mag, D 1 , si. 1 , bl. 1 , 
st. 3, bl. 1. 

Froeve over de Venusziekte in Geneesk. Mag, 1807, D IV, 
si. I, bl. 1. 

Waa^iiemivgen over de icerkitig en het nut van onderschei- 
den zurefiy en vooral van het verdund Salpeter zuur , in dege^ 
nezing der Vmmsziekte , alsmede over de wijze ^^ waarop de 
verschillende antivenerische geneesmiddelen het Venusgift te- 
gengaan en vernietige7i in N, Scheik, Bibliotheek ^ 1791, D. 
II, bl. 166. 

R. Dibbetz en C. G. On lijd. Proeve en waarnemingen 
over de Inenting der Koepokken (^cowpox vaccine^ tot heden 
in onderscheidene landen van Europa in het werk gesteld^ 
Bijeengebragt en met aanteekingen vermeerderd door genees-- 
heeren in den Haag, 's Hage 1801, 8o. 

Zie Konst en Letierh. 1844 b. I bl. 49; Procei verbaal der STstc 



Digitized by 



Google 



131 

Aigem, verg, van hel Kon. Ned. ItistW. 21, 22; van C leef f, Alph. 
Naaml, van boehen bl. 442; Holtrop, Bibl. Med, et Chir, p. 268. 

OOLEN of OLEN (Adriaan van") kunstschilder, wiens wer- 
ken weinig bekend zijn. Kramm gist dat hg een bloedver- 
want was van den kunstschilder Jan van Olen, en maakt 
gewag van een zijner schilderijen, voorstellende vechtende 
kanen en ander gevogelte, denkelijk hetzelfde met dat hetwelk 
in 1753 te 's Hage, op de kunstschilders confrerie kamer 
{Catal. No. 27) voor fS9 werd verkocht. 

Zie Kramm, t. a. p. bl. 1222. 

OONSELIUS of VAN OoNSEL (yVïiiBn) werd den 9 Aog. 
1571 te Antwerpen geboren , vertrok in zijn jeugd naar Spanje, 
en studeerde aldaar in de Philosophie. In zijn vaderland te- 
ruggekeerd , werd hij Dominikaan te Gend (19 Maart 1593}, 
legde zich te Leuven op de godgeleerdheid toe, onderwees 
haar te Antwerpen, waar hij zulks in 1613, met de waar- 
digheid van Baccalaureus bekleed, nog deed. Vervolgens ver- 
kreeg hij den graad van licentiaat te Leuven, werd onder 
prior te Maastricht, prior te Gend en te Brugge f161 7J en 
definitor zijner proviiilic. Hij overleed 3 Sept. 1630 op het 
oogenblik dat bij aan de voeten van zijn prior lag en om 
diens zegen bad. Hij verstond het Fransch, Spaansch en 
Latijn. 

Hij schreef: 

Clavis Cellarii Ditinae et humanae êapientiae^ ad concio- 
nes formandas per tolum annun omni morali doctrina in- 
structiêsimas ^ introdnctoria et aptissima. Auctor e Bnio. ƒ. 
J*. Michaele Francisciy Insulensi^ ordinis praedicatorum ^ 
Episcopo Salubriensi, a R, P. F. Chtil. Oonselio^ S, Th, 
Baccalaureo et Lectore Antverpiensi , ejusdem ordinis , ah in- 
finitis mendia restituta et tribus indicibus adornata, Antv. 
1613. 12o, opgedragen aanMichael Ophovius, toen pro- 
vinciaal der Dominicanen en later bisschop van 's Bosch. Ook 
met den titel: Aureiun mortis Cellarium seude arte moriendi^ 
Adventuale ei Quadrajesimale, Gand. 1627 12o. Oonselius 
had dit werk bij zijn broeders te Rijsscl in 1603 gevonden. 
Hij schreef het ten onregte aan Michael Franchois toe. 
Paradisus concionum , olim sermones sensati dictus , complec- 
tens omnem doclrinam praedicahilem super Epistolas et 
Euangelia totius anni; summo studio et indefessd opera ^ ah 
innumeris mendis^ taediosisque litterarum compendiis restitulus^ 
triplicigue Indice Ulustralus per R. P. GuiL Oonselium, Antv. 
1613 12. 

Consolatoriwn animae hine migrantis ^ id esty hrevis ac 



Digitized by 



Google 



132 

SHCcincéa Methodus 'cisitaudi ac consolandi aef/rolos , maxime 
circa lioram mortis^ qua ogoniza7ttes disponuntnr ad pie fide- 
literqm moriendum. Fars prior visitationeui ac comsolatio- 
neut infirmortim usque ad perceptionem Sacramenli Extroiiae 
uncliofiis inelusivè f.docet: secunda ver o pars AiUidota et 
p7'aesidia contra tentationes in articulo mortis et insultus 
Daemonum, administ^'at^ Gandavi 1617 16o. 

Pratum Jïoridissimum concionum de tempore^ editum olim 
a praestantissimo Theologo^ Uugone de Prato florido^ Ordinis 
F.F, praedicatorum: ah innumeris niendis et taediosis ahhre- 
viaHonihus restitutum; adjectis ad singulas conciones^ 
summariis , qtiibus unico intuitu concionis materia coram eX" 
hihetur. Opera ac studio R. F. F. Guilelmi Oonseliiy S, Th. 
X. Ord, Fraedicat Frioris Brugensis, Anlv. 1617. 

EncJiiridion concionatorum ex Foseto anreo F, Silvestri 
Prieratis, ord, Fraedic. etc. Anlw. 1619 12o. 

Tuha Dei, sive summa veritatis vox monitoria^ pro resle^ 
tuendd pietate,, religione, justltia collapsa^ corrigendisque prae 
sentis saeculi altisibus Gand. 1620 12. 

Syntaxis instructissima^ ad expeditam tierbi Dei fracfationem^ 
ex varüs conceptibns sacrae scripUirae ordine alphahetico con- 
cinnata. Anlv. 1622 16o. Duaci 1624 l6o. Anlv. 1627 12o. 
Ook mei den litel: 

Syntaxis moralis S. Scnpturae per R. F, Guiel. Oonse^ 
liuMy Ord. Fraed. nnnc citationihus^ elencJiis et indicihus 
illustrata a Theologis Farisiensibtis, Faris. 1665 \2o. Jt. 
a Fetro Gussanilleo ., Carnotensi^ Theologo Parisiensi, recog- 
nita^ ac editionem air ante R. P. Step Aan o Soégio^ Ord, Praed. 
Ibed. Item. 1682 12o. 

Officina sacra Bihlica locupletissima^ in duas partes 
divisa; in qua significata Litteralia. Etymologica ^ Doctrina- 
lia^ Moralia^ Mystica^ et Allegorica praecipuarum dictionum 
totins sacrae script urae ^ ardine alphahetico digesta., una cum 
exemplis kistoricis expUcanttir. Opus ad expeditam verbi Bei 
tractationem^ sacrarumque Litterarum intelligent iam^ omnilnis 
Divinar litterarum interpret ibus ^ pastoribiis^ concionatoribus 
ei confessariis immo cv jus ais facullatis studiösis^ ulile ac 
necessarium, Duaci 1624 12o. 

Ze victoire^ et Ie Triomphe de TEglise Catkolique^ Apos- 
tolique et Romaine^ vray Epouse de J. C. Avec la chute et 
la défaile de la Synagogue cahiniste et Hérétique ^ qui se 
pare fausement du titre d'^Evaugelique. In hel Vlaamsch. Gend 
1625 12o. 

Ferspectiva Christanae Nohilitatis, qua vera Imago vir- 
tutiê ac probitatis : et umbella vanitatia gloriae mundanae , 



Digitized by 



Google 



133 

in proprid forma et ad vwu>)i. perftpicitnr ^ qudruplici idiomate^ 
Latifio^ Ilispanico^ Gallico et Belgico, Antv. 1626 12o. 

Fetït livre de prières , lire des soUloques irdèrieurs avec 
Dieu, qui se trotcve?it dans VEcriture sainte. Gand, 1626 
kl. 12o. 

Hieroglyphica sacra^ id est rerim sacrarum et JDivinae 
sapientlae arcanormn sacrae notae^ ex Bacris litteris^ et ce- 
clesiae Doctorum scriptis stndiose coUectae^ ac in ordinem 
redactae et breriter explicatae, Antv. 1627 kl. 12o. 

Concionum moralium breve et succinctuni compendium: in 
quo sensus moralis et literalis Evangeliorum Dominicarum 
totiiis anni, et feriarum Quadrageslmae explicuntur, Accedunt 
Meditationes in Evangelia quatuor an?ii temporum, Duaci 
1680 12o. 

In hands. 

Sermones de tempore et sanctis. 

Ook had hij voor de pers gereed gemaakt een verhande- 
liub' van Joh. de Tambaco, of de Dambach, getiteld: 

de consolatione TJieologiae, 

Zie d e J o n K h e, i>. 84— 8G ; E c h a r d cu Q u e t i f, T. I, p. 551, 
667, 668, T. II, p. 7—9; Val. Aodrcas, Bihl, Belg, p. ; Fop- 
pens, BihLBelg T. I p. 418; Paquot Mém. T. TI, p. 886; J ö- 
chcr, Adelong. 

OORÜT ("Gabriel van) zoon van Hendrik van Oordt 
en van Wilhelmina Charante, werd 24 September 1757 
te Rotterdam geboren, van waar hij zich, na zich in de klas- 
sische talen en onder G. J. Nahuys, in de wiskunde en in 
hel hebreeuwsch geoefend te hebben, naar Leyden vertrok. 
Na zeven jaren lang hier gestudeerd te hebben, begaf hij zich 
vervolgens nog voor twee jaren naar Utrecht, om de wijsgee- 
rige lessen van Ileunert en Rossijn en de godgeleerde 
van Bonnet bij te wonen. Den 1 Jnnij 1784 proponent 
geworden, werd hij in de volgende maand te Oestgeest be- 
roepen, bedankte voor de collatie van Loenen op de Yeluwe 
en voor het beroep naar Zeist, maar nam in 1787 dat naar 
Vlissingen aan. Hier werd zijn dienst door de toenmaals 
heerschende politieke twisten zeer bemoeijelijkt, doch zijne 
gematigdheid en zachtmoedigheid deden zijn Evangeliepredi- 
king nottig blijven tot dat hij in April 1780 naar Haarlem 
vertrok. In 1795 bood Willem Y hem het professoraat Ie 
Haarlem aan, dat hij echter van de hand wees. Weldra werd 
hij meer van nabij in de staatkundige gebeurtenissen betrok- 
ken en tengevolge der omwenteling, als prinsgezinde van zijne 
dienst ontslagen. Spoedig werd hij echter in zijn ambt her- 
steld en kort daarna (1798) te Middelburg beroepen, voor 



Digitized by 



Google 



134 

welk beroep hy echter bedankte. In 1804 werd hij gelijktij- 
dig tot hoogleeraar en predikant te Utrecht beroepen en den 
11 October van dat jaar aanvaardde hij het professoraat met 
eene oratio de juvenibus ad christianum sacerdodtm foTTium- 
dis, doctoris religionis Ckristianae academci officio ^ cum 
praecipuo , tum graimssimo et praestantlssinio. Zijn collegien 
strekten zich uit tot de dogmatiek, exegese, symboliek, pas- 
torale, katechische en homilitische wetenschappen. Hij vierde 
de herstelling der Stichtste hoogeschool met eene leerrede 
over 1 Koning. Ylll: 56, 57 en 58. Na de toenmaals nieuw 
gegeven wel op het hooger onderwijs werd hem dat in de 
naturaal en moraal opgedragen. Zijne gezondheid was intus- 
^chen verzwakt en hij zag zich dien ten gevolge in 1823 ge- 
noodzaakt zijn emeritaat te vragen. Wel had hij hierdoor 
van den openbaren leerstoel , maar geenszins van een werk- 
zaam leven afstand gedaan. Waar hij kon , ondersteunde hy 
alles, wat goed en nuttig was, vooral ook het zendeling- en 
bijbelgenootschap, onder welker opri^lers hij behoorde. Hij 
bragt de laatste zomers van zijn leven op zijn landgoed 
Leuvenum onder Krmelo door, gaf daar godsdienstig onderwijs en 
hielp een school stichten. Hij huwde (1) nael H. M. Vosmaer, 
weduwe van J. J. Mom ma en (2^ in 1821 met jonkvrouwe 
A. G. J. Bosch van Bunschoten, die hem in 1828 ont- 
viel. Hij zelf overleed te Rotterdam 16 Nov. 1836. Zijn por- 
tret is door Wonder geschilderd. Schriften heeft hij niet 
uitgegeven, voor zoover ons' bekend is, doch als student in 
de godgeleerdheid vertaalde hij uit het Fransch van C o- 
chius: Onderzoek van de vraag of alle opvolging een begin 
moet insluiten^ opgenomen in het IVde deel der Üitgelezene 
verhandelingen over de wijshcgcnrte en fraaije letteren van 
zyn overtreifeiyken leermeesicr Joh. Fred. Hennert, die 
in de voorrede van dit deel (LI. \2) eene uitstekende getui- 
genis van zijn leerling aHegl. 

Zie Heringa, de auditorio. p. 69, 158, 200; Ki'.nsi, en Letterh. 
1837 bl. 212, 227, 243; Z. W. van Oordt, leis aangaande wijlen 
denrustenden hoogleeraar G. vvn Oordt, in het lijdschr. Waarheid en 
liefde voor 1837 D. IlI bl. 637, verv. H. M. C. van O os ter zee; 
het beeld aan J, F. van Oordt Jwnn, ia de aanteeken, bl. 27 ver?., 
H. Bonman, Mcmoria J. Clarissii p. 53, 66; K i s t en R o y- 
aards, Archief voor kerhel. gesch, D. IX bl. 500 ; Sepp. Proeve van 
Pragm, Oesch, der Theol. bl. 94; Glasius, Godgel. NederL o. h. w. 

OORDT. fJoAN Frederik van) zoon van Joan Willem 
van Oordt en Maria Louise Gobius, den 20 Nov. 1794 
te Rotterdam, waar zijn vader koophandel dreef, geboren. 
Na het onderwijs van den rector Joan Adam Nodell ge- 
noten te hebben, bezocht hij de Utrechtsche hoogeschool, 
waar hij zich onder zijn oom Gabriel van Oordt en N. 



Digitized by 



Google 



135 

C. de Fromery ia de godgeleerdheid oefende. Hij oefende 
zich ook in verschillende andere vakken van wetenschap en 
letteren en was veel aan den hoogleeraar Adam Simons, maar 
vooral aan van Heusde verpligt. Den 3den April 1821 
verdedigde hij zijne dissertatie de Religione ChrisUa?ia, ad 
consunctionis eé Societatis studia alenda et promovenda^ cum 
aptissima^ turn efficaciasima, (Traj. ad Rhen. 1821). Reeds 
voor hij haar verdedigde, was hij predikant geworden COct. 
1819) te Nederlangbroek. Vandaar werd hij in Sept. 1824 
naar Alkmaar beroepen, waar hij slechts één jaar vertoefde. 
Den 26 Oct. 1823 predikant te Utrecht geworden, was hij 
4n die academiestad regt op zijne plaats, zoodat hij in 1825 
voor een beroep naar zijne vaderstad bedankte. Alen achtte te 
Utrecht, behalve zijne prediking en zijnen omgang, ook zijne 
wetenschappelijke ontwikkeling hoog. H\j werd er tot curator 
van het gymnasium benoemd, en in 1827 wenschte men hem 
reeds als buitengewoon hoogleeraar in de godgeleerdheid te 
zien optreden. Dezen wensch volgde hij niet op,maar den 20Febr. 

1829 aanvaardde hij de betrekking van gewoon hoogleeraar 
in dat vak te Groningen, hel houden eener redevoering de Elo- 
quenUae sac7'ae natura, Gron. 1832 en in de Annales Acad. Gron. 
1828 — 1829. Van ware welsprekendheid getuigt zijne leerrede in 

1830 gehouden over Godsvrucht als de bron van waren helden- 
moed, (^naar Psalm LX: 14a, opgenomen in ^^ Leerredenen der 
gezamenlijke academiepredikers') waardoor hij anderen, bij- 
zonder de akademische jongelingschap, aanvuurde, om mede te 
werken tot verdediging des vaderlands, dat hij vurig lief had. 
En om aan zijn woord kracht bij te zetten door zijn eigen 
voorbeeld, trok hij, gelijk ook zijn ambtgenoot W. Vrolik 
zelf mede uit als luitenant bij de flankeurs-kompagnie , hij , 
die ook vroeger reeds als student, in 1815 desgelijks zijn 
vaderland gediend had. Van zijne ware vaderlandsliefde ge- 
tuigt ook zijne redevoering, bij het nederleggen van 't rec- 
toriaat, 9 Oct. 1834, gehouden de Religione chriatiana in 
patria nostra vi sua salutari nunquam destituta, (Gron, 1839 
in het UoU. door G. W. Sanne s, Gron. 1869) Den 11 Dec. 
1839 aanvaardde hij het hoogleeraarsambt te Leyden met eene 
redevoering de ver o in theologia unice sectando, (_L. B. 
1840}. Met de opleiding zijner kweekelingen ging van 
Oordl te Leyden voort te doen wat hij te Groningen ge- 
daan had, maar hij voegde er bij hel onderwijs in de theo- 
logische encyclopedie, om den geheelen omvang, den aard 
en het doel der vorming van theologen regt te doen kennen 
en waarderen. Welk een geest hem daarbij bezielde en welk 
het ideaal was, dat. hij zelf steeds voor oogen hield, dat heeft 
hij nog in zijne laatste rectorale oratie, 8 Pebr. 1842 ge- 
houden, openlijk kenbaar gemaakt, toen hij het volmaakte 
beeld des opvoeders, in Jezus Christus te aanschouwen , heer- 



Digitized by 



Google 



136 

lijk Iieefl geschilderd. {^Oratio de perfecta imtituloris specce 
in Jesu Christo conspicud). (L.B. 1842, gedeeltelijk vertaald 
onder den titel: Jezus Christus het volmaakte beeld van een 
opvoeder iii het Nederl, Tijds, voor onderwijs en opvoedinff, 
1ste jaarg. Gron 1844). Verlustigde hij zich gaarne in wer- 
ken van smaak, in zijne moedertaal, in het Hoogduitsch, 
Fransch en Engelsch geschreven,* zijne verhandeling (in Va^ 
derl. Letter oeff, 1866 Mengelw, bl. 309 volgg.) over de veel 
gelezene romans van Eugène Sue kan getuigen, hoe hij 
ook daarbij zijn oordeel rigtte, en aller oordeel wilde gerigt 
hebben naar hetgeen waarlijk schoon, edel en goed is, naar 
het hoogste doel der menschheid. Zijne verzen, die hij meer- 
malen bij voorkomende gelegenheden voortbragt, waren van 
gemakkelijken , schilderachligen en levendigen stijl, en wat 
men ook in den stijl zijner leerredenen minder moge goed- 
keuren, levendigheid van schildering en voorstelling en warmte 
van gevoel zal wel niemand daarin kunnen miskennen. Verre 
de meeste zijner geschriften zijn te vinden in het Godgeleerde 
Tijdschrift Waarheid in Liefde^ waarvan hij mede redacteur 
was van den aanvang af in 1837 en een der ijverigste me- 
dearbeiders gebleven is tot zijn dood 11 Dec. 1852. Sedert 
1827 was hij lid der Maats, van Nederl. Letterk. te Leyden. 
Hij huwde Henriette Jacoba Bakker, dochter van 
de Groninger hoogleeraar G. Bakker, die den 27 Nov. 1851 
aan hem en zijn eenigen zoon door den dood ontrukt werd. 

Behalve de vermelde geschriften heeft men nog van hem: 

Gedenkboek of verzameling van stukken betrekkelijk de veld* 
togt der studenten van Groningen en Franeker enz, Gron. 1832. 

Be geestgesteldheid van Sim£on die van den stervenden 
Christen. Utr. 1833. 

Hen werkdadig en weldadig leven in verband met den dood. 
Leerrede over Hand, 7X, vs, 36b en 37a, gehouden na het 
overlijden van de Koningin der Nederlanden. Gron. 1837. 

Het kruis van Christus, Achttal leerredenen. Leid. 1843. 

Be voortgang der christelijke gemeente tot volkomenheid^ 
een beginsel des christendoms .^ over Epeh. IV: XZ^inde Maand* 
Leerred, (Arnhem) 1849 no. 11. 

Nagelatene Leerredenen, 's Hertogenbosch 1853. 

Nog een woord over de zoogenaamde Groninger school. Rolt. 
1843 (naamloos}. 

Ben woord naar aanleiding van de beschouwingen en be^ 
oordeelhujen der zoogenaamde Groninger school in kerkel. cour, 
1851 en afzonderlijk, 's Herlogenb. 1851., 

Buiten hetgeen hij geleverd heeft in de Over zig ten over 
Godgeleerde Letterkunde komen van hem in Waarheid en 
Mefde voor: 



Digitized by 



Google 



137 

Beoordeeling van J, H. Scholten^ dlsquUitio de Dei amore 
1837. I. 

f if N, C, Kist, oratio de inckoata 7iecdum 

perfecta Sacrorum emend, en van C. UU- 
mann^ Jezus de volmaakte tnenscTi, 1838. 1. 

/r r NeandeTy gesch. d, Ffiamung 1842. II. 

9 u G, J, Stemler en S. K, Thoden van Vel- 

sen^ over de voortdurende werking des H, 
Geestes, 1845 III. 

» if J, F, van der Ham^ Dissert, de V, el 

N, T. secundum Epistb. ad Ilehr, 1845 I. 

# # /. Smithy the voijage and shiptoreck of 

8L PauL 1851 II. 

# if van Belly Bisser l de patefactionis Chr, 

indole. 1851 II. 

Verhandelng 1837. Het verband lusseken vergeving van 

zonden en de heiliging der menschen. 
Iets aangaande wijlen den rustenden 

hoogleeraar G. va?i Oordl. 
In hoeverre is volgens Paulus^ helgeen 

in vóór christelijke tijden, ook bij de 

Heidenen bestond enz. 

1838. If'at is openbaring van God in Jezus 
Christus^ volgens de JSvang. schriften. 
De Thuggs. 

1839. Gedachten over 1 Joh. I: 9. 

Iets over de zedeleer en haar beginsel. 
Over de leer van Jezus en de Apos- 
telen in betrekking tol de openbaring 
in Christus gegeven. 

1840. De verlossing door Christus. 
Faulus en Jo hannes begrip van hel 

christelijk leven. 

1841. Faulus denkbeelden over doodopstan^ 
ding en gerigt. 

1842. Stephanus de voorlooper van Faulus. 
1844. De bronnen , waaruit Faulus voor 

zich zelven het christendom heeft 
leeren kennen. 
De droogmaking van het Haarlemmer- 
meer. 

1846. Iets met betrekking tot de Duitsch" 
Katholieke beweging. 
Verzoening der zonden, volgens het O. T, 



Digitized by 



Google 



138 

1848. Faulus in betrekking tot de andere 
Apostelen, 

1850. Rei ware communisme. 

1851. Catechisatie uit den ouden Tijd, 

GedacJiten over 1 Joh, v: 6. 

In Evangeliespiegel, 

voor 1850. De Godvrtichtige y een zegen voor de 
wereld. 

„ 1851. Be bekeering, 

„ 1852. Be christelijke broederliefde. 

„ 1853. Be bekoorlijkheid der broederliefde en 
de duurzaamheid van deze. 

Brief aan den Hoogleeraar W, A, van Hengel over een 
gedeelte der lijdensgeschiedenis. Leid. 1847. 

Jezus Verrijzenis (gedicht) in Christ. Allum voor 1848. 
Het vonnis der Arrondissements Regtbank te Lelden, 
Leid. 1849. 

Zit zijne leverschets door L. G. Par eau, in Handel, d. Jaarl. 
Algem, f^erg . d. Maatsch. v. Letierk. 1853. Dez. Een woord over J. 
F, van Oordt in Waarheid en Liefde voor 1853 Ij J. H. M. C. van 
Oosterzee. Iets (er kerrinnering aan J. F. van Oordt in de Evan- 
gelie- spiegel voor 1853 bl. 22 verv. Dez. Het beeld van J. H. van 
Oordt geschetst 1853, Glassius, Godgel. Nederl. o. h. w.; IFoor- 
den bij het graf van J. F. van Oordt Jz. door N. C. Kist. Leiden 
19.'>2; Sepp. Proeve eene Fragm. Gesch. der Theol. in Nederland, bl. 
139, 141. 143—147 vlg. 172, 1S8 vig. 195, 200, 211, 213, 217 vlg. 
220, 239 vlg. 247, 282 vlg. 2S7 ; JFaarheid en Liefde 1837 III bl. 
603, 1838 IV bl. 850, 1841 JU bl. 650, 1843 IV bl. 849, 1814 IV 
bl. 844. 

OORT (F. vam) Abcoude vermeldt van hem : 

Fr edetoorts op rotsoort. 1713 4o. 
Geboorte Toorts, 1714 4o. 
Huwelijks Toorts. 1720 4o. 
Gedichten, üytrecht, 1713 4o. 

Hij verwart hem met J. van Oorl en schrijft hem ook toe 
de Ontlooken Boos en Stuarts ongelukkige heerschappij, 1650 
12o. toe. 

Zie Naamr, bl. 269. 

OORT (_Mr. Jacob van) een beroemd organist en fluitspeler 
te Amsterdam, tijdgenoot en kunstvriend van P. C. Hooft. 
Hij bespeelde de klokken op de beurstoren aldaar. Zijn klok- 
kenspel en behandeling van zijn ivoren fluit worden geprezen 
in een gedicht van J. D ui la er t. 



Digitized by 



Google 



139 

Zie Bhemkrans van versck. Gedichten 165U bl, 533; Koning, 
Slot te Muiden bl. 133. 

OORT (Jacob van) tijdgenoot van den vorige, leefde Ie Bom- 
mei en was bevriend met de voornaamste dichters van zijn tijd, 
die zijne werkjes met hunne gedichten gelijk hij den hunne, 
versierde. Wij bezitten van hem: 

Stuarts ongeluckige Heerschappye ^ ofte kort verhael van 
alle d'ongelucken en rampzcdig heden het Boorluchtigh Huys 
van Stuart overkomen sints Robbert eiseerste uyi desen Huyse^ 
koningh van Schotlandt^ de Schotse Heersohappije is opge- 
dragen^ tot de dool van Karel d' eerste koningh van Enge- 
landt ^ Schotlandt en Yerlandt^ etc. Vit verscheyden Tijdt- 
beschrijvers bij een vergadert^ en met kopere platen verder t, 
Dordr. 1649 12o met verzen van S. van Hoogstraten, 
H. Hoet, K. en A. van Nis pen. 

Ontllokene Roose^ Bloeijende distelbloem en Hersnaerde Harp. 
door deze Alder-doorluchtighsten Forst en Prins ^ Karet 
' Stuart den II koningh van Groot Britanje^ Vrankrijk en 
lerlandt etc. Beschermer des Geloof s , ofte kort verhaal van 
alle de gedenkwaardigste beroerten y in de koninkrijken van 
Engelandty Schotlandt en lerlaudt, voorgevallen sints het 
jaer 1640 tot desen d.igh, Dordrecht, 1661 met pi. 12o met 
verzen van L. v. Bos, S. v. II o o g s l r a t e n , VY. v. B I e ij e n- 
bergh, H. Hoet, P. van Belle, J. T. Groene n berg h. 

Griek sen Adelaar ^ genuijkt door 7 geioelt der Bloedtdor- 
stige Ottomannen , ofte Een kort verhael van alle de gedenk- 
weerdigste geschiedenissen der Grleksche haisers; sints dat 
het Roomse Ryjk^ door Karêl de grootCy Koningh va7i Vrank- 
rijk afgescheijden is van het Grieks kaiserdom; tot c?' inne- 
minge der stadt Constantinopolen ^ onder H beley van Ma- 
homet de tweede^ Dordrecht 1655, 13 met pi. en verzen van 
H. Hoet, J. en Adr. van Someren en Adr. van Nis- 
pen. 

Hij beoefende ook de poëzy. 

Men vindt behalve een menigte gedichten van hem , voor 
de werken zijner tijdgenooten vermeld. 

Geestelijke Hermus. 

Spoedige weg na den Hemel 12o. 

Herstelde Majesteijt 12o. 

Zie Heringa, Naaml, van dichters bl. 68 ; Schotel ///. School 
bl. 100, 101; Abcoude, Aanh. bl. 152. 

OORT (K. van) liet in 1713 te Utrecht drukken: Vredeloos 
en andere gedichten. 

Zie van der Aa, N, B, A. C. ÏToordenb. o. h. w. 

OORT (Willem van) vervaardigde een Klinkdicht voor de 
Ontlookene Roose enz. van Mr. Jacob vau Oort. 



Digitized by 



Google 



140 

OORT (^M. van) dichter uit het laatst der 18e eeuw: Men 
heeft van hem: 

Welkomsé-Groete aan mijne Ouders, vriendenen bekenden^ 
hij mijne komst te Arnhem^ 20 van Herfstmaand 1792. 

Ter naged. van H. Hooft Dm. Oud-Burgemeefster der 
stad Amsterdam, 

Zie CaU d. Maats, van Ned. Letterk. D. I. bl. 297. 
OORT (^Adam van) zie NOORT (Adam van). 

OORT (Hendrik van) in 1776 te Utrecht geboren, kon met 
het schilderen van kleine landschappan met stoffagie of buurt- 
gezigten, geen genoegzaam bestaan vinden, zoodat de heer 
Kramm hem met zijn zoon Pie ter jaren lang bezig hield 
met het schilderen van decoralien voor den schouwburg^ te 
Utrecht, die Kramm, van den bouw van dien schouwburg 
af (1820) tot 1840 in hel klein vervaardigde, en onder zijn 
leiding door hem in het groot liet uitvoeren. Na dien tijd 
werd hij teekenaar van 's rijks Veeartsenijschool, vvelke be- 
trekking hij tot zijn dood waarnam. Hij overleed te Utrecht 
17 Febr. 1847. 

Zie Immer zeel, t. a. p. bl. 278; K r a m m , t. a. p. bl. 1222 
OORT (Lambert van) zie NOORT (Lambertüs van) 

OORT (PiETER van) zoon van Hendrik van Oort,werd 
10 Oct. 1804 te Utrecht geboren. Q) Hij legde de gronden 
der teeken- en schilderkunst onder zijn vader, en bekwaamde 
er zich verder in door de lessen van zijne kunstbroeders en 
in de collegien vlijtig waar te nemen. Het verlangen om door 
zijne bekwaamheden een meer zeker bestaan te erlangen , 
deed hem besluiten om als kunstenaar met eene natuurkun- 
dige commissie van 's ryks wege naar O. I. te gaan. Hij 
werd daarbij als teekenaar aangesteld en verliet in 1824! het 
vaderland. Groot en gevaarlijk waren de logten door de we- 
tenschappelijke reizigers ondernomen naar Timor, Amboina en 
Nieuw Guinea, maar jeugd, gezondheid en kracht bleven van 
Oort beveiligen. Toen de administrateur der commissie van 
Raalten overleden was, werd die betrekking aan van 
Oort opgedragen. Als zoodanig, terwijl hij tevens teekenaar 
bleef, kwam hij in den aanvang van 1834 met de kommissie 
op Sumatra. Als een blijk van zijnen warmen ijver niet al- 
leen maar ook van zijne erkende kunde, werd hem op deze 



(1) Volgens Kramm en andcreu werd bij te Harderwijk geboren eu 
te Utrecht opgevoed. 



Digitized by 



Google 



141 

reis nof? ccn allerbelangrijkst wetenschappelijk orderzoek op- 
firedragen, hoewel vreemd aan zijn eigenllijk hoofdvak. Doch 
hij mogl de nasporingeu niet ten einde brengen ; een ligle 
ongesteldheid tastte hem in de binnenlanden aan, deze onl* 
aarde weldra in een hevige galkoorts en den 25 September 
1834 overleed hij te Pndang, zonder dat de aangewende 
hulpmiddelen in staat waren het leven te redden van een man, 
die boTenmalig werkzaam en nuttig was in zijnen kring, of- 
schoon hij den vollen ouderdom van 30 jaren niet had bereikt. 
In hem leed de natuurkundi<re commissie, maar vooral ook zijn 
vader een groot verlies. De natuurkundige commissie gaf haar 
leedgevoel lucht door de volgende woorden, geplaatst in de 
Jarasclie Courant van den 25 Oct. 1834. 

„De natuurkundige kommissie heeft dezer dagen aan het 
eiland Sumatra een rouw-offer gebragt, waardoor hare naspo- 
ringen in deze gewesten, zich reeds zoo menigvuldig en 
smartelijk hebben gekenmerkt, 

Den 24 September 1834, eene maand welke reeds drie 
malen voor haar noodlottig was (^Kiehl, van Hasselt en 
Boije), heeft zij ter aarde besteld het stoffelijk overblijfsel 
van een harer ijverigste medeleden, den heer Piet er van 
Oort, welke te Padang is overleden, na eene ziekte van 
slechts weinige dagen, aan de gevolgen eenei^ kwaadaardige 
koorts welke hem in de binnenlanden aldaar had aangetast. 

Begaafd met eene inborst, die bij allen die hem kenden 
werd op prijs gesteld, inzonderheid bij hen, wien hij gedu- 
rende acht jaren op afmattende reistoglen had vergezeld, en 
met wien hij den moeijelijksten arbeid had gedeeld, zonder 
zich een oogenblik slechts door eene zwakke gezondheid te 
laten ontmoedigen, paarde de heer van Oort bij de kundig- 
heden welke hem den rang van teekenaar bij de kommissie 
deden erlangen, eene verbeeldingskracht even vlug als verhe- 
ven en de schoonste hoedanigheden van verstand en hart. 

De dagen van enzen ongelukkigen mede-arbeiders schenen 
geteld; te vergeefs was bij de hoop en steun van eenen lief- 
derijken reeds grijzen vader; te vergeefs was lïij het sieraad 
van onzen vriendschapsband ; te vergeefs beloofde hij nieu- 
wen roem aan de wetenschappen en aan zijn vaderland ! In 
den bloei zijner jaren werd hij weggerukt 1 Zijn uur had ge- 
slagen. 

Namens de leden der natuurkundige commissie. 

Eet dirigerend lid 
P. Diard". 

Yan zijn kunst komt weinig voor. In het archief te Utrecht 
is van zijne hand eene afbeelding van den voorgevel van 
het oude stadhuis te Utrecht, in 1824 gesloopt. Bij wijlen 



Digitized by 



Google 



142 

den kunstliefhebber en teckenaar W. A. Haanebrink be- 
rustte eene schilderij van zijne hand, voorstellende een gezigt 
in den Trans van den Dom aan den kant van het Auditorium 
p^estoffeerd met een rustend vrouwtje en een wandelende heer. 
Eene leekening in kleuren, voorstellende een gezigt in ge- 
melden trans, is in bezit van den heer Kramm. 

Zie Kunst en Leiterh. 1835 D. bl, 65; lm m e r z eel , t. a. p. bl. 
278; Kramm, t. a. p. bl. 1222; Woordenb. d. Zamenlev» Kolm 
en de R i v e c o u r t. Fart. herigt, 

OORT (Henricus) in 1778 geboren, werd in 1799 te EIoo- 
geveen, in 1802 te Zwolle, in 1806 te Rotterdam ols predikant be- 
roepen. Kort nadat hij, den 29Nov. 1846 zijn veertigjarige dienst 
aldaar gevierd had , werd hij tot ridder van den Ned. Leeuw 
benoemd. Den 22 April 1849 wijdde hij, als oudste leeraar, 
de nieuw gebouwde Zuiderkerk in met eene leerrede over 
Ezra VI: 16, en overleed den 14 Julij van dat jaar in den 
ouderdom van 71 jaren. Zijn ambtgenoot P. W. van den 
Broek deed bij bet graf in eene gepaste aanspraak hulde 
aan zijne verdiensten. Gelrouw en ijverig Evangelie-dienaar, 
als hij was, bleef hij onvermoeid werkzaam tot opbouwing 
en uitbreiding, van het rijk der waarheid. Dit ondervond niet 
alleen het klassikaal bestuur van . Rotterdam , maar ook het 
provinciaal kerkbestuur van Zuidholland en de synode, toen 
hij in 1838 tot deze werd afgevaardigd. Het zendelingsge- 
nootschap en andere wetenschappelijke vereenigingen hadden 
in hem een ijverig lid , en sommige redevoeringen en aanspra- 
ken door hem bij deze in het zendelinggenootschap uitgespro- 
ken, zien het licht. 

Zijn welgelijkende afbeelding, door II. W. Gaspari ge- 
tceken^, en door J. W. Gaspari gegraveerd zag 1808 in 
8o. met een achtregelig bijschrift het licht. 

Zie Glasius, Godgel, Nederl. o. h. w. ; van Harderwijk, 
Naaml. en levenslij zon der h. der predikk. te Rotterdam bl. 109, 110; 
Boekz. d. Gel. Wereld 1849. bl. 221. 

OORT (Frans van) kunstschilder te Brugge, overleed in 
1625 in de bloei zijns levens. 

Zie Immer ze el, t, a. p. bl. 279. 

OORT (^Jacob van^ de oude^ broeder van den vorige werd 
te Brugge omtrent 1609 geboren. Den 19 Jan 1619 werd 
hij als leerling van zijn broeder Frans in het register der 
schilders aldaar ingeschreven, in 1621 werd hij meester. Hij 
reisde vervolgens naar Italiè en koos zich Hannibal Ga- 
racho tol model, dien hij in weinige jaren zoo volkomen 



Digitized by 



Google 



143 

wist na te volgen dat zijn kunstwerk voor dal van zijn Ila- 
liaanschen meester doorging. 

In 1630 te Brugge w^edergekeerd , schilderde hij historie, 
altaarstukken en portretten, die hem roem verwierven. In 
1633 werd hij hoofdman van hel schildergild , g^enool alge- 
meene achting en stierf in 1671. Zijne werken zijn zeer tal- 
rijk, de laatste waren de beste eene ylfneming van het kruis^ 
in de Jesuitenkerk te Brugge, is een zijner meesterstukken 
onder de 9 schilderijen van zijn penseel in de Abdij van St. 
ïwugen, waar zijn dochter geestelijke was, verdient vooral 
opmerking de uitstorting van den Heiligen Geest dat, volgens 
Immerzeel voor perspeclief en architectuur aan de vol- 
maaktheid grenst, en waarop Oort zich zelven heeft afge- 
maaid in de gedaante van een der Apostels, en zijn zoon 
onder die van een jongeling , welke een gordijn aan den 
ingang des tempels opligt. De lijst zijner werken vindt men 
bij Dercamps. Zijn portret komt voor in de Galine des 
peintres par Chahert etc. door Hes se litto in fol. 

Zie D i r e a m p s , Fres des Peinires T. IT, p. 54 suiv. ; Immer- 
zeel t. a. p. bl. 279; Kramm, t. a. p. bl. 1223. 

OORT TJacob van") de jonge zoon en leerling van den vo- 
rige, te Brugge geboren, reisde naar Parijs, waar hij zich 
twee jaren ophield en vervolgens naar Rome. Van daar keerde 
hij naar Brugge terug, waar het hem aan geen aanmoediging 
ontbrak, doch hij verkoos Parijs tot zijn verblijf. Bij gele- 
genheid dat hij zijne kunstvrienden te Rijssel bezocht werd 
hij aangezocht eenige portretten te vervaardigen, hetgeen 
hem bewoog hier zijn verblijf te nemen, waar hij ook met- 
Maria Bougiers een huwelijk aanging. Een veertig jaren 
bleef hij in die plaats, welke hij slechts wilde doortrekken , 
wonen en overleed er den 29 December 1713 in den ouder- 
dom van 76 jaren en werd in de kerk der Dominikanen be- 
graven. Van Oort schilderde in den smaak van zijn vader 
maar vetter in de verw en met flinker penseltoets. Ook in 
zijn draperi in breederen stijl. Zijne compositien zyn minder 
rijk dan oordeelkundig , zijne figuren zijn goed geteekend en 
vol uitdrukking, ook is zijn koloriet uitmuntend en sweerl 
naar dat van Anlhonie van Dijck. Men vindt zijn meeste 
werken te Brussel o.a. de dood der H. Maagd; Jezus Chris- 
tus over den dood en den tijd zegepralende i de heJceering van 
St, Hubertus en eene Aanlidding in de kerk St. Sauverne 
te Brugge. Zijn portret door Fouquet vindt men bij Des- 
caraps. 

Zie Immerzeel, t. a. p. Kramm, t. a. p. 
OOSTEN (A. van) Jr. gaf in hel licht: 



Digitized by 



Google 



144 

Be verleiding der jeiigd^ of de deugdzame ouders^ tnsp, 1 SOI . 

Het berouw , tr^ip. zijnde een vertoJg op Bomeco en Julia , 
fnsp. n. h, Hgd, tan Weise^ door P. J. Uijlenhroek, Aid. 
1803 2 si. 8o. 

Zie Cat. d. Maais. v. NederL Letter k. 1). 1, bl. 162. 

OOSTEN f J. van") schilderde kleine landschapjes in den 
slijl van Jan Breughel, volgens Kramm zijn zij aange- 
naam en geestig gepenseeld en worden soms op openbare 
verkoopingen voor BreughePs geveild. 

Zie Kramm, t. a. p. bl. 1223. 

OOSTEN (Henr. van) bloemist en enlenier Ie Leyden in 
de eerste helft der XVIe eeuw. Zijn voornaamste werk is: 

^Nederlandse Hof 1726, 1728. Floriaas warande. Leyd., 1 735 
3de dr. De Nederl. Hoff, waarin geleerd word hoe men aller- 
hande bloemen zal znaijen^ planten en voorthceeken enz. Rott. 
1749 8o. 5e druk. l)e Nederlandsche Hof beplant met bloe- 
men^ Ooft en dravgertjcn Roti. 1754 6e dr. 1792 7 dr. pi. 

In Pritzels Thesaurus Botanicus vindt men Iloogduitsche, 
Engelsche en Fransche overzettingen van dit werkje vermeld. 

Register der voornaamste vrugten. Leid. 1703 8o. 

Zie Abcoude, Naamr. LI. 269, Aanh. bl. 117; Arrenberg, 
Naamr, bl. 389, Navors, ,1855 bl. 167; Bibh Bulim. No. 6087. 
6799, 29637. 

OOSTEN DE BRUIJN (Gerrit Willem van) zie Bruijn 
f Gerrit Willem van Oosten de) 

OORTNAN (J. G.) bekwaam kunslgraveur, die waarschijn- 
lijk in den aanvang der XIX eeuw bloeide. Mogelijk is hij 
dezelfde mei JanOortman, te Weesp, vader van Joa- 
chim Jan Oortman (die volgt.") 

Zie Kramm t. a. p. bl. 1222, 1223; Nieuwenbnis, JFoordenb. 

OORTMAN (Jan) was eerst Bguursnijder in een katoen- 
fabriek Ie Weesp, doch het verval der fabrieken vooruil- 
ziende, legde hij zich op de houtsneekunst voor de boek- 
drukpers mei de borst toe, en begaf zich in 1781 weder 
naar Amsterdam, zijne geboorteplaats, om aldaar die kunst 
met meer voordeel uit ie oefenen. Zijne verdiensten als hout- 
snee-graveur blijkt onder andere uil verscheidene prenten, 
door hem ten dienste van de Maatschappij tol Nut van U Al- 
gemeen vervaardigd, alsmede eemge fraaije vignetten. In 1817 
werd hij voor proeven van houtsneden door de Nederlandsche 



Digitized by 



Google 



Hó 

Huishoudelijke Maatschappij niet eene premie van 6 dukaten 
beloond. Hij overleed te Amsterdam den 5 Mei 1823, in 
den ouderdom van bijna 70 jaren. 

Zie Konst' en Letterh. 1823, I) I, bU 306. 

OORTMAN (JoACHW Jan} werd 23 Mei 1777 te Weesp 
geboren. Zijn vader zich ter woon naar Amsterdam be- 
geven hebbende, bestelde zijn zoon, bij wien hij een bijzon- 
deren aanleg voor de graveurkunst ontdekte, bij den graveur 
W. Koek aldaar, bij wien hij drie jaren bleef, toen deze 
Amsterdam verliet. De jonge Oortman oefende zich nu in 
het huis zijns vaders in de teekenkunst en vervaardigde slechts 
nu en dan een gering plaatje in Roomsche kerkboeken tot 
dat hij eindelijk in dienst raakte bij den beroemden C. H. H o d g e s. 
Deze wist zijn aanleg op prijs te stellen: de ruime belooning 
. voor zijn arbeid betoond door behulpzaam te zijn bij het ver- 
vaardigen van verscheidene toen onder handen zijnde platen 
in zwarte kunst , moedigde onzen jongen kunstenaar zóó aan, dat 
hij voortaan geheel voor zijn vak leefde, en zoo wel als 
lid van stads teekenakademie en van de Maatschappij Felix 
Meritis, als door medeoprigter te worden van de teekenkun- 
dige maatschappij onder de spreuk: Kunst zij ons doel, de 
uitbreiding der kunst met alle vermogen hielp bevorderen. 

Onderlusschen hadden de tijdsomstandigheden invloed op de 
ondernemingen van Hodges, en hoewel deze daardoor min- 
der gelegenheid had om aan Oortman genoegzaam werk te 
verschaffen dan hij zelf wenschte, betoonde hij zich een op- 
regt vriend voor zijn leerling. Hij beval hem den kunst- 
plaatsnijder C 1 a e s s e n s , bij diens vertrek naar Parijs , als 
een gewilligcn en bekwamen helper aan. Dientengevolge ver- 
trok Oortman met Glaessens in 1802 derwaarts en ar- 
beidde daar met en voor zijn meester ruim vijf jaren, binnen 
welke, behalve eigen studie, diens uitnemend onderwijs zijn 
kunsttalent dermate voltooide, dat hij met vasten voet zijn 
eigen loopbaan als kunstenaar kon intreden. 

Nu begon hij aan dat groot aantal platen, waarmede hij 
de verzameling van het museum, door Ti lbo I uitgegeven, 
verrijkt heeft, die hoewel klein van formaat meerendeels 
ware knntsgewrochten heeten mogen, ten minste men erkent 
algemeen dat zij ten bewijs strekken dat vóór hem , niemand bij de 
navolging van Eembrandt, Dou, Ostade, tot welke hij 
zich meestal bepaalde, de verschillende eigenaardigheden, 
welke deze meesters kenmerken, zoo getrouw wisten te be- 
waren, ja het was diezelfde buigzaamheid van talent, die hem 
den grootsten roem deed verwerven door twee platen, welke hg 
vervaardigde voor de fraaije uitgaaf der Zusiade , van C a m o é n s 
door Graaf S o u z a ondernomen. Had het hem niet aan tijd ontbro- 

10 



Digitized by 



Google 



146 

ken, dan zou de voUooijing van verscheidene platen voor 
het groote Mnseum, dat L n u r e n t in het licht gaf, en onder deze 
van het UoUandsche Huishouden van Cierard Dou in 
koper, zijn roem niel weinig- hebben vermeerderd. Een 
langdurige en smartelijke ziekte en vroefflijdi^e dood 
beletten hem zulks. Hij was altijd srezond van ligchaamgestel 
geweest, maar tot de nationale Garde van Parijs belioorende, 
was hy genoodzaakt hij de proceduren en leregtstelling van 
den maarschalk Ney zich aan allerruwst weer bloot te stel- 
len. Hierdoor kreeg hij een bezetting op de borst, die hem 
eindelijk de 9 Jan. 1818 in het graf sleepte. 

Zie Biogr. Univ. C h. G b b e t , J)icL der ArtUies ; Immcrzeel, 
t. a. p. Kraram, t.a.p. Nieuwenhuis, Kobus en de Riveconrt; 
Nagler, Kunstier. Lef. iii Voce. 

OORTMAN (J. G.) bekwaam houtgraveur, die bloeide in 
den aanvang der XÏX eeuw. 

Zie Kramm, (. a. p. bl. 1223. 

OORTHÜIS (Gerard) werd in 1742 Ie Groningen geboren, 
diende eerst bij het regiment infanterie van prins Chris- 
tiaan Karel van Stolbergr, waarbij zijn vader, die in 
het beleg van Bergen op Zoon sneuvelde, kapitein- luitenant 
was. Achttien jaren oud ging hij tot de zeedienst over en 
werd in 1760 kadet bij de admiraliteit van fJe Maze, in 
1763 werd hij benoemd tot extr.-ord. luitenant. Tusschen 
1765 en 1777 deed hij, met verlof, en behoud van zijn 
rang, 3 of 4 reizen naar de O. I. in dienst der 0. I. comp., 
in 1777 werd hij ordinaris luitenant, twee jaren later kapi- 
tein, diende den lande als zoodanig en leverde in den oorlog 
tegen Engeland (1780, 1781} met Mei vill een roemrijk ge- 
vecht legen 2 Engelsche fregatten. In 1784 woonde hij on- 
der den schout bij nacht J. P. van Braam een tosrt bij naar 
O. I. en had deel aan diens roemrijke daden. In 1795 verliet 
hij de dienst en overleed te Kotterdnm 12 Aug. 1812. 

Zie Engelbcrta Gerrits, Gedenkè, B. II, U. 393, 397; 
vervolg op Wagenaar D. III, bl. 297, 299, 335; J. C. do Jonge, 
Qetehied,van hetNeerl. Zeewezen. D. V, bl. 510, 566, 544, £78. D. 
Vla, bl. 179, 268, 464; Hoeufft, Peric, Poëtica, p. 13; Muller, 
Cai, V, Tortr. 

OORTWIJN (H.) van dezen kunstschilder is alleen bekend: 
een tafels waarop eenige vruchten^ natuuriijk op paneel en 
nog drie stuks idem. 

Zie Gat. eener kunstv&rk, in het Hms met de Hoofden Amst. 1818 » 
No. 49; Kramm, t. 8. p. bl. 1223. 



Digitized by 



Google 



147 

OOSDëRS ( Gerrit} middelmatig dichter uit ket midden 4%c 
18e eeuw. Men vindt van hem: een RouwklacJit op het on- 
ffêrtoacki afsterven tan IFUlem Carel Hendrik Friso ia het 
Aanhang zei op de Dicktk, Cypr essen bladen bl. 139. 

Zie V B n d c r A u, J\r. B. A. C. Woordenb . o . h . w . 

OOSTERBAAN (Hero) werd 3 Januarij 1736 1e Harlingeü 
geboren. Zijn vader, Everl Oosterbaan, vond in den han- 
del zijn bestaan; zijne moeder was Grietje Simons Slin- 
slra. Na te Franeker en laler te Tiel in de oude talen on- 
derwezen te zijn, werd hij op I7iarigen leeftijd student aan 
d« FriescUe hoogescbool. V(^ór zich aan de Evangeliedienst by 
zijn kerkgenootschap , dal der Doopsgezinden, te wijden, zette 
hij zijne studiën te Franeker en Amsterdam voort. Hier was 
Lij een uitmuntend leerling van Tjerk Nieuw enhuis en 
Tan de Remonstrantsche hoogleeraren Krighout en van der 
JMeersch. In 1759 werd hij proponent en in Januarij 1760 
predikant te Makkum in Friesland. Keeds in 1761 boden hem 
curatoren hel professoraat in de godgeleerdheid en de wijs- 
begeerte aan de Doopsgezinde kweekschool aan. Hij aanvaardde 
zijn ambt met een Oratio de evidentiae gradu^ qui in relt- 
gione olim revelata locum Jiahere polest en werd een waar- 
dig opvolger van zijn leermeester Nieuw en huis. Aan- 
vankelijk vond hij in de wijsbegeerte een bereidvaardigen 
belper in den Doopsgezinden leeraar Klaas de Vries, 
die de lessen in de wis- en natuurkunde op zich nam. Na 
diens dood (1761} mssie ook dit onderwijs op Oosterbaan. 
Bij zijn wijsgeerige lessen toonde hij een helder hoofd en een 
juist oordeel te bezitten, bij de theologische van een verlich- 
ten en evangelischen zin te zijn. Zijn onderwijs was innemend 
en boeijend; onder zijne leiding bloeide de Doopsgezinde 
Jcweekschool. 

Weinige zijn de vruchten zijner studiën, die hij openbaar 
heeft gemaakt. Welligl heeft hij, behalve onderscheidene goede 
vertalingen uit het Franscb en Engelsch, ook naamloos ge- 
schriften uitgegeven. Wie inlusschen leest, wat hij, ten eere 
zyns kerkgenootschaps , in 1769 gezonden heeft aan de uitge- 
vers van den Bictionnaire Encyclopédique d'^Yvej'dun en door deze 
\$ opgenomen, of zijnen brief over de Amsterdamsche Doops- 
gesinden en hunne leer aan N. Barkeij geschreven ^afzon- 
derlijk uitgegeven onder den titel Epislola de Metmonitiè 
Amstelaed, eorumque doctrina^ en door dezen opgenomen in 
X^jo Bibliotheca Hagana Cl. IV p. 133 seqq.J, betreurt 
het dat hij niet meer voor de geleerde wereld heeft gear- 
beid. In 1786 liet hij het professoraat tot droefheid der so- 
ciëteit varen, volgde hij zijn oom Johannes Stinstra 
aU gewoon predikant te Harlingen op en bleef in die betrek- 
king tot zijn dood 18 Sept. 1807. Zijne vrouw Aagje Ha- 



Digitized by 



Google 



148 

Be ka ik schonk hem één zoon. Ziju portret bestaat in silhouefte. 

Zie F. Hoekstra, lijkrede op H. Oosterbaan. Arast. 1807; Ypey, 
Oesch. der Chr, kerk in de 18e eeuw D. IX, bl. 183; Blaupot ten 
Cate, Oeschied, der Doopsgez in Friesl. bl 186, 221, 228, 230,236. 
Dez. Geschied, d. Doopsgez. in Holland. D. II, bl. 102 verv.; J. Mal- 
ler, Oeschied. v. h. onderwijs in de theologie bij de Nederl. Boopsgaz, 
bl. 47 verv. seqq.; Sepp, Joh. Stinstra en zijn tijd, D. I, bl. II.D II,bl, 
289, 296; Glasius, Godgel. Nederl. Nieuwen hn 18, Kobus eode 
Riveconrt; -^delung: en Rotermund. Biet. Eneychp. op het 
Art. Anabaptistes . 

OOSTERBEEK (Andreas) werd in 1590 predikant te Ab- 
coude en Baambrugge en in 1616 te Montfoort. Zijn geboorte 
en sterfjaar zijn onbekend. 

Hij vertaalde uit het Latijn van Hospinianus: 

Van den oorspronck 'ende noortganck der tempelen, Amst. 
1606, waarvoor hij van de regering van Utrecht /30 ontving, 
als ook Zes Boecken pan den oorspronck ende voortganck 
der Monickerye van denzelfden autheur. Gouda 1609 4o. 
Achter de voorrede volgt een Latijnsch vers, geteekend: ^n- 
dreas Oosterbeekius Velamanus. Wel ligt was hij uit de ge- 
meente Oosterbeek afkomstig 

Nog zijn van hem de vertalingen der Colloquia aliguoê 
selecta van Ërasmus en de Dialogi van Lu ei anus te 
Utrecht in 1613 in 4o. uitgegeven. 

In hel archief van Utrecht, door Dodt van Flensbursr, 
vindt men D. Y bl. 12 vermeld, dat op gunstig advies van 
F. Go ma rus, den 26 Febr. 1609, werd geaccordeert het 
drukken te Amsterdam bij Joh. Ëvertsz Gloppenburch, 
voor den tijd van 6 jaren, van hel boek van A. van Oos- 
terbeek, zijnde het 2e deel der Martelaren ofte hijtioegsel 
ende aanhanck tot het Martelaershouck. 

Ook gaf hij in het licht: 

Christelijck ende heerlijck discours van de weder -geboorte 
ende reformatie der kercke der beijden Testamenten^ tot den 
afval toe, ende van de tyt ende maniere der leere des af^ 
vals; nocJi mede in welcke plaetsen de gheref leere van 
Hussi^ Lutheri^ Zwingly ende Calvini tijden te vinden zij 
ghetoeest. Eerst in de hooch'-d. sprake beschr, den Johan van 
Munster te Oostlage^ ende nu in de neder-d, tale overgez. d. 
And, van Oosterheeck. Hier is hyghevoecht eene korte be* 
schrijvinghe van den stoet der kercken, afgehedeelt in sestien 
eeuwen. Tot Arnhem^ hy Jan Jung 1613 4o. 

Zie Dodt van Flensbarg,t. a. p. D; IV bl. 342; Sweertiiis, 
Alh, Belg. p. 124; Rogge, Bibl. van Conirarem en Geref, pamflet- 
ten bl. 147, Navorscker, D. IX bl. 359 D. X bl. 51, 298; Joch er; 
Abcoude Naamreg, derde Aanh. bl. 10. 



Digitized by 



Google 



149 

OOSTERBEEK (G} beeldhouwer, o. a. van een bfandbeeld, 
voorstellende de Chrislel^ke godsdienst^ door hem gesneden, 
naar de teekening: van Fran^ois, van middelmatige ver- 
diensten. 

Zie Kramm, t. a. p. bl. 1223. 

OOSTERBEEK fJ. G.) med. dr. schreef: 

DUaertatio Pharm, medlc. de deutoxydo arsenici. Gron. 
1830. 

Zie H o It r o p, Bibl, Med. et Chir, 

OOSTERDYK SCHACHT (Hermiianüs) werd den Ssten van 
Zomermaand 1679 te Amsterdam geboren, was een leerling 
van Boerhaavp. te Leyden, werd door dezen met groole 
lofspraken vereerd, en in 1719 tot gewoon hoogleeraar der 
praktische geneeskunde te Leyden benoemd, welken post hij 
den 20 van Wijnmaand aanvaardde met eene Oratio de üSy 
quae Medicum ad artis exercitium se adjungentem prae- 
cipue scire oportet. Later tot hoojj^leeraar der theoretisch- 
practische geneeskunde benoemd, hield hij den 12 van Louw- 
maand 1728 zijne inwijdingsrede de artis medicae firmitate. 
Bij gelegenheid dat hij in 1722 en 1734 zijne reclorale 
waardigheid nederlegde, sprak hij de Medico exercita'o en 
dt prudentia^ in rafiocinio Pkysico et Medico necessario 
ohservanda. Hij overleed 15 Februarij 1744, ofschoon hij 
niet begeerde dat er op hem een lijkrede gehouden werd 
liet echter de academische senaat in de acta opteekenen: 
„vere testatum esse Rectorem, in Oosterdykio amisisse se- 
nalum virum egregium , insigne Academiae et Medicinae or- 
namentum , prudentem et cordatum senatorem, atque integer- 
rimum amicum. 

In de efBgien bij van der Aa komt zijne afbeelding voor. 
Zijne bibliotheek werd in 1744 te Leyden verkocht. 

Zie H a 1 1 e r, Bibl. Med. pract. p. 135 j T e W a t er, Narratio p. 

208, 239; Siegenbeelc, Geschied, d. Leydsche Booges. D I bl. 

261, 289. D. II bl. 112, 113, 181; Cat. de la Bibl, de Mr. J. R. 

OosterdijJt, Leide 1862, p. 159; Maller, Cat, v. Fortr. 

OOSTERDIJK (HüBERTüsj, zoon van den vorige , kwam als 
proponent in 1736 te Oestgeest en overleed in 1752. Hij 
beoefende de dichtkunst, blijkens zijn vers op den dood van 
PTilhelmus Kas ^ predikant te Rkynsburg in 1751 gestorven. 
Zijn broeder Jacobus Oosterdijk geboren 1701 was pre- 
dikant te Rij nzater wonde (1725), Katwijk aan Rhijn (1729) 
Utrecht (1732") waar hij 16 Febr. 1744 stierf. 



Digitized by 



Google 



150 

ZiöPari, Cat.Jr.v.Oudi,mtg.vA. S ch e llin g W. 267 ; Brans, 
Kerk. Heg. bl.[89, 56, 62, 158; Boekz. d. Gel. Wereld, 1729 b bl. 
99, 102, 1732 a bl. 285, 258, 1736 a bl. 110, 488, 1744 a bl. 227, 
1761 a bl. 703, 704. 

OOSTERDIJK SCHACHT (Johannes) broeder der beide vo- 
rige (Hubertus en Jacobus), deo 26 Oef. 1704 te Ley- 
den geboren , studeerde aldaar en verwierf 26 September 
1726 de doctorale waardigheid in de philosophie en me- 
dicijnen, na hel verdedigen van twee dissertatien de 
motu Planetarum in orbibus ellipticis en de secretione 
animali, In October van het volgende jaar werd hij , 
in plaats van Ruardus Andala, tot hoogleeraar in de wijs- 
begeerte te Franeker benoemd, welk ambt bij den 
3 Maart 1728 meteene Oratio de arcto, quo Philoaophia eum 
omnibus, praesertim Medicis^ scientiis nectitur vinculo aan- 
vaarde. Reeds den 13 Junij van het volgende jaar werd hij 
tot hoogleeraar te Utrecht beroepen eu den 12 September 
deed hij zijne intrede met een Oratio qua set/ile fatum inevi- 
tabili niecessitate ex Jiumani corporis mechamsmo sequi^ demoU' 
stratur, 

In 1732 en 1752 bekleedde hij de rectorale waardigheid. 
Bij gelegenheid dat hij, in het laatstgenoemde jaar deze 
nederlegde sprak hij de arcanis medicorum non celandis 
(Traj. 1753 4o). Hij werd in 1790 emeritus en overleed 
18 Aug. 1792. 

Oosterdijk verwierf zich behalve als wijsgeer en ge- 
neesheer, zoo door onderwijs als schriften, ook zoo als La- 
tijnsch dichter, waarvan men een proeve vindt achter H. v a n 
R o y e n ' s Carmen in ducentesimum natalem Academiae Lug-- 
duno Balavae, Zijne bibl. werd te Utrecht in 1793 verkocht. 
Hij is meermalen afgebeeld. 

Behalve de gemelde orationes gaf hij nog in het licht: 

Instifutionea Medicinae Practicae ad Juditorum potissi- 
mum mus in Epitome redactae et evulf/atae. Accedunt dtiae 
Orationes, guarum altera demonstralur senile fatum inevi» 
tabiH necessitate ex ff, C. mechanismo seqjn. Altera inserièi' 
tur Morbus Reniedium, sive de morborum in sanandiê morhis 
efficacia Traj. ad Rhen. 1747 4o. Edit. Trajectina altera 
auctior, Accedit Oratio de arcanis medicorum non celandis. 
Ibid 1748 4o. 1767 Vindobonae 1750, 4o. Deze laatste 
redenvoering is in het Nederduitsch vertaald met den titel: 
Bedevoering ten betooge dat een Geneesmeester geene ge^ 
heimen van zijne hunst moet maken. Utr. 1753 4o. 

Le Roy bezat ia hands, zijne Pracleotiones in Jnsi. Med. 
1773 4o. 



Digitized by 



Google 



151 

Oratio funebris in obiimwiri Cl. yirnoldi Drakenborehii ^ 
Historiarum et Elorjiteritiae Profesaoria. ültp. 1746 4o. 

Een geneesmiddel tegen de vallende ziekte ter öeproevingê 
Voorgesteld in Verhand, uitg. door het Zeeuwsch Genootschap. 
Middelb. 1771—1773. 

Zie Saxe, Omom. T. VIII p. 2; Vrierooet» MA. Fris. p. 819, 
820; C. H. A Roy. Catal. Bibl. Med. T. II. p. 903, 904, BibU 
3ag. T. V. p. 634, Hoeufft, Farn. Lat. Belg. \). 218; He- 
ringa, de audiiorio p. 146, 147, Nette Gelekrte Europa. T. XIX, 
p. 674—678, Catal. de la Bibliothèqne de Mr. J. H. Oosierdijk. Leide 
1862 p. 139; Arren b er }(, Naamr. bl. 389; Boekw. der GH. 1739 
bl. 361 ; van Kampen, Beknopte Geschied, der Ned. Leiicrk^ D. II 
bl 328; Coilot d'Esoury, UoU. rx)em, D. IV bl. 228, 247; Bon- 
man, Gesch.der Geld. Hooges. ü. II bl. 337. Maller, Cat.v.Portr. 

OOSTERDIJK (Hermannus Gerardüs}, zoon van Jacobus 
Oosterdijk, werd den 19 Nov. 1731 f e Katwijk aan den 
Rijn geboren. £er bij een halfjaar oud was, werd zijn ra- 
der naar Utrecht beroepen, waar hij zijne opvoeding en on- 
derwijs in de Fransche en Lalijnsche talen genoot. Den 15 
Febraarij 1744 verlooi bij zijn grootvader Herman nus Oos- 
terdijk Schacht, boogleeraar in de geneeskunde te Ley den, 
en den volgenden dag zijn vader. Na in 1746 de Lalijnsche 
school verlaten te hebben, verliet hij haar na het uitspreken 
eener Oratio medico 8 Reipublicae magis esse necessarios quant 
camidicos, legde bij zich vooral onder zijn oom Joannis 
Oosterdij k Schacht op de geneeskunde toe, en na zulks 
acht jaren gedaan te hebben werd hij 26 September 1754 
tot doctor bevorderd, na het verdedigen eener dissertatie 
de motu musculorum jn vestigde zich in Wei van het volgende 
jaar te Amsterdam, om aldaar de praktijk uit te oefenen. Deze nam 
tragelijk ioQ., zoodat hij ruimschoots in de gelejrenheid was 
de beoefening der Lalijnsche poézy, welke hij reeds aan de 
hoogeschool begonnen was, voort te zetten. Later beoefende 
hij ook de Nederduitsche poêzy, doch toen de geneesheeren 
Visscher en Hoorn overleden waren, en zijn praktijk 
toenam, en hij een der gevierdste arisen der hoofdstad werd, 
kon hij er slechts M'einige oogenblikken aan besteden. Gedu- 
rende zijne langdurige ziekte hield hij zieh nog bezig met 
een Latijnsch gedicht Consolatio^ waarin hij het Opperwe- 
zen dankt voor alle bewezene weldaden en vooral die bij- 
zondere gunst erkent, door welke hem in zijn ziekte ver- 
gund was zieh met de letteroefeningen te verlustigen, waar- 
van hem ia zfjne gezonde dagen zijne menigvuldige bezig- 
heden hadden afgetrokken. Eerst weinige dagen voor zyn 
dood voltooide hij zijne vertaling der Lierzangen van Hora- 
tiüs, in 1819 door den toenmaligen Haarlemschen rector, 
later boogleeraar Peerlkamp in het licbt gegeven. Deze 
arbeid is zeer verdienstelijk en werd, schoon slechts weinige 



Digitized by 



Google 



Iö3 

jaren te voren cene insgelijks keurige overzetting van Ho- 
ra tius lierzangen door P. van Winter, vi'as verschenen , met 
genoegen ontvangen. In 1 755 was O o s t e r d ij k lid geworden 
van het genootschap Ooncordia et Uöertale, in hetwelk hij meer 
dan tachtig redevoeringen uitsprak over dicht* , geschied- 
en letterkundige onderwerpen. Waarschijnlijk zijn zij niet uit- 
gegeven, maar wel die bij hield bij gelegenheid der vijfen- 
twintigste verjaring van het Genootschap, den 26 October 1773 
hield. Sedert 1769 was hij ook lid van de Maatschappij der 
Nederlandsche letterkunde te Leyden, gelijk ook van die d«r 
drenkelingen en andere nuttige genootschappen. Hij overleed 
19 April 1795, bij zijne vrouw, Aaltje Margaretfaa 
Brouwer, geen kinderen nalatende. Den 20 October daar- 
aanvolgende sprak Jeronimo de Bosch in Concordia ei 
Ubertale eene lofrede op hem uit, die het licht ziet, waarvoor zijn 
portret. Zijne Latijnsche en Nederduitsche gedichten zijn verspreid 
in verschillende tijdschriften, zijne overzetting van het %e boek der 
Ilias in het Tijdschrift van K> en IV. 1813 2e stuk Uit de oor- 
spronkelijke aanteekeningen der commissie tot het vervaar- 
digen van den bundel der Doopsgezinden blijkt, dat hij (en 
niet zoo als dikwyls is opgegeven D. de Bosch) de mnker 
is van bet 68ste gezang , hetwelk door de commissie der 
Evangelischen is opgenomen No. 107. Zgne Oratio in obitum 
F, Burmanni vindt men achter diens Orationes^ Hag. com. 
1759. 4o. 

Zie behalve de gen. lofreden Peerlkamp, de Poet. Laf. Neerl. p. 
511; Baner, Leven v, Öedenkw. Mannen en Vrouwen D. IV bl. 237; 
Witsen Geijsbeck, B, J. C. Woordene. D. V bl. 6 volg.; van 
Kampen, Beknopte Qesch, der Nederl. Letierk. D. II bl. 486; 
Do Vries, OetcAied. d. Nederlands, JHchtk. O. II bl. 94.- 
Bijooegtel tot Kok ; Janhangtel op Nieuwenkuis ; K o b n 8 en de 
Rivecourt; Aanspraak by de Leidsche Maats, door ie Water 1795. 
Bonman, Geschied, der Geld. hooges. D. ]I. bl. 358; Arren- 
berg, Naamr. bl. 7; Cat. d. Bibl. v. Nederl. Letterk. D. I bl. 196, 
197; B. Janssonins, Geschied, v. h. Kerkgezang d, Herv. Gem. 
in Nederl. D II, bl. 287» Muller. Cat. v. Portr. 

OOSTERDUK (^Nicolaas Geobgivs), zoon van Joannes 
Oosterdij k Schacht, werd in Febr. 1740 te Utrecht ge- 
boren. Reeds vroeg ontwikkelde zich in hem niet slechts de 
zaden van uitstekende zielsvermogens; maar ook die van 
braafheid en deugd. Na de Latijnsche scholen doorloopen te 
hebben, genoot hij het onderwys van Wesseling en 
Reitz in de Grieksche en Letynsehe talen en van Woert- 
man, vanWachendorffenHahn in de geneeskundige 
wetenschappen. Onder deze de academische loopbaan ingetreden, 
bleek het eerlang dat de verdere voortgang in dezelve hel 
begin moest overtreffen. Naauwelyks had hij de eerste grond- 
den der geneeskunde gelegd, of zijn geest, zich met geen 



Digitized by 



Google 



153 

oppervlakkige beschouwing van zaken vergenoegende, drong 
tot de naauwkeurige nasporingen door, en verkreeg, door de 
vlijtige beoefening der schriften van Hippocrates, Gal- 
lenas en Celsus een meer helder en opgeklaard inzigt; 
terwijl naderhand die van Sydenham, en bovenal die van 
Boerhaave, hem den wep; wezen lot een zuivere en ge- 
lukkige uiloefening der geneeskunde. Na te Utrecht zijne stu- 
diën volbragt te hebben, begaf hij zich, op aanraden van zijn 
vader naar Leyden, om de lessen van Gaubius in de schei- 
en ziektekunde alsmede van van Roycn en Winter bij te 
wonen. Na een jaar bier doorgebragt te hebben, keerde hij 
naar Utrecht terug, waar hij in 1762, na het verdedigen 
eener dissertatie de aceto tot doctor in de geneeskunde werd 
bevorderd. Acht jaren lang oefende hij de praktijk uit en hield 
zich met het lezen der oude schrijvers over de geneeskunde 
en het beoefenen der kruid- en scheikunde bezig. 

In 1770 tot den leerstoel der genees- schei- en kruid- 
kunde aan de hoogeschool (e Harderwijk beroepen^ aan-- 
vaardde bij de 7 Junij 1771 zijn post met eene Oratio qua 
demon siralur ^ hominea bene tmtllos ex nimio vitae desiderio 
sibi moHem properare (Hard. 1772 4o.) Intusscben vielen 
weldra, door hel vertrek van den hoogleeraar Graeuwen 
naar Groningen, de vakken der schei- en kruidkunde open, 
die Oosterdijks geliefkoosde studiën waren. Gereedelijk 
werd zijn verzoek ingewilligd om mede tot professor dier 
beide wetenschappen benoemd te worden, en dit gaf den re- 
denaar aanleiding om op de hartelijke toespraak aan zijn 
vader, die hij onder de toehoorders zag, eene dankzegging 
aan de verzorgers te doen volgen, wier laatste vergadering 
het zóó geschikt had, dat hij de moeijelijke studie van de 
practijk, met aangename, scheikundige proefnemingen en met 
Flora^s geneugte afwisselen kon. Zijn doorzigt en hart 
strekte het tot eere dat hij in 1773 als rector aftredende 
sprak de düigenli pauperum curd optimo adx). morbos contagio- 
808 praesidio. 

In Junij 1775 werd hy te Leyden tot gewoon hooglee- 
raar in de theoretische geneeskunde beroepen en 17 Oc- 
tober aanvaardde hij dit ambt met eene Or. de studio me- 
dico in commune Reipahlicae bonum quavia ratione diri" 
gendo (L. B. 1775). Op den 12 Junij 1778 werd hem 
ook bet onderwijs der praktische geneeskunst opgedragen. 
De rectorale waardigheid, dqor hem in 1786 bekleed, legde 
hg neder met eene Oratio d» axdua Medicinae exercendae 
provincia, In het voor Leyden noodlottige jaar J807, 't 
welk ook hem op het verlies eener waardige echtgenoot 
was te staan gekomen, leide hy insgelyks het door hem 
gevoerde academisch bestuur met eene treffende en op 
do tijdsomstandigheden allezins gepaste aanspraak neder. Reeds 



Digitized by 



Google 



154 

in zijnen bezadi^den ouderdom overviel hem eene schielijke 
toenemende verzwakking van het gezigt, welke naderhand 
door eene verdaistering van hel kristallijnen vocht (^calaracQ 
op de beide oogen gevolgd werd waardoor hij 4 maanden 
geheel blind was, en de kunstbewerking in Mei 1805 met 
den gelukkigsten uitslag onderging. Na de herkrijging van het 
gezigt hervatte hij zijne studiën met nieuwen lust, en zon- 
derde dagelijks eenige uren af, om zich het stelsel der nieuwere 
geneeskunde eigen te maken. Oosterdijk bekleedde het 
hoogleeraarsambt aan Leydens hoogeschool ruim 42 jaren 
met een onafgebroken roem en stierf den 3 van Herfstmaand 
4817 in den ouderdom van ruim 77 jaren. Hij huwde (l) 
in 4783 Bartha Weveringh, met welke hij 16 jaren 
in een gelukkigen echt leefde en (2) in 1789 Cornet ia 
Wilhelmina Graswinckel. In Louwmaand 4807 ontving 
deze, bij de noodlottigen ramp een gevaarlijke wonde, waar- 
aan zij 14 dagen later stierf. Zijn portret bestaat door Springer. 

Hij schreef: 

Dissertatio de aceto. Traj. ad Rhen. 1763, op nieuw uit- 
gegeven door Ed. Sandifort in Thesauro dissertt. pro^ 
gramm, etc. ad omnem medicum ambitum pertinentium (Ro- 
terod. 1768 3 vol. 4o.) 

Praecepta Medicinae practicae 1783 8o. Deze worden we- 
gens gebrek aan oorspronkelijkheid gegispt in de Jlg. f^ad, 
LeUeroef, D. VI I hl. 103 volj?.,, doch de schijver wordt 
verdedigd in het 2e stuk van denzelfden jaarg. bl. 527 volg. 

Reeds in 1769 had de Zeeuwsche Maatschappij der weten- 
schappen hem onder hare leden aangenomen , en hij schreef 
weinige jaren daarna eene oordeelkundige verhandeling in het 
2de deel harer werken te vinden, \veike de geschiedenis in 
een naanwkeurige beschouwing van een zeldzaam gebrek des 
dijbeens behelsde. 

Bedenkingen over eene moeijelijke door zwelging en inhou- 
ding van spijs en drank in Ferk, v, h. Zeeuwsch Genoots, 
D. VI 1780. D. VII, si. 2, bl. 185. 

Waarneming hij de inenting der Kinderziekte in eenen ge- 
vaccineerde in Alg. K. en L.bode, 1804, D. I, bl, 83. 

Lofrede op Paradijs, Aid. 1812, D, JI, bl. 363. 

Korte waarnemingen en Hellingen uit breedere geifeesk^n" 
dige opteekeningen getrokken {jperipneumonia ^ phisiê pul- 
monalis; eonvuldo; hydrops'^ morbi complicata', mortuornm 
calctilw) in Magaa. t>. Vad. landb. 4815, D. I, st. III, 
bl. 1. 

V^aarnemng eener pisvloeijinge binnen weinige dagen doo^ 
éelijk in Verh, d, HoH. Maats. 1770, bl. 30 van de be- 
riehlen. 



Digitized by 



Google 



155 

Zit H. B6cke, l0fredi op O. in ^ad, Lêtieroef. 1820 D. II bl. 
585. Kunst en Letterb, 1817. Te Water, Narratio^. 91, 92, 
234; S. Spyeri vtn der E|k, Orat, reet. io de Annalet, L. B. 
1817—1818 p. 5—7, Siepenbeek, Oesch. d. Leidsche Eooges. D. 

I bl. 314, 381, 430. D. II 114, 221, 222. Het verhaal van Oos^ 
terdijk omtrent Prof. Paradijs naderhnnd uitgegeven bijden laatsten 
Opuseuia Acad. L. B. is door de kondijse hand van een opmerkzaam 
toehoorder hoofdzakelijk geplaatst in den Konst en Letterh, 1812. D. 

II bl. 263, Te Water, Aanspr. hij de Leidsche M. 1813, Bouw- 
man, G^sck, d. Geld. Hooges. D. II bl. 269, 336, 337, 402, 608, 
Wieuwenhuis, Woordend. Kobus eo de Rivecourt, JBiogr. Univ, 
Cat. Bibl. è Roy T. II. p. 727, 904. Holtrop 1. c. p. 209; 
Muller, Cat, v, Fortr. 

OOSTERDORP of OOSTENDORP (Johannes) kanunnik va» 
S(. Lebuinus te Deventer, leermeester van Gildenhauer. 
Hij was Hegius behulpzaam in het bestuur der school, en 
leefde in vriendschappelijke betrekking: met J. Wesselus 
Gansevoet, mede een begunstiger der broederschap. Het 
is bekend dat Wesselus dezen Oostendorp vermaande, om 
toch vooral de oude, zoowel gewijde als ongewijde schry vers, 
niet te verwaarloozen en hunne beoefening ver boven die der 
nieuwe scholastieke godgeleerden te stellen, wijl, naar het 
oordeel van Wesselus, de tijd zeer aanstaande was, wan- 
neer al die Doctores corefragabiles ^ cueuUati^ albati ^on- 
feilbare, gemijterde of gekaproende, zwarte en witte leeraars) 
naar verdiensten zouden worden achteruit gezet. 

Zie Schoock de bonis Eeclesiast. p 508; Bat. S T IVp.60; 
Levensb. van ber. engel. mann. D. IV, bl. 35, 36, Delprat, 
Verhandel, over de Broeders van G. Groete bl. 57 en B{)1 XVIII. 

OOSTERGA (Cypbianus Regneri ab) werd in 1614 in Fries- 
land geboren, en ontving zijne opvoeding te Zwol, waar zijn 
vader torenwachter was, hetgeen hem deed zeggen dat hij was 
ex altissimo genere. Na te Leyden den titel van Jur. ulr doc- 
tor verworven te hebben, gaf hij daar onderwys voor een 
groot aantal toehoorders. 

In I64I begaf hij zich naar Utrecht, waar hij 3 Maart tot 
opvolger van Rernardus Schotanus, naar Leyden beroe- 
pen, werd aangesteld op eene wedde van ƒ 600, onder voor- 
waarde dat hij minstens 4 jaren te Utrecht zou blijven. Het 
volgende jaar voegde men er / 200 bij. Hem werd in het 
begin last gegeven over de Instituten te lezen, doch drie ja- 
ren later ook over de Pandecten, en den 6 April 1670 kreeg 
hij den eersten leerstoel in het regt. Hij vervulde hem 17 
jaren, bekleedde 4 maal het rectoraat en overleed 25 Oct. 
1687 in den ouderdom van 73 jaren. 

Hij schreef: 

BêmonHratio Logicae verae juridica^ variis canombm et 



Digitized by 



Google 



156 

exeniplis ad usiim illuslrata. L« B. in 16o UUraj. 163B, 12o. 

. Sententia incerti Auctoris de vi ac potestate^ Quam Juris 
Gentium convenHones ad ohligandum habent jure Populi Ro- 
mani; cum confutatione novae cujusdam circa eundem arti- 
culum opinionis L. B. 1640, 12ó (Tegen Jacobus Maes- 
tertius.) 

Diaputatio adversus defensam opinionem Jacobi Maestertii, 
J. C. de vi ac po test at e , quam Juris Gentium conventiones ad 
obligandum habent jure populi Romani L. B. 1640, l2o. 

Propempticon ad nobilissimum^ eruditissimumgtie D. Sal- 
masium L. B. 1640, 12o. Tegen hel geschrift van Salma- 
sins de modo usurarum. Deze antwoordde hem met Diatriba 
de Mutuo non esse alienatonem; adversus Copriannm quendam 
iuris Doctorem*^ auctore Alexio a Messalid (anap^r. Salmasio 
ab Alexia} Domino de S. Lupo. Hierop schreef Ooslerga: 
Fetri Cunaei sententia defensa a Cypriano Regneri, J. U.B. 
Mutuum esse alienationem'^ adversus Spkalmasium qnendam., 
Dominum de 8, Lupo. L. B. in 12o. Jacobus Maester- 
tius de partij van Salnasius gekozen hebbende, schreef 
Oosterga legen hem: Dissertatie de jure canonico, qua- 
r/iodo et guando locum habeat in foris deque receptd consue- 
tudine^ qm hodie in Academiis, etiam Reforma lorum , Juris 
utriusque Doctores renunciantur. Item Orationes duae inau- 
gurales de jure et potestate principis circa sacra ab hosti- 
bus occupata L. B. 1644, 4o. ooit achter de Censura Belgica 
en ültraj. 1669, 4o. 

Epistola^ qua bretiter demonstratur in Mutuo alienationem 
Jieri^ et üsucapionem injmtum esse modimi acquirendi. Traj. 
ad Rhen. 1645. Het eerste deel van dezen brief is legen 
Salmasius, het andere legen de verhandeling van Hu go 
de R o ij : De eo quod justum est. 

De injustitid Legum quarundam Rom,anarum\ simuï cum 
Apologid pro Manibus Fetri Cunaei^ J. Ü. Doctoris. L. B. 
1647, 12o. Het eerste stuk is legen Jacobns Maesler- 
tius, het iVFeede is slechts Petri Cunaei sententia defensa. 

Censura Belgica^ siee novae Notae et animadversiones in 
libros qualuor Institutionum Imper. Justin.:, quibus singuli 
paragraphi^ cum ex Legibus Romanis ^ turn ex iure Divino .^ 
Canonico , Philosophia MoraU , rebus judicatis , communi D, 
D. opinione^ Ptistoricis ^ Antiquariis ., Moribus Delgii^ et Mo- 
ribus generalioribus Ckrislianorum confirmantur ^ confutantur^ 
et illustrantur. His^ ob connexionem causae^ accedunt ejus^ 
dem Auctoris Dispulationes. Juridicae ad singulos f er e §§. 
Institut. Justinian. excuUae ut supra. Traj. ad Rhen. 1648 
l2o. 1661 4o. 

Dispulationes Juridicae ad singalos fere%%. librorum qualuor 



Digitized by 



Google 



157 

Imtilutionumimperialiumjkahilae in illueiri Academia ültrajec- 
t%nd\ auotore et praeside Cypriano Regneri ab Ooaterga^ 
Swollano : respondentibus noèilissimis et praestantissimü LL 
siudiosis, quorum nomina aequens pagina exkihet, Achler de 
eersle uitgaaf p. 699—921 en de tweede p. 170. 

Melhodus Feudorum Everardi Bronchorsti ^ notie illustrata. 
ÜUraj. 1652 12o. 

Een brochure ten gunste der Protestontsche Kanunniken 
te Utrecht onder den naam van Petrus Ph il on om u's. 
Oosterga gaf het uit bij gelegenheid van den twist over 
het gebruik der kerkelijke goederen. Een Repliek tegen Voet- 
ui s, door de regering van Utrecht verboden. 

Censnra Belgica, sive Notae et animadversiones, quibus om- 
7ies et singulae Leges , qune in prioribus XXV libris Fan- 
dectarum contiiientur ^ Moribus praecipne Bclgti, Authoribus 
confirmantur ^ illustraniur^ refutantur. Accedunt Disputatio- 
nes Juridlcae in easdem Leges. Ullraj. 1661 4o. 

Censura Belgica, seu Notae et anima dcersiones^ quibus om- 
nes et singulae Leges., quae in posterioribus XXV libris 
Fandeclarum continentur ^ confirmantur., illustrantur^ refutan- 
tur Accedunt DisputaCiones iuridicae in easdem Leges, ül- 
traj. 1665 4o. 

Commentaria et animadversiones^ quibus omnes et singulae 
Leges, quae ^ XII libris Codicis continentm\ confirmanlur ^ il^ 
lustrantur, refutantur. Accedunt Disputaiione» juridicae f38} 
in easdem Leges. Ullraj. 1666 4o. 

Censura Belg ie a^ sive Notae et animadversiones , quibus 
omnes ei singuli ('anones juris canonici confirmaniur , illus- 
trantur^ reifutantur. L. B. 1669 4o. 

Censura Belgica., sive N'olae et animadcersiones ^ quibus 
omnes et singalae Nozellae Justiniani Imp.^ et Consuetudines 
Feudorum confirmaniur^ illustrantur ^ refutantur. Ultraj. 
1669 4o. 

Memori de Burgemeesters en Vroetschappen der stad 
Utrecht overgegeven bij Burman. Traj. erud. p. 256 volg. 

Fpistola Cypriani ad Mattk. de Vicq^ vóór Iractat. de 
Ataritiis Quirini fFestsen. Amst. 1692. 

Zie Bnrmanni, ^raj.erud. p. 233 seqq. V al erius Andreas, 
Bibl. Belg. p. 860; Foppens, Bibl. Belg. T. I p. 225; Sal- 
m as ia 8, JHsq. de lAuiuo p. 6: P. Cunaei, Epist. CCCVII; Le- 
penius, Biblioih. Jurid. p. 138, 185: Schclhornii, Jmoenii. 
Uier. T. XI p.275; Struvii, Bibl. Jur. CVI. \ III, C. XII \ 
7. Ladewig, viia Justiniani et Theodor. bl. III p. 70; Brun- 
qufclUs, Hisior. Jur. p. III C. IV { 8; Paqaot, Mem. T. II. 
p. 361—363; Cbauepiè, JHct. Hist. T. III. seqa., Walchias, 



Digitized by 



Google 



158 

noi. ad. Eckhardi H&i-meneut. jnr. Sarravii. Epist. Ep. XXXI p. 
33; üe Wal, de Clar, Fris. Jurec. p 43, 193. seqq. 443; N es- 
si nk, Landr echten van Overijssel voorr . p. 18? Konigii, JSihl. 
Vet. et Nov . (voce); Magiri, Eponi/mol. voce; Joh. Fred. Ju- 
glers, Beytrage sur Juristichen Biographie. T. II p. II p. XXXI 
p. 331—339; Sax e, Onom. T. IV p. 430, 4Sl. Heringa, dg audi- 
torio. p. 136,178; Kok: Kobus en de Hivecourt. 

OOSTERHAERN (Henricüs) werd in 1619 als predikant te 
Hillegom wegens zijne remonstrantsche gevoelens afgezet. Dit 
was ook hel geval met twee andere predikanten van denzelf- 
deo naam eii vermoedelijk zijne bloedverwanten, namelijk Nico- 
laus, die sedert 1612 predikant te Naarden, en Arnoldns, 
die sedert 1602 predikant te Nootdorp was. Henricüs vol- 
deed niet aan de oproeping om de Acte van stilstand te tee- 
kenen, weshalve hij door Gecommitteerde Raden werd inge- 
daagd. Hij schijnt in het land gebleven te zijn , allhans in 
1621 was hij te Bommel, en in 1630 diende hij voor een 
halfjaar de remonstrantsche gemeente te Arnhem. Verder wordt 
van hem geen gewag meer gemaakt. 

Hij was de schrijver van een zestal liederen, die versche- 
nen onder den titel: 

H. Osterhaerus Nieuwe-jaren^ aan alle christenen, 
1626, 4o. 

Hij wordt ook als de schrijver genoemd van de volgende 
werkjes : 

Terentius met het neder duits^ 12o. 

De geestelijcke medicijnwinkel. Amst. 1647, 12o. 

G. Brandt Eist. d. Reform, D. III, hl. 343, 854—858, 
916; Tideman, Be Remonstr. broederschap bl. 273, 
276: V. Abcoude Naamregister-^ Rogge BM. d. Remonstr. 
gesch. bl. 157; Kist en Roy aards. Kerk, Archief. D. Vil, 
bl. 8, 11, 14, 16, 21, 100. 

OOSTERHOÜDT Dz. (Dirk van), in 1756 te Tiel geboren, 
werd leerling der schilderacademie te Dusseldorp, zette zich 
vervolgens in zijn geboorteplaats neder, en schilderde aldaar 
portretten en onderwerpen uit hel burgerlijk leven. Men heeft 
ook geëtste prenten van hem. Hij overleed te Tiel den 14 
Jan. 1830. 

Zie Immerzeel, t. a. p. bl. 280. 

OOSTERHOÜDT (D. van) landschapschilder van Amsterdam 
of 's Hage, woonde omstreeks 1831 te Cassel.' Zijn werken, 
met vee gestoffeerd, waren op de tentoonstellingen van 18^3 
en 1827. 

Zie Kramm, t; a. p. bl. 1203. 



Digitized by 



Google 



159 

OOSTËRLAND (Abraban) kleinzoon van Abraham O os- 
ter tand, in 1655 van Naarden te Rotterdam, in 1657 te 
Haarlem beroepen en aldaar in Oct. 1678 geboren; soon van 
Abrahnm Oosterlant in 1706 als predikant te Goes 
overleden w^erd geboren te Goes, was predikant te Barsinger- 
horn en van daar in 1729 te Delfshaven beroepen, overleed 
hU in 1754. 

Hij schreef en gaf in het licht: 

Oterc/enkingen des doods tan J, Leijdekker, Te Goes, 
1702, 4o. 

Bevestiging Predicaéie uijt de j/roplieet Haggai I vs. 7. van 
Do J. Vrolijk^ Roti. 1743, 4o. 

Het eerste gezigt dat den Heilige Balling Johannes op 
het eiland Pathmos vertoond is , Rott. 1 746 , 4o. 

Het tweede gezigt dat den Heilige Balling Johannes op 
het eiland Pathmos tertoo7id is, uijt de Rolle der Propheten 
opgemaakt^ uijt zijn eifje gronden verklaart^ en ter be^ 
trachting van waar e Godsvrugt toegepast^ 2e dr., Rotterd. 
1750, 4o. 

Delfshaven van den Heer e der Heyrschaaren toonder^ 
lijk gedekt, en bewaard voor het gewelt van een brandende 
vimrgloed^ in ec7i kerkraden uit Nahiim 1 vs. 6 en 7. Rott, 
1746, 4o. 

Nederlandsche Josua, vertoond in het Doorluchtig Beeld 
van Israels Josua^ of Redenvoering ter verheffing van den 
Doorl. en Hooggeh, vorst IFillem Carel Hendrik Friso enz. 
Rolt. 1747, 4o. 

Nederlands wijnstok en vorstelijke stam van Oranje^Nas^ 
sauw , vertoond in praels wijnstok en koninglijke stam van Juda, 
of kerkreden over Psalm LXXX vs. 15 — 20, uitgesproken op 
den Dank' Vast en Bedendag, Rott. 1748, 4o. 

Willem IV Nederlands Erfstadhouder in zijn leven ^ doodt 
en begraaf enis vertoont. Rolt. 1752, 4o. 

2ie So er man 8, Kerk. Rêp \A. 80t Harderwijk, Naaml, van 
Pred, te Roiferd. bl. 41: Brans, Kerk, Beg. bl. 89, Boek», 
der gel. wereld 1729, 6 bl. 99, 108; Adelung; Neuer gelehr, 
Europa Th. IX, S. 69, 72, 

OOSTERLO CF.) schreef: 

Diss, de mania puerperali, Gron. 1822. 

Zie HoUrop. t. a. p. 269. 
OOSTËRWIJCK (Maria van) dochter vao Ja co bus Je- 



Digitized by 



Google 



lëo 



hannes vau Oosterwijck, predikant ie Nootdorp, (1 623) 
Voorburg {1636 emeritus in 1666) werd in ItiSO Ie Noot- 
dorp sreboren. Al vroe^ eene besliste neiging voor de schil- 
derkunst aan den dag leggende, werd zij aan de opleiding 
van den vermaarden Utrechtschen schilder J. D. de Heem 
toevertrouwd. Na verloop van weinige jaren had zij zulk 
eene hoogte in de kunst bereikt dat haar roem zich alom 
verbreidde en buitenlandsche vorsten als eikanderen het ver- 
maak betwisUen eenig kunstwerk van haar te bezitten. Lo- 
dewijk XIV plaatste een bloemstuk van haar breed en uit- 
voerig penseel in zijn kuustgalerlj , ook keizer Leopold en 
de keizerin begeerde van haar een schilderstuk, versierden 
er hun kabinet mede, en gaven haar, zoo waren zij over 
hare kunst voldaan, hunne met diamanten omzette portretten. 
Koning Willem III betaalde / 900,00 voor een harer kunst- 
stukken en de koning van Polen / 2,400,00 voor 3 bloem- 
stukken. In de keizerlijke galerij te Weenen is nog een stuk 
van haar aanwezig, voorstellende een Bouquet^ samengesteld 
uil verschillende soort van bloemen^ onder welke voorname- 
lijk een zonnebloem bewonderd wordt: deze bouqnet is in 
een porceleinen pot geplaatst, die op eene tafel staat. In de 
koninklijke galerij te Berlijn bevonden zich twee stukken van 
haar penseel, Bloemen in een glazen vaas en een meloen^ 
verscheidene trossen druiven enz. op een marmeren tafel ge- 
plaatst, waarachter een gordijn, alles schoon van kleur en met 
zorg bewerkt. Het getal harer schilderijen is gering, zij wer- 
den meest alle buitenlands verkocht. Zij is ongehuwd in 1693 
te Uitdam overleden. 

Zie Lev.van N. M. en Vrouw. D. VIII bl. 255, Soerraans, Kerk. 
regisier bl 44, 132; Immerzeel, t. a. p. bl. 281; Kramm, t a. 
p. b). 1228 ; K o b o s eii d e R i V e o o D r t. 

OOSTERWIJCK t Volkerus van) zoon van Albertus van 
Oosterwijck, prediicant te Delft, werd aldaar in 1603 ge- 
boren en in 1634, toen hij predikant bij de Nederlandsche 
ambassade te Venetië was, te Rotterdam beroepen. In 1640 
vertrok hij naar Delft, werd aldaar den 1 Febr. 1670 eme«- 
ritus en overleed 31 December 1675. Hij beoefende de dicht- 
kunst en gaf in het licht: 

Gezangen op het Hooglied, 1655 8o. 

Rijmen en zangen over 7 Hooglied, Delft 1695 8o. 

Keur van Beylige stoffen. Delft 1656 8o. 

Ben Chrislelychen Seneca, ofte Joseph Halls 300 goede 
jspreueken ugt de Eng. tale op rijm gesteU, Delft 1657 8o. 

Be Ho/bloemen ofte 300 etickfel, en leersame Bedenchingen 
enz, op rijm. Amst. 1659 8o. 



Digitized by 



Google 



uu 

Het Mom-aenügh/* ran de Doodt afgetrokken ofte Bétons- 
redenen êaé een christen voor de Doodt niet heeft te W0^ 
Ben» In maniere van een samenspreecking (usschen Titunti 
ende Timotheum, Rott. 1660. 

Oeloofsredeneuy dat is de Keydelbergsche en Nederla,nt^Qhe 
Calachismus op sangrymen gestelt. Delft 1660, 1666 8o. 

Gedichten op fF. Teelinka alleenspraken nagevolgt, 8o. 

Zijn ziu^preuk was syncere et nere. Zijn afbeelding*, ge- 
schilderd door A. Palaniedis en door C. van Queboor 
gegraveerd, hem vertoonende op 38jarige[(i leefUjd, werd. in 
1641 bij KloeUngh te Delft uitgegeven. 

Zie J. C. de Jonge, Nederl. en Venetië bl. 179; Witsen Geijs- 
beek, B, A. C Woordenh. o. h w. Glasius, Godgel. Nederl. o h.w. 
Van Harderwijk} Naaml. en levensbijzonder k. der predik, ie Jtot* 
t^rdam bl. 31, 32, Cat. d. Maats. v. Nederl. Leiierk. D. I bl. ^2; 
Muller, Cat. v, Fortr. ; Kobus eo de Rivecourt, Abcoude, 
Nuamr. bl. 270; S o e v m a n s. Kerk. Beg. bl. 37, 30. 

OOSTERWUK (CoRNELis van} te Gouda geboreu, in ft(ei 
1720, werd in 1743 predikant te Koorndijk, in 1751 te 
Zaamslag, waar hij 27 Jan. 1758 het eeuwgetijde van de 
stichting der kerk vierde. Hij stierf plotseling 3 April 1767 
op een reis v«n Middelburg naar Zaanslag, aan boord van heC 
vaartuig in het Hellegat. 

Men heelt van hem: 

Kinder- Catechismus i ofte korte onderwyaing in de ehria^ 
telyke leer voor de jonge jeugd , door Jacobus Borstius , met 
eenige verandering en uitbreiding, Rott. 1761 8o. 

JfTaarheid^ Godvrugt en Freede, voorgesteld ineen synodale 
predikatie over 1 Cor. 1 I: 23 in 's Gravenh, den 8 Julij 
1749 in 4o. Rolt. 1749. 

De eere van den openbaare Godsdienst verdedigt en gehand- 
haaft tegen de zulke ^ die onder de oeffening van denzelven 
beroering aanrigten, ter gelegenheid van het geene in de kerk 
den 5 April 1750 te Koorndijk is voorgevallen. Rolt. 1751. 

Zie BrftHS, Kerk. Beg. U. 132. Moekz, d. gel. Wereld 1761 a bl.^ 
353, 1743 b. bl. 671, 1744 a bl. 90, 475, 1758 a W. 34^;Ab<ïOude^ 
Tteeede Jank, bl. 118. 

OOSTERWUK f J.), een gelegenheidsdichler uit *t laatst der 
17e en begin der i8e eeuw. Men vindt proeven zijner poëzy 
in H. K. Arkstee, Nymegen^ de oude Hoofdstad der Ba- 
tooiden bU 189, 

Zi9 van der Aa, i\r. B. A. C. Woordeni, o.|i.w. 

aOOTBRWUK (KosNftAAD van), een der fcrtjgshoofden in den 
siryd Imsdien de UoHanders en Stiebtsohen. Hij werd doot 
ét IfMtsIe» ^tviiifca genomen (^134^}. > 

11 



Digitized by 



Google 



!d2 

Zie Matthaeot, ad Jmmym, dê rebmê VUraj, p. 197; Jobaonea k 
lerdit, Chron. libr. XXIX p. S70. 272; Wagen aar. Vod, Uut, 1). 
III, bl. 275. 

OOSTERZEE (Janckb) woonde op eeo der St<iteo io het 
dorp Oosterzee en was in den aanvang der 16e eeuw griel- 
man van Lemsterland. 

Zie van Sminia Nieuwe NaanU. v, Orietm, bl. 869. 

OOSTERZEE (Crristiaan Joranres') vioonde op de state 
Oosterzee, ook wel Blaauwhnis 'genaamd, te Oosterzee, en 
onnringde het met eene gracht. Den 21 Maart 1609 tot Griet- 
man van Lemsteriand aangesteld, was hij reeds in 16ü1 voN 
magt ten landsdage, en in hetzelfde jaar gedeputeerde In 
1607 was hij buitengewoon pecommitleerde in de Staten 
Generaal. Als lid van de Friesche Staten volgde by de lijk- 
statie van graaf Willem Lodewijk in 1620. 

Zie Geogr. Woordenb. van /W«#/. bl. 94; Winsenins, JTroit. bl. 
905; vaD Sminia, Nieuwe Naaml, v, Cfrietm. bl. 871. 

OOSTERZEE (Ctprianus), denkelijk zoon van den vorige, 
hnwde Tjomke of Tjamke, dochter van Jochem van 
Wijekei en Sjoukjen van Sgtzama, en had geen 
kinderen. Hij werd 24 Julij 1635 tot Grietman van Lemsler* 
land aangesteld en was 1640 lid van de Staten. 

Zie Ferwerda, Wopenb, in Wyckel gen, 4. Ckanerb. D. V, bl. 
87, 459; van S m inia, t. a. p. 

OOSTERZEE (Tivarnus van}, misschien aldus genoemd naar 
zyne geboorteplaats Oosterzee, gelegen in Lemsteriand 
in Friesland. Uy werd in Sept. 1578 aangesteld lot predi- 
kant Ie Goes, en onderteekeude als praeses de handelingen 
der classis van den 29 Februarij 1580 onder den naam van 
Tieniannus Eruroth, doch doorgaans voerde hy dien an- 
dereu naam. Hy is van wegen de classis afgevaardigd tot 
de synode, in 1579 te Goes gehouden. Hy verscheen nader- 
hand op de synode te Vlissingen in 1581 en werd er tot 
prae&es verkozen. Ook was hy lid der nationale synode in 
dat jaar te Middelburg vergaderd. Hy overleed tusschen July 
en October 1583. 

Zie Te Water, Bef. v. Zeel. bl. 273. 274, Byl. bl. 66, 66, 72. 

OOSTERZEE (Wouter Lborardus vam), in den jare 1781 te 
BoUerdam geboren. Al vroeg ontwikkelde zich by besu de 
last tot de studie, waaraan by zich later met zooveel iii^e» 
Bomeoheid wydde. De beoefening der gudi^eleerdbeid wasM 



Digitized by 



Google 



163 

bleef wel de hoofdzaak voor hem , maar ook op andere vak- 
ken van wetenschap legde hij zich met goed gevolg (oe. Hij 
werd daartoe aan de Utrechlsche hoogeschool vooral opge- 
wekt en aangemoedigd door den voorgang van voortreffelijke 
leermeesters. En dat hy met vrucht de lessen van zijne leer- 
meesters, ook de wijsgeerige van den grooten Hennert en 
den toen nog jengdigen van H e n s d e bad gehoord , bewees 
zijne dissertatie in 1805 geschreven, toen hij tot art. lib. 
mag. en phil. doet. bevorderd werd. In hetzelfde jaar aan- 
vaardde hij de evangclie-bedieuin? in de gemeente Brakel en 
vertrok van daar in 1809 naar St. Philipsland. In deze ge- 
meente, die hy zijn Palmos noemde, bragt hij de moeijelijke 
jaren der Fransche overheersching door. Daar werkten de 
omstandigheden mede, om hem op een geheel ander gebied, 
werkzaam te doen zijn en andere talenten bij hem te ontwik- 
kelen. Hij was daar een lijd lang secretaris der burgerlijke 
gemeente, vereenigde de zorgen voor burgerlijke en kerke- 
lijke belangen en was aizoo in meer dan één opzigt tot hulp 
en steun. In 1815 vertrok hij van daar naar Zonnemaire, 
waar hü, nu de tijdsomstandigheden zoo veel veranderd wa- 
ren* zich uitsluitend met kerkelijke belangen konde bezig 
houden, tot dat hem ia 1821 door het beroep naar Goes een 
ruimer werkkring werd aangeboden, die hij bereidvaardig 
aannam en die hem tot zijnen dood levendig ter harte ging. 
Het predikwerk vooral was zijn lust. Slechts dan wanneer 
ligchaams-ongesteldheid dit onmogelijk maakte , wilde hij daar- 
van rusten, en nog maar weinige dagen vóór zijnen dood 
trad hij voor de gemeente op, om haar door zijne laatste 
prediking den indruk te laten, dat, was ook zijn ligchaams- 
kracht verflaauwd, zijn geestkracht en moed onverzwakt wa- 
ren gebleven. Ook als lid van kerkelijke besturen was hij 
vol ijver werkzaam, schier tot zijn Jongsten snik. Nadat hij 
jaren lang lid was geweest van het klaissikaal bestuur van 
Goes, nam hy in 1850 de plaats van den waardigen ab 
Utrecht Dresselhnis, in het provinciaal kerkbestuur van 
Zeeland in. Meermalen was hy door het kerkelijk kollegie 
ter synode afgevaardigd, bekleede bij de hoogste kerkverga- 
dering de betrekking van vice-praeses en gaf overvloedige 
bewijzen, dat hij met geene mindere ingenomenheid de be- 
langen der gjheele vader andsche kerk als die der gemeente, 
waarin hij gesteld was, wilde bevorderen. Bijzonder werk- 
zaam van aard en levendig van geest, kou bij er niet aon 
denken rust te vragen, zoolang hij nog meende te kunnen 
arbeiden, en zyn wensch is vervuld geworden, dat hem de 
berderstaf uit de hand mogt vallen, alvorens zwakheid van 
ligchaam of geest hen noodzaakte dien neder te leggen. Van 
Oosttrzee was zeker een man met groole bekwaamheid 
toegerust, met een schrander oordeel en scherpen blik be- 



Digitized by 



Google 



164 

gaafd, en die van een en ander zoowel als van zijne rijke 
ervaring een Vi}d\g gebruik wist te maken. En had hij reeds 
in zijne jeugd getoond, dat hij niet ééne wetenschap met ge- 
ringschatting van andere wilde beoefenen, tot in den late» 
avond van zijn leven toonde hij , dat hij op meer dan één 
gebied met de hem eigene bekwaamheid en voortvarendheid 
werkzaam konde en wilde zijn. Hij was op twee na de oud- 
ste predikant in Nederland toen hij den 29 Januarij 1860 te 
Goes overleed en werd den 3e Februarij ter aarde besteld. 

Zie N, Moit. Courant 9 Febr. 1860. 

OOSTFRIES (Jozef), glasschilder werd in 1628 te Hoorn 
geboren en overleed in 1661. Ten tijde van Honbraken 
waren in verscheidene kerken in hel Noorder-Kwartier nog 
vele kunstige werken van hem voorhanden. 

Zie lm m erzeel t. a. p. bl. 281. 

OOSTFRIES (Katharina), zuster van den vorige, werd iri 
1636 te Nieuwkoop geboren. Zij beoefende tot in haar 72 
jaar het teekenen en glasschilderen. Op de knnstverkooping 
van den baron van Heeckeren van Brandsenburg, 
waardijn aan 's rijks munt Ie Utrecht, in Junij 1848, waren 
twee teekeningen met O. I. voorstellende Zeegezickten met 
schepen van haar. 

Zie I m m e r z e e 1 , t. a. p . bl. 281 ; K r a m m , t. a. p, bl. 1224. 

OOSTHEM (^Hessel van), een Friesch edelman uit een ge- 
slacht dat van Hoogduitschen oorsprong was en met de 
hertogen van Saxen in Friesland kwam. Hij was de zoon 
van Ilans van Oost hem, drossard van H kasteel te Leeuwar- 
den, erfschenker van het prinsdom Hennenberg. Zyne moeder 
was Fokel van Martena. Hij werd in 1565 Grietman van 
Idaarderadeel , en was een der verbondene edelen. In 1566 ver- 
zette hij zich met anderen tegen de aanslagen van Aremberg. Het 
gevolg hiervan was, dat hij in 't volgende jaar zijn veiligheid in de 
vlngt moest zoeken en niet lang daarna opentlijk gebannen werd. 
Hij huwde Tet Burmania, en verwekte bij haar 1 Jel, ge*- 
huwd aan Hessel Yerwou, Luiksch edelman, die groote 
verdiensten had; 2 Hans, wiens dochter Cnnira tot man 
kreeg Homme van Hettinga, kolonel, in 1649 overleden; 
3 Hessel, die in 1630 zich in den echt verbond met Wil- 
helm ina van Gendt, gesproten uit ket beroemde geslacht 
van dien naam in Gelderland. Kort daarna gaf deze zich aan 
bij H kwartier van de Yeluwe om in de ridderschap versohre- 
ven te worden, doch men verstond den 17e Oec. 1605 di^ 



Digitized by 



Google 



165 

hy zyne adeliyke geboorte iiuder bewijzen moest en aantooneo, 
dat bij in Friesland verschreven was geweest. Beter slaagdf 
by- bij de ridderschap van Nymegen, in wellce Iiij den 19 
Dec. 1606 toegelaten werd en tot in 1612 verscheen. Zijn 
zoon Bartbold van Oosthem, die gezegd wordt het 
laatste manlijk oir van dit geslacht te zijn geweest, bawda 
Sasanoa Sophia Ihoe Schwarlzenberg. 

Zie Te Water, Verb. der EdcUn D. III bl. 198, D. IV bl; 
448. Winsemius, Histor. p. 72. p. 90 115; Van Sm in ii, N, 
Naomi. d. Grietm. bl. 149. 

OOSTHOORN (_ Abraham^ werd te 's Hage geboren en ont- 
ving onderwijs van Theodoor van der Schuur, in wiens 
manier hij ook historiën schilderde. In dat vak geen grooten 
opgang makende, schilderde hij portretten. De plaats en bet 
jaar van zijn overlijden is onbekend. In 1688 wss bij lid der 
Haagsche confreriekamer van Picfura. 

Zie Kramm, t. a. p. bl. 1224. 

OOSTHOUT (PfETER) werd 23 Junij 1780 te 's Hage ge- 
boren, 25 Maart 1807 als Hollandsch élève bij liet corps 
élèves aangenomen, den 16 Aug. van dat jaar fou^ 
fier bij de Hollandsche garde, den 1 Jac. 1809 by de garde 
des corps van den koning van Holland, en diende als zooda* 
nig in Brabant tegen de Ëngelschen. Den 10 Oct. 1810 giog 
hij bij incorporatie over bij het 2e regement Grenadiers te 
voet van de keizerlijke garde nU velite. Den 16 Nov. v. d. 
j. werd hij geïncorporeerd bij het 2e regement der cfaevanx 
legers lanciers van de keizerlijke i^arde, den 10 April 1811 
bij het 86ste regement en diende in Spanje en Portugal. Bij 
keizerlijk decreet van 8 Febr. 1813 werd hij tweede luite- 
nant bij hetzelfde regement en 1 Maart 1814 geïncorporeerd 
bij het 63ste regement. Den 26 Junij van dat jaar werd bij 
eerste luitenant bij bet batailion Infanterie Ptationale Militie 
No. 3, doch verkreeg 9 Nov. 1815 op verzoek honorable de- 
missie. Den 19 Julij 1816 ontving hij zijn aanstelling tot Ie 
luitenant bij het batailion Infanterie Nationale militie No. 16 
en den 12 Dec. v. d. j. tot Isle luitenant adjudant bij dat 
batailion. Bij de organisatie der 2e afd. Inf. werd hij, 1 Jan. 
1819, è la suite dezer afdeeling geplaatst en den 18e April 
1820 kapitein Adjudant bij het 5de batailion van Luxemburg. 
De 17 April 1821 werd hij geplaatst bij de O. I. troepen è 
In suüe ven het eigem- Dep. batt. No. ^, vertrok 30 Mei 
daaraaovol^eiiden van Hellevoetsluis op de Maria Hillegonda 
«ea kwam 4ei 10 Jan. 1822 te Batavia aan. Den 27 Oct. 
1823 werd hij adjunct inspecteur Ie kl., den 11 Jan. 1825 
fii«f eresd OBderiaspeeteur in de Ie gr. mil. afdeeling, 11 Jan. 



Digitized by 



Google 



166 

1829 fungerend onder-iiibpecteur bij liet leger te velde, deo 
18 Junij IQ dezelfde betrekking in de 3e groole mil. afdee- 
ling, den 4 Deo. 1830 op zijn verzoek, bij "1 Alg. Depot als 
kapitein overgeplaatst, den 14 April 1831 majoor, 23 Deo. 
1831 kommandant ad int. Alg. Dep, 27 Febr. 1833 overge- 
plaatst bij het 7 bataillon inf. In 1834 verkreeg hij een 
tweejarig verlof en keerde op het schip Schoonverbond ka- 
pitein Dra ij er naar het vaderland terug. Reeds in het vol- 
gende jaar keerde hij op de India weder, werd aldaar nog in 
hetzelfde jaar overgeplaatst naar Samatras westkust, kort 
daarop kolonel bij het 7 bat. Infanterie. In 1S37 werd hij 
benoemd tot waarnemend resident van Banka met bepaling 
dat hij tevens zou belast wezen met de fiinctien van militai- 
ren commandant, en verkreeg 17 Nov. 1840 zijn eervol ontslag. 

Oosthout verwierf zich grooten roem als krijgman in 
1809 streed hij in Brabant tegen de Engelschen, in 181 1, 1812« 
1813 diende hij in Spanje en Portugal, in 1813 en 1814 bij 
de groole armee in Duitschland, in 1815 in Frankrijk, in 
1829 en 1830 stond hij bij het leger te velde iu de vorsten- 
landen op Java , van 1835 — 1837 nam hij deel aan den oorlog 
op S**matra''s westkust. De koning benoemde hem in 1&!5 lot 
ridder 4e kl. van de milit. Willemsorde, 10 Maart 1831 kreeg 
hij een eervolle vermelding, den 19 Junij 1832 de bronzen 
achtkantige medaille voor den oorlog op Java. Twee jaren 
later benoemde hem de koning tot ridder van de orde van 
den Nederl. Leeuw. In 1841 verkreeg hij vergunning tot het 
dragen van een gouden degen met diamanten omzet, hem 
door de ofcieren en ambtenaren van Banka geschonkeu. Den 
10 Junij 1856 werd hij commandeur van de Eikekroon, ook 
ontving hij de St. Uelena medaille en het eereteeken uilge-- 
reikt voor de krljgsverrigtingen in de jaren 1813—1815. 

Omstreeks 1857 was hij voornamelijk de oorzaak der niet 
verpachting der tinmijnen van Banka. Hij huwde l) Gat ha- 
rt na Chris tina Smets in 1841 gestorven en 2) in 1842 
Anna Maria Eleonora Canselaar. Hij overleed 7 Dec. 
1865 te Delft. 

Farlic, herigt, 

OOSTERWOÜD (Waarten) schreef: 
ScJiool der atuurlieden. Hoorn 1702. 

Zie Arrenberg, Naamr, bl. 890. 

OOSTING (Mr. Petrus) werd den 4 December 1812 te 
Zutphen geboren. Zijne ouders waren Hendrik Jan Dos- 
tiug Burgemeester te Assen, en Rijksbetaalmeester aldaar 
en Maria Hofstede, dochter van Mr. Petrus Hofstede, 
gouverneur van Drenthe; cnrator der Groninger Hoogeschool , 



Digitized by 



Google 



Sinaisraad eni. Tot de academit che leaseir bevorderd nam hy ab 
flankear in de compaenie vrij willtgre flankears van Groninger en Frt- 
neker studenten , deel aan den tiendaaeschen veldtoirt , en ver- 
wierf Nldns het metalen kruis. Na den 6 Junij 1835, nn bet 
verdedigen van een academisch proefschrift ^de provincia 
Drentkina ab Ordinièus Generalièus Provinciarum Belgarum 
aaeculo XFII excluaa. F ara prior"" den graad van doctor in de 
beide regten verkregen te hebben , vestigde hy zich als advokaat 
te Assen , en werd den 19 November 1837 benoemd tot pro- 
cureur by de Reglbank van eersten aanleg aldaar. Reeds 
spoedig daarop verwisselde hy deze betrekking met die van 
griffier by het kantongeregl aldaar en trad den 16 Jnny 
1841 in het hnwelyk met vrouwe Ehynvisa Mathilda 
Elisabeth Catharina, kleindochter van den dichter Ifr. 
Rhijnvis F ei tb. Nh nog in 1855 tot ridder van de 
orde van de eikenkroon benoemd te syn, overleed by den 
12 Mei 1857 in 4ójarigen leeftyd, nalatende twee zoons en 
eeiie dochter. Behalve zyne kunde wordt ook zyn eerUjk , rond- 
borstig en onpartydig karakter zeer geprezen ; zyn vroegtydig 
overlijden werd algemeen betreurd. 
Part, berigt. 

OOSTING (G.) geboren te Assen was 
schreef eene apec. jurid, de origine et progreaau Juria Drenthini 
etc, Harderov. 1805 4o. 

Zie Cat. d. Maats, v, Nederl, Letterk, O II bl. 168. 

OOSTINGH (Laubrns) In 1518 had Philips van Bonrgondie, 
bisschop van Utrecht, op zyn kasteel te Yollenhoven eene 
vergadering belegd van de Staten van Overijssel en de Ede- 
len van Drenthe, tot het maken van wettelyke verordenin- 
gen , die Overijssel en Drenthe met elkander gemeen hebben 
en eene reeds lang door hen beoogde inlyving van Drenthe 
en Overyssel zouden voorbereiden. Hier kregen de Dr)5nt- 
sche Ei^engeerfden de lucht van, en ongezind om zich in 
hunne regten en vryheden te laten bekorten* stroomden zy 
in groeten getale naar Yollenhoven om er de zelfstandigheid 
van Drenthe te helpen handhaven. Van woorden kwam het 
daarbij tot daden. Van weêrszyden werden er velen gewond, 
en van de Eigengeerfden moest Laurens Oostingh bet 
met zyn leven boeten. 

Later werd er een latynsch geschrift op hem vervaardigd. 

Zie Navorseher D. VIII, bl. 195. 

OOSTKAMP (Jan Antonib) werd omstreeks 1790 te Zwolle 
geboren, was aldaar van 1800 — 1845 onderwyzer in de 
godsdienst. Hy gaf tusschen 1814 en 1A34. 33 schoolboeken 



Digitized by 



Google 



168 

tiit, over de godsdienst, aj^emeene-, bijbelsclie- en vaderland- 
scbe geschiedenis, aardrijks- en nataarkiuide, reizen; eas. Hij 
oyerlee^ te 2^x>Ile Maart 1845. 

Zijne schriften zijn: 

Proeve ten hetoog ^ dat aoh de planeten door levende en 
r^el^ke schepselen bewoond worden, Amsl. 1814. 

De geschiedenis van Simeon, voor kinderen met een knar^ 
ije, Zwolle 1816. 

De geschiedenis van No ach ^ een leesboek toor kinderen, 
Zwoile 1820 2e dr., 1830 3e dr. 

Oesekiedenis der stad Zwolle met een kaartje, Zwolle 181 7« 
Handleiding tot het onderwijs in de B^ belgeschiedenis, 
Gron. 1818. 

Aardrv/kskundige beschrijving van het koningryk der Nc" 
derlanden met eene gekl. kaart. HaarL 1818, 

Aardrijkkundig schoolboek van de provincie Overyssel met 
een kaartje. Zwolle 1818 2e dr. J. van Schreven noemt 
dit boekje uitmuntend voor dien tijd doch in 1852 gaf hij 
zelf een nieuw en beter. In zijn voorberigl brengt hij hulde 
aan Oostkamp. 

De maan eene beicoonbare en door levende en redelyke 
schepselen bewoonde wereldbol, Amsl. 1819 8o. 

Geschied' en Jwdrijkk, beschrijving van Amsterdam met 
een kaartje. Gron. 1820. 

Proeve over de grootheid^ gedaante en algemeene bewoning 
van het heelal, Amst. 1821. 

Feestgeschenkje voor de christelijke jeugd met platen, 
Zwolle 1810, 1821. 

De regenboog met eeue afbeelding van dezelve en aan^ 
siperkingen, Amst. 182 2« 

De zaligheid der i>roeg gestorven kinderen op Evwigelidche 
gronden gevestigd, Amst. iê22. 

Aardrijkskundig schoolboek voor de provincie Drenthe. 
Koevordeti 1822. 

Onderwys in de godsdienst^ ter beantwoording dw vragen 
in het onderwijs van A, Ledehoer en W. de Roo. 2e dr# 
Amsl, en Zwolle 1822. 

De geschiedenis der Israëlieten. Deventer 1824. 

Aardrijk' en geschiedk beschrijving der stad Deventer mei 
een kaartje. Peventer 1825. 

Geschiedkundig schoolboek van de provincie Overijasel 3 
mkjes, Zwolle 1835. 



Digitized by 



Google 



169 

Ge^hied' en Kardrijkak, iafdeu van ée prmfineia Cher" 
ijasel^ in plema^ met em handleiding, Zwolle* 

kardrijkekundig tooordenhoek}e des Bijlels, Gron. 1805. 

Het leven é^n de daden tan M, S^. frvmp èn /. Wuèêe^ 
naar van Ohiam mH platen en portretten^ Det«trt6r 1825. 

Be nterkwaurêtigBte Nederlandsafie zeereizen^ sedert het laar 
1594, voor de jeugd, 2 d, m, pi, Amsl. en Leew. 1826. 

B^helache land- 'en meereizen m, pi, Amst. 1826. 

Eerste begiaaelen. der Nattmrkimde 2e dr. m, 'fi, Ciron. 1827. 

K&rte Geschied^ en kardrijksk, beschrijving van het te^ 
gen^oordige Europ^esohfe lïirkije. Zwolle 1828. 

Tiet leven , de daden en lotgevallen van den konimaudeur /. 
van dalen ^ voor de jeugd m, pi. Deventer 1830. 

Met leven ^ de dfiden en lotgevallen vau iTUte Kcrnelisz, 
de Witte voor de jeugd, Devenler 1831 m. pj. 

Iets over de ^meuw loormen of zoogenaamde engmwvlooijen 
in Fibd. Ijett, 1813 D. XXII »l, H bl. 497. 

De Noord' Nederlandsthe teeheid onzer eeuw J. C. ^, van 
Speifki voor Antwerpen, een leeshoekje voor de vaderlandsche 
jeugd, Deventer 1831. 

Tafereel van ons zonnestelsel volgens de nieuwste ontdek» 
kingen^ tot op het einde van den jare 1832 naar Schr'óter ^ 
Hirschely Bode^ Gelpke en Flaugerques^ plano, AmsL 1834. 

Een achttal Bijbelsche geschiedenissen en verhalen van eene 
moeder aan haar zoon^ voor de jeugd met plaatjes, Amsi, \S34t, 

Korte levensbeschrijvingen van eenige der voornaamste Ne- 
derlandsdie landhelden en heldinnen m, platen, Ams(. 1834. 

Het leven, de voornaamste daden en lotgevallen van Ger- 
rit Verdooren van Asperen^ vice^admiraal enz. voor de }eugd 
óewerkt^ met platen, Deventer 1837. 

Zie Jlphui. Nsaml, van Boeken , van C 1 c e f , Mr. B o d e 1 ; N y- 
IV en hu is, Topogr, lijst v. plaaishesehrijv, 1494, 8850^2825, 2892, 
2905, 3357; Alg. Handelsblad 25 Idaart 1845. 

OOSTRUM (Anka van}, dichteres, bloeide in het midden 
der 18e eeuw. Zij plaatste hare diehtstukken in de Boekzaal 
der Gel, wereld. 

Afzonderlek verscheen: 

Anna van Oostrum , — E, Braijer Jr. — Jirtia Amore^ — 
La Consianee Triomphe, — f El. Chatii?} op de 9erkiezinge 
van J. A, Bcholten van Asschat^ Raed en Oud^Schepen der 
stad kmsteldam, tot Bemindhebèer van de O, I. Maatscki 
ter kamer van deze stad^ d, 5 van sprokkelm, 175L Ajnst* 



Digitized by 



Google 



iro 

2ie Schotel Kmrk. Dordr. Dl, bl. S09. 771; vao der Aa 
N. B, A. C. Woordenb, o. h. w. Bo^kn, d. Oei, wereld 1758 b. 
bl. 888, au. d. Mmatt, p. Ned, Letterk. D I, bl. 29S. 

OOSTRUN of OOSTERÜN (Antonius van), predikant te We- 
leriDgen (1658) Briele (1670) en Dordrecht (1671), wtar 
hg in Maart 1680 stierf. Ziju broeder Wil helmus we^d in 
1655 uit "'s landsvloot te Rijswijk beroepen en overleed in 
1661; sijn sooh was Antonius, predikant te Groot Ammers 
(1682) Zwijndrecht (1684). bij de Nederduitsche kerk te 
Londen (1687), bij de Enirelsche (1691) en de Nederduitsche 
kerk te Amsterdam (1692). Hy overleed 10 Jan. 1716. Van 
hem bestaat een portret in zwarte kunst door P. Schenk 
met een vierregelig Holl. vers van D. van Hoogstraten. 
Eenandere zoon Antonius, was predikant te Diemen (1704) 
Amersfoort (1710) en aldaar gestorven in Sept. 1720. Van 
Antonius van Oostrum (den vader) heeft men horteen 
beknopte catechisatie over den Heidelbergsehen catechismus 
tot onderwijzinge der eenvoudige. Dit werkje was zoo ge- 
acht dat er in 1686 een vierde druk, door den autheur van 
nieuws overzien en met een korte ondersoeckinge en èelgde^ 
nisse des geloof s vermeerdert (p.p. 308) te Dordrecht van 
bet licht zag. Sedert is het meermalen, als te Dordrecht 
1692, 1693« 1704, 1708 en 1718, te Amsterdam 1756 byj. 
IHonsterre herdrukt. 

Zie Schotel, Kerk, Dordrecht, D. I bl. 60,508. D. II bl. 770; 
Glasius, Oodgel, Nederl. o. h. w.; Steven, Hist, of the 
ScoUiih. Churoh p. 179! van Alphen, Prol. Oeeon. Caiech. 
Patat. /2 Ck>l. 6; Koecher, Catech. Kut. der Oeref, kerk bl. 
;i43, 844; van Alpen, Leiier k, Geickied. v, d. Heidelh Catech, 
bl. 486; Sobotel, Geschied, v. d, Heidelh. Caiech, bl. 384; 
1^1 c u r i k , Naaml . v . Godgel . schrijo. ; Abcoude, Naamreg , 
Arrenberg, Naatnr . Paaaw en Veeris, Kerk, Alph . 
bl. 148: Wagenaar, Beschriju. v. Amsterdam D. Vil 
bl. 595-, D. van Hoogstraten, Ges. bl. 220, 221 « A. 
Pars, op de Kateehisaiie van den heer Ant. van Oostrum, Leeraar 
van Gods gemeente in den Briel 1669 1 Dordregtse Maagderei^en aan 
den setven, 6ero*fpe lot Dordrecht 1670. 

OOSTRUM of OOSTROM (G. vak), een bekwaam landschap- 
schilder, bloeide in de eerste helft der 18 eenw. Op Vat, 
Philips van Dijk ^s Uage 1763 komt van hem voor: een 
schoon landschap met een waterval , beelden en beesten^ waar- 
voor ƒ27 en een dito landschap met een waterval^ waarvoor 
y 22 betaald werd. In de Beschrijv. der stad Hensden door 
/. van Onderhoven Amst. 1743 4o. bl. 46 komt voor een 
gravure naar een zyner teekeningen, door S. Fokke ver- 
vaardigd. Ook sneed P. Yver in 1743 naar zyn teekening 
een afbeelding van bet kasteel Herpt. 

Zie Kramm, t. a. p. bl. 1224. 



Digitized by 



Google 



ITl 

OOSTRUM (Gerbertus), ah proponent beroepen to Sleeuw^k 
bij Gorinchcin ^1659). «aii de Bilt bij Utrecht (1665) te 
Kuilenbursr (1667) te Amsterdam (167^} en aldaar gestorven 
6 Mei 1706. 

Hij schreef. 

Twintig FreUcalien oter de ziekten en doot der Ge/oovi' 
ffen, Amst. 1706 4o. 

Zie Veeris en Paanw, Veru. Kerk, Alphabeth, bl. 148; Jöcher. 

OOSTRUM (?, van) of OSTRÜM, tijdgenoot van P. Bor, 
bet IV en V deel van wiens NederL Oorloghen hij met ziju 
poezy versierde. Zijn zinspreuk was Keur baart angst. 

Zie V a n d e r A a N. B» A, C. Woardenb, o . h . w . 

OOSTRUM (^Fran90is Willem van Brienen van) was de zoon 
van Jan van Oosirum en van Constantia Henrietta 
van Brienen; Van dezen verdienstelijken officier valt wei- 
nig te zeggen omdat hij te vroeg aan het vaderland ont- 
nomen is. 

Hij trad in zijne jeugd in dienst bij het wapen der 
artillerie en werd den 24 Sept. L801 tot 2e lalt. en den 29 
October 1804 tot Ie luit. bevorderd bij de brigade rijdende 
artillerie, en, na den 29 October 1806 tot Ie kapitein aan- 
gesteld, voerde hij het bevel over de 2e kompagnie. 

Hij bragt van zijnen kant veel bij tol het vestigen en ver- 
grooten van den roem van het korps rijdende artillerie en 
onderscheidde zich vooral in den veldfogt van hel jaar 1806 
op het slagveld van Friedland. Hy was toen als 2e kapitein 
geplaatst bij de 1 ste batterij rijdende artillerie, onder bevel van 
den kapitein Hogerwaard, die was ingedeeld bij het 
noorder leger, waarover het bevel door koning Lodewijk 
werd gevoerd, later bij het 8e legerkorps onder Mortier, 
tegenwoordig bij alle gevechten die in Zweedsch Pommere 
sijn voorgevallen, volgde h^i M o r t i e r naar Friedland en voerde 
toen het bevel over de 1ste batterij rijdende artillerie. (^Zie v. 
Sypesteijn Rijd, Ar, bl. 96 en 97) Tot belooning van zijne 
in dien slag betoonde dapperheid benoemde koning Lode- 
wijk hem den 7 Jan. 1807 tot ridder der orde van de Unie. 
Hij keerde in Augustus 1809, intusschen tot bevelhebber der 
2e batterij benoemd zijnde, naar het vaderland (^met de ove- 
rige Uollandsche troepen) terug. Tijdens de landing der En- 
gelschein Zeeland, 1809, behoorde hij met de batterij no. 2 
hij het hollandsche leger dat onder Du Monceau stond en 
werd in November 1809 benoemd tot bevelhebber der batterij 
no. 8, ter vervanging van Kolonel Trip, die in Spanje aan de 
krijgsverrigtingen aldaar zoo roemvol had deelgenomen. In 
November 1810 v«»rirok hij derwaaarts maar slechts te Madrid 



Digitized by 



Google 



172 

aangekomen werd hij door eene hevige ziekte aangetast, ten 
geyolge waarvan hij den 20 Julij 1810 aldaar overleed. 

Zie Bosscha, heldend, te land III D. bl. 260: Van S y p e- 
steyn. Geschied, d. Rijd. Jrtil. bl. 84, 87, 96, 97, 98, 99, 108, 
157, 168, 168; Bocumens hütoriques de Louis Napoleon 1S20 II bl. 
106 en Thiers in zgn werk Cousulai de VEmpere T. VII pag. 682 
édition de Meline haalt zelf aan op welke roemvolle «v^ze 1-^ deo 
Franscfaen colonel fialtus in dien slag bijstond en zegt; iL' artillerie 
"de Mortier surtotU dirigée par Ie colonel Baltus et par vn excellent 
"Officier ffollandais, Mr, van Brienen , leur causa des dommages incal- 
fculables**. 

OOSTWERF. schreef: 
Schoole der stuurlieden. 

Zie A b e o n d e , Aanh. bl . 152. 

OOSTWOUD (Jacob} vermaard wisfciindige Ie Oost-Zaandam, 
gaf in hel licht: Lyste f>an versckeide imposten met de Xde 
Tferhaoging op de invordering van de gemeenlandsmiddelen bij 
collecte over Holland^ fVest- Friesland ^ ingaande den i Jan. 
1750. Purmerend 1750 4o, 

Met Schut, Mathematische liefhebber^ of verzameling va» 
drie duizend wiskundige voorsteUen, Amst. 3 d. 8o. 

Maandelijhsche Mathematische Liefhebberij^ Purmer. 1 764. 

Ook vertaalde hij : 

Bundel van wishmidlge uitspanningen. Amst. 8o. 

Zie Abcoude, Naaml. Aanh, bl. 11; Arrenberg, Naamr, bl. 
390; Boekz. der GeL wereld ^ 1764 a bl. 2S7. 

OORTWIJN (Hermanus), gehoren te Oude Pekela 25 Oct. 
1782, een verdienstelijk hoofd-ofïicier van het korps militaire 
ingenieurs, was in 1815 belast met het opmaken der plans 
voor de vesting Charleroi in België. Deze vesting is onder zijn 
toezigt opgebouwd en voltooid. In 1839 tot kolonel benoend, 
was hij in 1841 als zoodanig belast met het bestuur der for- 
üfieatien ia het hertogdom Limburg en tevens eerstaanwezend 
ingenieur te Maastricht. In dat zelfde jaar is hij op pensioen 
gesteld en in Groninger-land gaan wonen. Hij overleed te 
Gronings aan eene beroerte den 26 Sept. 1862* Hij was 
ridder der militaire WiHems-Orde 4e klasse. 

Opgemaakt uit den Naam en ranglijst der Officieren i^an het 
Nederlandsche leger. 

Part, èerigt en de Registers van den burgerleken stand, 

OOSTZAAN (^JacobCornëlisz. tan} .Zie Cornelisz. Jaeob. 
OOYEVAER (jQmiiAVm Abrahams} leverde een menigte 



Digitized by 



Google 



173 

drink, minne en stichteiyke liedjes in de Haerlemêche Somer" 
bloempjes en hel Utrechtsche Zang-prieeltjen. Zijne poèscy i» 
natuurt, middelmatig. 

Zie van der Aa, iV. B. J. C Woordenb. o. h. w. 

OPBEMA TAECKË (eigrenlijk Taecke Obbema of van 
Obbema) was een Schieringcr edelman, die, even als de 
A b b e m a'^s, Aebinga'*s en Al bad a''s, den klimmenden Leeuw 
van keel op een veld van goud tot wapen voerde en gej^egd 
werd van de Hollandsche graven af Ie stammen. Hij was zeer 
graafsgezind, even ats de andere bovengenoemde gesjtachten ; 
terwijl de vetkoopers zich niet door de graven wilden laten 
dwingen, zoo ats de Schieringers. onder welke rijke edellieden wa- 
ren. Inl494 maaktehij met Rie nok Camstra, Rienck Cam- 
mingha en Jelle, pastoor te Rauw erd,het gezantschap naar kei- 
zer Maxim iliaan uit om bij dezen in te brengen de klag- 
ten over de geweldige dwangmiddelen der Groningers tot in- 
vordering van drukliende heffingen over alle inwoners van 
Oostergoo.klagten die bij den keizer gunstig geboord werden en het 
gewenschte gevolg hadden, daar de Groningers, voor hun ge- 
drag verschooning verzoekende, kennis gaven, van aan de bevelen 
des keizers te zullen gehoorzamen. Benige wieken vroeger 
was hij aangesteld onder de 24 regters, die met den potes^ 
taat van Friesland over de gewigtigste aangelegenbeden 
moesten beraadslagen, welke vergadering in duigen viel en 
het genoemde gezantschap ten gevolge had. Der Saksische 
partij zeer toegedaan zijnde, nam hij, op bevel van Wille- 
brord van Schomburg, eerste ritmeester van Al bert, 
hertog van Saksen, met 80 ruiters onderscheidene kasteelen 
van zijne Groningsche vijanden in, verwelkomde, in 1499, als 
afgevaardigde van Oostergoo , graaf Albert van Saksen en 
zijnen zoon Hendrik te Harlingen, en werd in het zelfde 
jaar aangesteld tot raad in den llove van Friesland. In 1501 
was hij kastelein van Dokkum en in 1515 behoorde hij met 
zijn zoon Willem onder de 60 edelen, die in de St. Vi- 
tuskerk van Oldehove te Leeuwarden den eed van trouw aau 
Ka rel Y aflegden. Hij was gehuwd met Otzen van 
Clant uit de Ommelanden, die hem een zoon schonk, Wil-* 
iem genaamd. Na hjaar overladen hertrouwde hij met Auck 
van Heemstra, begraven te Damwoude 24 April 1547, 
waardoor hij ook de state Heemstra bekwam, voor zich en 
z\jne kinderen, waaronder zijn zoon Willem, den ge^laehts- 
naam van Heeimstfa aannam, die zijne afstaaMnelingen nog 
heden ten dage dragen. Als kinderen bij zyne echtgenoote 
Anck van Heemstra staan vermeld: Po pp e, die den beU 
dendood stierf in 15X6; 2e S j o e r t, onder anderen als gevolroag-* 
tigde uit I>amwoade afigevaardigd teo landsdage , f n lid der 



Digitized by 



Google 



174 

hiaten vau Friesland, overleden in 1563; 3 Ie Ut. f«Hèwd 
met Sicke Douwes van Galama; 4 Marfarethe over- 
leed 28 October 1546 . gehuwd mei Jeppe Gerckes van 
Ha ma en in Oldehove te Leeuwarden begraven en 5 Feye 
gehuwd met E b e l A I e f s dochter van H e m m e m a , onder 
anderen gevolmafirtigde uit de heerschappen van Tietjerksle- 
radeel op den laudsdag^ der staten van Friesland 17 Januarij 
1550 en volgende dagen, bij gelegenheid der beraadslagen 
nopens den eed en de inhuldiging van Philips, prins van 
Spanje, ingeval van overlijden des keizers Ka rel V, Êrfheer 
van Friesland, en aangaande de approbatie en ratificatie van 
het traclaat door den keizer met het Duitsche ryk gesloten. 
In de beneficiaal-boeken van Friesland, Leeuwarden 1850 bij 
G. T. N. Suringar komt deze voor als Feye Heem- 
stra enz. terwijl zijn vader, onze Ta eek e voornoemd, hel 
laatst in de Kronyken voorkomt, als grondbezitter in 1545, 
toen hij als lid der staten van Friesland, aan den avond van 
zijne roemvol leven de resolutie van de staten mede onder- 
teekende, om de vrijheid en de privilegiën te beschermen te- 
gen keizer Karel V (die eenen eisch om den 21 sten peo- 
Ming gedaan bad), met dat gevolg, dat op hnn lang aanhou- 
den het land vao dien last ontheven is. 

Part. lerigt, 

OPBERGHEM (Noubert van) een dominikaan in Brabant, 
schreef: 

Demonstratio canonica^ pro Uhertate parochianorum in 
freqtientandia eeclesiis et sepuUum eligendiè. Col, Agrip, 
1683 8o. 

Zie J ö c h e r. 

OP DEN HOOFT (Mr. Jan) werd den 5 Maart 1795 te 
Vianen uit een deftig en bemiddeld geslacht geboren. Zijn 
vader, Lambertus Op den Hooft, medicinae doctor en secre- 
taris van Vianen, zoowel als zijne moeder Anna Maria Schel- 
ken8,waren overleden toen hij nog zeer jong was, en zonder andere 
kinderen na te laten. Na de beste inrigtingen van lager on- 
derwijs, die men destijds bezat, bezocht, en de Lalijnsche 
school te Utrecht af^eloopen te hebben, begon hij in ISll 
zijne studiën aan de secondaire, later Hoogeschool te Utrecht. 
Onbeschrijfelijk was de invloed, die vooral van H^asdeop 
zijnen leerling uitoefende. In 1815 eisehte de nood des va- 
derlands andere dan letterkundige diensten en Op den Hooft 
onttrok zich aan die roepslem niet. Hij' nam dienst in de 5e 
compagnie vrijwillige jagers te paard, en toog mede naar de 
omstreken van Parijs. In October 1816 keerde hij baiswsarts, 
en promoveerde in December 1817, gelijktijdig mei s^iie 



Digitized by 



Google 



175 

vrienden den Tex en yan Leeowen,te Utrecht in de 
rekten op •m^e diêseriuiio « sistens doctrinam jurisconmltorum^ 
JRomanorum de damno ir^uria dato^ ad legiê aequitatis 
exactam. 

Na zijne promotie, veitigde h^ sich als advokaat te Am- 
sterdam, en in 1829 werd bij door de Staten van Holland 
in de tweede kamer afgevaardigd, en acht jnren mogt hij de 
betrekking van volksvertegenwoordiger bekleeden. 

Nadul België zich eenmaal feitelijk en door de groole mo- 
gendheden begunstigd, had afgeschenrd, bepleitte Op den 
Hooft, met de schranderheid van den echten staatsman de 
zaak der wettige scheiding en verklaarde in verband tot die 
gebeurtenis zich bereid, om mede te werken tot eene bedachtzame 
herziening van het Staatsverdrag. De finantiele maatregelen der 
toenmalige regering vonden vaak in hem eenen bestrijder, die, 
kreeg hij de meerderheid der stemmen niet aan zijne zijde, 
daarom de meerderheid der redenen nog niet tegen zich had. 
In de handelspolitiek betoonde hij zich een onbezweken, 
schoon in geenen deele doldriflig voorstander der zuivere be- 
ginselen. Onder anderen zijne redevoering over de graanwet 
van 1^36, werd, zelfs door de tegenpartij, als een meester- 
stuk van parlementairen betoogtrant geroemd. Een werkzaam 
aandeel nam hij, in 1831 door den koniui? tot medelid der 
commissie van redactie benoemd, aan de jongste herziening 
der Nederlandsche welhoeken. Bekend inzonderheid zijn zijne 
belangrijke adviezen over het wetboek van koophandel. Zijne 
builengemeene vertrouwdheid met dit moeijelijk gedeelte des 
regts en de verwonderlijke mate, waarin bij hem de theorie 
en de praktijk zich tot een geheel te zamen gesmolten had, 
straalden bg de beraadslagingen over dat wetboek telkens 
door. Van 's mans helder oordeel getuigden evenzeer de krach- 
tige bedenkingen, die hij tegen de reglerlijke organisatie 
opperde. Niet ten oaregte werd elders zijn beeld dus geschetst, 
„dat hij in zijne loopbaan als volksvertegenwoordiger zich 
toonde vurig gehecht aan het huis van Oranje , getrouwe voor- 
stander der zuivere constitutionele beginselen , doorkueed regts- 
geleerde , wetenschappelyk en praktisch gevormd staathuishoud- 
kandige^\ 

In October 1838, by de oprigting van den Hoogen Raad 
der Nederlanden tot raadsheer iq dit collegie benoemd, ver* 
wisselde Op den Hooffde staatkunde met den regterstoel. 
In 1843 volgde hij Mr. W. B. Donker Curtius, in plaats 
van den overleden Mr. A. W. Philipse, tot voorzitter be- 
noemd, als vice-president op. Jn 1855 werd hij president, doch 
voor zijne plegtige installatie, overleed hij in den oacht tus- 
schen 21 en 22 September 1855. 

Uij waa sedert 1840 jridder eo sedert 1849 commandeor 
van (Ie orde van den Ned. Leeaw. Ook nsta bij lid v^an bel 



Digitized by 



Google 



17(5 

^rovioeiaal Utrechtscli Genootschap en vaii de Maalftchappij 
van Nederl. Letterkunde, ala ook lid van deo gemeenteraad 
Ie ^s Hage. 

Hij schreef: 

let9 over de vaart op den Byn. Amsl. 1826 80. 

Bedenkingen tegen het Duitêche werkje over Rijnvaart en 
RijnhandeL Amst. 1827 80. 

Zie «gne biografie achter de Handel, der Maats, van Nederl. Letter k. 
1856; van Cleef, AlpAah. Naaml. bl. 445. 

OPENHART. Onder dien pseudoniem verscheen: Brief over 
het vertoonen tan den Vader des Huisgeziua door ^e Haag- 
sehe Tooneeliaten ; het aannemen der speelers en speelsters voor 
den Amateldamschen schonuhurg j en het vertoonen van Don 
Quichot, op het Rotterd, Tooneel, Gedr. toor den Autheur^ 
en te bek, te Amaterd. hy G, Bom , en elders zj. Brief over het 
vertoonen ven het Serail^ of de twee wedergevonden Chris- 
tenkinderen^ door de Hoogde TooneeUisten ^ op den Nederd. 
Schouwburg in ^s ffaagen enz, Amsl, G. Bom^ en etc. z. 

Zie Cat, d, Maatsvk. v, Ned. Leiterk. D. I bl. 7. 

OPDORP (T. F. VAN^ schreef: 

Biss. de dolore capitis in genere, L. B. 1789. 

Zie Bibl. Med, C. H, h Roif T. III p. 1131; H o 1 1 r o p t. a. p. 

OPDORP (J. n. van), heel- en vroedmeester te Amemui- 
den, lid van het prov. Noord-Brab. Genoots. van kunsten en 
wetenschappen; correspond. lid van het genoots. tis unita 
fortior te Hoorn. 

Hij schreef: 

Onderzoekingen over den Aziatischen br aakloop ^ by eenen 
persoon^ die zich in den hoog sten staat van clairvovance van 
het magnetisch sonambulismus bevind, Breda 1832. 

Adressen aan zijne Majesteit den koning^ aan de Edel 
mogende heeren Staten- Generaal en aan de Edel Groot Acht- 
baren gedeputeerde State» van Zeeland^ over eenige punten 
der geneeskundige wetgeving. Breda 1841. 

Eenige waarnemingen van slepende maag^ot^tetekin^ m 
T^dechrift ter bevordering der PhysoL-^ Genees^ en Éeelb. 
1827 D. I en 3 hU HO. 

Phlegmonieke roos i, a. p. 1827 D. I st. 2 bl. 55. 

Arthritis met geringe gastritis. T. a. p, 1827. P. I s^31. 

Merkwaardige ziékée van het hart , èij eene koe. T. a. p. 
1830 D. n. st. 2 bl. 636. 



Digitized by 



Google 



17T 

Waarneming van Uchialgia door de acu punctura hersteld. 
Aid. 1827 D. I. st. 3 bl. 122. 

Aanmerkingen op Ackersdijck over het werken der kinderen 
in de fabrieken io Algem. Kunst en LeUerb. 1839 D. I bl. 
114. 

Waameming tcegens een gedeeltelgke verlamming in het 
aangesigt. T. a. p. 1830 1). IV. st. I bl. 12. 

Zie van Cl e e f, Alphah, NaamL Supplem, bl. 97; Holtrop, 
1. c. bl. 271. 

OPHEMERT (G.), een kunstenaar uit het midden der XVII 
eeuw, schilderde o. a. een Vanitae^ die niet zonder verdienste is. 

Zie Kramm, t. a. p. bl. 1221. 

* OPHOVIÜS of VAN Ophovens (Michaei") werd in 1571 Ie 
"^s Bosch geboren. In 1586 begaf hij zich te Antwerpen in de 
orde der predikheeren , en daar hij in wetenschap en ver- 
stand uitmuntte, werd hij door zijn overigheid gekozen om in 
het klooster van dezelfde orde te Leuven, de welsprekendheid 
te onderwijzen. Men zond hem vervolgens voor eenigen tijd 
naar de universiteit van Bononië in Italië, om in de godge- 
leerdheid onderrigt te geven. Van daar teruggekeerd, werd hij 
in 1601 te Leuven licentiaat in die wetenschap, terwijl hg 
verder in 1660, in zijne orde den graad van doctor of hoog* 
leeraar bekwam. Hij werd ook in dezelfde orde tot de eer- 
ste bedieningen verheven. Nadat hij eerst prior van hetkloos* 
ter der predikheeren te Leuven geweest was, verkreeg hij, 
tot vier reizen, dezelfde waardigheid in dat van Antwerpen, 
welk klooster door de beeldstormers veel geleden had, doch 
door hem in een voortreifelijken staat hersteld werd. Nog 
hoogerin waardigheid opklimmende , werd hij in 1611 provin- 
eiaal, welk ambt hij tot 1615 heeft bekleed. In zijne hoe- 
danigheid van provinciaal bevond hij ïich in het algetteene 
kapittel der predikheeren-orde , chit in 1611 te Parijs is ge- 
houden, en hield hij vervolgens, twee jaren daarna, in zijne 
geboorteplaats, ^s Bosch, een provinciaal kapittel, waarin 
zeer heilzame besluiten werden vastgesteld. Kort daarna werd 
er, met overleg der bisschoppen in Nederland , door de oversten 
der predikheeren eene missie of zending tot stand gebragt, 
om in de geestelyke behoeften der kalholijken in de vereenigde 
provinciën te voorzien, en Ophovius werd door de verga- 
dering van de kardinalen der propaganda- tot hoofd der zen- 
ding aangesteld. In het midden van zijnen ijver, werd 
hij, in het jaar 1623, te Heusden gevangen genomen, 
werwaarts hij zich met een vrijgeleide had begeven om de 
zaken va^ het sterfhuis zjjns broeders te regelen. Hij had by 

12 



Digitized by 



Google 



17B 

die gelegenheid van de Aartshertogto tsabeila den last ge- 
kregen om met den bevelhebber, Willem Adriaan de 
Hornes, wegens de overgave dier stad te handelen, wijl 
zij bad vernomen dat deze daartoe genegen was. Dan de 
aartshertogin was hierin door valsche brieven, welke een 
neef van den voornoemden beyelbebber, die te Geldrop woonde, 
haar had vertoond, misleid. Zoodra Ophovtns de over- 
gaaf der stad voorsloeg, werd hij in hechtenis genomen en 
naar 's Hage vervoerd. Toen de aartshertogin hiervan ooder- 
rigl was, deed zij aanstonds den neef des bevelhebbers ge-< 
vankelijk naar Vilvoorden overbrengen; en het bleek dat 
alles verzonnen was. Hoe ongelukkig ook Ophovius in deze 
zaak gewikkeld was, moest hij nogtbans een geruimen tijd in 
de gevangenis blijven, in welken toestand hij tegen twee 
leeraren der hervormde gezindheid, die men naar hem gezon- 
den had om over het geloof te twisten, de katholijke gods- 
dienst verdedigde. Nadat hij omtrent acht maanden in hechte^ 
nis was geweest, werd hij tegen eenige gevangenen, die te 
Duinkerken zaten, uitgewisseld. Kort na zijne vrijstelling, 
werd hij in 1625, op voordragt der aartshertogin, door 
Philips IV , koning van Spanje , tot aartsbisschop van 's Bosch 
benoemd. Paus Urbanus Vlll gaf den 2 Julij 1626 de bul 
zyner aanstelling, en hy werd den 17 September daaraauvol- 
genden in de hoofdkerk van Antwerpen door Jacobus Boo* 
nen, aartsbisschop van Mechelen, gewijd, in het bijwezen 
van den bisschop van Antwerpen, Joannes van Malde- 
ren en van Antonius Triest, bisschop van Gend. Zijne 
plegiige intrede te 's Bosch had den 30 October van hetzelfde 
jaar plaats. De regering der stad, zette daaraan allen luister 
by. Van Rambicourt die, in het afwezen van den be- 
velhebber Grobbendonck, het krygsbev^ind. binnen de 
stad voerde, en met onderscheidene hoofdofHcieren aan 
het fort Jsabel den bisschop bad opgewacht, bragt hem in 
zijne koets aan de Vochterpoort , waar hem, bij monde van 
den pensionaris, de gelukwenscbingen der regering werden 
aangeboden. Toen de bisschop de stad binnen reed , werd het 
grof geschut der stads wallen en der schansen gelost, dat door 
het handgeweer der wacht werd beantwoord. De stoet ge- 
leidde vervolgens den bisschop naar de kapel van den H. 
Cornelius, die niet verre van de poort verwijderd was, van 
waar hij in bisschoppelyk gewaad gekleed en vau de geeste- 
lijken der stad vergezeld , naar de hoofdkerk optrok , in welke 
de gewone plegtigheden werden verrigt. De stad was met de 
aanstelling van eenen barer inboorlingen tot bisschop zoo in- 
genomen dat de regering aan den kerkvoogd een zilveren 
gedreven lanpet en schotel tot geschenk vereerde. 

Ophovius, tot bisschop van 's Bosch ingehuldigd, be- 
stuurde , in de moeijelykste tijden , de kerk met buitengewoAe 



Digitized by 



Google 



179 

wiaakzaaaibeici en stand vastigheid , lerwq! hij een eenvoudif 
en kl^osteriyk leven leidde. Hy verwierf door zyne deugden^ 
ook bij de onroomschen hooge achting. 

In 1628 woonde Ophovins de vergadering der bUschopr 
pen by, die te Antwerpen werd gehouden. Niet te vreden 
met de zorg, die hy voor zgn bisdom had, bleef hij ook de 
zending in Holland behartigen, en zorgde dat ook in de 
Noordfcbe ryken, tot in Zweden en Noorwegen, de katho* 
lijken van zendelingen werden voorzien. Tot bereiking^ van 
dit doel had hg besloten een seminarie of kweekschool tot 
opleiding van zendelingen te stichten. Hij schreef deswegens, 
den 18 April 16;i9, aan den pauselgken Nuntins te BrnsseU 
De H. Stoel prees den gver van den bisschop en gaf hem 
daartoe verlof. Dan, terwijl hg dit plan trachtte te bewerk- 
stelligen, werd nog in datzelfde jaar zgne bisschoppelijke stad 
door de krUgsmagt der protestanten belegerd en bij een aan* 
gegaan verdrag bemagligd. Bij het sluiten des verdrags van 
overgave, dat weder door hem werd geteekend, zorgde hg, 
zooveel mogeUjk, over het behoud en de vrge uitoefening der 
katboiyke godsdienst. Hg verbleef bijna nog twee ntaanden 
in zgn bisschoppelijk paleis en was by den overwinnaar, F re* 
de rik Hendrik, zeer gezien. Meermalen was hij met dezen 
in gesprek, alsook met diens gemalin, wie hg, gelgk hg zelf 
verhaalt, aU aan eene goede moeder, de nog in de stadver^ 
blijvende geestelyke zusters aanbeval. 

Terstond na de verovering van 's Bosch, was het Spaan- 
sehe landsbestuur er op bedacht Ophovius tot den open* 
staanden stoel van Brugge aan den paus voor te dragen, 
doch reeds den 26 September 1629 bedankte de bisschop 
beleefdelijk, er gelijk hy zelf meldt, de reden zgner weigering 
bg voegende. Deze reden wordt in zgn diarimm niet gevon- 
den , maar bestond ongetwgfeld in den ellendigen staat des 
hisdoms, die nog meer bezwaard zou zyn geworden, indien 
de bisschop in die omstandigheden zyne kerk had vertalen. 
Hg trok den 12 November 1629 langs de groote Hekel, nit 
de stad, en kwam op het kasteel van Nieuw-Herlaar, door- 
gaans Halder genoemd, dat bijna twee eeuwen later, voor het 
seminarie des apostelgken vikariaats van 's Bosch is ingerigt 
geworden, en tot in het jaar 1839, als zoodanig, gediend 
heeft. Hy vertoefde daar eenige dagen, en werd door de fa- 
milie U On sela ar, die ióeo het kasteel bewoonde, vriende- 
lyk onthaald. Van dctar doorreisde Ophovius zijn bisdom, 
terwyl by op vele plantaen pcedikte en andere, bisschoppelijke 
bedieningen verrigtle. Den 23 Maart 1630. nam hij zUn ver- 
blijl op het kasteel van Geldrop (dekenaat van ËindhovenJ, 
van waar hy zich nu en dan naar Brabant begaf om, met al- 
gemeen ov^leg der bisschoppen, voor het welz^n der kerk 
Ie zorgen. Te dien einde woonde by de bisschoppelijke ver- 



Digitized by 



Google 



180 

gaderifigeo b^l, die, ki de maand Aogastus vao de jaren IWO 
en 1631 te Brussel werden gehouden. Hij bevond ïich den2S 
December 1634 nog in zijn bisdom, op welken dag^, gelyk 
men vindt aangeteekend, hij van Geldrop te Boekei (^vicariaat 
van Ravenstein en Megen) aankwam om in de kapel dier 
plaats de H. wijding toe te dienen. Kort daarna werd hij door 
de onrust dier tijden genoodzaakt naar plaatsen buiten de 
Meyerij van 's Bosch te wijken. Het schijnt dat hij sieh veel 
in de abdij van Postel, aan de grenzen der Meljerij ge-* 
legen, beeft opgehouden. Er bestaat nog een eigenhandige 
brief van hem over de pastory van Asten, welken de kerkvoogd den 
20 September 1636, uit deze abdij aan den prelaat van Fio- 
reffe heeft geschreven, en waarin hy tevens meldt, dat hij 
zich eenigen tijd te voren uit Postel naar Luik had begeven 
om de wyding van den nieuwen prelaat van Boes donk by 
Ie wonen. Niet lang daarna vertrok hy naar het klooster zy- 
ner orde te Lier, dat hy zelf gesticht had. Hy stierf daar den 
4e November 1637 in den ouderdom van 66 jaren en werd 
te Antwerpen, in de kerk der predikheeren , die naderhand 
als parochiekerk van den H. Pau lus is gebruikt geworden, 
ter linker zyde van het hooge altaar begraven. Prachtig was 
de graftombe, die men voor dezen kerkvoogd oprigtte; de 
schets daarvan was, in zyn leven, geHjk hy zelf verhaalt, 
door Rubens, wiens biechtvader hy geweest was, getee- 
kend. Zyn graftombe werd met zyn beeldtenis en een Lat. 
geschrift in vergulde letters versierd. Zijne lijkrede, die in 
druk is uitgegeven werd den 15 January 1638 te Antwer- 
pen, door den predikheer Hyacinthus Choquet uitgesproken. 
De bisschop had, tydens het beleg van 's Bosch, sedert de 
maand Augustus 1629, in eenen zeer eenvoudigen Latynscben 
sehryfstyi, voor eigen gebruik een Diarium of memorieboekje 
aangelegd, dal hy tot den aanvang van 1632 heeft vervolgd. 
£r bestaan eenige afschriften van dat boekje; doch het oor- 
spronkeiyke handschrift wordt in het seminarie van 's Bosch 
bewaard. Dit Diarium doet vele kerkeiyke gebeurtenissen van 
het bisdom kennen, en verspreidt veel licht over den onge* 
lukkigen toestand, waai^an na de bemagtiging der stad, de 
«iloefening van de katholgke godsdienst verviel. Ophovius 
Jieeft nog een ander werkje geschreven , hetwelk de instelling 
en de regels bevat eener broederschap, die, ter eere van den 
ailerheiligsten naam van God, tegen de godslasteringen was 
opgerigt. Het is te Antwerpen in 1603 in 4o gedrukt en 
voert tot titel: Begulae confraternitaMs nominia Jeau, in 
bloêfkemoê ereciae, proioüegia^ indulgetUiaa etc. Ook schreef 
by D. Caiharinae Seneima vita ac miracula èelectiora. Vol- 
gens eene aanteekening in het Diarium heeft hy ook kort 
na de overgaaf der stad, tegen de uitdaging der hervormde 
predikanten een verdedigingsschrift voor de kathoiyke gods- 



Digitized by 



Google 



I8t 

dieDst q>ge8leld. Het seminarie te 's Bosch bezit eene fraai 
geschilderde afbeelding van dezen kerkvoogd, als ook van 
ZQnen onmiddelijken voorzaat Zoesius. Hij is in het werk 
van Gestel in plaat gebragt. 

Zie vao de Velde, Sy».Monnm, T. lU p. 84S, 845, Foppent» 
HUL Ep. Sylo, CVI p. 104, 108; Bor, BetcArijv, pan '# BascA, bl. 
148; van Heurn, Betehrijv, v, *s Boseh; Oudk, en gettiehten van 
*t Bosch', Hernass, Conspect. p. 14; van Gils, Catk. Meijer, Me- 
morieboek bl. 91, 109 ; vao Gilsen, Coppens, N, Beiehr^v» v, k. 
Bud, van *8Bo9eh D. I bl. 252 volgg.; Brab. Mariana p. 510; Ser- 
rure, Fad. Mus. D. I, st. 8. bl. 278; Foppens, Bibl, Belff.i Jo- 
ch er; Maller, Cat, v, portr^ 

OPDENBOSCH (Henribtte^ te Brussel, beoefende de schil- 
derkunst. Op de Brusselsche tentoonstelling van 1833 zag 
men van haar een HaUe van Reizigers^ en op die van 1836 

een vrouw — die bezig ia geld te tellen. 

Zie Immerieel t. a. p. bl. 291. 

OPDENHOFF (Giorge Willem) den 7 Juiy 1807 te Fulda 
in hel Keurhessische geboren, ontving het onderwys van A. 
Schelf hout in het landschap, — later van J. C. Schotel 
in het zeeschilderen , vestigde zich te Rotterdam, later te 
^sHage; maakte als vrgwilliger bij het 2e bataillon jagers 
den Belgischen veldlogt mede en bezocht in 1837 Frankrijk 
en zijn^, kusten. Hy koos zich by voorkeur zoodanige na-* 
tnurtooneelen len onderwerp, viraarin hij door sterke contras* 
ten en in kleureffecten een piquant geheel kon vormen, ter- 
wyl zgne voorstellingen, zoowel wat compositie als uitvoe- 
ring betreft, zich door zeker karakter van oorspronkelykheid 
doen onderscheiden. 

Zie Immerzeel t. a. p. 

OPHEIDEN (GozENius) te Utrecht geboren. 
' In 1634 plaatste hy in het St. Hiobs gasthuis aldaar een 
cMmiêt in i\fn laèoratorium^ waarop zyn eigen portret. 

Zie Immerseel t. a. p. 

OPHEM (Karel Andbbas van) werd den 12 November 1777 
geboren, en ontving onderwys van J. Chamberlain. HQ 
vervaardigde o. a. 

KoloMole beelden en andere versierselen aan de werf te 
Antwerpen. 

4 Koloêêale busten op M buiten van de graoin Füain 
XIV te Weiteren. 

De Arenden op de Kortrifkeche poort te Gend. 



Digitized by 



Google 



182 



Zie Immerzeel t. a. p. 



OPITER (Christiaan de) of de Op uier, mogelijk O pun- 
ter, naar Op-Linter, een dorp in Brabant, een dominikaan ia 
het klooster te Maastricht. Quétif zag in 1671 bij de Do- 
roinikanen aldaar de volgende handss. van bera in dorso : Al~ 
phabetum Exemplorum, 

JExpositio ceremoniarMm Missae^ spirUualis et mystiaa, 

Tractatus de materid JEcclesiastici InlerdicH. 

TracMus de materid Eucharistie^ 

Hiatoria^ seu Miraculum Guidonis de Coloo in dvitate 
Alestemi^ quae Baiona dicUur et XXX leucis distat a Cu- 
rid Romand, 

Zie Sanderos, £ièl. Belg. ras. T. I, p. 132; S! Autoninus, 
Chron,V, IIIC.IV § 8; Quétif et Ec h ar d, T. I, p. 810; Pa- 
quot, Mém. T. II, p. 364. 

OPiOO (,P. van) teekende, ordonnanceerde en graveerde 
boekprenteh, in de manier van Decker^ doch veel minder 
verdienstelijk. 

Zie K ra ram, t. a. p. bl. 1234. 

OPMEER (PiKTKR tan} of Opmeer werd den 13 Sepf. 
1526 te Amsterdam geboren. Zijn vader, die denzeHden naanfi 
droeg, stamde af van een Noofd-Uollandsch geslacht, dat door 
Jaeoba van Eeijerentot den adelstand was verheve». 
Zijne moeder, Maria van Akersloot, was van geen min- 
der aanzienlijken afkomst. Daar hij zijn vader vroeg verloor, 
belastte zich zijne moeder met zijne opvoeding eli beijverde 
zich om hem het noodige onderwys te doen geven. Zijne eer- 
ste leermeesters waren A 1 a r d van Amsterdam en N i c o I a a s 
Cannius. Uit hunne school ging hij naar Leuven en vervol- 
gens naar Doornik, waar Claudins Warin hem in de Pransche 
taal en wiskunde onderwijs gaf. Toen hij 19 jaren oud 
was, riep zijne moeder hem naar het vaderland terug, en trad 
hij in den echt met S o p h i a Sasbout. Later schijnt bij zich 
te Delft, waar de familie zijner echtgenoote woonde, neder- 
zet en het onderwas vanden rector Petrus Reseninsi of 
Resepiksdie ben^ o. a. Euklides verklaarde, in het Grieksch 
genoten te hebben. By hel Grieksch voegde Opmeer vervolgens 
de geneeskunde en regtgeleerdheid , zonder daarin eenig on- 
derwijs te genieten, en maakte zich gereed te Leuven den 
titel van licentiaat in de regten te bekomen, toen de toene- 
mende onlusten hem bewogen ÏEièh op de godgeleerdheid loe 
te leggen om de onroomschen te kunnen bestrijden* Nadat BrièlA 
ingenomen wiis, achtte Opmeer, een^verig roomfebfeziBde 



Digitized by 



Google 



183 

vooral na den moord aan Cornelius Mosius gepleegd^ 
de woede van Lumey , graaf van der Mark te moeien ontwijken ; 
begaf £ich naar het Spaansche leger voor Leyden en werd 
door Fran^ois Valdez, kolonel van het regement van 
Lombardye, tot secretaris r»n den krijgsraad aangesteld. Na 
het opbreken van het beleg, volgde bij Valdez naar Hene-* 
gouwen, van waar hij door den schout Pieter Pietcrs* 
zoon werd nitgenoodigd naar Amsterdam te komen, ten 
einde aldaar zijne geloofsgenooten in hunne trouw aan de 
kerk te versterken. Hier bleef hij lot in 1578, toen ook 
deze stad aan de zijde der staten overging,, en de roomsche 
geestelgkbeid verbannen werd. Opmeer ontvhigtte bet hem 
dreigend gevaar « maar werd dcsniettesensiaande openlijk ie^ 
gedaagd. 

Hij vestigde zich te Delft, waar hy nieuwen ijv^r ten be- 
hoeve van hel roomsefae kerkgeloof ten loon sipretdde. Yol^ 
gens sommigen zou hij vroeger of later, Willem I als ingeuiear 
hebben gediend. Hy overleed den 4 Npvember 1594 in die 
slad en werd in de oude kerk begraven. 

Opmeer was een ijverig beoefenaar der wetenschappen, 
en had zulk een gelukkig geheugen dat hij iu zijn ouderdom 
al de oden van Hora tius en de blijspelen van T eren tius zou 
hebben kunnen opzeggen. Ook beoefende hij de schilder-, graveer- 
en bouwkunde en stond in achting bij de beroemste kunstenaars 
van zijn tijd, zoo als bij Maarten van Heemskerck, 
PielerdeLanghe, Willem Totier, Frans F Joris, 
Antonie de Moor en Philip Oalle. Ook behoorde 
de kardinaal Ho vius, Aria s Montanus, Marti nas Üun- 
eanus, Petras Baccherius, Pontas Heuterus en 
anderen (ot zijne vrienden. 

Zijne vrouw Sophia, dochter van Peetrus Sasbout, 
afstammeling van een edele en oude familie, schonk hun verschei- 
den kinderen, o. a. Petrus Opmeer (die volgt) en Lncas 
dr. in de beide regten. Ug gaat in plaat nit. 

Hij gaf in het licht: 

Vincentius Lirinensh^ Een seer schoon boecxken voor die 
oulheijt ende waerheijt des germene christen gheloofs ^ leghens 
die Godloose niemcheifden alder ketterden ^ beschreven over 
duysênt jaren door Vincentium Litinensem Oallum^ ehde 
nu tot den Latijné in onse Nederduijtsthe sprake over^heset. 
Haarlem 1561, 12o. 

Ook zette by eenige twistschriften van Leo Empacius, 
pastoor van Oudeburg, die lot bet protestantisme was over- 
gegaan uit het Latijn in bet Efollandsch over, en liet ze in 1568 
te Delft drukken. Later rigtte hij een afzonderlijk werk legen 
dezen afvallige, getiteld: 

Officium Missae apud E&desUun iempori qtuUuor primorun 



Digitized by 



Google 



184 

cmciliörum generalium in usu fuiase kdaéorica Asaercio ...» 
ad illustriss, Ducem Alèanum. Excud, Anifoerpiae ChrUt. 
Plantinua impmsis Simonie Pauli Delphensia 1570. 80. Met 
verzen van Corn. Musius, Corn. Frilalinus, Petrus 
Apherdianus, Martinas Duncanus eii Petras Bac- 
c herlas tot lof van den schrijver. Hier tegen sehieef Em- 
pacias, waarop Opmeer in het licht gaf: 

Besponaio ad VIII aréictdos^ a Leone Empacio ^ adveraua 
Aaaertionem auam propoaiioa, Antv. Ghriat, Plantinua 1570, 12o. 

Zyn baat tegen het Protestantisme openbaarde bij vooral 
in zijnen historischen arbeid. Hij schreef eene geschiedenis der 
wereld van de schepping tot zynen tijd. Hij zelf voltooide 
die tot 1569. Na zynen dood, werd zij door Lanrentins 
Beyerlinck, kanunnik van de hoofdkerk, en aartspriester 
van Antwerpen, voortgezet tot 1611 en met den volgenden 
titel uitgegeven: 

Opus chronographicum orhia nniverai a mundi exordio uaque ad 
annum 1611. Continena hiatoriam^ inonea et elogia aummorum 
pontijicum^ imperatorum, regum ac virorum illuatrium^ in 
duoa tomoa diviaum : Frior^ attctore Petro Opmeero ,....« con- 
dito orhe ad auam waque aetatem hono publico a Petro filio 
emdgatua: poaterior^ auctor e Laurentio Beyerlinck cive et 
canonico Anf verpiano. Antv. 1611, Ook zonder het vervolg 
van Beyerlinck, Colon. 1625. 80. 

Ofschoon dit werk niet geheel zonder verdiensten is, zoo 
is het echter niet uaauwkearig, en zijn bittere baat tegen de 
onroomschen maakte hem niet zelden onregtvaardig jegens 
deze. Het is met goede houtsnede voorzien, en onder deze 
zijn portret (^Jet, 69 Ao. 1595) met zijn leven door Vale- 
rias Andrea s. Abhter de laatste uitgaaf (^Colon. 1625. 4o). 
vindt men: 

Miatoria Martyrum Batavicorum aive Befectionia a fide 
Maiorum Hollandiae initia: Buas in Decadea dialrióuta, 
auctore etc, Praemitlilur 8, Hieronia Scoti in Hollandia 
Martyrium celehratum in XVII Auguati, proaa et carmine^ 
jintekac numquam^ ne a Surio quidem^ editum, Colon 1625. 

Deze zeldzame, afzonderlijke, uitgave wordt niet vermeld bij 
d e W i n d maar wel gezegd dat de Hiatoria het eerst uitgegeven is 
achter de tweede editie van het Opua chronographicum orbia 
univerai^ Colon. 1625 80. Later werd zij met een aantal by- 
voegsels in het Hollandsch vertaald en uitgegeven met den 
volgenden titel: Martelaarsboek^ of te historie der HoUantaehe 
martelaren , welken in het christen catholyk geloof en goda^ 
dienatj soo ten tijde van de woeste heidenen^ ala der Her" 
vormde nieugeainden aeer wreed syn omgebragt^ waarin 
veel gedenkwaardige aaken verhaaid worden^ die men b^ an^- 



Digitized by 



Google 



185 

dere gedenk^schrijters niet vind: en met eenige tnjvoeging 
vermeerderd. MiUgaders de levens van de eerste voornaamste 
Hollandse heiligen^ kristen-voorgangers en patroon en met veele 
sckoone ^fbeeltsels vereiert. Nu op het niento met aanteeke^ 
ningen vermeerdert. Nader bew^s en bggevoegde aanmerkingen 
wegens eenige kort gemetde saeken^ in het Hollands katholijk 
martelaers'hoek met de levens der Hollandse heiligen en 
christen oudheden. Te Antwerpen bij Petrus Pralanus 
1700—1702 3 stukken 12o. Er bestaat eene uitgave tot Ant^ 
werpen hij Petrus Pratanus , in 7 juóel Jaar onses Heeren 
1700. Op den titel vindt men achter het woord patroonen 
sleehts begrepen in twee deelen^ met twee Registers. Vooraf 
gaat hei leven van Opmeer door Val. Andreas met zijn 
portret, waaronder Petrus (^meerus historiographus. 

Dat Martelaarsboek staat hoog bij de Rooroschgezinden aan- 
gesehrevea en is niet van belang ontbloot; doeh ook dit ge- 
schrift van Opmeer is gelgk alle zgne vorigen niet onpar- 
tijdig. 

Zie S w e e r t i n 8, Mk, Belg. p. 604; Val Andreas, Bibl. Belg. 
p.751; Foppens, Bibl, Be^. T. II, p. 804: Paqoot, Mem, T. I, 
p. 3408niT.; Wagenaar, Amsi, D. III, bl. 205; de Wind, Bibl. 
V. Nederl. Geschiedt, bl. 137 volgg.; 61a si os, Qodgel, jfederl. 
o. h w. ; Hoogstraten, Kok, X ieo wenhais, i^Aa»h^ Kobus en 
de Rivecoiirt, Jöcher eik Adelong; Van Kampen, Bekn, Oe» 
schied. der Ned, Lett, en Wetens. D. I, bl. 86, 263; Muller, CtU. 
V. portr, 

OPMEER (^Petrus) de Jonghe^ zoon van den vorige, fiscaal 
en raad der Admiraliteit van Spanje en de Indien, gaf ^zie 
vorig artikelj werken van zijn vader in het licht. Hij droeg 
diens Optis Chronolyicum aan Albert en Isabella op. 
Vóör hetzelve staat zyn afbeelding, waaronder Petr. de Op- 
meer Petr. Jil. aet, LX waar boven*zijn wapen , rondom hetwelk 
Op meer min 1611. In 1593 gaf hij te Antwerpen bij Ar- 
noats Coninx in het licht: 

DaJt schip van P attentie ende Penitentie. 8o. 

Het bestaat uit eene allegorische of zinnebeeldige voorstel- 
ling in dichtmaat, achtervolgd vau eene uitvoerige verklaring 
in prosa, in vier boeken. De schryver wordt niet genoemd, 
doch Paqnot schryft het zijn vader toe en heeft zeker een 
latere uitgave. 

(Scheepje van geduld en berouw. Antw. 12o z.j.} gezien. Op- 
meer droeg het aan Anthonis van Bourgondien^ vtce-admiraalgen. 
des Co. van Spagnien op, Sweertius vermeldt een glas bij de 
Recolletten té Antwerpen in de kapel van St. Didaciusi 
waarop men las: 

Petrus Opmeer pulsus pairid ob fidem Deo ac Principi suo 
servtstum , et per annos plus minus XX variis Jaetatus casi* 



Digitized by 



Google 



186 

bus^ Fiscalis atqtie Consiliariua JdmiralitaHs Hispp, et Iii- 
diaruni Caihol. Reg, Mq^est, foetus^ hano tiCream f enestram 
jp. C. M. L. An, Dotnini MD. XCIIL 

Hij stierf in 1612, en liet bij zijne vrouw, Maria van 
den Broeck na: Jan van Opmeer en Lucas van Op- 
meer ridder, wiens graf men te Contich, tusschen Antwerpen 
en Mechelen, vindt. Hij kocht deze heerlijkheid in 1633. 

Zie S weer til, Monum. aepulch p. 159; Paquot, Mém, t. a. p. 
341; Cat, d. Maats, van Nederl, Letter k. I). I, bl, 224. 

OPMEER (^NicoLAAS van)^ regerend burgemeester van Am- 
sterdam in 1683, (oen de prins van Oranje, op versoök der 
vergadering van Holland, aan het hoofel van een gezantschap 
zich naar Amsterdam begaf, by gelegenheid dat deze stad te- 
gen de voorgeslage werving van 16,000 man gestemd had. 
Utj was het die met zijn ambigeioot Gerard Bors van 
Waven, vergezeld vaneden pensionaris, de bezending te 
Amsterdam afhaalde en naar het stadhuis leidde. 

Zie Wagen aar, Amsterd, D. VI, bl. 64. 

OPMEER (Dirk Anthonisz.} vervaardigde Klucht van 'lt\jn 
BateU^ in 1660 gedrukt. 

Zie Witsem Geysbeek, B. A. C. Woordenb. D. V, bl. 8. 

OPPENBÜSCH (MiCHAEL van^, Amslerdammer, was mag. 
phil. Na zijne lellcroefeningen te Rostok en Straatsburg g« ein- 
digd Ie hebben, werd hij kabinelprediker bij denDeenschen ge- 
znut Ie Londen, was in 1664 diaken bij de St. Bfichaels 
kerk te Hamburg en in 1682 aarts-diaken. Hij overleed den 
28 Oclober 1656. Hij schreef: 

Historia passionis J. C, 1652 8o. 

Disput, de dominio eminente. Ar gent, 1659 4o. 

lieUgio Moscovitorun brevüer delineata. Arg. 1660^ 1667, 
1680 4ü. 

Daês in der Liebe Qoites feat gegründele Herz, Mine 
Leichenpredigt. Hamb. 1678 fol. 

Zijne vrouw werd 115 jaren oud. 

Zie P ab r i cii, Memor. Hamb, T. II, p . 893 ; M o 1 J e ri, Cimbr. 
lAter.; Jöcher, Adelnng en Roten» and, Cat. t. h, Zeeuwèch 
GenOóis. bl. 11^8. 

OPPENHEIM (F. W.) schreef: over de enderèinding van 
froote aneurgêmatiêche tate»^ Aan kei ioan M kart véréoij'- 
derde gedeelie dee g^wek^ maar hei hgd, «^ MU^ m 



Digitized by 



Google 



i8t 

f^dschrift ter hetorderinff der Phyaiol. genees- en ïieelké 
1830 II, 6. bl. 509, en 09er de behandeling der pieudathro^ 
ees (valsche geioricMén) en eene nieuwe geneeswijze derzehe 
naar heê hgd, van van JEldik Aid. 1838, si. 6, bl. 509. 

Zit Holtrop, t. a. p. bl. 270. 

OPPEN DOES (Willem) varensgezel, later waagmeester, geb. 
1674, in 1775 gestorven. Zijn portret door C. ran No orde 
is vermeld. Als een tweede Bontekoe vloog hij met zijn schip 
in de lucht en bleef toch in teven. 

Muller, Cai. v. Porir. 

OPPENHEIM (a. C.) schreef: 

Dies, de nonnullis erroribus popularibua rem medicaM 
apectantibus, Gron. 1839. 

ZieHoltrop^t.a.p. 

OPPERDOES (^CoRNELis Jan van"), beëedigd klerk ter secrcr 
larye te Medemblik, schreef cené Besch7^j/ving/ie van Me- 
denblicq^ sedert het j oer 300—1671, in hs. weleer in bezit 
van den heer J. Koning. 

Zie Cat. Ms, van J. Koning, 1)1. 16. 

OPPERVELD (J.), dichter uil de 17e eeuw In Klioos kraam 
vindt men van hem: Hymen aan den hooggeUerdm Httr ^ 
Fauhts Foet^ doctor in de rechten^ professor in de Philiso* 
pfde en Griekse he tale tot Utrecht^ als Ay, bruydegom zgnde^ 
voor Gwljelnms Cam/Uus presideerde. 

Zie Kliooê kraam, II, bl. 325; van der An, N. Ji. A. C. Woordcnb, 

OPRODE (^JoACHiM VAN OF de) werd omstreeks 1515 Ie 
Antwerpen geboren, studeerde te Leuven in de wijsbegeerte 
en werd 28 Maart 1542 lid van den senaat dezer univetsi- 
teit. Tien jaren laten keerde hij naar Antwerpen terug en werd 
er pastoor van St. Andries. Ju 1559 begaf hij zich naar 
Utrecht, waar hij 4 jaren later tot bisschop van Hebron en 
wybisschop van Schenck van Tautenbargh werd gewijd. Deze 
aartsbis.schop schonk hem eene prebende in zijne hoofdkerk en 
spoorde hem aan te Leoven de doctorale waardigheid te ver- 
krijgen. Bij verwierf deze den 25 Junij 1571, waarna hij 
dea 7 September van dat jaar door den aartsbisschop tot zyo 
vicaris generaal werd benoemd. Met ijver kweet hij zich van 
die taak tot zijn dood, den 2 Julij 1576, en werd in den Dom 
begraven. 

Op last van den Spaanschen koning Philips II, bragt hij 
Hl ons« moederspraak over Summü doctrinae christianae per 



Digitized by 



Google 



i88 

quaestiones iradita eé inusum puerUiae ediia van deq JezQil 
Petras Ganisius (Utrecht 1576). 

Ook liet hij verschillende kleine traktaatjes in hands. na. 

Zie Val. Andreas, FasH, p. 422; Foppens, £ièl. Belg. T. I, 
p. 658; Paquot, Mém. T. III, p. 875; Bat, Saor. T. I. p. 352; 
Glasius, Godgel, Nederl. o. h. w.; Adelang ea Rot er mand. 

OPROEDE (Mr. Jacob vanJ, advocaat in den hove provin* 
ciaal te Utrecht, In 1567 benoemd Al va hem tot commissaris 
van den otU/anch van de geconfisqueerde goederen van de 
gevluchte personen Vugt oersaecke van de verleeden troebelen^ 
wat de steden en dorpen van Utrecht betrof. 

Zit SenietUien van Aha , bl. 22; Kist en Royaards^ Archief 
2e serie D. V, bl. 423. 

OPSOMER (JoHANNBsJ, boekverkooper te Middelborg, ver- 
vaardigde en gaf in 1739 oit: HeiUge warande tot verlusU^ 
S^ifff^ zifnde eene korte schets van den inhoud des JBièels en 
Meideló. CeUechismus in 1241 korte versen voorgesteld. Daar 
achter is gevoegd een lijkdicht op den bekenden Middelbnrg- 
schen predikant B. Smytegelt. De Hiddelburgsche predikant 
J. Plevier plaatste er eene voorrede voor. 

Zie Heringa, Lijst van Dichters hU 68, 69. 

OPSTAL (Anthonius van). Onder de gravnre van zijn por^ 
tret, volgens Bryan-Stanley, door Nikolaas de Helt Sto- 
kade, naar de schilderij van Anthonia van Dyck, leest 
men: Anthonius van Opstal Bruxellensis Pictor iconum. 

Meer is van hem niet bekend. 

ZieWeigel, Kunstlager- Caialog, 21 Abt Aeilnng ^1.2119; Kramm, 
t. a. p. bl. 1225. 

OPSTAL (AüG. vak) schreef: 

Historie ende mirakelen van Onsse L, F. van Waver. 
Brassel 1065 8o. 

Zie Bibl. IluUm. No. 22522. 

OPSTAL (Casper Jacob van) de Oude^ leerling van Sim on 
de Vos, was 1632—1638 lid van het St. Lncas*gild te 
Antwerpen. Hy schilderde waarschynlijk landschappen, zee- 
l^ezigten enz. 

Zie Kramm, t. a. p. 

OPSTAL (Caspar Jacobus vah) de Jonge, toon van den, 



Digitized by 



Google 



189 

vorige, ea van Je«aoe Robatto, werd io 1654 te Antwerpen 
geboren, ontving vermoedelijk onderwijs van zijn vader, 
werd in 1676 lid en in 1698—1699 deken van het St.Lncas 
gild. De overmaat van bestellingen deed hem van den last- 
post van regerend deken afzien. Hij kocht zich den 16 Mei 
1699 voor / 300 en het portret van den overman Jan Ca- 
rel van Hove vrij. 

Hij muntte als landschap- en portretschilder uit. Onderschei- 
dene kerken in België bezitten stukken van zijne hand. In 
de hoofdkerk te' St. Omar bevindt zich o. a. een kapitaal en 
fraai stuk, de vier kerkvaderen voorstellende. In 1704 ver- 
vaardigde hy, op verlangen van den maarschalk de Villeroy, 
een kopij van Rubens, afneming van hei kruis. Zij was 
in 1853 in bezit van den hertog Alexander, broeder van 
koning Frederik I van Wurtemberg, die haar in 1855 voor 
eene aanzienlijke som te Parijs aankocht, om er zijne kunst- 
galerij in Duitschland en Rusland, waar zij op 17,000 roebels 
werd geschat, mede te versieren. Deze schilderij werd in 
1853 te Neurenburg openbaar ten verkoop aangekondigd. Hy 
deed door zijne beste leerlingen , om aan de menigvuldige 
bestellingen te kunnen voldoen, zijne stukken beginnen, welk 
werk hij later retoucheerde en zoo al zijn werk aan de 
kunstliefhebbers afleverde. Tot deze leerlingen behoorden 
Jacques de Roore, Jacques van Hal, Karel en 
Frans Breydel. Hij huwde in 1681 Anna Haria Tof- 
mans en overleed in 1714 te Antwerpen. 

Zie J. L. van der S t r a e 1 e n , Jaerboek der Oilde van Sf» 
Lucas bl. 162; Catalogue du Museé d'Jnvers , 1857; Beiblait zu dem 
deuUchen Kumthlatt* Nr. 5, 1853, s. 20-, lm merzeel t. a. p. 
bl. 282; Kramm t. a. p. bl. 1225. 

OPSTAL (Gebabd vanJ werd in 1595 Ie Antwerpen gebo-* 
ren, vestigde zich te Parijs, werd in 1648 lid en in 1659 
rector van de academie van schilder- en beeldhouwkunst al- 
daar. Hij muntte uit in het vervaardigen van basrelieven en 
het werken in ivoor. Zijn beroemdste stuk in ivoor berust 
in het paleis Rondi in Brescia ; het stelt Abrahams offerhande 
voor. Op de in 1778 te Parijs gesloopte JPorte 8t. Antoine stond 
het door hem vervaardigde standbeeld van Lodewijk XIV. 
Voorts vervaardigde hij 9 basrelieven, voorstellende de toer^ 
ken van Herculus voor het hotel van den president Lam- 
bert Torigni; 4 marmeren basreliefs, voorstellende de 
Zegepraul van Galaókea^ naar teekeningen van Rubens, door 
van Kessel in prent gebragt. 

Zie Romberg, Convenattons-Lexieon Th. III a. 408; E. S n e, 
de Calvinisten in de Cevennes, D. I, bl. 249; I mme r zeel t. a. p. 
bl. 281ï Kramm t. a, p. bl. 12«6. 



Digitized by 



Google 



t90 

. OPSTAL (MlCHiEL van) kanstscMlder , alleen btj name be- 
kend. 

Zie Kram art. a. p. bl. 1225. 

OP TPÉN NOORT (Mr. F. J,") was eerst subsliluul-óflficier van 
juslilie bij de regtbank te Zutpbeo -, in 1838 officier van jus- 
titie bij dat collegie, in 1855 procareur-generaal bij hef pro- 
vinciaal geregtshof van Gelderland. Hij was ridder der orde 
van den Nederl. Leeuw en overleed Ie Arnhem 22 Julij 1862. 
Hij was een even kundig als regtschapen regtsgeleerde. 

Part. berigt, 

OP TEN NOORTH (J.). consnl te Cadix. Op Co^. den handss. 
van van Voorst bl. III komt voor van hem een Missive aan 
de Staten Gener. betreffende den vredehandel met Maroeco, 
Met naschrift van het traktaat tusschen Ungeland en Ifo- 
rocco geslopen Geschr, 8 Mrt. 1723. 

OPTERBEEK (Stephanus) Jan Casp. z. gaf in 1740 eene 
gerijmde verlating van de hoogd. navolging door B. H. Broc- 
kes van Herodes kindermoord van den Italiaanschen dichter 
Marino, in bet lichl. 

Zie Witsen Grysbeek, A. B. C, Woordenboek I). V, bl. 8. 

OR (Fbakcois d'), predikant te Sedan in de fransehe en 
hoogduitsche talen» Nadat hij de beide ^ fransche en hoogd. 
gemeenten, twaalf jaren had bediend,werd hij om zijne arrainiaan- 
3che gevoelens afgezet. Hij vertrok in Jan. 1620 naar Parijs, 
waar hij kostgangers hield en de fransche taal onderwees 
aan Nederlandsche en Duitsche jongelingen die Frankrijk be- 
zochten. 

In 1636 werd hij voor eenigen tijd huisprediker van Gro- 
tius, doch eindigde met lot de Roomsche kerk over te gaan. 
Grotius schreef in 1642 aan zijnen broeder: ^ Auratus noster 
se dedit communioni Romanae, id est Monsieur d'Or.,,. ^Quid 
auratus fecit, idem fecit antehacvir doctissimus P, Pithaeus^ 
idem constituerat facere Casaubonus , si in Gallia mansissit^'' 

Zie H a a g , La Trance Proieftantex Uyteiïbogaert Lev, bl . 
^^Z; htKiidiX Hiit, de Bef, D. bl. 143, 677t K ist od Royaards 
Archief, B. IV bl. 126, 130, 181 217 Burigny, viede OroHits, T. 
I, p., 242, T. II p. 140, Grotii Bpist, 423 p. .879, 616 p. 939, 61^, 
p. 938. Mém. Litt, de la Qrande Brelagne^ T. XII, p. 400. 

ORA (Willem van), zoon van Zweeder Wnveren, vol- 
gens 6 u c h e 1 i u s ^insignis architectus'^ , leefde in de 2e helft 
der XIV eeuw te Utrecht. Hij legde den magistraat aldaar 
plans en teekeningen voor om door een derde sluis ^ uitste- 
kende in de Lek^ bij Vreeswigk aan de vaart ^ de buiten- of 



Digitized by 



Google 



191 

Ijoo^endijksftlttis te bescbirtten. De Magistraat besloot hierop dese 
bttiten- of derde sluis te doen maken, Hgeen door hem io 
1373 is bewerkstelligd. 

Zie Buchel op Heda p. 259; Kramm, t. a. p. bl. 1226. 

ORANJB (Anna van) en Nassau. Zie Anna geboren prin- 
ces , van Brunswijk Lunenburg. 

ORANJE (Frederika Sophia WiinELMiSA, prinses van} 
en Nassau. Zie Frederika Sophia Winielmina, prin-» 
ses van Pruissen. 

ORANJE (Frederika Loüisa Wilhelmina prinses van) en 
Nassau. Zie op hel artikel van Willem I, koning der Ne- 
derlanden. 

ORANJE (Trbderika Wilhelmina Louis a prinses van) en 
Nassau, dochter van prins Willem V, 28 Mei 1770 Ie 
's Hage geboren , gehuwd met Karel George August erf- 
prins van Brunswijk-Wolfenbutlel , beoefende de teeken- en 
borduurkunst. Verscheidene harer fraaije teekeningen en bor- 
duurwerken waren ten tijde van koning Willem I op het 
paleis te ''s Hage. Zij overleed 15 Oct. 1819 op het pavil- 
joen Welgelegen bij Haarlem. 

Zie Kramm, t. a. p. bl. 1221. 

ORANGIUS (Parfhasiüs} een Franciscaner Ie Rijssel, leefde 
in hel laatst der 16e eeuw en zette Sophronii pratum spiri- 
ittale in HFransch over. 

Zie J ö c h e r. 

ORANÜS (JoANNEs} te Luik geboren, trad in de orde der 
Jesuiten, werd door zijn oversten naar Frankrijk gezonden, 
leefde te Bourges en was zeer bevriend met den beroemden 
regtsgeleerde Jacobus Cujacius, onderwees de godge- 
leerdheid te Parijs en overleed te Bergen in Henegouwen 
1601. Hij vertaalde uit het Spaansch van den Jesuit Fetr. 
Ribadeneira: 

De offieiQ Principis^ Chri$Uani libri UI, adnersus Muchia- 
vellum, Antv. X604 4o. Colon. et alibi. 

Ook gaf hij in het licht: 

Defenêio breviê pro socieiaHs innooeniia adversus Lugduno^ 
Balavos. 

Episiolae de rehns Japonici»^ Mogorenicis et Chtnensióus. 

Zi« Val. A n d r e a 8, JSibi, Belg, p. 545; Foppens, Bibl, Belgi 
T. I. p, 546; Joch er. 



Digitized by 



Google 



193 

ORANUS (NicoLAAs) te Luik grebores, beg^f sich in de 
orde der ObservantyneD^ werd hoogleeraar in de Godgeleerd * 
lieid, gardiaan zijner kloosters te Luik en te Namen en de- 
finitor der provincie Vlaanderen. Uy was een geleerd en wel- 
sprekend man en schreef: 

Apoataaia ludae prodüoriê^ conciombus XXX. Montihua 
1611 80. 

Exilium generia humani feliocisaimum^ XXI F, quièualrium- 
phum misericordiae Dei circa prinioa parentea et eorum poa^ 
ieroa illuatravit. Ibid. 1665 80. . 

Benjamin Evangelicua^ aeu converaio Si. Pauli, Concioni-» 
hua XXXIV. Ibed. 1624. 

Converaio Corndii centurionis, Ibid. 1632 80. 

Myateria paaaionis Dominicae^ Concione trihorarid. 

Oratio Moralia et hiatorica de S. Alberti^ 8. R. E. car- 
dinale, Epiacopio Leod. ei Martyre. 

Zie Val. A n d r e a s, Bihl. Belg, p. 695 *. Foppens, Bihl. Belg. 
T. p. ; Joch er. 

ORDEN CGerrit Jan van}, een jong mensch te Orde^ een 
buurtschap op de Middel-Veluwe , ongeveer tien minul^ van 
Appeldoorn gelegen, bijgenaamd Immen keunink (koning der 
bijen) als zijnde een voornaam bijenhouder, was gezel op een 
papiermolen , en als zoodanig werd hij door eeuige Amslerdam- 
sche heeren op den eersten papiermolen in Holland en wel te 
Schoorl (School lag niet in Kennemerland , maar in Kennemer- 
gevolg, het waler de Reeker scheidde dit van West-Friesland) 
aangesteld, wanneer is onbekend, waarschijnlijk in de eerste 
helft der XVII eeuw. Zijn klein of achterklein zoon begaf 
zich naar Krommenie, huwde daar eene jonge dochter van 
Wormer en werd de grootvader van Gerrit van Orden, 
die volgt. 

Zie P. O. van der Chys, LeoenscheU van G, van Orden in 
de Handel, d. Maats, van Nederl. Letierk, te Leyden 1854, bl. 
25, 26. 

ORDEN (Gerrit tan) werd den 18 Dec. 1774 te Oost*- 
Zaandam geboren. Zijne onders waren Maarten van Orden 
en Trijntje Versteeg. Zyn vader, een koopman, was eige- 
naar van een buitenverblijf in bet Hofland, tusschen Beverwyk 
en Heemskerk, ter eere zijner vaderen Beijenluat geheeten. 
Zijne ouders bestelde hem eenige jaren op een school te Ap- 
peldoorn en later op de kostschool van Monsieur Kars te 
Alkmaar. Zeer tot studie geneigd, werd hy later by den 
toenmaligen predikant van Jisp gezonden, om in bet latijn 



Digitized by 



Google 



19B 

onderwesen te worden; doch dit onderwijs was van korten 
dnur. Tot 1813 was van Orden te Oost-Zaandam in den 
tabakshaodei eo tevens beledigd translateur. Zijne kennis der 
Fraosche taal kwam bem ten dienste zijner minder onderwe* 
zene plaatsgenooten uitstekend te stade. In 181 2 werd hij tot 
controleur sedentaire de POctroi aaa^steld, nadat hij eenjaar 
te voren door den Sous-Prefect tot lid van den Manioipalen 
raad van Oost Zaandam was aangesteld ; hij vergezelde als 
zoodanig Napoleon by diens vlugtig bezoek van het buisje 
van Gzaar Peter op den 11 Oct. 1811, aangezien zyn oom, 
de Maire Göbel, het Pransch niet genoegzaam magtig was. 
Niemand verheugde zich hartelyker over de herwinning van 
Nederlands onafhankelykheid in November 1813 dan van Or- 
den. Hij gordde dan ook de wapenen aan, en trok vry wil- 
lig in bet voorjaar van 1814, als luitenant van den landstorm 
naar de Zijpe- en Wieringerwaard , tot afsluiting van de tal- 
rijke Fransche bezetting van den Helder. Van 1817 (ot 1828 
vervulde hy den post van plaatsvervangend vrederegter; in 
laatstgemeld jaar werd hij tot lid van den stedelijken raad 
van Zaandam benoemd en in 1836 tot wethouder. Na gedu- 
rende twee jaren dien post bekleed te hebben, werd hy 
tot burgemeester dier stad benoemd. In die hoedanigheid 
mogt hij op den 4 April 1839 Alexander, grootvorst, 
troonopvolger van Rusland, in gezelschap van zijne door- 
luchtige Nederlaudsche bloedverwanten de merkwaardige ne*^ 
derige woning van den grooten Peter binnenleiden, hjj 
welke gelegenheid de prinses van Oranje, later koningin, 
aan welke dit huisje bij de geboorte van haren twee- 
den zoon , prins Alexander, door haren koninklijke scbooHr 
vader ten geschenke gegeven was, daarin een dejeunér aan de 
koninklijke familie aanbood. Yau Orden zorgde dat hot 
bezoek van den grootvorst door eenen fraaijen algemeen ver- 
krijgbaren gedenkpenning vereeuwigd werd, waarvan hy la- 
ter voor eigene rekening den vorstelijken bezoeker een gou-^ 
den exemplaar mogt doen geworden, die hem als blijk 
ran erkentelijkheid eenen diamanten ring toezond. In 1837 
was van Orden voor zes jaren lid van de Staten van Hol-- 
land geworden; in 1843 werd hij wederom voor zes jaren 
gekozen, itter Meef hij, bij de splitsing der provincie Hol- 
land in twee deelen, tegen welke splitsing hij stemde, als 
lid der provinciale staten van Noord-Holland zitting honden. 
Hij wilde zich, na de wetsverandering , ia zijnen ouderdom, 
niet aan de stemming voor dat collegie wagen en bedankte in tijds. 
In Nov. 1844 nam hij tot groot leedwezen zoowel van zijne stad- 
als gewestgenooten , bij het klimmen zyoer jaren en het toe^ 
nemen der gebreken des ouderdoms, zijn ontslag als burgemees- 
ter, gelijk ook in November 1850 als lid van den gemeenten 
raad. Op den 16 Julij ha4 bij het genoegen mogen smake- 

13 



Digitized by 



Google 



i94 

4en eersien steen aan het nieuwe stadhuis der stad Zaandaiti 
te leggen; ter linkerzijde van den opgang wordt het aan- 
denken er daarvan in hardsteen bewaard. 

Reeds vroeg had van Orden een groote voorliefde voor 
de overblijfselen der nationale kunst en oudheid. Hij verza- 
melde dan ook weldra, bij nieuwere, oude boeken, aardewerk, 
zoo potten als beeldwerk, oude kaarten, platen, portretten, 
munten en penningen, en onder deze vooral leg- en gilde 
penningen. Vooral was het de pennigkunde, aan welker be- 
-oefening hij zich wijdde en gaf daarvan in 1825 een belang- 
rijke vrucht in zijne Handleiding voor verzamelaars van Ne- 
derlandêche historie penningen, waarop tnsschen de jaren 1828 
en 1830 zijne Bijdragen tot de Numismatiek volgde. Dit 
werkt waarvoor nog belangrijke bijdragen voorhanden zijn, 
is, ten gevolge van de afgebrokene betrekkingen tusschen 
Nederlanden België gestuit. De hoogleeraar van der Chys, 
gaf van beide werken een breedvoerig verslag in zijn lijd- 
schrift over algemeene Munt» en Penningkunde D. I bl. 445 — 
447. Behalve aan vele anderen heeft van Orden belangrijke 
diensten bewezen aan J. C de Jonge en J. de Vries, 
bij de zamenstelling van bun werk getiteld: Nederlandsche 
gedenkpenningen verklaard dat in 1822 en 1837 in twee dee- 
len het licht zag. Met Schenkel gaf hg in 1841 Bydragen 
over de Fenningkunst^ en plaatste menig belangrijk artikel in 
het gemelde tijdschrift en in de Kunst- en Letterb, Zijne 
groote bedrevenheid in penningzaken deed hem, die in de 
orde der vrijmetselaars een aanzienelijk waardigheid bekleedde 
(in 1814 werd hij meester in de Loge Vincit vim virtus te 
Haarlem , en , na het oprigten der loge ^nna Faulowtia 
Grootmeester te Zaandam en werd in Januarij 1840 meester 
van eer}, ook eenmaal benoemen in eene commissie, die be- 
last was met het verzorgen van een gedenkpenning, geslagen 
bij gelegenheid van het 25jarig feest van prins Frederik 
der Nederlanden als grootmeester van de orde der vrijmetse- 
laren in Nederland, en toen Zacharias zijne Numotheca 
Latomorum bewerkte, raadpleegde bij van Orden over de 
tot de orde der vrijmetselaars behoorende in Nederland ge- 
slagene penningen. In 1842 werd hij ridder van den Neder- 
landsche Leeuw. Reeds ten jare 1794 werd hij lid van het de- 
partement Oost-Zaandam van het Nut van 't algemeen , later 
was hy eenigen tijd voorzitter van het departement Zaandam 
en bleef lid tot aan zijn einde, dus gedurende bijna zestig 
jaren. Sedert 1823 was hij lid van de maatschappij van Ne- 
derlandsche Letterkunde te Leyden, ook boden het provinciaal 
Utrechtsch genootschap van kunsten en wetenschappen, het 
Friesch genootschap voor Geschied-, Oudheid en Taalkunde, 
het~ Noord -Brabandscb genootschap tot lidmaatschap aan. Dea 
24 October 1826 wenl hij benoemd tet correspondent vaa 



Digitized by 



Google 



195 

hei kooinglijk Nederlandsch iaslitottt Ook was hy lid van de 
société Numiêmatique Beige, 

In 1798 trad bij in den echt net Marytje Poel, die 
hem drie dochters schonk, van welke twee hem overleefden, 
doch waarvan de derde de moeder het leven kostte en wel 
in 1804. In 1807 ging hij een tweede huwelijk aan met A. 
6. ten Klooster van Zwolle , doch ook deze moest hij , na 
eene ontijdige bevalling in Nov. 1808 grafwaarts begeleiden. 
In 1813 hawde hij nogmaals met Maretje Dekker, welke 
echtverbintenis in 1828 door den dood werd ontbonden. 

Na langdurige sukkeling, doch een kort siekbed, ontsliep 
hij den 13 Jannarij 1854. Zijn portret is in steendruk uitge- 
geven, de hoogleeraar P. O. van derChys vervaardigde 
Kyne levensschets, die onder de levensschetsen der in 1853 — 
1854 onlslapeoe leden der maatschappij van Nederlandsche 
Letterkunde te Leyden geplaatst is, waaruit wij deze hebben 
getrokken. 

Hij schreef: 

Operateur oj steenêntfder ai$7nede iets over zijn leven, (1840)* 
Eene ieregtvsijzing van het door den heer Teding van Berk- 
bout in No. 188 vermelde. 

Handleiding voor verzamelaars van NederL Historie pen- 
ningen. Leid. en Zaandam 1825, 1830, 2 st. 8o. 

Bijdragen tot de Numismatiek voor het koningr^k der Ne- 
derlanden. Zaandam 1828 — 1830, vier st, m. pi. 

Bedragen voor de Penningkunde. "s Hage 1841 ^met A. 
D. Schinkel; niet in den handel J. 

In het Tijdschrift voor algem. Munt- en Penningkunde van 
den Hoogl. van der Chys: 

Beredeneerde Naamlijst van alle de gedenk' en legpennin- 
ningen^ munten^ nood- of belegeringspenningen e»», welke 
gevonden toorden in de penningwerken van F. van Mieris en 
(r. van Zoon, in vervolgen van hei Kon. Ned, Instituut , ook 
zoo veel mogelijk in de overgeslagefie en ontbrekende en voor- 
noemde werken aan te wijzen in D. II. st. 1 , 2, 3. 

Over twee weinig bekende gedenkpenningen van Albert Durer, 
Iets over de zoogenaamde noodmunt van de stad Gronin- 
gen. (1834). 

Iets over de Groninger noodmunt van 1672. Q836). 
Over den makelaars gildepenning van Amsterdam. (^1836}. 

Iets over den Nederlandschen stempelsnyder of medailleur 
Theodorus van Berckel. (1836}. 

Beschrijving van twee gedenkpenningen éer eere van Ja- 
ques de BeauUm , 



Digitized by 



Google 



196 

Kigin è^oöp der nietigheid tan in den Zuidpias get&ndêne 
munten, in Amsterd. Cour. No. 191. 

In dlgefn. Kunst^ en Letterlode: 

leU over de \Q Ztöeedsche Noodmunten^ benevens het leven 
én uiteinde van den Baron van Götts, den uitvinder van 
dezelve, (1826). 

B'^dragen tot de geschiedenis des Vaderlands en ophelde-^ 
ringen rakende de noodmunten van Oudenaarden 1582. f 1828). 

Kleine bijdragen tot de Nood- of beleg eringsmunteti van 
Antwerpen. (1932), 

Over de ftaaifé toetésteenen tafel door G. tan Bijsw^k 
béuietkt en te Delft bij den keer tan Kuüjh berustende. ( 1833). 

leU tét aam)ulling der tijdrekenhundige teregtu>ijzing ra- 
kéfidê zeket ver^é. (1840). 

Over de liedboekjes omer vaderen^ vooral onder "ome 
Noord^Hollandscfie Landgenooten, mopjes genaamd, later be- 
paald aver het Medenblicker Scharrezoodtje , de Enchugser 
JTbockcns en 7 Hoorns trekschuilje. (1846). 

Over het dusgenaamde maUe schip. (1847)* 

Verhandeling over Pieter Florisz. tice*- admiraal van Hol-- 
land en Wèsi- Friesland in het Noorder kwartier id Magazifn 
over IVetenschappen , Kunsten en Letteren van N. G. van 
Kampen. D. X. (1830). 

Zie behalve de gemelde Biographie, Honig, Geschied, der Zaanl, 
B. II. bl. 993; Tt&n GeunSi Bè9chrijv,tan ZAandami Cët. der 
Maaitch. v. Nederl. Letierh, Yi. II. bl. 29; Muller, Cat. v. Forit. 

ORDONIE (E. y.), een kunstenaar, die omtrent 1677 iu 
Vlaanderen bloeide. Hij arbeidde en wel gelukkig voor pracht- 
werkèh van dien lijd. 

Zie ^ r a m m, t. a. p. bl. 1277 . 

0REINU8 (A.) gaf in het licht: 

V Wonderlisck Evangelium tan Nicodemus na de copge 
tot Legden A. 1418. Rolt. 1671, 2 D. 
Aanvang en voortgang der Arminianen. 

ORGEL (Marttn) zette in Gelderland, in het begin der 17e 
eeuw, Op de bouwhoeve klein Hattem, tusschen Beekbergen 
ëti At)èldoorti de eerste papiermolen op de Yeluwe, ddarin 
bijgestaan door twee Duitschek'S. Hij ligt te Beekbei^en be*- 
grlivcfH in tfet ko6r van de kerk ^ op E^n iprafscbrifi genoemd 
wordende Oldeste fapyer maecker van Geldérlalid. 



Digitized by 



Google 



i%7 

Zie Zaanl. Jaarè. 1841 bl. 86, 87, Kol^ o. h. w« 

OAIZANT (J), dichter uU de kfttste heilt d^ 18e eeaw. 
Hen heeft van hen: 

Oude toijn in Nieuwe Leder-zacken of LoMwerierkrans her* 
vloghten om het hooft vcm z^ne Doorluchtig ete Hoogheyt 
fTilhelmus de III op 31 M« 1670. 

Zegepraal over hei stellen van Wilhelmus de III tot stad- 
houder over Hollandt^ Zeelandt ende West-'Frieslandt op 3 
Julij 1672 '* Gravenh, 

Lauwerkrans voor de vyf Princen van Oratie. 4o. 

Zie Abcoude, Naaml. bl. 272; Cat, d. MaatscA, v, Nederl, 
Letterk, D. III. bl. il8. 

ORESMIEUX (Francois d') werd Ic Albrechf greboren, be- 
kleedde eerst de betrekking van prevoost der abd^ Mont- 
Saint-Eloy, en werd er den 6 Aug. 1626, tot XXXV«ten 
abt van benoemd, welke bediening hij lot zijn dood, den 26 
October 1639, waarnam. 

Hij schreef: 

Vila 8. Findiciani JEpiacopi Cameracsensis et Jtt 'eb^ tensis. 
Bij de Bollandisten T. lï. Vlartïi. p. 76-^84, 

Hij liet na: Chronicon Abhatum et viroium illueirium mo'^ 
nasterü 8, Eligïi et annexorum Friorutatum^ waaraaa hij 25 
jaren arbeidde. 

Zie GalUa Christ, T. III, p. 432ï Paquot, Mém. T. I,p.77; 
C hal mot, CataLprimor,umv.L9vani]^,2^; Hermans Confp,p,'i. 

A d e I u h g. 

ORIDRIJUS (Arnoidüs} of van fiergheijek, werd in het 
laatst der 15e of begin der 16e eeaw te Bergeik hij Einho- 
ven geboren. Hij leerde de Grleksche taal onder Jacobus 
Mar in, rector te 's Hertogenbosch en vervolgens te Leuven 
onder Kutger Bescius, hoogleeraar in het collegie der 
drie talen. Na zoo in deze als de Latijnsche taal groole 
vorderingen gemaakt te hebben, legde hg zich op de wijs- 
begeerte en godgeleerdheid toe , werd in 1520 primas uitgeroe- 
pen, en was, volgens getuigenis van zijn vriend D o mini en s 
Sylvius, die hem omtrent 1514 bezocht, een goed theólo- 
gant. Vervolgens woonde hij eenigen lijd <e Gend b^ den 
«ht van U. Fieter, dien hy waar6ch4jeUjk «fe kierkof secre- 
taris dieode. Orasireeke 1538 verüet hij diens woning en 
«tiehtte hij «ene school 4e finghie*, waar hij vele JongeUngen van 
aanzien tot leerlingen had. Hij overleed omstreeks I5tl3. Htj 
gaf in kdt licht: 

Summa Jmguae iSraecae^ MliHssime Qrammtsticam Or^^eeam 



Digitized by 



Google 



198 

auipicanHhuê^ Paris 1536, 4o. Deze uitgaaf werd bezorg<{ 
door Do mini CU 8 Syl vius, die in het voorbericht nog 
andere werken van Oridryns beloofde in hel licht te geven. 
Oridrijus droeg dit boek aan Gerard Cnlsbroyck, abt 
van St. Pieter op. Achter aan vindt men grieksche grafschrif- 
ten op Nicolaas Utenhovius, een van Erasmus, een 
van Oridrijus, een van Livinus Ammonius, met de la- 
tijnsche overzetting van JanConsardns. 

Be bona menie ^ carmine iambico. 

De JubilaeOy carmine, 

Be curd pauperum. 

Hesiodi agricuUura^ versu, 

Comparatio Regis et Monachi ex CAr§sos6omo. 

Zie Z weert ii, MA, Belg, p. 144; Val. Andrea s, Mbl. Belff. 

?. 85; Poppen 8, J5»^/. Belg. T. I. p. 101; Paquot, Mém. T. 
I. p. 38, 84 ; Van 6 i 1 s en C o p p e n s , Nieuwe BetcArijv, van '# 
Boteh D. III bl. 68, 64; Joch er. 

ORIDRTUS ( JoACBiH ) of B e r g h e ij c k , bloedverwant van 
Johannes euArnoldus Oridryus, bestuurder der scholen 
van Amersfoort en Enghien, bloeide in het laatst der 1 6e eeuw 
rector te Dordrecht en was de leermeester van 6. J. Yos- 
sius, Petuianus en Simon vanBeaumont. Hy was een 
man van groote vermaardheid, ervaren in de grieksche en 
lalijnsche talen. Hij stierf na acht jaren de school geregeerd 
te hebben. Martinus Pijlius vervaardigde een lijkdicht op hem. 

Zie V o 8 s i i Epp. no. CCLIX ; Schotel, Tk. Byckii eette EpU- 
iolae ineditae p. 117 , 118. Dez. in Alg. Konfi- en Letterb, 1842 no. 
28. Dez. lil. Sehool bl. 28, 210; Dodt van Flensburg, fijd- 
echrift van Utrecht 1843 no. 7, p. 245; Oed, van 8. 9« Beaum^ut, 
(uitg. van Ti de man) bl. IV, 252, 259. 

ORLËRS (^Jan^, zoon van Jan Orlers en N. van Hout, 
verwant aan den beroemden Jan van Hout, werd omstreeks 
of even voor 1580 te Leyden geboren. Hij was schepen en 
viermaal burgemeester zijner geboortestad, waar hij vroeger 
ook het beroep van boekdrukker en boekhandelaar uitoefende. 
Hij overleed den 10 Augustus 1646, en was in datzelfde jaar 
geschilderd door A. de Vries. 

Men heeft van hem: 

Ber Na9»aH9chen Laureucrans^ o/ie Beêjckr^inge enaf- 
beeldingke van alle de O^erwinninghen y soó te water als te 
lande ^ die God Jlmachüghe de Edelen HoochmogAenden HH. 
Stoeten der Vereenighde Nederlanden verleent heeft ^ door het 
w^'s en kloeck beleed des Hooghgehoren vorste VLaurits van 
Nassau^ uitgegeven tot eeuwig keghedach f enis, Leyden 1610 fol. 



Digitized by 



Google 



6U werk is opg^ra^eo aao prios Maiirits. Uitdeopdrafl 
biykt, dat niel O r Iers alleen, maar ook zekere Hendrik 
van Haestens mei hem schryver van het boek is. 

Hiervan verscheen al spoedig eene Fransche vertaling: Bé- 
êcripiion et repreêenialion de toutes les victolres^ eons la 
condicte de Maurice de Naêêau, A Leyde J- J. Orlere et 
Henry de Haeelene, 1612 fol. Overigens is deze Nastaafsche 
Laawerkrans y^oordeHjk nagedrukt in het meer voorkomend 
werk: Wilhelm en Mauritê van Nassau , princen van Oran- 
ffien, kaar leven en bedriff ^ qft H begin en voortgang der 
Neederlandache beroerten en oorlogen^ gedurende haer begder 
leven aldaer voorgevallen. Amst'. 1650 fol. 

Geslachtboom der Graven van Nassau; inhoudende den 
oorsprong^ afkomste^ voortgang^ daden en geschiedenissen^ 
der Hooghgheboren graven deszelven geslacht s , versiert met 
XVI af-öeeldingen^ der voornaemster Nassausche Helden^ 
die door haere onver ghelyckelicke stoutmoedichegt ^ den stoet 
deser landen hebben helpen vercrggen ende bewaren. TotLey- 
den 1616 4o 

La généalogie des illustres contes de Nassau^ imprimêe 
avec la Déscription de toutes les victoires^ lesquelles Dieu a 
octroyées aux notables^ haults et puissans Seigneurs^ Messeig- 
neurs les Estats des Provinces- Unies dn Pays-Bas^ sous la con^ 
duite et gouvernement de so Excellence Ie Prince Maurice 
de Nassau^ avec seize Portraits des principaux Héros de 
la Maison de Nassau^ qui ont sécouru^ conquis et conservé 
VEstat de ce Pays. Deuxiesme édition, A Leyde chez Jean 
Orlers 1615 in fol. 

Généalogia Hlusfrtssimorum comilum Nassoviae; in qua 
origo, inermenta et res gestae ab iis , db anno 682 ad prae- 
sentem hunc 1616; cum effigiebus XFI praecipuorum inter 
eos Heroum^ qui incomparabili virtute sua libertatem hfi^us 
Jteipublicae ad^ucerint. Collecla ex varüs monument, ah. J. O. 
L. B. 1616 in foL 

Beschryvinge der stad Legden^ het hegin^ den voortgang en 
wasdom derzelve enz. mitsgaders een verhael van alle de be- 
legeringen en aanslagen die deselve stad sedert den jare 1203 
geleden heeft tot de laatste belegering en verlossing^ gevallen 
in den jare 1574. Leyden 1614 4o. 2e dr. 1641, vermeer- 
dert met een derde deel, inhoudende den staat der regeringe 
der stadLeyden; 3 dr. Leyd. by O. Heyligert en L. Her- 
dingh, zonder jaartal, doch bHjkbaar in 1759 of 1762; 
nieuwste druk (ten onregte de 3e geheeten (1781) met 
op nieuw opgegraveerde pi. 4o (de tekst niet vermeer- 
derd*), een zeer nuttig en belangryk wei^, 't welk zelfs na 
de hreedere besehryving van Leyden, door van Mieris en 
van Alphen, niet geheel overtollig is, alzoo deze laatste 
onvoltooid is gebleven. Het was begonnen door des schryvers 



Digitized by 



Google 



200 

oen jan van Hont, lie gedurende en oa de beIei:eriog se- 
cretaris der stad was, na wieas dood Orlers het vervolgde 
en daarin door Dousa en Scriverius met belangrijke 
bouwstoffen geboipen werd. 

Illu8irium Hollandiae et Westfrisiae ordinum alma aca- 
demia Leydenaia, L. B. 1614 4o. Doch dese is slechts eene 
veraaeerderde uitgave van het boek, ^twelk het eerst in 1613 
zonder naam d«s schrijvers in het licht kwam, onder den titel 
van Ilhistria Academia Lngduno^Batwta^ en aanleiding gaf toi 
eene uitgave in 1614, die aan Orlers toegeschreven werd, 
en die op nieaw Meursius aanleiding gaf tot zijne AtAenae 
Batava Libri IL Leyd. 1625.* 

Zie J» de La et, Belgii Confoeder. Bepuhl. p. 67; Pars, Ind. 
Bat. p. 161, 186, 275, 276; Val. A n dr eas , j5iW, Belg. p.; 
Foppens, Bibl. Belg. T. II. p. 707; Paquot, Mém T. III. 
p. 692, 593; De Wind, Bibl. van Geschied, bl. S18, 319, 320, 568, 
569; Bob SC ha, Neerl. heldend, te land. D. I. bl. 285; Mr. 
Bodel Nyenhuis, Topogr, lijst van plaatsen no. 1000; 
Cat, Muller, no. 2398—2400, Cat. d. Maats. v. Nederl. Leiterk, 
D. II. bl. 34, 120. ü. III. bl. 318. Nav. D. X. bl. 321; van 
der Monde, Tijdschrift voor de geschiedenis enz, van Utrecht D . 
VIII. bl. 138, volgg. 

ORLEY (Babend) of Barend van Brnssel, was van aan- 
zienlijken afkomst Volgens Vasari bloeide hij in 1535, 
Pelkington wil dat hij in 1490 geboren en in 1560 overleden 
is, do«h Michiels, en velen na hem stellen zyn geboortejaar in 
1471 en zijn sterfjaar in 1541. Kramm echter beweert teregt 
dat dit laatste onmogelijk is, daar Raphael eerst in 1463 
werd geboren en O r 1 e y op jeugdigen leeftijd naar Rome zou 
zlJB vertrokken om in Raphaels school onderwas te genie- 
ten. In 1521 trad hij in dienst foy de landvoogdes 91 ar ga- 
re tha van Opstenryk te Brussel en werd later hofschü- 
der van keizer Kar el V. In zyiie jeagd bezocht hij balie en 
ontving hij het onderwijs van Raphael te Rome. Hij schilderde 
voor verschillende kerken in Vlaanderen altaarsiukkea en tee- 
keade vele fMtronen voor tapijten met jaglen en afldere 
voorwerpen, waarin hy de portretten van den keizer en an-- 
dere prinsen naar het leven schilderde. Graaf Maurits vwi 
Nassau deed acht van dengelijke tapijipa tronen , waarki 16 
parsoftea uit hel huis van Nassau Ie paard en levensgroot 
voorkwamen, naar den Haag voeren en ze door Hans Jor- 
daans in olieverw schilderen. Orley had mei den sdiiUier 
Michiel Corio, zijn medeleerling bij Raphael, heitoezigt 
over de vervaardiging vap de kostbare tapijtwerken , die op 
last van paus L e o X te Arras, naar de teekeningen van R a p b a e i, 
vervaardigd werden. Deze eertons zijn niet met de tapi[jteo 
naar Rome gevoerd. Ka rel I van Engeland kocht ze, en ze^ 
werden lang in eene kist te Whiteball bewaard. Vervolgens 



Digitized by 



Google 



201 

z^n ze in ^t openbaar geveild, en door Cr om we 11 weder in- 
gekocht en later onder koning Willem III geheel hersleld. 
Deze deed ter plaatsing er van, e«ne gallerij aan Elampton- 
e 00 rt bouwen, waar ze na nog aanwezig ziln. Orley's schilde- 
rijen in olie- en waterverw zijn zeldzaam. De kerk St. Ban- 
veur te Brugge bezit van hem twee schilderijefl, voorsfellende 
eene Magdalena cmn de voeten ««m Jezus en een Kruiêdra- 
ging , die van St. Ntcolaas ie Brussel , een Petrus uit de ge* 
vangeni» verlokt en St. Rock die een pestdeke geneest. Het 
museum te Brussel bezit er twee, waarvan één uit zijn vroeg- 
sten tijd, voorstellende Ckristm, door de H, Maagd onder- 
steund^ die onder de smart gebukt gaat. Dit slok wordt, vol- 
gens Immer zeel, om de schoonheid van uitdrukking, kracht 
van koloriet, fijnheid van uitvoering en volmaaktheid der dé- 
tails voor het beste gehouden dat hel museum in dat genre 
bezit. De instelling van Stadel te Frankfort aan de l^lain heeft 
eene dergelijke schildery, doch in de vleugeldeuren (^die (o 
Brussel heeft deze mei de portretten der begiftigers en hun 
gezin^. Het ander stuk dat gemeld museum bezit is eene na- 
volging der Heilige Familie van Raphael. In het Bagij- 
nenhuis te Brussel vindt men mede een stuk de dood der H, 
Maagd voorstellende, met vleugeldeuren. In de oude verza- 
meling van Boisséreeie Brugge is een St, Norbertus , de 
ketterij tfan Tanchelin weerleggende. In de gallerij te Wee- 
nen vindt men van dezen meester een Rust in Egypte. Ko- 
ning Willem I( bezat acht zijner schilderijen, door den 
makelaar C. Roos gekocht. Later (^1856} is de kunstkooper 
G. J. Nieuwenhuijs van Parijs, door aankoop er bezitter 
van geworden en heeft ze naar Brussel vervoerd. Deze 
meester heeft ook geëtst: zestien fraaije en tamelijk groote 
passieprenten zijn van hem bekend. Even onzeker als het jaar 
van zijn geboorte is, is ook dat van zijn sterven. De Jong 
(in zijae 8o uitgaye van van M ander) wil dat hij in 1550 
zou overleden zijn. Immerzeel schrijft dat hij den 6 Jan. 
1541 te Brussel in den ouderdom van 70 jaren stierf. AI- 
bert Durer schilderde zijn portret: dat door Cock gegra- 
veerd met het vers vai^ Lampaonias, waarboven Flormt 
Bruivellis anno 1530, vindt men in de 8o uitg. van van 
Maader op pi. 9 No. 2. 

Zie Immerzeel, t. a. p. bl. S83; Kramm, t. a. p. b{. 1228 — 
1229. 

ORiËY (^HifiRONTHüs van}, voigefis Kramm waarschijnlijk 
oom en leermeester van Richard van Orley. Hij was een 
minderi>roeder te Brussel en schilderde portretton, waarvan 
R. Co 11 in er eenige voor de Bibl. Belg, van Foppens 
heeft gegraveerd. 



Digitized by 



Google 



202 

Zie Kram m, t. a. p. bl. 1229. 

ORLEY (^JoANNES van) een bekwaam kunstgraveur in bel 
einde der 16e en begin der 17e eeuw, die tevens te Rome 
knnstbandel dreef. Kramm gelnigt dat zijn werk voor dien 
tijd zeer fraai en met zorg uitgevoerd is, docb dat het hem 
niet is gebleken of hij zelf geordonnanceerd en geteekend 
beeft. Hij bezit van hem eene fraaije gravure in gr. fol. Chris- 
tus aan het tolk vertoond^ beteekend Joannis Orlady formis, 
Romae 1602; in de prent zelve slaat Comelia Cort f,; 1572. 
Men vindt van hem een werk onder den titel lAvre de Por- 
traiture^ en eenige bladen naar Raphael, Procassino en 
anderen. 

Zie Kramm , t. a. p. 

ORLEY (Lbnaebt van). Deze wordt alleen by de Bic, bl. 

528 van zijn Gulden cabinet genoemd, doch Kramm getuigt 

nergens van hem of van zijn werk iets te hebben ontdekt. 

Waarschijnlijk vergistte zich de Bi e in den voornaam. 

Zie Kramm, t. a. p. 

ORLEY (RiCHARD Van), zoon van Pleler van Oriey, ee» 
middelmatig landschapschilder, werd in 1652 te Brussel gebo- 
ren. Hij beoefende reeds vroeg de kunst en overtrof weldra 
zijn vader en oom die beide zijne leermeesters waren. Hij 
bekwaamde zich vooral in het teekenen, legde zich aan- 
vankelijk op het miniatuur schilderen toe, slaagde daar 
gelukkig in en begaf zich vervolgens tot het schilderen van 
historiële onderwerpen. Hij schilderde een menigte portretten en 
en zijne stijl in het historiële vak heeft zoovele gelijkenis met 
dien van Niccolo Poussin, dat men wanen zou dat hij 
zijn geheele leven in Italië heeft doorgebragt. Zyn achter- 
gronden zijn met fraaije gebouwen en schoone perspectiveo 
versierd en zijne figuren zóó geplaattt en gegraveerd dat zij 
aangenaam voor het oog zijn en duidelijk en zonder verwar- 
ring uitkomen. Het museum van Antwerpen bezit van hem 
slechts ééne schilderij, voorstellende de wederinkomst van 
paus Innocentius II te Rome in 1135, een stuk dat behoort 
tot een reeks door hem geschilderde stukken de historie van 
8t. Norbertus voorstellende en afkomstig uit de abdy vao 
Tongerloo. Zijne etsen zijn soms uitvoerig en met een vaste 
hand, als met de burin bewerkt. Kramm roemt o. a. een 
prent voor een tooneelspel, voorstellende Silvio doodt een 
groot wüdzwijn^ in tegenwoordigheid van Dorinde, Hij ver- 
vaardigde zes of zeven prenten van de twaalf voor de Per^ 
spectives des Ruines de la ville de Bruxelles^ designees au 
naturel par Augustin Coppens 1695 in fol. ohl., en een 



Digitized by 



Google 



20t? 

reeks van ^8 sluUs omerwerpen uit het Nieuwe Testament^ 
naar de teekeningen van Jan van Oriey, en door beide 
gegraveerd. Zijn portret vindt men bij Descamps. Men wil 
dat hy in 1732 is overleden. 

ZieItDinerzeel,t. a. p.; Kramm, t. a. p. 

ORLEY (Jan van) jongere broeder van den vorige , werd 
in 1656 te Brussel geboren. Hij beoefende het historisch vak 
en vervaardigde vele stukken voor kerken in België. In het 
refectorium der abdij te Dillighem is een zijner beste stukken, 
voorstellende de aanHdding der wijzen. De St. Nicolaas kerk 
te Brussel bezat van hem een Petrus uit de gevangenis ver- 
lost wordende en de kerk te Assche, tusschen Brussel t>n 
Aalst, eene verrijzenis. 

Hij etste op eene geestige wijze onderscheidene voorstel- 
lingen uit hel N. Testament naar eigen ordonnantie. Zijn sterf- 
jaar is onbekend doch dat hij in 1700 nog leefde blijkt uit 
de voorrede van de wonderbare en heilzame geboorte^ bene- 
rens de voornaamste wonderdaden vafi onzen eenigen midde- 
laar Jezus Christus^ bij uitnemendheid zierltjk geboekt door 
de rijke inventie van den vermaarden schilder J. van Orley ; 
in '/ koper ge-etst en fnet verklaringen opgehelderd door IL 
Mand. Amst. 1709. 

Zie Iinmerzeel t. p. bl. 283. 

V 

ORLIENS (Cathabina van) Johan Diederik van Mon- 
taigne, een Zweed van geboorte, ontzag zich met, in den 
avond van den 17 April 1664, zekere Calharina van Or- 
liens, minderjarige jonkvrouw van aanzien, goede zeden en 
groole middelen, uit het buis te 'sHage, waar zij zich be- 
vond, met list en geweld te schaken, en over straat te doen 
sleuren in een rijtuig, met hetwelk hij, van gewapende man- 
schap verzeld, in den donkeren nncht haar naar Kuilenburg 
vervoerde, zich aldaar in veiligheid meenende te bevinden. 
Naauwelijks vernamen de bloedverwanten dezer jonkvrouw 
deze schandaad, of zij vervoegden zich bij het hof van Hol- 
land om letteren van voorschrijving aan alle volkeren. Het 
hof bragt terstond de zaak by de staten van het gewest, die 
niet alleen de verzochte letteren verleenden en zorgden dat 
ze ook ter generalileit werden ingewilligd , maar tevens , zoo 
als ook de algemeenen staten deden, een brief zonden aan 
Henrik Wolrad, graal van Waldek en Kuilenburg, met 
verzoek baar uit de banden van baren roover of roovers te 
redden en Montaigne over te leveren in banden van com- 
missarissen van den hove, die zich ten dien einde naar zijne 
stad zouden begeven, en die men tot meerdere zekerheid, 
behfllven de dienaars der justitie^ twaalf wel gewapende sol- 



Digitized by 



Google 



204 

dalen toegevoegd had, ten einde in den Haag gestraft te wor« 
den. Twee dagen later kwam ter atgemeene staats vergadering 
een onvoldoend antwoord in van den graaf, dat, door Hol- 
land overgenomen , aanleiding gaf, dat hanne Edele Grootmo- 
genden hem ernstiger aanschreven, onder anderen verklarende 
hoe zij mei de grootste verbazing verstonden, dat, ondanks 
hun verzoek, Montaigne met eens verzekerd, iaat staan 
overgeleverd was geworden,* dat ondertusschen het geweld, 
jegens de jonkvrouw gepleegd, hun, hoe langer hoe 
meer gebleken zijnde, zij niet alleen op hem begeerden 
de gezegde jonkvrouw, zelfs al mogt zij thans door ge^ 
dwongen aanrading, als andersins, verklaard hebben (ji09 
als inderdaad gebeurd was^ niet tegen haren wil veroverd 
te zijn, willig of onwillig over te geven; maar ook in het 
bijzonder en dadelijk den roover in handen der c(Hnmissaris- 
sen te stellen , met bedreiging dat de staten , bij verder ge<- 
brek van dien , zich hoogst gevoelig zouden ioonen , en „ztiik 
eene, hun aangedane kleinachting en stremming der opeobare 
veiligheid geenzins dulden.'" Toen men hierop door commissa* 
rissen onderrigt werd, dat de graaf, zich met de verklaring 
der jonkvrouw meenende te kunnen dekken , onverminderd 
alle aanmaning, onverzettelijk bleef, dat ook Montaigne, 
met "'s graven kennis zich binnen zeker hnis in Kuilenburg 
had verborgen en ligtelijk uit die plaats kon onivlugten of 
reeds ontvlugt was, begreep men in Holland, met goedkeu- 
ring der meerderheid van de Algemeene Stalen, tot krachti- 
ger middelen de toevingt te moeten nemen. Men gelastte ^an 
aan gecommitteerde raden, ten spoedigste 3 of 4 conpairnien 
paarden en 600 voetknechten, onder deji luitenant kolonel van 
S te e 1 a n t , zwager van wijlen den heer van Sommelsdijk, 
en den majoor van Zanten af te vaardigen naar Kuilen<- 
berg, ter besluiting door stad en bezetting der toegangen, 
aan welken last voldaan werd, terwijl ook ten zelfden einde 
twee gewapende jachten op de rivier de Lek werden geplaatst 
en deu graaf op nieuw aangeschreven, hij had Montaign« 
over te leveren, of andersints te wachten dat ^kuDne Edele 
Orrootmogenden niet zouden rusten, voor en aleer zij aan ''s 
graven persoon, sttd en graafsdiap vanKsHei^rg, een esela- 
tant exempel zMMlen stelten van bünne regivaardige indigna- 
tie , met strafling van de& delioqnant of complices ^ ter eeuwi- 
ger memorie^\ Buiten dien werd niet sleefats aan aHe hoofd- 
oiflcieren , zélfs aan de ingezetenen der steden en van het 
platteland bevolen op Hontaignete passen, en hem over 
ie leveren^ maar ook de heer van Langerak, die zieh te 
-diep in 't b^ttg van Montaigne gewikkeld had, uit Kui- 
lenburg naar de Kastelenye in 's Hage overgebragt en eer- 
lang met het verlies der compagnie paarden, hem ^voorheen 
op voordragt van koning Karel I geschonken, gestraft. D^lt 



Digitized by 



Google 



»05 

alles belette echter niet, dat Montaigpne eerlang en 
zoo men meent, in het kleed eener melkster met een melk- 
kan op den raf , naar Bramen ontkwam, waar de regering 
hem gevat en aan defen staat veroorloof hebbende hem te 
doen afhalen, hij de behendigheid had, om uit de handen van 
een officier^ te dien einde overgezonden, te ontkomen, waar- 
over deze later gestraft werd. 

De vlugt uit Kuilenburg had middelerwijl zulk een onge- 
noegen bij de staten van Holland tegen den graaf verwekt, 
dat zij besloten tot herstel van den geleden hoon en voor- 
ziening voor het toekomende, hunne bedreiging te volvoeren. 
Zg gelastten den kolonel van Steeland de poorten der stad 
fe doen afhangen, de valbruggen te doen vastmaken of in 
plaats daarvan, twee sleenen bruggen of dammen door de 
grachten te leiden, en twee openingen in de wallen of mu- 
ren te maken, om, daardoor, (en allen tijde, onverhinderd in 
de stad te kunnen komen : ook eischten zij , dat de graaf zich 
schriftelijk zou verbinden, om van nu af, geen vrijgeleide 
meer te geven aan eenige hoofdmisdadigers , beraden bank- 
brekers en dergelijken, uit de vereenigde Nederlanden in Kui- 
lenburg gevlucht, of bij vervolg van tijd te vluchten, maar 
dat hij ze integendeel op de eerste aanmaning der staten van 
deze landen, hoven van justitie of magistraten der steden 
zOu hebben over te geven-, dat hij den drost of stad- 
houder van zijn graafschap, als aan het tegenwoordig geval 
zeer schuldig, van zyne bediening en inwoningv aldaar, voor 
altijd zou hebben te ontzetten, ter bevordering waarvan van 
Steeland met het krijgsvolk , waarmede hij de ^d besloten 
hield haar zou binnen rukken en er zich lot weder bevel 
ophouden.'" De algemeene staten bevestigden dezen last; Stee- 
lend trok Kuilenburg binnen, en de zaken zouden tot het 
nitersle gekomen zijn, indien de staten van Gelderland, en Ge- 
orge Frederik, graaf van Waldek, oom van den regerenden 
graaf, niet waren tusschen beide gekomen, en de zaak in der 
minne geschikt hadden. Het krggsvolk trok nu uit Kuilen- 
hurg, Hendrik Wolrad begaf zich naar Stiermark, en 
overleed weinige ^ eken daarna , zoo als sommigen willen met 
hartzeer over de wyze waarop deze zaak voor hen geëin- 
digd was. 

Zift HoU. Merc. 1664{ van W^n op Wi^geiiaar D. XIII bl. 78 
— 80; Voet van Oodheusden, Beschrijv* van CiUenb. D. Ibl^803, 303, 
Brouwer, de jure Connub, Lib. 14 c. 2 p. 684 — 590. 

ORLIËNS (DaVid), ingenieur van den lande, werd de 10 
Jan. 1&99 geiftst, ^met mr. Simon Stevin zich te begeven 
■aar Hafderwyk, dete stad in hare fortertssen te bezichti-*' 
gen, 6n die in hakre hoogte, lengte enss. op te nemen,^ 



Digitized by 



Google 



206 

Zie Chr. », h. HUt. OeuooU. I), IV, bl. 137. 

ORMEA (Marcus), geboren te Utrecht, van 11^21—1623 
dekeu van het schilders collegie. Hij sehouk aan hél St.fliocs 
{gasthuis een atrandgexigt met zee- en rivierviach op ^n voor- 
grond. Hij huwde Johanna Giabbeeckeo liet eèn loon 
na, die volgt. 

Zie Immerzeel t. a. p. bl. 283; Kramm t. a. p. bl. 11K30. 

ORMEA (Willem), zoon van de vorige, schonk in 1638 
aan hetzelfde gasthuis eene schilderij , waarop verschillende 
viac/iaoorten verbeeld waren. Hij huwde Johanna van 
Veen, en leefde nog in 1661. 

Zie I m m e r X c e 1 en K r a m m t. a. p. 

ORNIERO of ORNBRIO (Gerard) Zie Hoorn of Horne 
(Gerard vanj. 

ORLES (A.) schreef: Historie van de mctorien der heeren 
staten m. pi. fol. 

Zie Arrenberg, Naamreg. bl. 391. 

OROBIO (^IsAAC of Baltazab) in Spanje uit Roomschgezinde 
ouders geboren, werd echter door hen in de Joodsche godsdienst 
opgevoed , waarvan hij echter niets waarnam dan de vas- 
ten en den grooten Verzoendag. In 't eerst legden hij 
zich toe op de wijsbegeerte van Aristoteles, waarin hij 
vervolgeus aan de hoogesohool van Salamanca onderwijs g-af. 
Naderhand nam hij zijn verblijf te Seviliè en oefende er 
de geneeskunst uit. Niet lang had hij aldaar vertoefd of hij 
werd als een jood aangeklaagd en in de gevangenis der in- 
quisitie geworpen. Hij zelf geeft een treffende beschrijving 
van de rampen en folteringen , die hy in dien geduchten ker- 
ker moest uitstaan. In een hok , naauwelijks groot genoeg om 
er zich in om te kunnen keeren , opgesloten, verloor hy schier 
zijn verstand en meermalen vroeg hij zich zei ven: „of hij in- 
derdaad die O r o b i o was, welke in Sevili^ vry en frank plagt 
te wandelen, op zijn gemak leefde en vrouw en kinderen had"". 
Nu eens dacht hij „dat zijn voorgaand leven slechts een droom 
was , en dat het hok , gelijk het waarschyniyk zyn sterfplaats 
zyn zon . ook zyn geboorteplaats was geweesr\ Op an- 
dere tyden bieid hy zich onledig „met bovennatuurkundige 
twistgedingen, waarin hy den drievoudigen post van tegenwer- 
per, verweerder en voorzitter bekleedde''". Met deze en soort- 
geUjke hersenschimmen zich in gemimen tyd bezig gehondeo 
hebbende, werd hy eindelyk voor den Inquisiteur gebragt, en 
alzoo hy standvastig zyn Jodendom ontkende, op de pynbank 



Digitized by 



Google 



207 

gebragt, waarvao hij de volgende beschrijving geeft: „In 't 
midden van een onderaarsch gewelf, door eenige toort- 
sen verlicht, verschenen twee personen, de een was een 
regier, de ander de secretaris der inquisitie. Op mijn aan* 
houdend ontkennen , van H geen men mij ten laste legde, gaf 
men mg over aan den scherpregter , die my terstond ont- 
kleedde, handen en voeten met een touw bond en vervolgens 
deed kUmmen op een stoeltje, om alzoo het touw door ijze- 
ren ringen, in den muur vastgeklonken, te kunnen halen. Toen 
rukte men den stoel van onder mijne voeten, zoodat ik aan 
hel touw bleef hangen, dat de beul van tijd tot tijd vaster 
zamenrukte. Toen de banden in het vleesch drongen en han- 
den en voeten dermate deden zwellen dat het bloed uit de 
toppen der nagelen sprong, veroorzaakten zij een bijna on- 
lijdeüjke pijn.'^ Op het oogenblik dat zijne smarten het hoog- 
ste toppunt bereikten, verzekerde men hem dat dit slechts 
een begin was en men hem dus raadden te bekennen. Ondanks 
dit alles bleef Orpbio standvastig; men hield op van folte- 
ren, genas zgne wonien en ontsloeg hem uit den kerker. 
Zoodra hij zgne vrijheid had terugbekomen, verliet hij Spanje, 
begaf zich naar Frankrijk en werd hoogleeraar in de genees- 
kunde te Toulouse. Hier gedroeg hij zich uitwendig als ecu 
lid der Roomsche kerk, doch ommagtig om zijne ware ge- 
voelens voor zich te houden en het gevaarlijk achtende ze te 
ontdekken, begaf hij «ich naar Amsterdam, deed openbare 
belijdenis van de Joodsche godsdienst, liet zich besnijden en 
oefende de geneeskunde uit. Hy geraakte in kennis met de ge- 
leerden Philippus k Limborch, met wien hij in een bescheide 
pennestryd trad over de waarheid van de christelijke godsdienst , 
welke stryd door den laatsten , met den titel Amica collatie cum 
erudito Indaeo, Goudae 1687 in 4o. werd uitgegeven. Hij 
overleed te Amsterdam in 1687 in hooge ouderdom. Men heeft 
van hem , behalve vele nagelatene handschriften : 

Cerlamen Philosophicum propugnatae veritatis divinae et 
naturalis adversus Jok, Bredenburg. Principia in fine atinexa. 
Ex quihm quid Religio Rationi repugnat^ demonstrare niti" 
tur; Quo in Atheismi Spinosae Barathro immersus jacet 
quod Religio nil Rationi repttgnans credendum proponit^ 
etidenttar ostenditer, Haec meditabatur Ishak Orohio^ Medicinae 
Doctor Amatelaed, AmsteL ex autographo Theodori Ossaan 
1703 , ook achter Refuêationa des Erreurs de BenoÜ de JSfpinosa 
par mr. de Fenelon Archevéque de Cambrai, Par lepere Lami 
Benedietin et par mr. Ie Comte de Boulainvilliers^ avec la vie 
deSpinose; écrite parmr, Jean Colerin, Ministre dê VEglise 
Luthérienne de la Haye^ augmentee de beaucoup de particu^ 
laritéz tirées d'une vie manuscrite de ce pkiloseophe , faite 
par un de ses amis. Bruxelles 1731 8o. ookin 'tNederduitsch: 



Digitized by 



Google 



208 

Commenlatio in leremojn, die Dan, Levi de Barrios io 
eternidad de la Ley moaaica roemt. Zijne overige schrif- 
ten als: de perpetua observatione legia ditiaej Explicatio 
capitis E sa. LUI; Expoütio peripkrastica J)anielis eu Epis- 
tüla elenctica in ludaeum philosophun medicwtt^ qui legem 
mosaicam injiciebalur zijn nog in bands. 

Zie Nouv.Siogr. gener. Siogr. Hstoriq. Le Clerc, Bibl. raitonnéeT. 
VII. p. 1G3, Jöcher, Kok, Kobns en de Rivecourt. 

ORSSAGHEN (Johan van}, Rederijker uit het midden der 
16e eeuw, was in 1552 deken van het Sint Jans gild of de 
Peoene te Nechelen. Hij ontving in dit jaar / 20 van de 
stad om hel spel .van ToUaa uit te brengen. 

Zie M elckbecke, Geschiedk. Aanieek, betreffende de Stut Jans 
Gilde, bl. 35. 

ORSOY yAN Arnold van) gaf A. de Kramers Gedichten 
in het licht, en vervaardigde zelf losse stukjes van luttel waarde. 

Zie Witsen Geijébeek, £. A. C. Woordenb. v. h. w. 

ORTELÏANÜS (J B.) van dezen beslaat Paraphraais ofte 
verklaringe ende Terbreydinge van den UU Psalm der Pro- 
pheten Datids enz. in dichtmaat. Item een Paraphrasis op den 
XXVII Psam Middelb. 1626 4. 

Zie Cat. d. Maait, v. Ned, Letterk. D. III, bl. 30. 

ORTËLIUS (Abrahah') of Ortels, zoon van Leonard 
Ortels en Anna Herwayers, kleinzoon van Willem 
Ortels, die zich uit Augsburg omstreeks 1460 te Antwer- 
pen neder had gezet, werd aldaar 4 April 1527 geboren. 
Na hel overlijden zijns vaders was hij genoodzaakt zich op 
den handel toe te leggen : ondertusschen legde hg zich ook op 
de fraaüe letteren, wiskunde en vooral ook op dé aardrijks- 
kunde loe en zoo groot waren zijne verdiensten in dit laatste 
vak dat hij den bijnaam van den Ptolemaeua van zijnen tijd 
verwierf. Hij doorreisde verschillende landen : Engeland , Ier- 
land, Frankrgk, llalie, Duitschland werden door hem bezocht. 
Met de meeste naauwkeurigheid sloeg hy alles gade, teekeode 
het voornaamste dat hy zag op, en sloot vriendschap met de 
voornaamste geleerden, die hy ontmoette. Na zyne reislnsi 
voldaan te hebben , vestigde hy zich te Antwerpen en gaf daar 
terstond zyn Theatrum orèis terrae in het licht. Dit werk 
verschafte hem den titel van geograaf van P h i 1 i p p o s II ko- 
ning van Spanje. Het werd door een aantal belangrijke ge- 
schriften gevolgd, die zijn roem als geograaf vestigden en 
verspreiden en waarvan de lijst hieronder volgt. 



Digitized by 



Google 



209 

Hij bezat een aanzieniyk kabinet van oude penningen, 
oudheden, schelpen. De uitstekendste mannen van zijn tyd 
waren zijne vrienden. Hy overleed den 28 Jannarij 1598, meer 
dan 71 jaren oud. 

Hij schreef: 

Tkeatrum Orbis terrarum Antv. 1570 in fol. met 53 kaar^ 
len, 1571 in fol. met 53 kaarten, 1573 in fol met 70 
kaarten, 1595 in fol met 115 kaarten. Deze uitgave is ge- 
volgd door hel Parergon en den Nomenclator Piolemaicua 
Item, Quod ante extremum vitae suae postremum recensuit , 
novis tabulis et commentariis auxil cUgue ülustravit, Antv. 
1601 in fol. 1612 in fol. Het eerste deel beval 128 kaarten, 
onder welke eenige dubbelen: het Farergon heeft 40 kaarten, 
van welke eenige gewijd zijn aan de bouwkunde en twee aan de 
kleeding der groot dignitarissen van het duitsche rijk; de NO'^ 
menclator Piolemaicua voert de dagteekening 1609. De ge- 
leerde Antwerpsche boekdrukker Yerdussen liet een exem- 
plaar van het Tkeatrum na met een aantal aanteekeningen in 
handschrift. De meeste dezer kaarten verschenen vroeger 
deels afzonderlijk deels eenige gezamentlijk. De schrijver gaf 
terstond eene Vlaamsche uitgaaf van zijn atlas, met den titel: 
Iheater oft loonneel des Aertbodems^ waer in te siene zyn 
die Landt' Tafelen der gheheelder Weerelt: met een corte 
Verclaringe deraelver, Antw. 1571 in fol. vervolgens in het 
Fransch : Le tout reveu, amende et augmenté de pluaieura Car" 
tes et ])éclaratii)na par le meame Autheur, (Anvers.) 1587 
in fol. met 111 kaarten, voorts in 't Engelsch, Londen 1606 
in fol. Ook bestaat er een uittreksel van in het Italiaansch 
getiteld: Theatro d'Abrahamo Ortelio, ridotto in forma pic- 
cola. Antv. 1593 in 8o., als ook in het Fransch: Le Miroir 
du Monde ou Epitome du Théatre ^Abraham Orteliua 
auquel se préaente tant par Jigurea que pour charactères la 
vraye aituation^ nature^ propriété de la terre universelle, 
Aggrandi et enricki, entre autrea^ de plusieura beUea cartea 
du PayS'Baa, Amst. 1598, in 4o. obl. 

Michel Coignet gaf een Latijnsch uittreksel: Epitome' 
Iheatri Orteliani praecipuorum orbia regionum delineationeSy 
minoribus tabulis expreasia , brevioribusque declarationibua il^- 
luatrataa^ continena, Antv. 1601, in 8o. met 123 kaarten. 

Deorum^ Dearum^ Capita è veteribua nundamatibus, Antv. 
1573 8o. , herzien door Franc. Sweertius. ald. 1602 in 
4o. en in den Theaaurua Antiq, Gr, van Gronovins. T. YII 
p. 253. 

Synonyma Oeographica, Antv. 1578 in 4o. , meermalen 
herdrukt met den titel: Tkeaaurua Geographicua, ibid. 1587, 
1596 in fol. Hanau, 1611 in 4o. Degeleerde Holstein heeft 

14 



Digitized by 



Google 



210 

aanteekeniDgen op dit werk gegeven, gedrukt io 1666 te Rome 
in het werk getiteld: Annotationes in Geograpkiam sacram, 

Itinerarium per nonnullas Oalliae Belgica partes^ Abraha- 
?ni Ortelii e< Joannis Fiviani, Ad Gerardum Mercatorem 
coamographum. Antv. 1584 8o. met pi. gewoonlijk gevoegd 
bij andere reizen en vérhandelingen van denzelfden drukker 
als ook door van Langendonck in de verschillende wer- 
ken van Petrus Divaeus. Lovanii 1757 in fol. 

C J, Caesaris omfiia quae exstant: jam pridem opera et 
judicio t>iri docti emendata et edita : accessere Imperii Romani^ 
Galliarur/ique et Hispaniarum veterum Tahulae ^ e conatibus 
geograpJUcis kh, Ortelii elc. Lugd, ^a^.(Anlverpiae) 1593 in 8o. 

Farergon^ sive veteris geographiae aiiquot Tabulae^ Antv. ' 
1595 in fol. 

Ook achter het Theatrum mundi. ^Plusieurs Cartes, schrift 
«^oethals, «^sont entièrenient faites d'imagination d'après 
des déscriptions poétiques."'' 

uéurei seculi Imago ^ sive Germanorum veterum Vita^ Mo- 
reê^ Ritus et Religio, Iconibus delin, et Commentariis 69 
utriusque linguae auctoribus descripta^ Antv, 1590 in 40. met 
10 gravuren van P. van der Borcht. Zijn zinspreuk was 
eotttemno et orno mente et manu, 

Ortelius leefde ongehuwd. Zijne zuster A n n a Ortelius 
liel in de kerk der Premonstratensen , waar hij hegraven 
ligt, eeo praalgraf oprigten met een epiiaphium van Jus tas 
Lipsius. Zijne beeltenis vindt men vóór bet Theatrum orbis 
bg Foppens en by Goethals en een penning op hem by 
van Loon, Historie Fen», D. I, bl. 514. 

Zie Franc. Sweertii JiAen. Bat. p, 88—90; Val. An- 
dreas, Bibl. Belg. p. 2; F o p p e n s , J5ii/. Belg. T. I, p. 8 , 
V o 8 8 i n 8 . de Soientiis MathemaHcis c. XLI V f 29 p . 269 ; T o h. 
Magiri Èponym.vaee. Pope Blo uut, Cens. vir. doet p. 780 — 782; 
Crenii Animad. Philol. p. VIII D. VI] p. 29. Pnrt X. p. 107. 
leO— 154 . 1 58—160 , 282 , Ant?. ; B a u d a r t i Bibliothecca Num- 
maria, n, XVI p. 26, 26; Gottl. Kraotzius ad Conringium, Saec. 
XVI e. V. p. 176 ; Franc. Dion. Camusatus, Observationes ad 
*€raeomi BibHothecam p. 173; Cat. Bibl. Bunav, T. I. vol. II p. 
1481; Saxe, Onem T. II, p. 460, 461; David Chytracua, in 
Faraphrai, Psalm. Buohanan.; Meruia io Cosmogr. Praefat.; B e c ro a n , 
FRst. orb. terrar. c. I, n. 6; Vossius de Phil. c. 2, sect. 28; 
Ca8ati^onu8 ad Baron. Ann, 8iyi»m. 68; G. Ca ra den, Britann. in 
Pr^.; L i p 8 ii Epist, cent. II. MiscelL Epitt 7; ld. Epiat, Quae^t. I*. 1 K, 
Epiit, 4; M. Adami VUae Phih p. 429: Moreri, Morhof f, 
Bibl. Vniv. Biogr. génér. Univ. Biogr. génér ; Convers. Lex. Baner, 
liniscios. Hoogstraten, Kok, Nienwenhnis, van Kam- 

?en, Bekn. Qesch. d. Ned. Letteren en Wetens. D. I. bl. 92, D. 
II bl. 53; Goethals, Eist. d. Zetres, des Scienees et dos arts en 
Bélgique T. IV p. 75. suiv. Bulletins de VAcad. roy.dcs scunces,d€ 
lettres et des beaux arts de Beloique. 1861 p. 335 saiv. Cat. d. 
Bm. V. yed. Letterh. D. II M. M, 251; Mnüer, Oat. p, Partr. 



Digitized by 



Google 



211 

OaiELL (Joachim), bij van Wijq, Orlheil, vó<^r |584 
agent d^r staten van Holland 'm Engeland, doph in 1594 door 
de aigemeene staten mede naar Engeland afgevaardigd om van de 
iioningin onderstand in geld en manschappen te verzoeken. In 
1587 behoord» hij, met den titel van Ambassadeur, mede tot 
het gezantschap naar Engeland dat de koningin de heerschappij 
over deze bnden aanbood. Later ging hij de gangen van 
Leycester na, geraakte behendig aan een gedeelte vap diens 
geheimen lastbrief en zond haar aan Oldenbarneveld. Ook 
waarschuwde hij de staten tegen York en anderen, en werkte 
in alles met trouw en ijver tot zijn dood, die den 3 Oct. 
1590 te Londen voorviel. Zijn opvolger was Noël de Ca- 
ron. Hij hu^de een der dochters van Nicoiaas van den 
Go r put, secretaris van Breda en was de sf^hoonbroeder ¥98 
Emanqel van j^e teren, die met Ësther van den Cor- 
pu t in den echt trad^ 

Zie Por, Nederl, Rist. B. XIX, bl. 23, (482) enz. B. XXII, bl. 
14, (872), 15, 16, 17, 18; Thuanns, Bist. sui temporis L. LXXX; 
Hooft, NederL Hisi, bl. 614, 1125, 1120; Wagenaar, Vod, 
ffist. D. VIII bl. 84. 36, 192, 237, 851; van Wyn, op Wagenaar, 
D. VIII bl. 28i Scheltema, Stetatk. NederL; Balen, Me- 
ficJirijp. V. Dordr. bl. 1018, 

ORTH QJ, P.) Door dezen is het portret van Jan 
Nieuwenhidzen ^ stichter der maatschappij tot Nut van 't 
Algemeen, naar hel leven geteekend en geboetseerdg waarneer 
J, P, JStraqck een prent in 9o. heeft gegpftveerd. 

Ttic Kramm, t. a. p. bl. 1230. 

ORTS^IN (Iman), Ortzen of OrMenius de Zeeuw of 
Zelandus, in 1505 te Oude Tonge in Qyerflakkée gebo- 
ren, ontving waarschijnlijk zy'ne eerste opleiding te BI14- 
delburg. Tot den priesterstand bevorderd, verkondigde by zyna 
Zwingliaansche gevoelens te Middelbarnas , 's H«ge ^ Deven- 
ter, Keulen en elders, maar vooral te Wezel^ waar hy in 
1538 ab hervormd predikant wer4 beroepen ^n het meest 
toi bevestiging en uitbreiding der Hervorming toebragt. N^ 
ia 1546, daar hij bet inierm niet wiJde aamüen^n» die sjtad, 
verlaten te hebben, f,yi\^H hy 12 jaren ia ballingschap, en hield 
zich welligt ook eeni^en tyd (^ Middelburg tot bevordering 
4«f goed^ 2«afc op. Hij was een vriend van è I^aseo: of 
hij echter aan de roepstem van dezen ten jare 1(551 ^«boor 
beeft gegevev om bij |em in {Ingeland te komep , is onzeker: 
zeker 13 het 4at bij in 1560 naar Wezel is teruggeroepen fsn 
«Idaar den 1 Jnatj ^571 i^ het l^ste jaar van zijn leven is 
^e^torven. Dat Ortzen e^n ^y'is Zwingliaan was, bUjW nit 
«mniis e}g0i§ kaBiUctiriften aan Anthoniu» Dort^, pfedü- 



Digitized by 



Google 



212 

kant te Wezel, die een handschrifi heeft nagrelalen, waarnit 
Ge r des eenige regelen nopens Ortsen heeft medegedeeld 

Zie Gerdes, Hist evang , ref. nov . p. 178 seqq.; van Hamels- 
vel d. Kerk. Geschied . D. XXII bl. 84; 's GraTCsande, Twee- 
honderdj , Gedacht . bl . 1 00 — 1 02; Hamelmann, Opp . ge-, eal. hist» 
p. 1014| van Steinen en Berjr, Reform. Geschich. passim, 
Grimni en Muzel, Versuch einer Ref. Gesch . d . Stadt Wesel, St . 
2 S. 1543—1554? Ypey en Dermout Gesch. d. Ned. Herv. Kerk, 
1). I., bl. 90 en de aant. bl. 102; Kist en Royaards, Archief. 
1). V bl. 868 v^rv. : Glasius, Godgel. Nederl.; Kobus en de 
R i V e oo u r t. 

ORVAL (^Gilles d"*) of Aegidias Aureae Fallis, werd in 
het laatst der 12 eeuw in het bisdom van Luik geboren. In 
zijn jeagd omhelsde hij den geestelijken stand en werd mon- 
nik in de abdij van Orval. Hij had eene goede letterkundige 
opvoeding genoten en werd door zijne vrienden opgewekt de 
geschiedenis der bisschoppen van Luik, door Heriger en 
Anselmus aangevangen, te vervolgen. Tot dit doel bezocht 
hij de bibliotheken der kloosters van Malmedy, Slavelot. Lo- 
bes, Gembloux, St. Hubert in Ardenne, St. Laurens bij Luik, 
Si. Jakob in de nabijheid dezer stad en vele anderen. Tot 
de werken die hij afschreef behoorden o. a. het leven van 
Albert van Leuven, te Rheims vermoord, en dat van St. 
Odilius, gesebreven door diens zoon Jan, bijgenaamd abèa- 
tulus of de kleine abt, waarin deze in drie boeken be- 
schrijft, wat gedurende zijn leven in het land van Luik was 
voorgevallen. Hij bevond zich in 1230 in het klooster der 
reguliere kanunniken van Huy, toen Jan d'Aps, bisschop 
van Luik de reliquien van St. Jan , bijgenaamd het lam , we- 
gens zijne zachtzinnigheid, er uit wegnam. Daar zijne ge- 
schiedenis in 1251 eindigt, willen sommigen dat hij omtrent 
dien tijd gestorven zou zijn. Ofschoon hij veel zorg en moeite 
besteedde aan het bijeen brengen van de stoffe zijner werken, 
zoo wordt hij echter geenzins onder de beste geschiedsehrij- 
vers gerangschikt en van ligtgeloovigheid beschuldigd. Hij 
vervolgde de gedenkschriften van den kanunnik Anselmus 
door Chapeaville in het eerste deel zijner geschiedschrij- 
vers van Luik opgenomen en ook het werk door dezen voor 
het 2e deel geplaatst, onder den titel van: 

Aegidii Aureae Vallia religioéi^ Gesta pontificum Leo^ 
diensium a domino Theoduino^ Wasonis successore^ usquê 
ad D. Henricum ht^na nominis (270 pp. ) 

Aubertus Miraeus gaf in het licht: FUa 8. Mherti 
cardinalis^ episcopi Leodiensis et martyria ^ ex manuacrip- 
tia Aegidii Leodienais, Attr^ae Vaflia tnonachi, primum de^ 
prompta et Auctuario ex variia scriptorïbm sumpto illuatraCa. 
Antv. 1612 foL, in het Spaansch vertaald door And. de Soto, 



Digitized by 



Google 



213 

Brussel 1613 in 80. ia het Pransch door Christophel Bey?, 
Lille 1613 in 80. 

Deze zeer romanesque geschiedenis is getrokken uit het 
vorige werk. 

Dom Bouqnet heeft in zijne groote verzameling slechts 
uittreksels van Gilles d'Orval gegeven. Hel merkwaar- 
digste stuk dat hij aan Gilles heeft ontleend is dat over 
de vermeestering van het kasteel van Bouillon in 1141 op 
Renand I , graaf van Bar-le-Duc, H welk door d ** O r v a 1 aan 
een ander werk, getiteld: Le triomphe de Lanhert sur Ie ckdteau 
de Bouillon^ door een ooggetuige, is ontleend. Dat van 
d'Orval vindt men in Tom XIII van \iei Recueil des Hia- 
tarlenê de France p. 605 — 617 en het vervolg. Tom. X Vul 
p. 618—665. 

Zie 6 o e t h a I s, Lecturet rélattpes è VHist. deê arts, des lettres, des 
mocurs et de la politique de la Belgique p. T. IV p. 25 sniv.; de 
Wind, Bibl v. Neder l. Geschied, bl. 36; van Kampen, Beku, ge- 
schied, der NederL Utterk, D. I, bl. 86. 

ORYILLE (Pierre d'), zoon van Jean d'Orvitle en Ca- 
tharina Neyts^ Deze Jean, te Hamhurg den 23 Ang. 
1659 gehoren, legde zich op den handel toe en overleed den 
2 Maart 1751 in hoogen ouderdom. Hij (Jean) was de zoon 
van Jean d'Orville, den 12 Mei 1588 te Aix in Proven- 
ce geboren en den 29 Sept. 1660 te Hamburg, waar hij 
zich als handelaar had gevestigd, gestorven. Deze had bij z^ne 
echtgenoot Barbe Hertsbeeck, die zich na zijn dood te 
Amsterdam vestigde, tien kinderen, onder welke Pierre of 
Petrus, in 1697 geboren , die zich ook op den koophandel toe- 
legde en dien later dreef. Hij werd tevens doctor in de regten, 
stond met de voornaamste geleerden van zgn tijd in let- 
terkundige betrekking en beoefende zelf de Latijnsche poëzy. 
S a X e noemt \ïQmpoëfa eximius^ doch Peerlkamp slechts bonus 
poëta non malus. Hij overleed in 1728. Zijn broeder Ja co- 
bus Philippus d'^Orville gaf in 1740 de gedichten van zijn 
broeder met den titel Tetti d'Orvilli luriaconsuUi Poëmata 
in gr. 80. in het licht. Bij zijn leven had hij slechts een ge- 
dicht, namelijk: Critice ad tirum celeherrimum Petrum Bur- 
tnannum, Amst. 1734 80. uitgegeven, dat ook te vinden is p. 
1 — 16 der uitgave zijn gedichten door zijn broeder. 

Zie Saxe, Onom. p. VI, p. 504; Nop. Aet. Erud. Europ., p. 
XIV, p 434-446. Part. XVIII p. 487; Hoeufft, Pam, Lat. 
Belg. p. 215, 216; Peerlkarap, de Poets Lat, Neerl. p. 487» 
488; Haag, La France Protest. Biogr. Univ. Jöcher. 

D'ORVILLE (Jacqües Philippe d'), broeder vanden vorige, 
werd den 28 Julij 1690 te Amsterdam geboren. Zyn vader 
bestemde hem voor den handel , doch het onderwys van D a- 



Digitized by 



Google 



214 

vid van Hoogstraten boezemde hem zooveel smaak voor 
de letteren in, dat hij zich geheel aan deze wijdde. Ook geooöt 
hy in zijn jeugd eenige lessen van den beroemden Hems Ier- 
fa nis, die toen hoogleeraar aan het athenaeum te Amsterdam 
was» In 1713 verscheen een bnndel Latijnsche gedichten door 
eenige kweekelingen van Hoogstraten zamengesteld, in 
welke de gedichten van Jacques Philippe en die van zyik 
broeder Pierre byzonder de aandacht trokken. Twee jarett 
later stond zijn veder toe dat hij de hoogeschool te Leyden 
besocht , waar hg de lessen van Gronovius, Bni'man, 
He ij man en Schaaf bijwoonde^ met zulk een gelukkig ge-^ 
volg dat Burman voorspelde dat hij eenmaal eeii eersten 
mng onder de letterkundigen zon bekleeden. Onder SGhül<^ 
ting en Noodt legde hij zich ook op de regten toe en Ver^ 
kreeg den 3e Febr. 1721 den titel van doctor in de beide 
regten, na het verdedigen eener Diss,adL.%b de acquitendo 
rerum dominio. Hij vestigde zich thans te 's Hage,maar legde spoe- 
dig de regtsgeleerde praktijk neder en besloot tot vermeer- 
dering zijner kennis en vorming van zijnen smaak de beschaafd- 
ste landen van Ënt'öpa te bezoeken. Hij vertrok iu 17S3naar 
Frankrijk, en bregt te Parijs^ Rochelles^ Nautes^ Bor- 
deaux of in andere sleden meer dan een jaar door met het 
doorzoeken van bibliotheken , kabinetten en penningen en oud>- 
heden, het collationeren vdn handschriften^ afteekenen van oude 
gedenkstukken, met verbintenissen aan te knoOpen met beroemde 
mannen. Hij keerde in Augustus 1724 te Amsterdam terug, 
doch vertrok spoedig daarop naar Londen, waar zijn broeder 
Jean Leonard^ zich als handelaar had neergezet. Zoowel 
in Engeland als in Frankrijk leefde hij midden onder de 
boeken eb geleerde manden. Tegen het einde van 1725 kwam 
hij in Holland terug en begaf zich eenige maanden later naar 
Italië, waar de geleerden Van alle steden ^ in Welke hij zich 
ophield, üitgenoneii die te Turyn^ zich beijverden om hem 
dienst te bewyzen. Hij keerde dóór Duilschland naar Hoi-» 
land terug diet voo^neinen hetgeen hij verzameld had, op het 
land ToOr de pers te bewerken , toen dê regering van Am- 
sterdam henk een leerstoel in de gesdiiedenis, welsprekendheid 
en Qrieksche taal aan het athenaeum aanbood. Hij nam hem 
aani «n aanvaèrdde den 32 Mei 1730 zijn ambt met 
eene redevoering de Jvliei Mercwrii cum Mitsis céntui9tnit>,. Na 
gedurende twaalf jar^n met roem de professorale waardigheid 
bekleed te hebben, lègfde hij haar neder eti betrok zijn 
buitènvèt-blyf Groiiendal, waar hy deii 13 Sept. 1751 over- 
leed , den roem nalatende van een uitstekend criticus en 
een grondig kenner der oudheid: overigens was hij een zeer 
zacjitzinnig, beminnelijk^ voorkomend en gedietistig mail. 

Uy butvde in 1732 Ëlisabeth Mliria vun HijA, dotïlH- 
ter van PI eter vhn Rijti, veudutneesiei' fö AmHetdeai vtk 



Digitized by 



Google 



215 

vau Clara Maria Wachtendonk, dochter vao 

Wachtendonk te Aken en Catharina vaa Lode- 
steijn. Zij overleed den 6 December 1737 in den onderdom 
van 27 jaren, na hem iwee kinderen geschonken Ie hebben: 
Johannes d'Orvillegeb. 7Sepl.l734enPieter d'Orviile 
geb. 15 Naart 1737, gestorven in 1739. Zijn portret vindt men 
voor zyne Sicula, 

Hij schreef; 

Bisaertaiio ad L ^b de acquirendo rerum domimo L. B, 
1721. 

Oratio in centeaimam natalem ilkistria Amstelaed* Athe- 
naei Amst. 1732 in fol. op nieuw uitgegeven met aanteekk. 
door D. J. van Lennep {III Amstelodamensia Athenaei 
Memorabilia^ eet. Amst. 1832 40.*) Van deze redevoering be- 
zorgde P. Vlaming eene thans zeldzame overzetting. 

Miacellaneae observationes in auctorea veterea et recentio" 
res a Britannis coeptae^ in Belgio continuaiae^ cum noéis 
et wdctario variorum virorum doctornm Lond. et Amst. 
1732—1739 10 vol. Burman, die in 1732 dit werk aan- 
ving, nam d'Orviile tot medearbeider aan. Deze, in 1740 
alleen gebleven, vervolgde den arbeid met den titel: Miacellaneae 
objtervationea criticae novae in auctorea veterea el recentiorea, 
In Belgio collectae et proditae, Amst. 1741 — 1745 Tom, Vil. 
Hij plaatste voor hel eerste en laatste deel een praefatio. 

De stukken ven de hand vau d'^Orville zgn geteekend 
met de letter B. Zeer worden geprezen zijn Exercitatio de 
Inscriptionibua Deliacis (Mlscellan, obaervat. Vol, VIL 
Tom, I, p. 1 — 124) en Biairibe in Inscriptiones quaadam 
(Nov, Miacell, obaervat, Tom, III, p. 100 seq. et Tom. IV 
a. p. 317—320.) 

Critica Fannua in inanea lo, Comelii Favonia Paleas 
Anistelaed. 1737, 8o. Bene scherpe satyre tegen J. C. Paauw. 

Charitonia Apkrodisiaca a. amatoriarum narrationum de 
Chaerea et Calirrhoe Libri VIII Graecè et Latinè cutn eiua 
animadveraionièus. Amst. 1750, 4o. op sieiiw litgegeves 
door Beek, Lips. 1763 8o. De lat. overzetting is ven Reiske. 

JSicula^ quibua JSiciliae veteria rudera^ addiiia Antiquita^ 
turn tióulis illuatrantur : quae edidit^ et tomTnentarium ad 
Numismata Sicula XX, Tabulia adj, aeneia incia, , et ad trea 
Inacriptionea mqfores, Geloam^ Tauromenitanam et Bkegi- 
nam^ nee non minorum Inacriptionum S^Uogen. Orationem 
in auGtori^ obilum et FraefaHonem adiecit Petrus Burfnan" 
rma Secundua^ Para prima et aecunda, 1762, 1764 fol. 

B'Orviile bad ook het plan een uitgaaf der Griekfiche 
Anthologie en vfla Tiieoeriti» te hecorfea. Voor dei laetstea 



Digitized by 



Google 



216 

had hy 30 handschriften gecollationeerd en voor de Antholo- 
gie al wat hij magtig kon worden verzameld. 

D'Orville gaf (^de het vorig artikel) een pracht uitgaaf 
der gedichten van zijn broeder uit en plaatste er de zyne 
achter. Zij komen ook voor in Deliciis Foèïicis Santenii. 

De Catatogus zijner handschriften, die thans een deel der 
Bibliotheca Bodleiana te Oxford uitmaken, verscheen onder 
dezen titel. 

Codices manuacripti et impressi cum notis ntanuscripêU 
olim Dorvilliani^ qui in Bibliotheca Bodleiana apud Oxoni- 
ensea asservantur 1806 in 4o. 

Brieven van d ^ O r v i 1 1 e komen voor in Stellage nova 
Epistolarum varii argumenti. 

Zie Sax e, Onom, Tom VI, p. 845, 846; P. B ar m an n tJWtttom 
oratio funebris iu obitum Jac. PMlippi d" Orville, Amst. 1751, 4o. Elo- 
gium, auclore Constantino Langio, ia Actis Societ. Latinae Jenensis ?oK 
III n. I. p. 319—325; lo. Christoph. Wol flus in fhetauro 
Laeroziano T. II, Ep, I58, p. 260. Ep. 165 p. 272; Joh. Chris- 
toph. Strodtmannus in Nette» Oelekrten Europa Part II, p. 
330— 368.Part.V,p.251. Geaneros, ad /m^ö^*?» I § 502 . p.407;d'Or- 
villii Sicula p. 639; Hoenfft, Pam. Lat. Belg. p.215; Peerl- 
kamp, de Foètis Zat. Neerland. p. 495; D. Hoogstratani Foem. 
p. 188, 277? Chaufepiè Dict. kist. ei Crit.; Bibl. univ.; BibL 
generale; Haag, La Fr ance protest; Jöcher, Baur, HandwÖrtf^b. 
T. IV, p. 134, Bibl. rats. Tom. XLV p. 336, 337, T. XLVllI, 
p. 307, 308; De Crane, Bij*, de jamiUe Hemsierhuü betref bl. 
66, 81; Bouman, Geschied, der Qeld Hooges D. II. bl. 155,146; 
J. van Lennep, Qedenkb. der plechtige viering van het Ttoeekon- 
derdj, bestaan der Boorl. School te Amsterdam, bl. 227; Wagen aar, 
Besehrijv. v. Amsterd. D. III bl. 17; van der Chgs, verh. over de 
beoef. der Algem. penningk. in Nederl. bl.19; van Kampen, Bekn. 
Oesch. d. Nederl. Letterk. D. II, bl. 257, 258, 299, 270; Bodel 
JN yen huis, Biogr. lijst No. 1518, 1519, Sepp, /. Stinsira en zijn 
Tijd, D. I bl. 140, 172, 177, 203, 250. D. II; Boekz. d. gel. toe- 
reld 1731, b. bl. 716, 1770 a. bl. 605; Moreri, Loiscias, 
Hoogstraten, Kok, Nieawenhois, Kobas en de Riveconrt; 
Muller, Cat. V. portr. Ms. Oeneal 

ORVILLE (^W^iLHELMüs d') (1) geb. 1652, als proponent in 1678 
te Ylaardingen beroepen, in 17001e Haarlem, waar hij in 1707 
wegens ligchaamszwakheid zijne dienst moest nederleggen. 
Hy overleed den 31 Maart 1719 te Amsterdam aan de kin- 
derpokken in den ouderdom van 68 jaren. Als dichter heeft 



(1) Haag vermeldt in zQn France Frotestantf een Willem d*Or- 
ville, 8chr\iver van een Catalogus van een uitmuntend kabinet. Amst. 
1622, 1628, 8o. Hij gist dat h^' welligt de oom van dea booicleeraar 
was. Het schynt dat een der zonen van Jean d'Orville zich te 
Frankfort aan den Main neerzette , van wien Jean Daniël d'O r- 
V i 1 1 o, in 1671 stndent te Genéve, een afstammeling wat. 



Digitized by 



Google 



217 

hij zich bekend gemaakt door eeo buodel Gezangen^ Aoist. 
1698 80. en Geestelijke klaagzangen en gezangen over ver^ 
echeide Bghel- en andere zedestoffen ïn tien deelen^ alle op 
wijzen van de Psalmen Davids gedicht, Haarl. 1714 80. Hij 
was een hoogst middelmatig dichter, of liever rijmelaar. Zijn 
portret is in 1702 door P. Schenck vervaardigd. 

Zie T an der A a, iV. JB. A. C. Woordend.; Veeris en Paauw, 
vernieuwd Kerkel. Alphabeth. bl . 148; Sprenger van E^jk, Qe- 
sehied, en Merkw, van Vlaardingen. bl. 211; Boekz, der Gel. We- 
reld, 1719 a bl. 400: A b e o a d e, Aanh . op V Naamr. ; Maller, 
Cat, V. Portr. 

OS ^Peter van"), boekdrukker en waarschgnlijk houtgraveur 
te Breda, omstreeks 14S0 — 1510 te Zwolle gevestigd. Hei- 
necke kent hem de houtsneden van het N, Testament in 
4o. in 1488 te Zwolle gedrukt toe. Dezelfde figuren zouden 
later in de Biblia pauperum weder gebruikt zijn. 

Zie H e i n e c k e , Idee générale etc . p 429 \ Kramm, t. a. p. 
bl. 1231; van der Chys, Munten v. Ooerijael bl. II; Overijss. 
Alm, 1848; Nav. D. XII bl. 240—809. 

OS ([Tthannus), zoon van den vorige, oefende te Zwolle 
ook de boekdrukkunst uit van 1490 tot 1500. In hel begin 
der 16e eeuw verdwijnt hij aldaar om in 1518 als drukker 
te Zutfen weder te voorschijn te treden. Facsimile's van zijn 
drukwerk vindt men in Monumens lypographiqiies des Fays- 
Bas au guinzième siècle door J. W. Holtrop, Aflev. XV. 

Zie van der Chys, de Munten van Overijssel, bl. 187. 

OS ([Hendrik van), pastoor in de Pieters- of Domkerk te 
Middelburg, was aldaar een der eerste hervormde predikers. 
Hij en zijn ambtgenoot Barend Donker, pastoor te Bee- 
kerke, die ook het predikambt bij de hervormden aldaar uit- 
oefende , worden ia de senlenlien van Alva, die hem verbande , 
Sire getiteld. 

Zie *8 Gravezande, Hist . Aaneenschak . bl . 62 ; Dez . 200^^- 
rige gedacht, van het eerste synode bl. 64 en 154; Ma re as, Sen- 
tentien van Alva, bl. 98, 99; Te Water, kort verh. d. Ref, bl. 89. 

OS (IsBRANDUS VAiiJ Hij was van 1694 tot aan zijn dood 
in 1686 predikant te Oosterwyk. Wij bezitten van hem de 
volgende geschriften: 

Vrede-vlagh afioaayende op de toren Zions ofte afbeel'- 
dinge van de gelucksalige staet der eerste Apostolische kercke, 
AUe kinderen Zions ter navolginge voorgestelt door Js. van 
Os. Dor dr. 1674 4o. 

Nieuwe-J aars negen-wens aan de prinse van Orangie, Uyt^ 
geg. do§r Js, van Os, Dordr. 1675 4o. 



Digitized by 



Google 



218 

Zie Muller, JSièl. v. Nsderl, pamfi, No. 7366; Rogge» Bibl. 
V» Contra. Rem. en Geref, getchr, bl. 182 enz. 

OS of OSS (Dirckvan"), zoou van Dirck van Os, (geb. 
1505) en van Maria Dokters (geb. 1527, overleden 1583) 
ontving in het midden der XVI eeuw het levenslicht te Am- 
sterdam. Hij waagde in 1595 met eenige anderen, namelijk 
Jacob Valk, Christ. Roeltius, Barth, Moucheron, 
Jan Jansz. Care! enz. een ondernemingsvaart naar de 
Oost-Indien, die echter mislukte: nog in datzelfde jaar werd 
hij ook deelhebber van een Amsterdamsch gezelschap onder 
aanmoediging van Cornelis Houtman, van welk genoot- 
schap hij tevens directeur was. Vier schepen werden reeds 
dadelijk, onder geleide van Hoatmao, naar de Oost-Indien 
uitgezonden. Na eene reis van ruim twee jarea teruggekeerd, 
werd de uitslag zoo bemoedigend bevonden, dat men de vloot 
verdubbelde. De handel vond spoedig navolgiig, totdat in 
1602 de Oost-Indische compagnie werd opgerigt, waarvan 
ook van Os alweder een aanzienlijk en vermogend deelheb- 
ber was. In 1607 was hy een der eersten, die een gezel- 
schap of compagnie stichten, met het doel om de Beemster 
droog te maken, waartoe hem toen vooral de gelgenheid 
gunstig scheen, wijl Lambert Wijngaarts van Vol- 
len hoven, die voor een aanzienlijk gedeelte het eigen- 
domsregt van de Beemster verkregen had, wel genegen was 
dit regt bij accoord af te staan. Niet alleen was van Os 
een man van erkende bekwaamheid en doorzigt, maar hij be<- 
zat levens een zeer aanzienlijk vermogen, hij was dan ook 
verreweg de hoogste inschrijver op de lijst der Ie bedijken 
morgentalen. Hij eindigde zijn nuttig en werkzaam leven in 
de lente van 1613, nalatende zijne weduwe Margrieta 
van der Pied, zijn ouderen broeder Hendrik van Os, 
en zijite kinderen Dirk van Os (^in zijns vaders plaats tot 
heemraad van de Beemster benoemd), Fran^ois van Os, 
en David van Os, wiens weduwe nog lang in de Beemster 
woonde, en eene dochter die gehuwd is geweest met Dirck 
van Ourlen. Zijn geschilderd portret is in bezit van den heer 
Stokbroo, heer van Hoogwoud en Aartswoud, en kanton reg' 
ter te Hoorn en daarnaar in plaat gebragt voor het aan te halen 
werk ven Bouman. 

Zie.J. Bouman, de iedijking , opketMt e* bloei van de Seemster 
bl. 31, 32; Nederlandsche Reizen D. I. bl. 2 eo 4 der Inleidinfj 
Wagenaar, Beschryv^ ». Anisterd. D. IV, bl. 96; Navoravèer, 
D. VIII bl. 132. 

OS of OSS (^Fban^soiis tan), xoob van den vorige, was «ai- 
legger van het schoone buiten, genaamd JSu^aansvlieU g«lege« 
ftBti den Yolgerweg, éeX gedurende mt^er dan twee eeuwen 
het eigendom van diezelfde familie bleef. De kat^te eig<eBe«r 



Digitized by 



Google 



219 

was Jan van Oöör Hiiiloopen, in 1789 bnrgémeeiler 
van Purmerertde, en vön 1826 lot op zijn overlijden, 6 0(ïl« 
183a, dijkgraaf van de Beemsler- Zwaansvliet is in 16:^8 g-eslicht 
en in 1855 geheel geamoveerd. Franchois van Oi buvr de in 
1631 Sara Wijs. 

Zie Bonman, Bedijking enz. van de Beetmier» bl. 82* 

OS of OSS (Petrus vAm), secretaris der sUd 's Horlogen- 
boscb, die ia 1483 als klerk te dier secretary begon te schrij- 
ven en in 1498 «elf secretaris werd. „In een vrij lijvig boek- 
deel stelde hij een verhaal van de geschiedenis zijner woon-* 
stad in de provincie Brabant en van derzelver gelegenheid/' 
Voorts teekende hij er jaarlijks in al de namen der aange-» 
stelde schepenen, op St. Remigius of Bavo'sdag, den eersten 
Oct. , waardoor ook zijnen jaarteekening met dien dag begint 
of eindigt. Vele bijzonderheden heeft hij daar bijgevoegd, welke 
vooral, zooveel die in of kort voor zijn tijd zijn voorgeval- 
len, evenzeer geloofwaardig ais dikwijls opmerkelijk tijn; hij 
heeft zulks vervolgd tt^t het jaar 1623, omtrent welken tijd 
of kort daarna hij schijnt gestorven te zijn. De hoogt. Kist 
gebruikte dit hailds. voOr fcijn^ GeacAiedenis van de PAmel. Af-^ 
laathandel in Nederlaml^ geplaatst in zijn en des heeren 
Ko ij aards Archief^ D. III (eerste s^rie). 

OS ([AüiTONY vaN dér) werd 23 OctOber 1722 Ie Zierikzee 
geboren, studeerde te Leyden onder Alberti, werd in 
1746 predikant te 's Graveland en in 1748 Ie Zwolle. 
Reeds als leerling van Alberti, maar nog meer door zijne 
vrije predikwijze, kwam hij aldaar in den reuk van onregtzinnigheid. 
Hij onthield zich van de duistere en schoolsche uitdrukkingen, 
toen in gebruik, zijn onderwijs was eenvoudiger, zijne leer- 
redenen waren oordeelkundiger en zijne exegese zuiverder 
en juister dan bij velen zijner ambtgenoolen in die dagen. 
Hierbij kwam dat hij niet aarzelde een te Zwolle aan velen 
liefgeworden denkbeeld te bestrijden. De predikant N. Hart- 
jldent zijn voorganger, had de regtvaardiging eens zondaars 
van eeuwigheid, althans vóór hel geloof, gesteld. Van der 
O s beriep zich op den Bijbel en de leer der Hervormde kerk 
eB stelde deze na of, gelijk men bet plagt uit te drukken, achter 
het geloof. Bovendien ontbrak aan zijne leerredenen de zoo 
geliefde wederleggini? van partijen , en eindelijk kwam de 
naijver zijner medebroeders (de verlichte kerkleeraar werd 
door velen met belangstelling gehoord) in het spel. Zeker is 
het dat hij in dit alles zich aan geen eigentlijke onregtzin- 
nigheid schuldig maakte, doch ongetwijfeld was hij te driftig , 
onvoorzigtig, en stellig zijn tijd vooruit. Zoo verwierp hij o.a. 
Micha V: 1. Ps. 11: 7. Joh. V: 26 als niet geldend, als be- 



Digitized by 



Google 



220 

wysen voor de eeuwige generatie van Christus; meende in 
Gen. III alleen gewag gemaakt te vinden van den tijdel\jken, 
niet van den eeuwigen dood; stelde den mensch yoor als door 
God alleen om zijn eigene zonde veroordeeld wordende, en 
verstond door Paulus uitdrukking regtvaardigheid van God^ 
Gods genegen wil om den zondaar door Christus zalig te maken. 
Zijne ambtsgenoolen Daniel de Gemmer, Jacobus 
Doitsmaen Wilhelmus van Z ut ph en (^de jongste pre- 
dikant J. van Bossum stemde niet met hen inj onderhiel- 
den hem over zijne zonderlinge wijze van prediken en eiscb- 
ten dat hij ten minste de gevoelens der Remonstranten in 
zijne leerredenen zou weerleggen. Zulks geen gevolg hebbende, 
begon men de gemeente tegen hem op te zetten, met dit 
gevolg dat er zulk eene hevige beroering outslond , dat de magis- 
tcait van Zwolle zijne tusschenkomsl noodig achtte. De ker- 
keraad, die deze poging tot herstelling van rust en vrede als 
eene beleediging achtte, ging voort de zaak op liefdelooze 
wijze te behandelen, van der Os werd den 18 Dec. 1750 
in zijn dienst geschorst en hem het U. Avondmaal verboden 
tot dat de klassis ven Zwolle daaromtrent zou beslist hebben; 
doch nu kwam de regering, die gematigder dacht, tusschen 
beiden , vernietigde het vonnis des kerkenraads en verhinderde 
de klassis die zaak te behandelen; waarmede ook de Over- 
ijsselsche staten instemden. Bovendien nam men, op raad 
van den erfstadhouder, het advies in der theologische faculteit te 
Leyden, hetwelk hierop neerkwam: dat de zaak des verschils 
niet zoo erg was, of zij zou door het wederzijdsche onder- 
tëekenen van eenige vredes artikelen wel uit den weg te 
ruimen zijn. Van der Os en zijn ambtgenoot van Rossum 
waren hiertoe bereid, doch niet de overige leeraars. Het zou 
de grenzen van dit woordenboek verre overschrijden , indien 
wij ook slechts kortelijk den verderen loop van dit geschil volg- 
den, de beroering schetsten die het in de vaderlandsche kerk 
verwekte, zoo datniiet weinigen ze in gevaar achtten en de reeks 
van Iwistschriften , die door beide partijen werden uitgege- 
ven, opsomden. Wij vergenoegen ons met naar de werken 
van Ypey en Glasius te verwijzen en te vermelden dat 
van der Os drie jaren buiten alle betrekkingen bleef, in 1758 
(Ie hervormde kerk verliet , lot de doopsgezinden overging , 
zich door Cornelis Loosjes, leeraar te Zaandam-oostzijde, 
liet doopen, en predikant der doopse:ezinde gemeente werd te 
Beverwijk. In 1764 werd hij predikant te Zaandam-oostzijde, 
legde eenige jaren later zijne bediening neder en begaf zich 
naar Zwolle, waar hij hoog bejaard overleed. Behalve ver- 
schillende twifstschriften , gaf hij in het licht: 

Predikatien over Hand. XVII : 11 Amst. 1753. 

— over 1 Cor, 1 : 33 met aawteekeningen en 

voorrede van J, van den Bonert. Amst. 1755. 



-Oigitized by 



Google 



22 L 

2ie v»n fiinem, XerkeL getekied. D. IV, bl. 592 volgg.; Yp©y, 
Kerk. geschied, der 18e eeuw, D. VII, bl. 376—398; Ypey en 
Der mout, Gnachied. der Ned , Herv, Kerk, D. III, bl. 463— 494; 
Glasius, Oeach. der Ned Chr. kerk na de Herv, , D. Il, bl. 
242 — 245. Dez. Bod gel. Nederl ; J. ▼ Abconde, Leijst of R gister 
van het gene zoo voor , als van, en tegen Ds. Jntonius van der Os, 
thans appeilerent predik, van de Oeref. Gemeente van Zwolle is uytge^ 
komen of in 't ligt gegeven, zoo van particuliere geschriften als in de 
boekzalen en jaarboeken; Ce ri sier, Nederl. gebeurt. D. X, bl. 631 
verv ; Vervolg op de Vad. Bist. van Wagenaar 1). I, bl. 50 verv. 
Neerl. jaarb. D. V ; M. Veeris, vernieuwd kerkel. Alphabeth bh 
149); Schotel, Kerk. Dordr. D. II, bl. 304; Bonman, öe- 
sehiedenis der Oeld. Uoogeschool D II, bl. 362 verv.; Se pp. 
Joh. Stinstra en zijn tijd 1). I, bl.3, 51; Boekzaal 1751, Abcoude, 
Naaml. v. toek., 3e Janh. bl, 11, 12, 4e. Janh. bl. 74, 75; Ar- 
renberg, Naamr, bl. 891; K o bus en de Rivecourt, Strodt- 
manns neuen gel. Europa 6 ter TL. p. 275—310, 530 544. Th, X 
p. 484—512, Th. JCIF jt. 522 folgg. Adelung. 

OS (^G. van) arbeidde voor het tooneel en gaf in het 
licht : 

Ferdinand van den Heuvel ^ of de beloerde Deugd; (^tnsp.) 
Amst. z. j. kl. 8o. 

Roberts of de gestrafte Strui/croovers ; oorspronkelijk tnsp, 
VUss. 1803, kl. 8o. 

Zie Cai. d. Maats, van Ned, letterk. D. I, b bl, 162, 

* 

OS (Jan van} in 1744 te Middelharnas op het eiland 
Flakkée geboren, oefende zich onder Aart Schouwman te 
'sHage, waar hij zich had neergezet, in de schilderkunst, 
muntte later in het schilderen van bloem- en vruchlstukken 
uit, terwijl zijne riviergezigten met juist geleekeude beeldjes 
en beestjes, blijken geven dat hij ook in dit vak niet onbe- 
dreven was. Twee zijner bloem- en fruitstukken golden op 
de verkooping van Meijnls in 1823 f 1.010,00 en voor een en- 
kel bloem en fruilstuk van zijn penseel, word op de ver- 
kooping van Mensert in 1824 en op die van Verbrugge in 
1831 respectivelijk f 425,00 en f 700,00 betaald. Van Os 
beoefende ook de poëzij, was medebestuurder van het Haag- 
sche dichtgenootschap Kunstliefde spaart geen vlyt ^ en be- 
haalde bij het genootschap studium scientiarum genetrix eene 
gouden en zilveren medaille op uitgeschreven prgsstoffen in 
dichtmaat, een accessit bij het eerstgemelde voor zijn vers 
de mensoh geschikt voor de eeuwigheid, In 1793 verscheen 
van hem te Rotterdam een zedekundig werkje in proza door 
dichtregels afgewisseld en getiteld Bespiegelingen^ waarineen 
echt poëtische geest heerscht. Hij overleed niet den 13 maar 
den 7 February 1808. In 1809 verschenen bij de gebroeders 
Vosmaer te *sHage zijne Nagelatene gedichten y nadat in 



Digitized by 



Google 



222 

1807 te 's He^e een bundel zijner Gediekien en in betzelfde 
jaar zijne Gedachten aan Leijden in lijden verschenen waren. 
In 1775 Irad hij in de echt mei Susannade la Croijj, 
dochter van den portretschilder P, P. de Ia Crojx, die mede 
de kunst beoefend heeft. Zijn portret in ova^l 1$ door B. 
B o lom e ij geteekeod en door L. Portman gegraveerd, 
waarnaar dat bij Immerzeel is genomen. 

Hij schreef ook een tooneelspel de Patriotten. Amst. 1785. 

Zie Witsen Geysbeek, B. A, C. Woordene. D. V. bl. O 
volgg; Proeven van Poet. MengeUtoffcn van het Genoot*. Kuvsiliefde 
spaart geen vlijt O. XII bl. 83; R. vanËijndeoea A. van der 
Willigen, GescAiad. d. Vad. Schilderk. J). II bl. 834: Immer- 
zeel, t. a. p. bl. 283, 284; Krarara, t. a. p. bl . 1230, 1231; 
Iets ter nagedachtenis van den uitmuntende Btoemschildsr en leerdick- 
ter Jan van Os door T. van Limburg io Schouwburg der Nederl. 
Letterk. H u b e r t s , Chron. Handleid bl, 11 9 5 Muller, Cat van 
Portr. Cat. d. JBibl. v. d. Maats, v. Nederl. Letterk. P. III bl. 
95. Bibl. Hulth. No. 24162, 24186, 24187, £4188. 

OS (Georgiüs Jacobüs Jobannks van) den 20 November 1782 
Ie 's Hage geboren, overtrof zijn vader, wiens leerling bij 
was, verre als bloemschilder. In den aanvang bepaalde by zicb 
tot leekenen in sapverw, vervaardigde ook teekeningen van bloe- 
men en planten voorde Flora Batavavan Jan Kops en droeg 
in 1809 een eereprijs bij de Maatschappij Felix meritis weg. Wel- 
dra beproefde hij zijne krachten aan het schilderen met olieverw 
en zag men zijne voortreffelijke stukken met bloemen, vruch- 
ten en dood wild op de tentoonstellingen. In 1602 begaf hy 
zich naar Frankrijk, en werkte er voor d^ porcelein^- fabriek 
te Sèvres. In datzelfde jaar behaaida bij op de tentoonstelling 
te Parijs den gouden eereprijs, en sedert bleef bij met toene«- 
menden roem aldaar werkzaam en bewees ook zijn meester-^ 
schap in bet landschapscbilderen. Meermalen werd bij nog be*^ 
kroond, zoo als iu 1641 met de gouden medaille te 's Hage 
voor een door hem geschilderd op de tentoonstelling aldaar aan- 
irezig Bloem - en Fruitstuk^ en tijdens de Rubbensfeesten Ie Ant" 
werpei). 'S mans uitstekenste kunst wordt met aanzienlijke prijzen 
betaald. Op de verkooping van de Haas gold een teekening 
met bloemen en vruckien f 1,080,00, eene andere op de 
verkooping in bet buis met de Hoofden te Amsterdam (^5 Jan. 
1818) /1600. Op de verkooping van J. van Idsinga, 
brogt zijne scbilderij een Bloemsluk voorstellende ƒ 1,450.00, 
op die van A. Pluim te Amsterdam een ƒ5.650 en een klein^ 
der ƒ 1.090 op. Men vindt op bet pavilloen bij Haarlem van 
hem ee« kupitaal Bloemstuk, een düo met dood wild en een 
B4m:hi(jk landschap, waarvan de beelden door zijn bf ceder 
9. G. van Oi zijn gesebilderd. Voorts treft men op Teylere 
nu6e««i en in de voonieam^ kabinetten van ztjoe kwnstaaD. 



Digitized by 



Google 



228 

Hij teekénd« ook op steen, o. a. een fraai BloemHuk in fol. 
bij C. Motte, Rue de Marais Ie Parijs ailgegeven. Van Os 
overteed te Purijs den 11 Julij 1861. Hij was lid van de aca- 
demie van beeldende kunsten te Amsterdam , ridder van de 
Leopolds-orde en van den Nederl. Leenw. Zijn portret is door 
A. J. Ëhnle te Haarlem op steen gebrngt. 

Zie Iraraerï5eel t. a. p.j Kraram t. a. p. Aanh, bl. 115 
Muller, Cat,van portr.; Kobus en de Rivecourt. 

OS (Maria Margabetha van), zuster van den vorige, leer- 
linge van haar vader. Jan van Os, schilderde bloem en fruit- 
stukken. Op het paviljoen te Haarlem berust een stil leveu 
van haar penseel. Zij overleed te 's Hage 1 7 Nov. 1862 in 
den hoogen ouderdom van 82 jaren. 

Zie I m merzee 1 t. a. p. Kramm Aank. bl. 115. 

OS (PiETEB Gerardus van), broeder van de vorigen , den 8 
October 1776 te 's Gravenhage geboren , leerling van zijn 
vader. Hij gaf reeds spoedig blijken van buitengewone vor- 
deringen door de vervaardiging van verschillende copijen o. a. 
van Polter's meesterstuk de Jonge Stier en andere vee stuk- 
ken. In dit vak bragt hij het sedert tot een uitstekende 
hoogte. Men vindt de voortbrengselen van zijn penseel in 
de voornaamste kabinetten o. a. kapitale stukken op het Mu- 
seum te Amsterdam, ook eenige betreffende het beleg van 
Naarden, dat hij als vrijwilliger bijwoonde (1813, ISlé.J Op 
de kunstverkooping van prof. Bleuland te Utrecht gold een 
Bergachtig Lcmdschap met allerlei soort yan tam vee en 
rijk gestoffeerd f 1,530. 

Hij was lid der 4e kl. van het kon. Ned. Instituut, van ver- 
schillende genootschappen en ridder van de Nederl. Leeuw. 
Tweemaal (1809 en 1812) werd hij door Felix meritis be- 
kroond en in 1825 vereerde hem de keizer van Rubland met 
een diamanten ring voor eene schilderij, voorstellende het 
hinnenkoinen der Kozakken te Utrecht in 1813. Van Os 
schilderde ook in miniatuur en heeft zich als gelukkig beoe- 
fenaar der etskunst bekend gemaakt. Immerzeel vermeldt 
18 doeh Kramm 28 stuks van zijne hand. Tot zijn leerlingen 
behooren o. a. Ravenswaay, van der Bruggben en 
S. van den Berg. Hij overleed te 's Hage 28 Maart 1839. 

Hij beoefende even als zijn vader de Nederduitscbe poèzy, 
docli heeft slechts een gedicht vóór diens Nagelatene gedich- 
ten laten drukten. Zijn portret komt in het bekende werk van 
Ma reus voort. 

Zie van E ij nd e, van der Willigen, Geschied, d. Vadert. 
Sehilderk. D.Tll W. 202, 206, Janhattgsel h) . 78; Immerzeel, 



Digitized by 



Google 



224 

t. a. p. Kofut' en LetUrh. 18S0 D. I. bl. 209» 210; Kobas en de 
Rivecourt» van der A a, iiT. J. ^. C. Woordenh, D. III, bl. 
17; Muller, Cat, v. Fortr. 

OS (^George Jacobus Johannes van}, oudste zoon van P i e t e r 
Gerardus van Os, f een jongere zoon is de nog leven'^e 
vermaarde schilder Pieler Frederik van Os) den 30Julij 
1805 te Amsterd. geboren, beoefende onder Navez het por- 
tretschilderen en overleed den 14 Januarg 1841. 

Zie Immerzeel, t. a. p. 

OS Süsanna van), geboren de la Croix, dochter van P. 
F. de la Croiy (zie aldaar), huwde in 1775 Jan van Os. 
Zij beoefende de teekenkunst en vervaardigde o. a. uitmun- 
tende portretten met zwart krijt. 

Zie Kramm, t. a. p. 

OS (M. van) schreef: 

Redenkonstig ontwerp om het Wetboek der stad Amster^ 
dam^ JmsteUandt en Zuydkennemerland in een regelmatige 
en exacte tijdorder te brengen, Amsl. 1737 4o. 

Zie Abcoude, Aanh. of verv. van Ned. Boek. bl. 155; Cat. 
Koning. D. II bl. 194. 

OS (WiLLEBOBD van) Onder het bewind van den Franschen 
keizer werden de reeds ouder koning Lo de wijk aangevan- 
gen pogingen om de Roomsch-Catholtjken met de Jansenisten 
te vereenigen , krachtig doorgezet. Er werden twee commis- 
sarissen ter organisatie van de Katholijke zaken benoemd. De 
vicaris-generaal van Os, toen te Amersfoort, trad als com- 
missaris voor de zaken der bisschoppelijke clerezy en de 
aartspriester C r a m e r voor die der Roomschgezinden op. 
De door beide ingeleverde stukken werden met de aanmer- 
kingen van den adviseur Janssen naar Pargs opgezonden. 
De kort hierop gevolgde omwenteling maakte een einde aan 
de zaak, en de afscheiding tusschen Roomschen en Jansenisten 
bleef bestaan. In 1813 benoemden de Jansenisten den vicaris- 
generaal van Os tot hunnen aartsbisschop, die in 1825 over- 
leed en opgevolgd werd door Jan van Santen. 

ZiH Y 8 t e r 8 , Anhau dei neuetten kirchengeechiehte Th. II L 180; 
C. H. van Vloten, Eequitee Aiêtorigue sur VAncienue église CaihoU 
p. 23; Ypey en Der mout. Geschied, der Ned. Herv. kerk D, 
IV bl. 629, 630; Glasius, Geschied, der. Ned. Chr. kerk van de 
Hervorm. D. III bl. 148, 149. 

OSCH (H. van), boekverkooper te Middelburg, dichter uit 



Digitized by 



Google 



225 

den 18e eeuw. Men heeft van hem een GedetikzuU ter geze» 
gende handhaving der oude en loelgevesUgde regeringsvorm 
der 7 vereenigde Provintien, door het in Holland herstellen 
van fTillem V enz, (het overige van den titel beslaat wel een 
halve bladzijde) in 27 coupletten. 

Zie vao der Aa, t. &. p. bl. 19. 

OS (^Cbristina van), dichteres uit de 2e helft der 17e eeuw. 
Men heeft van haar: 

Hasselts Maagden-Rijm, Bestaande in Geestelijke Medita^ 
tien, enz, op sangswjjse, Hasselt 1677 8o. obl. 
Sligtelgke Gedichten en Lusthof. 1720. 

Zie Cat. van Voorst T. III p. 67; Abcoade, NaamL bl. 272. 

OS (van) , berucht burger uit ^s Hage, die een rol speelde 
bij het vermoorden der gebroeders de Witt in 1672« 

Zie Wagenaar, Fad, Sist, D. XIV W. 163. 

OS (ToNis VAN der), aanzienlijk burger te Zierikzee. In 1747, 
hy gelegenheid van t oproer aldaar, raadde hij de predikan- 
ten Cantsius en Gerardus van der Kamp, die zich met 
het zamenstellen van een nieuw bestuur hadden belast, aan, 
twaalf regenten ad interim te benoemen , van welke hij er een 
was. 

ZieWagenaar, Fad, Sist. D. XX bl. 75. 

OSCH (Lba Bartha) wordt door Bi dl o o onder de Neder- 
landsche dichteressen gesteld. Zij moet Geestelijke sloffe heb- 
ben uitgegeven. 

Zie van der Aa, t. a. p. 

OSCH (C. van) schreef: 

Diss. med, pract, de Lgstena. Traj. ad Rhen. 1810. 

ZieHoltrop, Cat, Med, Chir, p. 271. 

OSDORP of OSDORPIUS (Francisous) , oudoom van den 
YHssingschen leeraar Lucas Osdorpius, was eerst conrec- 
tor te Delft, daarna rector te Alkmaar en eindelijk te Am- 
sterdam, waar hij in 1634 aan de waterzugt, in het v^ftigste 
jaar zijns ouderdoms en het negentiende van zijn rectoraat 
stierf. Hij was in briefwisseling met Gaspar Barlaeas. 

Zie Vrolijkhert, riiss. Ktrkhemel. bl. 176^ 869. Epist. Bar- 
latfi p. 863. 

15 



Digitized by 



Google 



226 

OSERfJN (Isaak). Ofschoon in faet midden der XVIe eeaw 
in Denemarken geboren, plaatsen wij bem, op bet voetspoor 
van van Man der, op de lijst der Nederlandsche schilders, 
wijl hij in Neêrland is gevormd. Drie jaren lang was hij van 
den beroemden Cornelis Kotel een der beste leerlingen. 
Uit Nederland vertrok hij naar Italië, waar hij zich te Venetië 
en Rome ophield. In Denemarken teruggekeerd , maakte 
hij daar groote opgang, doch overleed er, voor dat bij het 
portret des konings, waaraan hij arbeidde, kon afwerken, in 
den bloei zijns levens. 

Zie Kr ara m, t. ft. p. bl. 1238. 

OSINGA (a) (AggeJ, uit een bekend Friesch geslacht gespro- 
ten, werd in naam van Alva gedagvaard om zich te Antwer* 
pen te komen verantwoorden. Hij bleef liever in Friesland 
bij zijne echtgenoote, Rintsen of Rintje Aylva, dochter 
van Rienk Aylva en Hil R oor da. Zij waren in 1589 
reeds overleden, want in een der stukken des hofs van Fries- 
land, tot dien tijd behoorende, wordt Epo Aylva toe 
Schr aard genoemd voormond of voogd van hunne kinderen. 

Zie Winsemii Stat, p. 14; Ferwerda, Oen&al, ». Ayha, t 
gener.; Te AVater, V^b, d. Edel. ü. III bl. 200—201. 

OSINGA (^Jancke van}, zoon van Seerp van Osinga en 
Jel Hermana, werd den 22 November 1580 als Grietman 
aangesteld, en ontving zijne commissie uit naam van den ko- 
ning van Spanje , dewyi de Grietenij vacant was door moed- 
willigen afstand van Goslick van Herema. In 1579 be- 
hoorde hij tot de gedeputeerden, wier benoeming door den 
stadhouder Rennenberg werd goedgekeurd. Hy was een 
van hen, die bet ouderling verbond der sleden en deelen, 
na het afschudden van het Spaansche juk, onderteekende en 
werd in die onrustige tijden in onderscheidene staetscommis- 
sien gebruikt. Hij huwde 1 E bel, weduwe van Popke 
Wybes Fokkema, die hem een Eoon schonk. 2 Tjemk 
Ma da, dochter van Frans Aefoinga van Blya, die den 
naam van Hum al da bij den zynen had aangenomen, en 
Anna van Feitsma, by welke hg drie kinderen had. {Z') 
Ted Haersma zonder kinderen. 

Zie Wapenb. Aebioga, Oen, 6j Charterh. D. IV bl. 221; W in. 
semii HUt. bl. 3, 34, 662; van Sminia, NaanU. v. Grieim, 
bl. 270. 

OSINGA fSYMAND VATiJ, zoon van de vorige, was dykgraaf 



(«) De naam vaa dit geslacht wordt geêchreveB : Osinga, Osingha, 
Ozinga, Oesinga. 



Digitized by 



Google 



fttr 

vao de zdiderdykea van Wonseradeel, en legde zich tttt toe 
op de verbetering van den waterstaat in zijne grieteny. TifB 
jaren voor zyne benoeming tot Grietman vras hy reeds vol- 
magt ten landsdage wegens Westergoo. In 1618 ontving hij 
zijne commissie als lid van gedeputeerden en volgde in die 
kwaliteit in 1620 de lykstatie van graaf Willem Lode- 
wgk. Twee jaren later was hy Hd van de staten-generaal , 
en overleed in 1623. Hg hnwde 1 At Aggema, 2Luts 
van Schel te ma. Hy woonde Ie Schettens, op Osinga- 
stale^ dat hy had laten bonwen. 

Zie CharUrh, D. IV M. 808, 1). V; Qeogr, Woordmb, v, Fnel, 
bl. 104; Tegenw. ttaat v. Friesl. 1). XV. bl. 175; Winsemiu», 
Chron. bl. 906 en achter de Chronyk, Besckrijv. van Friesl, op 
Wonseradeel; van Sminia, t. a. p. bl. 271 . 

OSINGA TSyts van}, zoon van den vorige, was verscheidene 
jaren Yolmagi ten landsdage, en woonde in die betrekking de be- 
grafenis van Graaf Willem Lodew\jk by. Den 1 Dee, 1619 
tot Grietman van Doniawarstal aangesteld^ was hy in 1641 
lid der Gedeputeerden. Hy deed van de Grieteny afstand tea 
behoeve van zyn zoon. Hy huwde Ti ets, dochtervan Tjal- 
ling van Sixma, Grietman van Barradeel. Zy woonden te 
Langewier en hadden drie kinderen. 

Zie Ckarterh, D. V, bl. 257—262; Winsemius, Chron, bl. 
905; van Sm in ia, Hf. Naomi, v, Grieim, bl. 349. 

OSINGA ^Stbrand van}, zoon van den vorige, was in 1659 
lid van de staten en in 1674 van gedeputeerden. In de eerste be- 
trekking droeg Schotanus mede aan hem op zijne Kirkel, 
en WereldU Geschied, r. Friesland, Hg huwde Jacoba, 
dochter van Apko Tjarda van Starkenborgh, kolonel 
en gouverneur van Koeverden euAlgd Junins. Hy woonde 
even als zgn vader te Langeweer en overleed in 1679. 

Zie Charterb. D. V, bl. 617, 1104*. van Sminia, t. a. p. bl. 
349. 

OSKAMP (D. L.), med. doctor, 

schreef: • 

Afbeeldingen der Artaen^-ffewassen met derzelver neder- 
duitsche en latijnsche beschrijvingen, Amst. 1766. 

Spec, exhibens nonnulla planlarum fabricam ei oeconomiam 
spectantia. Traj. ad Rhen. 1789 4o. 

Tabidae plantarum terminologicae , adjecta sgstennUis Zin- 
naei expUeatione^ nee non praecipuos tegttubilium vhara^- 
teres ernendi methodo hrevissima, L. B. 1792. 



Digitized by 



Google 



228 

Verhandeling over de natuurlijke eu ingeente kinderpok'- 
Jes, benevens de wijze om zich t>oor dezelve te behoeden en 
voor te bereiden, Amst. 1797. 

Naautokeurige beschrijving van den grooten en den kleinen 
orang-outang, gelijk ook van den gibbon. Amst. 1804 4o. 

Waarneemngen der geneeskundige eleciriciteit; in verschil- 
lende omstandigheden. Naar het Engelsch in Algem. Faderl. 
Letteroeff. 1791, D. I st. II bl. 226. 

Duidelük in U oog loopend voordeel van de inenting der 
kinderpol^'es in N. Kunst- en Litterb, 1797 D. II bl. 154^. 

Hy beoefende ook de Latijnscbe poëzy blijkens zijn Car^ 
men seculare in memoriam D. J. Oosterdvfck Schacht, Traj. 
1792 4o. 

Zie Holtrop, BiH, Med. et CAir. p. 271; Cat. JSibl. a Boy 
T. V p. 2225, 2263. 

OSORIN (^JoR.^t theol. candidaat, dichter in het laatst der 
17e eeaw o. a. vóór de Poêzg van C. van Over stag e. 
Dordt. 1661. Zijn spreak was Haat quaat 

Zie Heringa, Zijtf v , JHcht. bl . 69. 

OSSANAEUS of OSSANIUS (Jokannes Richardus), of Johan- 
NES RiCHARDS, geboortig van Os, werd hoogleeraar in de regts- 
geleerdheid te Ingolstad in Beijeren (1566— 1574), later (1579) 
keizerlgk kamergerigts-assessor. 

Hij gaf in het licht: 

Disputatio canonica de Becimis, Ingolstadii 1572 So. 

De emtione et venditione, 

Ad. L. imperium ff. de jurisdici. omn, jvd. 

Ad. L. Assiduis, Cod. qui pot, in pign. hab. singularia 
quaedam. 

Ex Auth, Sacr, puber, C, si adv. conditi, 

Consilii et opis celeberrirna materia. 

De remediis adversus iniquam judicis sententiam. 

De testameniis. 

De jure emphiteutico. 

De forma inventarii conscribendi. 

De jur^urando pronuntiata. 

De contractu societatis. 

Zie Val. Andreas, Bibl, Belg. p. 552$ Foppens, Bibl. 
Belg. T. II p 716» van Gils, Cath. Meijer Memorieb. bl. 18; 
van Gils en Coppens, N, Beschrijv, v, h. Bisdom van '# Bosch. 



Digitized by 



Google 



229 

D. IV. bl. 386; Hermans, Conspect. p. 9; Joch er, Adelung 
enRotermnnd. 

OSSENBEEK of OSSENBECK (Jan of Joost van) werd in 
1627 te Rotterdam geboren. Na zijne studiën te Rome volbragt 
te hebben, begaf hij zich naar Weenen en vervaardigde er schilde- 
ryen voor de kanstgaierij aldaar. Ook bezocht hij andere Duitsche 
steden en vestigde zich eindelijk te Regensburg, waar hij in 1678 
overleed. Hij schilderde in den trant van v a n L a a r (gezegd B a m* 
b o c h e) grotten, transporten, rooverijen en dergelijke, doch zijne 
kunst is in Nederland schier onbekend. Meer bekend is zijn fraai 
etswerk. N a g 1 e r vermeldt 27 stuks naar zijne eigene teekening, 
40 naar andere meesters, en 3 stuks niet door Bartsch be- 
schreven. Op de kunstverkooping van Verstolk van Soe- 
len te Amsterdam (1847) gold No. 228 RéprésetUation 
(Tune grande Fête équestre impériale^ donnée è Vienne^ une 
grande planche d^une finesse extreme^ et dix auiree^ plus 
petites^ iuconnues a Bartsch et Rigal^ extremement rare /l30. 

Zie Weijerman, Houbrakeo, Immerzeel, t. a. p; Kramm, 
t. a. p. PelkingtoD, Dict. of painters ; Des e amps, Ze t;r« </«« 
peinfres. HoU. T. II p. 143, Nouv. Biogr, gén. 

0SSENBER6 ( ) Wij weten alleen uit Abcoude dat hij 
schrijver is van een werkje getiteld: Voornaamste belofte, 's 
Hage 1719 8o. 

Zie Naamreg. bl. 272. 

OSSENBROEK of NAREBROEK. Deze Hollandsche ritmeester 
wondde Condé bij den door- en overtogt van den Ryn (1672) 
met een pistoolschot aan zijne hand. Deze wond was de 
eenige, die hij in al zijne veldtogteu heeft bekomen, en van 
veel gewigt, wijl zij hem een tyd lang buiten gevecht stelde, 
en den aanslag op Amsterdam verhinderde. 

Zie Voitaire, siècle de Louis XIV ; Bosscha, Neérl, heldend, 
te land h\. 60, 61. Eeckhoff, Geschied, t, Friesl. bl. 266, 470: 
Nyhoff, Bijdr, D. I bl. 93. 

OSSEWEIJER ( ) gaf in 't licht: 

Beize van Gustaaf III , koning van Sweeden^ door Holland. 
Amst. 1780 6 st. in 8o. 

Zie Biel. Hidthem, No. 22874. 

OSORY (Daniel Baron d"), een Ier van geboorte, kolonel 
van een regement paarden binnen Rijnberk, den gouverneur 
Jan van Baspim als medebevelhebber toegevoegd, verraadde 
deze vesting (1672) aan Frankrijk en werd ter dood ver- 



Digitized by 



Google 



230 

oordeeld. lo ziJD vonnis wordt hij beschuldigd dat hij eea 
Edelman ?an den bisschop van Straatsburg , neef zijner huisvrouw, 
en een vijandelijken trompetter, gedurende de belegering van 
Bijnberk, toegang verleend, met den hertog van Duras, be- 
velvoerende in 't Fransche leger, op de brug voor Bijnberk, 
heimelijk gesproken en daarna zeer op het overgeven der 
stad gedrongen had. 

Zie Valkenier, Venoerd Suropa D. II bl. 376 rolgg. Oni- 
rperde Nederlandi dior de wapenen des koningt van Frankrijk (Amit. 
1674) O. U. 140; Wagenaar, Fad, Hifi, D. XIV W. 63; Bos- 
scha, Neérl. heldend, ie land, D, II bl. 53. 

OSOBIO (Don Gabriel) of d'OSINO, redde als kind door 
zijne getuigenis het leven van Philips Willem van Nas- 
sau, broeder van prins Maurits, toen bij den kapitein van 
zijn wacht, om eene beleediging tegen zijn vader het veng- 
ster had uitgeworpen, waarbij Osorio tegenwoordig was. De 
prins bewees dezen Osorio altijd groote verknochtheid,hield hem 
bij zich tot zijn dood, en liet hem na waarvan hij als edel 
raan kon blijven leven. 

Zie Bilderdök, Getch, d. Faderl, D. IV bl. 255; NavorscAer 
D. VII bl. 201. 

OSTADE (Jacobus van), zoon van Hendrik van Ostade 
en van Johanna Steeneik, te Haarlem, waar zijn vader 
koopman was , den 8 Maart 1677 geboren, bezocht de Latijnsche 
school aldaar, ontving later nog onderwijs van den predikant 
Hasius in H Hebreeuwsch en van van Zurck iuH Grieksch, 
waarna bij in 1693 naar de Utrechtsche hoogeschool vertrok 
en den titel van phil. doctor verwierf. Na voleindigde studiën 
werd hij in 1700 predikant in den Wieringerwaard, in 1707 
Ie Ilpendam, in 1708 te Purmerend en in 1716 te Gouda, 
waar hij den 18 Jnlij 1745 , in den ouderdom van ruim 68 
jaren, overleed. Hij huwde (l) Gisberta Cossius, dochter 
Fredericus Cossius, predikant te Oost-Zaandam (^2) 
Geertruida Schorrenburg, dochter van Dirk Schor- 
renburg en Maria Stompw ijk. 

Hij gaf in het licht, behalve eene Ned. overzetting van het 
werkje van Dilton, over de opHanding Amst. 1729 8o.: 

Verklaring over de profetie van JEzechiel^ in iet Eng, 
beschreven door Wïlliam Qreenhil. In de Nederd, ttde over^ 
gezet en door ingevlochte ophelderingen verrijkt, 's Hage 17364o. 

Chrislelifke Godediemt. 

Ook schreef hij eene voorrede vódr Nieuwentijt's werk 
tegen Spinoza. Amst. 1724 4o. 

Zie Veeris, vern. Kerk. Alpkahetk. bl. U9, 150; Bram, 



Digitized by 



Google 



231 

Ktri. Beg. bl. 67; Boekz. d. gtl. Wereld 171 B b bl. 555, 1730. 
a bl. 599, 1745 b bl. 477; Abcoude, Aanh, bl. 154; AdeUng 
en Rotermand. 



OSTADB (^Andreas vanJ, een der grcmlsle meesters van 
de Hollandsche school, werd in 1610 te Lubek geboren, bragt 
zijn meesten tijd te Haarlem en Amsterdam door, en was een 
leerling van Frans Hals, wiens onderwys tegelijk door 
Adriaan Bronwer werd genooten. Bedacht voor de ge- 
M'eldenarijen der Franschen , met welke Holland in oorlog 
was, maakte hij zijne goederen te gelde en nam in 1663 de 
reis aan naar Amsterdam. Konstantijn Sennepart, een 
voornaam kunstliefhebber, deed hem van beslait veranderen, 
en nam hem in zijn huis. Het was hier dat O sta de die 
kunstig gekleurde teekeningen vervaardigde, die J o h a n W i t- 
zen naderhand met nog eenige teekeningen van van Bal- 
ten voor ƒ 1,300 00 kocht. „De onderwerpen'* schrijft Im- 
merzeeT" door van Ostade behandeld, bestaan schier uit- 
sluitend in voorstellingen uit het gewone leven der bouwlie- 
den. Hij vertoont ons dezelve, nu eens dat zij in de open 
lucht in bet lommer van eenen hoogbejaarden boom of het 
dartelend groen van een herbergsprieel aan hunne kermis- 
vreugde den vrijen teugel geven, en dan weer binnens huis 
zich vermaken met zingen, drinken, rooken, spelen, vrijen, 
kouten. Soms ziet men hen in vrolijken dans op den klank 
der krassende dorpsviool rondspringen, of hel hoofd, door 
den drank verhit, en in twist geraakt , eikanderen te lijf val- 
len. Ook nam hij wel eens tot onderwerp een boerenschool- 
tje, eene schllderswerkplaats, een vischmarkt, enz. en al dat 
hij afmaaide mogt een zuivere afdruk der natuur heeten, want 
hij hield zich gemoedelijk aan het leven, en had eene diepe 
studie van de schilderachtige uitwerkselen van het licht ge- 
maakt, waarvan hij zóó voordeelig en oordeelkundig partij 
wist te trekken, dat alle zijne schilderijen een waarlijk too- 
verachtig effekt hebben. In het koloriet zoowel als in de be- 
handeling van het penseel, werd hij door niemand overtrof- 
fen. Zijne schilderijen zijn sieraden der voornaamste kabinetten''*. 

Het koninklgk kabinet te 's Hage bezit van hem een rijk 
met figuren gestoffeerd Buiten- en een dito Binnenhuis^ bet 
miiseum te Amsterdam een Boer eng ezelschctp voor een boe- 
renwoning zittende en een Werkplaats van een schilder. Het 
is merkwaardig dat zijne in de natuur zoo afzigtelijk gekozen on- 
derwerpen gansch Europa door op den hoogsten trap der 
beschaving, als de meest gevierde kunst, de waardigste plaats 
vinden, waaromtrent Taillassin, die met den uitbundigsten 
lof over Ostade uitweidt, het volgende zegt: nbeaucoup de 
tériié et Vimitatian énergique de ce (fiiil y a de plus laid et 
de plus ignohle dans la forme des hommes^ font Ie carao- 



Digitized by 



Google 



232 

tére distinclif de aon talent frès originai^ soit quil chercke 
cette esjfèce de perfection, soit que telle fut sa maniere 
d'imiter la nature^ sans quHl a'en douidt; aucun peintre tCa 
été aussi loin que lui dans cette singuliere route; il est 
dans la forme, Ie contraire parfait des statues antiques^ 
et il s^est éler)é jusqtCau sublime de laideur''\ Vroeger wer- 
den er mindere thans aanzienlijk*; prijzen voor de schilderyen 
van O stade besleed. In 1765 werd (]Cal. van P. T er w es- 
te n bl. 205 en bL 222) voor een kapitaal Wintergezigt langs 
eene stad met verscheiden narre^ en vragtsleden te Amsterd. 
voor ƒ24 verkocht. Een Binnenhuis gold in 1793 ƒ4,163, in 
1797 ƒ3,250, in 1802 ƒ3.878, in 1844 ƒ16,632, een jffo/- 
landsch huisgezin aldaar in hetzelfde jaar ƒ15,840; een Boe- 
rengezelschap (Cai. J. Gildemeester, Amsl. 1800) ƒ 2700 
gold in 1844 (Cat. Peurice te Londe) ƒ 17,040. Op de vcr- 
kooping van van Saceghem te Brussel, in 1851, werd een 
stuk van hem voor 58,000 francs verkocht, hetzelfde stuk in 1857 
op de verkooping van Th. Patureaute Parijs voor 51 ,500 francs 
afgestaan. In 1810 werd op de verkooping van de Smeth 
voor een Boeren- buitenhuis f 4 600,00 en voor een dito 
Binnenhuis van dezen meester ƒ 5,000,00 betaald. De heer 
Nieuwenhuijs kocht op de verkooping van prins Galitzin 
te Parijs in 1825, een Boeren-èinnenhuis ^ in 1656 vervaar- 
digd, voor 13,050 francs. Diezelfde kunstkooper kocht in 1827 van 
John Deut een Herberg met dansende boeren en boerin^ 
nen van van Ostade voor 465 guiuies ƒ 5,586. A. v a n 
der Hoop te Amsterdam betaalde voor eene schilderij van 
van Ostade, afkomstig uit het kabinet van de hertogin van 
Berry, ongeveer ƒ 8,000,00. Ook worden er hooge prijzen 
voor teekeningen van van Ostade gegeven: een in sapverw, be- 
kend onder de naam van de Klosbaan^ in het kabinet van den 
baron Vers tolk van Soelen te 's Hage, gold /" 2,405,00, 
op de verkooping van Cl au sin te Parijs, een Mooker^ ƒ88, 
een Binnenhuis ƒ362, Reizende Muziekanten f l%b ^ Tric- 
tracspelers f b99^drinkende roovers f 64^0. In 1844 werd ƒ3,440 
voor een compleet stel van zijn etswerk besteed. Er bestaan 
van hem, volgens Bartsch, 50 stuks prenten, die de jaar- 
merken dragen van tusschen de jaren 1647 — 1679. Op de 
verkooping van den Grnve von Fries, werd een exemplaar 
met varianten, portretten, enz. bestaande uit 101 stuks met 
prentjes van Dnsart en Bega voor ƒ 700,00 verkocht. In 
Smith'^s Catalogue raisouné vindt men een volledige be- 
schrijving van ongeveer 380 schilderijen van van Ostade. 
Op eene schilderij in de Louvre, door hem geschilderd, komt 
hij met zijn gansche familie, ouders, vrouw en kinderen voor. 
Zyn portret, daarnaar genomen gaat in lithographie uit, in 
1823 door Hes se te Parijs geteekend. Anderen vermelden 
Kramm en Muller. Hij overleed te Amsterdam in 1685. 



Digitized by 



Google 



233 

Zie Houbrakeo, Weyermaii, Immerzeel, Kram ui. Na* 
gier, Schwartz, Hoogstraten, Kok, N i e u wenh u is, Kobus 
en de Rivecourt; Biogr. JJnio. JBibl. générale; Conoers. Lex ; 
S m i t h , Caial. rais. of the works of the Dutch and Tlemish Masters 
vol. I and supplement. Oalèrie (TJremóerg a JBruzelles p. 47; Bur- 
ger, Trésors (TArt. exposés è Maneheêier in 1657 p. 113; 
T a i 1 1 a 8 8 o B, Observat. sur quelques grands peintres p . 223. Sup- 
plément au Peintre Oraoeur de Barlsch; Caialogue raisonné de louies 
les estampes qui forment V oeuvre gravé d'Jdrian van Oslade, par L . 
E. Faucheux, membre de la société d' Archéologie Lorrain. Paris 1862; 
Descamps, La Vie des peintres Hollandais. T.II; Pelkinj^toa, 
JHction. ofpaintres, Huber et Rost, Manuel des amateurs de Tart; 
J o n b e r t , Manuel de Vamateur d^ estampes; Charles Blanc, 
Rist. des peintres liv. 8—9. école hollanaise No. 31, 82; Collit 
d'Escury, Holl. roem D. I bl. 110, 111. Kunstblad, 1844 No. 30; 
Konst- en Letterb. 1844 No. 37. Muller, Ca^ t>. portr. 

OSTADR (IsAAK van}, broeder van den vorige , is , volgens 
Inimerzeel, in 1613 te Labek geborenen in 1671 gestor- 
ven, doch Bryan Stanley wil dat hij in 1617 geboren 
en in 1654 overleden is, Ugeen Kramm aannemelijker acht. 
Hij v^erd door zijn broeder in de kanst opgeleid, en, schoon 
hij diens geestigen Irunt van schilderen volgde, doel zich 
voor het oog van den kenner veel verschil tusschen de beide 
meesters op. Volgens Immerzeel is hij oorspronkelijk in 
soort van ordonnanties en koloriet. Men vindt van hem vele 
landschappen en bevrozen vaarten en rivieren met wagens, 
paarden, rijk van beeldjes, goed en natuurlijk geteekend en 
gekarakteriseerd, maar minder uitvoerig bewerkt dan de figu- 
gureu en de schilderijen van zijn broeder. Voor een landschap 
van hem, gestoffeerd met boeren en boerinnen, paarden en 
schapen, werd op de verkooping van de Smeth/ 5,050,00 
en voor een Borpagezigt met een dorpsherberg en verschei- 
dene figuren op den voorgrond op de verkooping van prins 
Galitzin in 1825 te Parijs 13,150 francs betaald. Op Ro- 
bins verkoopinsr in 1801 gold een stuk van hem /* 4,39;i3 
en in 1837 ƒ15,672. In den catalogus van Smith, vindt men 
de beschrijving van nagenoeg 112 bekende schilderijen van 
van Ostade. Vele zijner schilderijen zijn in plaat gebragt 
Merkwaardig is een werk in houtsnede, naar zijne teekenin- 
gen. Boeren^ satiriek en komiek als dieren voorgesteld^ 36 
bladen, met den titel: XXXFI aardige figuren, geinventeert 
door laaak van Ostade^ tot Haarlem J, Enschedé exc. zon- 
der naam van graveur. 

Men meent dat hij ook geëtst heeft als het Luizenknipater- 
tje en een boer die watert^ bij een grooten hoorn, die echter 
sommigen aan A. van Ostade toeschrijven, gelijk ook de plaat- 
jes in Jan van Elslande gezangen , of het vrolijk gezelschap 
der Negen Zanggodinnen, waarvan de in 1717 de 3e in 
1730 de 4e 1738 de 5e druk te Haarlem verscheen. Op 
d0 verkooping van van derMarckle Leyden in 1773 is 



Digitized by 



Google 



234 

zijo porlret mek de pen in O. I. inkt gewasschen, verkocht. 
In de Kavorêcher D. V. b!. 72 wordt melding^ gemaakt van 2 por- 
tretten van hem, het eeue geteekend door A. van Ostade, het 
andere waarschijnlijk door van Noord of lelgersma daarnaar 
gevolgd. Beide naar het geschilderde portret van A. van O s t a- 
de, waarbij opgegeven wordt als zijn geboortejaar 162t en 
dat van zijn overlijden 1657. 

Zie Weyerman, Houbraken, Immerzeel, Kramm, 
Nieuwenhuis, Kobiisende Riveconrt, Biogr, Univ. Nouv, 
Biogr. génér; Convers. Lex , ; D e s c a m p s, Z/i vie des peintres AlU' 
mands et Hollandais T. II p. 17 — 21; Smith, Catalogue etc. Pail- 
let deMootabert, Traite complet de la peinture . (Paris 181 9) T . 
VIII p. 303, 805; Geraaint, Catal, du Cabinet de V Orangère ; 
Lebrun, Galérie des peintres AUemandSy Hollandais etc; "W . Bur- 
ger, Exhibition des irésors de tart a Manchester , in Ie Siècle du 28 
Juillet 1857; Deperthes, Hist. de Vart du paysage. (Paris 1822) 
p. 227; Charles Blanc, Histoire des peintres Hu. No. 120,121. 
ècole Hollandaise . No. 48, 49. 

OSTËNDË (Jan va.n}, de eerste hervormde leeraar te Ant- 
werpen. Hij had den b^naam ^Fremkeu'" en was uit Vlaan- 
deren. Hij vluglte uit Gend, bij gelegenheid eener hevige 
vervolging, werd later te Antwerpen gevangen en in Ocl. 
1551 verbrand. Gedurende zijne gevangenschap schreef hij 
brieven aan de predikanten der Nederlandsche gemeenten te 
Londen, inzonderheid aan Maarten Micron. De vragen 
die hem in zijn kerker werden gedaan en zijne antwoorden 
zijn opgeteekend , en tot ons gekomen. 

Zie Haem stede, MisL d. Martel, (1556) bK 24.2— 245; U y- 
tenhoovcn. Geschied, d. Ilerv. Kerk te Antwerpen bl. 92, 93; 
Kist en Ro ij aards. Kerk. Archief (eerste serie) D. VI , bl . 
49, 50. 

OSTËNDORPIUS (JouANNEs) onderteekende de slataten der 
Synode te Wezel , 1568. Waarschijnlijk is hij dezelfde met 
Johannes Ortendorpius, dien Geldenbauer in 1525 
Ie Deventer bezocht, en die door dezen een zeer geleerd 
man werd genoemd. 

Zie Kist eu R o ij aar ds. Archief (eerste serie) D V bl. 469, 
D IX, bl. 511. 

OSTENS (Jacobüs), predikant bij de doopsgezinden te Rot- 
terdam, overleed in 1679. 
Hij schreef: 

Animadversiones in con/easionem G, Allendorp etc. 
Sol pacificne. 
Vreede Zon 1666. 
Liefdens Zon. 12o. 



Digitized by 



Google 



235 

Aanteekening over de èeleidenisse van O, Allendorp, A. 
van Heuven, lo, Andrae en fFilh. v, Maunk ^ waarin de 
leer der Menn^nilen tegen C. Gentman verdedigd wordL 1665 80. 

ZisJócher, Adelang. Abcoude, Naamr, bl. 155. 

OSTËNS CGiJSBERTUs) was predikant bij de Remoostransche 
Broederschap, sedert 1696 te Hoorn en na 1708 te Amsler- 
dam. Hij stierf den 24 Jany 1741, In 1715 bezorgde hij 
eene vierde uitgave van Limborchs Theologia ckristiana. 

Zie Ti de man, de Remonstr. Broederschap bl. 229, 249, 370; 
Rogge Bibl. d. Remonstr, gesch. bl. 184, JÖcher. 

OSTENHAERN ofOOSTERHAERN (Nicolaas) in 1612 pre- 
dikant te Noorden, in 1619 ontzet. 

Hij schreef: 

Geestelycke Medicynmnkel, Amst. 1647 12o, door anderen 
aan Henricus Oosterhaern toegeschreven. 

Zie Abcoude, Naemreg. W. 272; Soernans, Kerk. Eeg.hhl^Q. 

OSTENS (Joh. Jac.) schreef: 

Oratio de laudièus HippocraUs. Amst. 1737, 4. 

OSTRUM (P. van), dichter uit de tweede helft der 17e 
eeuw, wiens spreuk was: keur haart angst. Men vindt een 
gedicht van hem vóór P. Bor. Oorsp. der Nederl, Oorlog, 
Amst. 1679. 

Zie Heringa, Lijst der Dichters , bl. 69. 

OSTOROD ( Chbistophorüs') , een Duitscher en And re as 
Voidovius, een Pool, kwamen in Augustus 1618 te Am- 
sterdam. Zij behoorden tot de Socinianen of Unitarissen. Op 
verzoek der predikanten werden hunne boeken en papieren 
in beslag genomen en op H stadhuis gebragt, wijl zij meenden 
^dat zy valschheden en lasteringen inhielden en de eigenaars 
verandering in de religie zochten aan te rigten.*^ Deze beweer- 
den het tegendeel en eischten hun eigendom terug, doch te 
vergeefs. De regering van Amsterdam zond de boeken naar Leyden 
om door de hoogleeraren onderzocht te worden. Deze oordeel- 
den, ^dat zg ketterijen dreven genoegzaam overeenkomende met 
de Tnrksehe leer/' De Leydsche wethouders zonden ze hierop 
aan de raden der staten van Holland, die de zaak voor 
de vergadering der algemeene staten bragten. Ondertusschea 
wisten de professoren het onder de hand zoover te brengen 
dat men de beide mannen zoo spoedig mogelijk het land liet 
ruimen, en de stalen besloten de boeken in H bgzijn der eige* 
nears de 9 vm Herfsmaand v. d. j. in H kantoor der Generaliteit te 
laten vei^nuKlen en de eigeiMars aan te zeggen binnen tien da- 



Digitized by 



Google 



236 

gen uit de vereenigde landschappen te vertrekken. Te gezetter 
tijde werd het vuur om de boeken te verbranden aangelegd, 
doch de eigenaars verschenen niet, ook werden de boeken niet 
verbrand^ maar sommige beeren namen ze uit nieuwsgierigheid 
mede. De staten schreven^ten zelven tijd aan alle de landschap- 
pen, dat men op de personen van Ostorodns en Voido- 
vius zou letten. Zij bleven echter nog een wijle tijds in H 
land, inzonderheid in Friesland, daar zij een verantwoording 
opstelden en heimelijk lieten drukken. In deze schriften aanMe 
staten gerigt, verdedigden zij hun gevoelen tegen het oor- 
deel der professoren, met beklag „dat se 't onrecht waren 
veroordeeld; omdat men hen en hunne boeken, op het oor- 
deel van 3 of 4 theologanten , zonder hen te hooren, had 
veroordeeld^. „Maar dat al te haastig oordeel wijten wij 
U. L. H. niet zoozeer als wel Uwe theologanten, want 
gij zijt zoo van hen onderwezen^. „Langs dien weg, meenden 
zijt ging men de menschen om geloofssaken ten viere."" 

Zie Bor, Ncderl, Oorl. B. XXXV bl. 17; IJ i t en boga ert, 
Hièi. bl. 307—309; Braodt, Eisi. d, Ref. D. I bl. 839, 440. 

OSWALD I, heer van den Berg of 's Heerenberg , zoon van 
Willem II, werd geboren 28 Februarij 1442; Hertog Ar- 
nold van Gelre hield hem ten doop. Na zijus vaders 
dood werd hij door den Hertog van Kleef beleend met Mil- 
lingen, Bijland en Loei. Hij voerde in 1474 een zwaar 
regtsgeding met den deken en het kapittel te Emmerik over 
de erfpacht van Pannerden; in 1486 werd hij door den keizer 
tot Rijksgraaf verheven. In dit zelfde jaar kocht hij de halve 
hoogheid van Wisch, gelijk ook de heerlijkheid Homoet. Hij 
stierf in 1506. Zijne vrouw was Elisabeth, gravin van 
Meurs, bij welke hij zes kinderen verwekte. Zonderling is 
hel dat er niet van dezen graaf, gelijk van zijne opvolgers, 
munten aangetroffen worden. 

ZienaTadama en vanSpaen, v. d. Chijs^^ Munten den 
Heer en en Steden van Gelderlai*d bl. 211 en 212. 

OSWALD II, graaf van den Berg of 's Heerenberg , zoon 
van den in 1511 overleden graaf Willem III, werd in 1525, 
nog minderjarig, beleend met de Geldersche leenen, gelijk 
ook met de Kleefsche. Hij kocht in 1545 den Nijenborg en 
verscheidene andere goederen onder Randwijk, Ketertn eo 
elders in de Betuwe. Hij leefde in bloedige veete met Heer 
Joachim van Wisch en overleed te Zutphen den 10 
Mei 1546, in den ouderdom van slechts 38 jaren. Hg was 
gehuwd met Elisabeth van Dorth, weduwe vao Johan 
van den Korst, welke in 1545 stierf. Zy hadden 4 kin- 
deren. De eenige muntsoort, van hem meer voorhanden de 



Digitized by 



Google 



237 

Oswaldasdaalder (waarschijnlijk liet hij geene andere vervaar- 
digen) is afgebeeld in v. d, Chijs de Munten van Meeren 
en Steden van Gelderland 

Zie V. d. Chijs dg M. d. H. en St. van Geld. bl. 214, 215. 

OSTERWIJK (Jan van} of Johannes Oslervicanus, 
rector van het vrouwen klooster te Gorcum, een der Gor- 
cumsche martelaren. Hij was 70 jaren oud toen hij, op be- 
vel van L u m e ij , kort na middernacht tusschen den 9 en 10e 
Jalij 1572 buiten de Brie! aan een galg werd opgehangen. 

Zie Opmeer, Eist, Mariyr. Baiavic, p. 29j F r o i n, d( Gor- 
cumseAe Marielaren ; Maller, Cat . v . portr . 

OTBËRTUS of OBERTUS volgde Henricusl in 1091 als 
bisschop van Luik open bestuurde het bisdom tot 1119. Onder 
hem is in 1095 door Godfried van Bouillon, met zyne 
beide broeders Balduinus en Eustatius de eerste kruis- 
vaart naar het H. land begonnen. Bij deze gelegenheid ver- 
kocht Godefridus zijn hertogdom van Bouillon aan het 
bisdom van Luik, welks kerkvoogden sedert den titel van 
hertogen van Bouillon gevoerd hebben. Otbertus verkreeg 
ook nog andere bezittingen voor zijne kerk. Men leest we- 
gens dezen kerkvoogd dat hij in 1103 de overblijfselen van 
de H. O d a te St. Odenrode verheven en aan de vereering der 
geloovigen voorgesteld heeft. In het jaar 1130 rigtte hij in 
de stad Luik twee nieuwe parochiekerken op, namelijk van 
den H. Hubertus en van de H. Fides of St. Foy. Ook beves- 
tigde hij in 1111 de abdij van den H. Laurentius bij Luik in 
bet regt van begeving der kanunniksdyen in het kapittel van 
Ayncourt. Ten tijde des bestuurs van Otbertus viel de 
scheuring der kerk voor, die door keizer Henricus IV is 
bewerkt. Otbertus koos de zijde des keizers, doch ver- 
zoende zich, na diens dood (1106), weder met den paus. 
De vermaarde abtdij van Rolduc, waaronder het klooster van 
Hooydonk te Nederwetten heeft behoord, nam onder dezen 
kerkvoogd in 1104 een begin, en hare kerk werd den 13 
Dec. 1108 door Otbertus plegtig ingewijd. 

Zie Chapeaaville, GeHa Leod. JEccles.T, II p. 45 j Miraei, 
Dipl. T. III p. 28 i Ernst, Hisi. du Limbourg T. II p.284, 295j 
van Gils, Cath. Meijr, Memorieh. bl. 23, 24; van Gils en C op- 
pen 8, N. Besehr^v. van 's Bosch bl. 39, 40. 

OTERDOOM (J.J te Bellingwolda, schreef: 
Ontwerp van handleiding tot een geestel^k A, E, C. Lees- 
en Rekenboek. Gron. 1802 4o. 

Zie Cat. d, Maatsch. v. Ned. Letterk. D. I M, 101. 



Digitized by 



Google 



288 

OTGËB of 0T6ERUS, diaken, uit Schotland, een der eerste 
Ëvangeliepredikers , die in de 8ste eeuw met zijne beide 
vrienden Wiro en Plechelmas, in het Limburgsche, Gel* 
dersche en Overijsselsche niet onvrochtbaar arbeidde. Zij brag- 
ten hunne laatste levensdagen op den Pietersberg bij Roer- 
mond door. Hunne namen en relieken bleven bij onze voor- 
vaders in eere, vooral te Utrecht, Oldenzeel «a Roermond. 

Zie Chesquieri, Actu ss. Belg, T. V p. 358, ss. VI p. 214, 
SS. 219, 88. £at. S. T. I p. lOÖ; Moll, Kerkgeich. van Ned&rl. 
vóór dê Uerv. D. I bl. 127 « Overljss. Almattak voor ldi6 bl. S6: 
van der Chys, Munten van Overijssel bl . 11 . 

OTGER of OTGERUS was muntmeester te Brussel, in de 
wijk van St. Pieter en wel waarschijnlijk in de Ie helft der 
11e eeuw. Ben door hem bezorgde denarins of denier is het 
eerst uitgegeven door prof. van der Chys in zijne Mtmien 
Hertogdommen Braband en Limburg pi. I No. 9. 

OTHILDE, dochter van Hen rik (volgens enderen van F re- 
der ik, hertog van Saksen, gemalin van Graaf Dirk V van 
Hollaml, moeder van Floris II en van Ma ebt e ld, volgens 
de HolL Chronyky hertogin van Orleans. 

Zie Wagen aar, Vad. Hitt, O ÏI W. 193; Bilderdyk, 
Vad. Qetck. 1). II bi. 82, van der Chys, de Munten der Qra* 
ven van Rolland ^TiZ . bl. 26; Kist ea Royaards, Ktrkel» Af 
ehief. D. VI bl. 278 (eerste serie.) 

OTHMAR of OTHIMAN zonde den naam gegeven hebben aan 
O o t m a r 8 n m, dat eigenlijk Otkimariheim (de heim van Otter- 
man) geheeten zal hebben. 

Zie M o 1 h u ij s e n , in den Overijts. Aün . voor 1888 en van der 
Chys, de Munten van Overijss, bl. 29. 

OTHO (JoAHfiEs) van Brugge, onderwees aldaar en later te 
Gend de jengd in het Griekséh en Latijn. Omstreeks bel 
jaar 1567 verliet hy on der godsdienstwil zïytt vaderland ea 
begaf zich naar Duisburg, waar hg als schoolarch de opvolger 
en medewerker van zijnen vriend en stadgenoot Ge or glas 
Gassende r, in 1 566 te Keulen overleden , gezegd wordt ge- 
weest te zijn. Hier arbeidde hU voor de schooljeugd en hei 
belang der hervorming en overleed hy 1581. Zyn dood 
werd door zijn doehter in een Bpitaphium verheerlijkt. 

Men heeft van hem: 

Introductio in Historiam BomatMm cum Breviario Ses, 
Jtufi. Bruffis Fland.y 1565 So. 



Digitized by 



Google 



239 

JvoplJiegiriafa et praecepta VII Sapientum, Gr aec o-Lat ina, 
Tffpis Plantini in 80. 

Grammatica linguae Laiinae, Coloniae, 

Sententiae insigniores et Apopthegmata iïlustriora 8, Scrip- 
turae Ibid.. 1571. 

DescripUo brevis eorum , quae a 8, P, Q, Gandavensi Pki- 
lippo Austrio et Carolo V exhihita fuere. Anno 1549. 

Topographia ac chorographia urbia Gandensis. 

Hij gaf ook in het licht: Luberti Hautschilti ^ Abbatis^ 8, 
Bartholomaei Eeckhoutani Vaticinium , toti Flandriae fatali. 
Anno 1548 inctoattim. 

Ook zette hij uit het Grieksch de volgende werkjes van 
Plutarchus, in het Latijn over: De puerortm institutione ^ 
cum scholiis; De complurium amicitia en Commentaria duo 
de esu carninm in 1555 en 1556 te Gend in 4o. gedrokt. 

Zie Franc. Sweertii, JIA. Belg. p. 468; Val. Andreas, 
Bi^l. Bêlgic. p . 546 -. Mart. Hanckius, «fi^ Seripioriötts Rer. 
Bomanar CLXV p. 236, 237: Foppena, Biel, Belg. T. II p. 707; 
Sa ie, Onom. T. III p. 281, 282; A. Calkoen, Spec. Q. Cass. 
vit. p. 57 seqq. ; Kist en Mo 11, Kerk. hist. Archief, D II, 
W. 420. 

OTHO of OTHONIA (Johanna), te Gend geboren, dochter 
van den vorige, huisvrouw van Mr. Willem Maryart, ad- 
vocaat voor den Hove van Vlaanderen. Zij ook verliet om 
der godsdienstwil haar vaderland. Zij keerde waarschijnlijk 
naar Gend terug en vertrok van daar naar Straatsburg, haar 
sterQaar is onbekend. Zy beoefende de Latijnsche poezy. Gaf 
in hel licht: 

Varminum diveraorum Libri II. krgentorati. 1616 4o. 

Pomatia eive lusus extemporanei. Antv. 1617 80. 

Zie Val. Andreas, Bibl. Belg. p. 540; Foppens, t.a.p. 707 
Kist en Moll t. a^ p. bl. 422 volgg. 

OTHONIS of OTTONIS (Johannes), paedagoog der kinderen 
van den aartshertog Leo po ld, gouverneur van België, later 
door diens voorspraak, kanunnik der Cathedrale kerk te Gent. 
Volgens Foppens schreef bij in het Fransch De educatione 
heroica Magnatum. Brux. 1655 12o. 

Zie Foppens, Bihl. Belg. T. II p. 708. 

OTHONIS, OTTHONIS of OTTENS (^Gerard;), werd 23 
Maart 1592 niet, gelyk Ba oker wil, te 's Herlogenbosch 
mtar fe Maren geboren. H^' trad den 15 Jan. 1619 te Meche- 



Digitized by 



Google 



240 

len in de orde der Jesuiten, en werd missionaris in Holland. 
Hier werd hij gevangen gezel, vertrok na zijn ontslag naar 
Antwerpen en overleed omtrent 1680. Hy heeft asceti- 
sche werkjes, waarschijnlijk alle in de Ylaamsche taal, geschre- 
ven. De volgende worden door Sotuellus, Foppens, 
Jöcher en Backer vermeld : 

Be fine kominis et regno Dei. Lovanii 1616, 16o. 

ClavU coeli de Amore Dei et contriüone, Lovanii, 1617, 
in 16o. 

Apopthegmala de vitiis superandis et acquirendis virtuti- 
bus, Antv. 1618, 16o. 

Coelum extra coelum^ de attribuiis Dei, Lovan. 1618, 
in 16o. 

Deliheratio de statu vitae deligendo, Lovanii. 1618. 16. 

Dies diurnua seu praxis omnia opera diurna bene pera^ 
gendi, Lovan. 1618, in 16o. 

De gheesielychen onder-ioijzer der devote zielen door den 
salighen Franciscus de Sales^ Prince ende Bisschop t>an 
Geneven, H Samen 7 Goddéliche gebeden op V GJiebedt des 
Heeren^ uyt de Francoise tael in '/ Nederduijtsch over-gke- 
stelt, Anlw. 1648, 12o. 1662 (3e dr.) 1676 in 24o. 

De amatoribus crucis, Lovan. 1649. in 16o. 

Excitator languidorum, Lovan. 1650 in 16o. 

Hemelen buitten Hemel^ met sekere en oprechte Middelen 
om in den oprechten Hemel voor alle eeutoickhei^t te gaen^ 
aen alle gheestelycke Persoonen , ende die de salicheydt hoe- 
rer zielen beminnen toegheeygent, Anlw. 1670. kl. 12. Lenv. 
1622 in 16o. 

Praxis tUendi exercilüs 8, P. N, Ignatii, Lov. 1653 
in 16o. 

Schole van 7 verschil des Gheloofs om, op korten tijdt^ 
ende met luttel arbeijt^ al te weten, dat de wa7'e religie^ 

kerke , ende gheloof belangt , wordt uytghegeven door 

lot Lenven. 1655. in 12o. 

Regula Virginum sacrarum Antv. 1655 in 12. 

Horror peccatorum, Lovan. 1658, in 16o. 

Coelum venale, Antv. 1665, 16o. 

Deus bonus aeque ac suavis, Antv. 1666, in 16o. 

Thesaurus ad ditescendum cito in coelestibus, Antv. 1669 
in 16o. 

Vita Genovevae ex Gallico Belgice reddita. 562. 

Zie A u g et A 1 o i s d e B a c k e r, Bibliothèqtte des Écrioains de 
la compagnie dejesiis . 5e serie . Bibl. Script, sociei . Jesn ; Foppens 



Digitized by 



Google 



241 

jBibl. Belg, T. I p. 359; Jöcher» Coppena eji raa Gils, 

iV. heschrijv. v, 's Bosch T). IV bl. 369. 

OTT (J. C.) schreef: 

Dis8, de affectibus caloria et ftigorh aimosphaerae in 
V. ff. L. B. 1749. 

Zie Catal. C. E. n Roy. t. II p. 551. 

OTTEN (TThomas), gereformeerd predikant Ie SiUarl in 't 
)and van Gulik, gaf in het licht: 

Een gezigt van de toekomende dingen tot aan het einde 
der wereld^ ean den ffeere vertoont aan een van zijn on- 
waardigste dienaren in ''t jaar ons ffeeren 1688. Nu tot op- 
wekkinge van Oods kerke uitgegeven en met aanmerkingen^ 
zoo wegens H gezigt , als in zijn ff. Woord gedane beloften 
en deszelver tifd, Utrecht 1693 in 12o. 

Zie G 1 a s i u s , Oodge l . Nederl . , R a b n s , Boekz, van Europa . 
1693 b bl. 535.; Paquot, Mém. T. 1, p. 345. 

OTTENS (^Frederik) leefde te Amsterdam in den eerste helft der 
i8e eeuw en maakte zich als teekenaar, graveur en etser bekend. 
K r a m m slelt hem hooger dan I m m e r z e e 1, die schrijft dat hij in 
den stijl van Punt graveerde. De eerste vermeldt zijn portret 
van F. ff alma ^ naar de schilderij van A. Boon en tn de 
afneming van het kruis naar J. Jouvenet in 4o. Ook gra- 
veerde hij Christiaan Huyghens. Hij etste geestig, 
waarschijnlijk naar de teekeningen van L. Backhuysen. In 
de Algemene Geschiedenis van Suikers en Verburgh komen 
vele door hem naar zijn eigene teekeningen gegraveerde por- 
tretten voor. 

Zie Immerzeel, t. a. p.; Kramm t. a^ p.; Muller, Cat, 
V. portr. 

OTTËNS (^Jan}) tijdgenoot van den vorige , beoefende mede de 
graveerkunst. De vier Elementen en Mannen^ en Vrouwen^ 
hoofden naar F. Breughel zijn door hem gegraveerd. 

Zie Kramm t. a. p. , 

OTTENS ^ReinJ, beroemd kaartgraveur te Amsterdam, gaf 
benevens van Keulen, Donker en de broeders Valk, 
verbeterde kaarten van Rusland, zoowel als van vele andere 
landen. Ook gaf hij gezamenllijk met Josua Ottens te 
Amsterdam een Atlas in folio uit, en met zijn broeder Jan 
graveerde hy in 1739 de groote kaart van Friesland, in 6 
bladen, door J. Hegelin van Claerbergen namensgede- 

16 



Digitized by 



Google 



U2 

pntèerde staten uitgegeven. De Maats, van Ned. Letterk. te 
Leijden bezit van hem: 

Nova ac, veriêsima urbia Peterabnrg — ac regioniê ctr- 
cumjacentis delineaüo a Beino Ottens^ geographi Amêtelaeda- 
mensi, in lucem edita, Amst. (voor 1725} fol. 

Zie Scheltema Rusland en de Nederlanden D. IV, bl. 194; mr. 
Bodel Nyenhais en Eekhoff, de Alg, Kaarten van Friesland, 
bl. 62. Cat. de Maats, v, Ned, Lettert. D. III, bl. 948. 

OTTERBEIN (Daniel EberAabt), predikant te Emmerik , later 
garnisoensprediker te Bergen in Henegouwen, waar hij om- 
streeks 1825 moet overleden zijn. Hij maakte zich verdien- 
stelijk door uit het Hoogduitsch te Vertalen en uit te geven 
eene nieuwe verzameling van uitgelezene gezangen ten dien- 
ste der Iiervormde gemeente van Cleve, Gulik en Berg en 
Mark, mogelijk dezelfde met 

CCCLXXIV Eerklijke Gezangen der Hervormde Ge- 
ineenten van Cleve^ Gulik ^ Berg en Mark, in 7 Neder-' 
duitsch berijmd door A. Felingius en 2>. II. Otterbein. Amst. 
1798, 8o. 

Zie van der Aa, N. B, J. C, Woordenb,; Cat, der BibL v, Ned. 
'Letterk. D. III , bl. 108. 

OTTERBOS of Otterbosch (L.) 
schreef: 

De Geestelffke Mensch, Amst. 1727, 8o. 

Zie Abcoude Naamr, bl. 272; Moarik, Naamrol der Oodgel. 
schrijv, 

OTTEREN (HuBEBT vanj, te Luik geboren, bloeide om- 
streeks 1713. Hij graveerde de platen voor B^b. Morisonplan- 
tarum historia universalis Oxoniensiê Pare secunda, Oxonii 
1680 — 1699. seu 1715 en de Memorie delgi academici gelati 
de V. Zani^ en ffierorngtmtê de Proetiê eqiices. 

Zit Kraram t. a. p. 

OTTEVAEN (August) werd in 1809 te Everghem geboden 
en door E. J. Verboeckhoven in het vak van bees- 
tenschiideren opgeleid. Hij vestigde zich te Pargs, en ovier- 
leed 5 Augustus 1856 te Gend hi den Ouderdom van 47 jare». 
Zijn kunst is iïi de kabinetten in Frankrijk en België te vinden. 

Zie Immer ze el t. a. p.; Kramm t, a. p. 

OTTHEZ (Fbedibik). ï^n naam teesl men onder een brief 



Digitized by 



Google 



243 

ran Didefik vai Sonoy 24, JaliJ 1573 uU MedeadUik md 
den Prins , waarin ky ep mislroosüge wijs orer den toestand 
d^ saken sckrijft. 

Zie Bor, OorsproMfJt, ciiz. B. VI bl. S26; 's6r avesai de,£r»«l- 
AaneenêchakeliTUf , bl. 836, 837. 

OTTING (loHANNEs Wenceslaüs van}, in 1710 geboren, Werd 
in 1730 predikant te IJsendiJke, in 1735 te Werkendam, in 
1739 te Viaardingen, in 1755 Ie BCeda, Waar hij Sn 1788 
emeritus werd en 16 Dec. 1792 stierf, oad ruim 88 Jaren 
HIJ schreef: 

Verklaring over Fsalm LXIIÏ in /X Leerredenen, Breda 
1784. 

ZieSprengervan Efjk, Geschied, van Vkwrdingen bl. 222; 
Brans, Kerk. Beg, bl. 37, 121, 171; Navorseher D. VI, bl. 819; 
Arrenberg, Naamr, bl. 892; Brans, Kerk. reg. bl. 87, 121, 
171; Keppel, Alphab. Naamto%\A. 117. 

0TTIM6A (^RuDOLPBUs'), als propenent beroepen te Baarland 
in 1743, en 1745 te Koudekerk in Walcheren, en 1751 te 
Moerkapelle , in 1761 salvo honore ontslagen in 1784 gestor- 
ven. Hg heeft zich bekend gemaakt door het deel dat hij nam 
in den Avondmaalstwist tusschen Appelius en Jansso- 
nios, en schreef: 

Onzijdige^ wawrheitzoekende en eredelietende overdenkingen^ 
strekkende ^m uit heé oude denkbeeld taH eene waate dfft-* 
haare kerk^ de leer aangoéindè ée eaeramenten af ie ieiden 
en in em ^aar daglicht te stellen. Leid. 1771, 1773, 
3 d. 8o. 

Zie Ypey, Gesck. d. Ckr. Kerk. in de Xtlll eeuw, D. VII, bl. 
408 verv. ; Glasius, €U>dg, Nederl,; Brans, Kerk^ Reg. bl. 93; 
Arrenberg, Naamreg. bl. 892. Soekz. d. Oei. 1743, b. bl. 868, 
617, 1744. a. bf 22Ö. 1746 b. bl. 681, 1746 a. bl. 870, 378, 1751 
b. bl. 848, 605. 

OTTER (CmtiJSTiAN}, eeft DaitschèT vah g^oerte, dlè sich 
een getniiMn 1^ te Ilg4nèg«fi heefi èj^g^hondeti tot het geveii 
van wiskundige lessen. Hy Was in 159§ te tlagnitl, in l^rtffj^- 
sen gélNyren, ea üa het vellooij^a feQner atudien deed hij 
groote reiiseii door Ëtropa. ¥an 1647 tot 1B58 wad hij h^^ 
malhematicas van den keurvorst Frederik Wilhelm vaa 
Brandenburg, voor welken hij — zoo ^ meh Eogt -^ ée 
vesting Friedrichahurg heeft aangelegd. Na dien tijd is hij 
naar Nijmegen vertrokken, alwaar h\j tot hoogleeraar in de 
wiskunde werd aangesteld. Men faondi hem voor den uitvin- 
der van den aoogenaamden Hallandsc^n veiAii^houw, die 



DigitlzedbyV^OOgle 



244 

door^BBDgs aaD Adam Freitag wordt toegeschreven ,- ook 
moet hij een muzijk-instrument hebben uitgevonden , door hem 
Tuba harcotectonica genoemd, dat hij aan koning Christi- 
aan IV van Denemarken voor 200 rijksdaalders verkocht. 
Otter overleed te Nymegen den 9 Augastas 1660. 

Zie Poggendorff, Handwörterbuch zur Qezchiechie der exacten 
Wistenachaften ; Bouman, Geld. Hooges, D. I, bl. 265. 

OTTER (^DiRK HiLLEBRANDSz.) viras schcpen en hoofdman der 
burgerij te Amsterdam, bij gelegenheid van den aanslag der 
Herdoopers in 1535. In 1566 was hij een der vier burgemees- 
ters, die, onder protestatie, door de landvoogdes Marga- 
retha werden aangesteld. 

Zie C. G . Plemp, der Herdoperen Anslach bl. 8 ; Hooft, Ned. 
Eist. B. II, bl. 61; Wagenaar, Amtterd, D. III, bl. 37, 143. 

OTTER (Floris Diresz.} , voorstander der hervorming te 
Amsterdam, die met Jacob Gerrit Teeuweszoon en 
Laurens Reael in 1566 den beeldenstorm te Antwerpen 
aan burgemeesters mededeelde. 

Zie Wagenaar, Amsterd. D III, bl. 176. 

OTTO I, bisschop van Utrecht. Hij was de zoon van Otlo 
I van Gelder, werd van zijne jeugd af voor den geeste- 
lijken stand bestemd en bragt een gedeelte er van te Utrecht 
door, waar hij het onderwijs van zekeren W a 1 1 e r , een man 
van naam in de monnikenwereld dier dagen, genoot. Uit dank- 
baarheid voor zijne herstelling van een felle koorts, nam bij 
het kruis aan, en vertrok naar het H. land. Van daar terug- 
gekeerd, werd hij proost van Xanten. In November 1212, 
werd hij, na den dood van bisschop Dirk, ofschoon nog geen 
18 jaren , ofschoon hij wegens zekere kanonieke bepalingen 
voor het episcopaat niet in aanmerking mogt komen , ten ge- 
volge van den invloed zijner familie , lot bisschop van Utrecht 
benoemd. Sommigen willen dat er om zijnent wil in het bis- 
dom een scheuring ontstond, en dat hij de oorzaak van veel 
kwaads was: anderen prijzen zijnen mannelijken aard en zyn 
beleid in de behandeling van regtszaken. Veel werd er te 
Rome, onder Innocentins III, over zijn onkannonieken 
leeftijd gehandeld. In 1216 toog Otto derwaarts om op ^s 
pausen bevel voor de cuie te verschijnen. Hy stierf op reis, 
eer hy haar ten halve volbragt had. 

Zie Anonym. Be relm JJltraj. p. 14; Matth. ad Anonym. p. 185; 
Chron, de Traj, Matth. Anal. T. V. p. 837 j Beka, Chron, p. 55; 
Caesar Heisterb. Dia/. demtrar«;.,T. III, p. 80; van Spaen, Eist. 
van Gelderl, D I, bl. 121; van Gils, Cath. Metier, Memorieb- W. 



Digitized by 



Google 



245 

70; van Gils en Coppers, N. Beichrijv, van het Bitd. van *s Boich 
D I, bl. 135, Bat, S. T. I, p. 215; Roijaards, Oetch. van hel 
Chriatend. en Christ, Kerk. D I, bl. 215; W. Moll, Kerk, Oesck, 
van Nederl. vóór de Herv. D. II, bl. 146. 

OTTO II, bisschop vaa Utrecht, zoon van Bernard van 
der Li pp e, abt en bisschop in Lijfland, broeder van 6 er- 
hard van der Lippe, aartsbisschop van Bremen. Hij was 
domprior te Utrecht, toen hij na den dood van zijn voorgan- 
ger in 1216, door invloed van graaf Willem van Holland 
enGerard van Gelre tot bisschop van Utrecht verkozen 
werd. Na van Frederik II te Frankfort de regalien ont* 
vangen te hebben, en aldra met goedkeuring van den aarts- 
bisschop van Keulen geordend te zijn, heerschte hy aanvan- 
kelijk met beleid. Nadat hij zijn stift ter beheer had opge- 
dragen aan zijn broeder Herman van der Lippe, onder- 
nam hij den kruislogt naar het H. land, niet gelijk hy zich 
had voorgesteld, met Hendrik II, welke dien vroeger be- 
raamden togt eerst aanvaardde in 1229, maar met graaf 
Willen I van Holland (1218), waarvan hij in 1220, toen 
hy te Frankfort onder den keizer eene ryksvergadering by- 
woonde, teruggekeerd was. Hg voerde een feilen oorlog met 
Gelder, die na wisselend fortuin in 1226 eindigde. Hierop, 
volgde de oorlog met Rudolfvan Koeverden, wiens ge- 
slacht zyne voorgangers reeds zoo veel moeite had gebaard. 
Otto verzamelde een leger om aan de oproerigheid der 
Drenthenaren voor altyd een einde te maken. Gerardvan 
Gelre, nu zyn vriend, plaatste zich aan zyne zyde, de 
graven van Holland en Kleef zonden hulptroepen. Met hen 
vereenigden zich vele ridders en knapen uit de bisdommen van 
Keulen en Munster, aan wier hoofd Bernard, graaf van 
Horstmar , een krijgsheld , dien zelfs Richard Leeuwenhart 
in het oosten bewonderd had, stond. Er viel op St. Fanla^ 
leonsdag (28 JuHj) 1227 te Anen bij Gramsbergen een hevige 
slag voor, waarin de Drenlhenaren een volkomen overwinning 
behaalden. Den bisschop staken zy den strot af en zyn lyk 
bragt men later naar Utrecht. Als een merkwaardige byzon- 
heid vermeldt men dat hy zyn eigen vader te Oldenzaal tot 
bisschop van Lijfland en zyn broeder Gerard lot aartsbis- 
schop van Bremen heeft geordonneerd. 

Zie Jnon, de rebus JJltraj, p. 15; Beka, Chron. p. 56; Chroft. 
de Traj. bij Matthaeus T. V. p. 337; Annal, Stad. Vertz. T. XVI 
p. 359, Bat, S. T. lp. 216; Kerkel. Oudh. D. II bl, 22; Dra- 
kenborch, Janh. op de Kerkel. Oudh . bl . 26 verv . ; Bondam, 
Charierb.v. Gelderl. bl. 290; van Kampen, Oeiohied, der Kruis- 
toeht, D. III bl. 269 van der Monde, Tijdschrift voor Utrechts 
jaarg, 1835, bl. 547 w.; van Gils, Cath, Meijer. Memorieb, bl. 
70; van Gils en Coppens, Nieuwe Beschrijv. van het Bisdom 
van 's Ueriogenbosch D. I bl. 108; R o y aar ds, Qesek.v. h, Chris- 



Digitized by 



Google 



246 

i$nd. #» de CArUiel. Kerk in Nederl. D. I U. 1^17; MoU, ieri. 
Gseckied, v. Nederl, voor de Herv. D. II, st. I, bl. 108, 109. 

OTTO III, bisschop Tan Utrecht, zoon van ^aaf Willem 
I en broeder van Floris Y. Hij beslanrde namens zijn broe- 
der Friesland, toen hij 1235 tot bisschop van Utrecht werd 
verkozen. Met moeite sebynt hij te Rome ^s pausen goedkou- 
ring verworven te hebben, vóór 1245, noemt hy zich dan ook 
niet bisschop maar eleot van Utrecht. Met Ijver legrde hij zich 
op de verbetering der wereldiyke belangen en den inwendi- 
gen toestand van zijn Stift toe, ten einde de nadeelen in vroe- 
gere oorlogen veroorzaakt , ook met opoffering nit eigen mid- 
delen te herstellen. Na den dood zijns broeders in het tomooi 
van Corbeij nam hij den jongen graaf Willem II en het 
graafochap Holland onder zyn voogdij. Hij was bij diens kroo- 
ning in 1248 tot koning van Rome tegenwoordig, ook was hij 
waarschijnlijk tegenwoordig bij diens ridderslag te Keulen en 
diens veel besproken ontmoeting met Albertus Magnus, 
het wonder der geleerde wereld van die eenw. Ook bereidde 
hy vermoedelijk de invoering der Dominikanen orde in ons 
vaderland, het gevolg dezer ontmoeting, voor. In zijn tijd was 
het gebruik van Deventer munt in Overijssel zoo algemeen, 
dnt in een brief, waarby de Katentol in 1241 door den bis- 
schop van de stad Deventer in erfjpacht werd afgestaan, de 
som daarvan in Deventersohe munt betaald werd. Otto stierf 
in 1249 en liet eene onwettige dochter na, die in 1269 door 
Floris V aan Boodewijn van Noordwyk uitgehnwe- 
lijkt werd. 

Zie h«t Chron* van B e k a , p . 62 saqq .\ llatthaeas, ««f Am- 
nym. p. 229, JnaL T. V. p. 340; Meerman, GetcA. v, Qraaf 
WxUcm D. I bl. 230 vf.j Arend, Vad, Geschied, D. Il, at. 1, 
bl. 236; de Geer, Bijdr, tot de Gesekied. der Prov. Vlreeht^ bl. 
88S vv.; van Gilt, (kth, Meijer, Memorieb, bl. 70; van GiU en 
Co pp en 8, N, Beeehrijv. van ^tHeriogenb. D. I bl. 186; U. J. 
fioyaards. Geschied, vanlhet Chrisiend, en de Christ, Kerk J), 
1 bl. 120; MoU, Kerk. Geschied, van Nederl. D. II, tt. I, bl. 
114, 115; van der Ghys, de Munten der Biseh . van Utrecht bl . 
76, 80. 

OTTO I, graaf van Gelre, zoon van Hendrik, graaf van 
Gelre in 1164 geboren, volgde zijn vader in 1182 op. Hij 
zou toen den ouderdom van 20 jaren bereikt hebben. Reeds 
te voren, zegt men, had hij deel genomen aan het verbond 
tegen hertog Hendrik de Zeevw,en was aanwezig hg 
het beleg van BranawUk door keizer Frederik, dat twee 
Baanden duurde. Van Spa en echter meende reden te hebben 
zulks te betwyfelen. Na het overiyden van zyn broeder viel 
de bisschop van Utrecht, verbonden met de graven van Hol- 
Ifind en Cleve, in de Yelowe en verwoeste alles door geheel 



Digitized by 



Google 



247 

Gelderliind. Otto riep de holp der bisschoppen van Keulen 
en Munster 9 van den hertog van Brabant en den graaf van 
den Perg in, bragt een leger van 3000 voetknechten en van 
ISOO ruiters op de been en sloeg het beleg voor Deventer, 
werwaarts de vijand den geheelen buit had gebragt en waar 
eene bezetting van 80 ridders lag. Pe bisschop en zyne bond- 
genoQten versameiden een magtig heir om de stad te ont- 
zetten, maar keixer F reder ik liet de vijandelgkheden staken 
en bemiddelde eenen vrede, i¥aarbg Otto in het bezit der 
Yelnwe bleef. In 1188 nam Otto te Mentz het kruis aan en 
vertrok over zee naar Jeruzalem, in gezelschap van de gra- 
ven van Holland en van Vlaanderen. Hij keerde onbeschadigd 
terug en gaf stads regtcn eq vrijheden aan Zutphen. In 1195 
nam hij een werkzaam deel aan de verschillen tusschen bis- 
schop Bauduin en de Drenthenaars. F lor is, kastelein van 
Koevorden. en zijn stiefzoon Vol kier werden gedwongen het 
slot Loevestein aan den bisschop en aan zyne broeders, de 
graven van Hollë^nd en Benthem over te geven, en zij zochten 
desweg^ns hulp van Otto. Deze, wien men heimelijk beschul- 
digde de belangen van "'s bisschops vijanden voortestiian , be- 
middelde een verdrag, en bewoog de Groningers en Drenthe- 
naars 16 gijzelaars aan den bisschop te geven, maar deze 
werden te Deventer, zonder regt of reden, gelijk de Gelder- 
schen beweerden , gevangen gehouden. Van de Stichtsche zijde 
hield men staande dat Otto onder de bapd het vuur aan- 
stookte. Hoe het zij, de graaf was hierover zoo vertoornd dat 
hij Vol kier met alle magt bijstond en hem hielp Drenthe, 
Twente en het slot Loevestein weder te veroveren. Door tus- 
schenkomst der aardsbisscboppen van Mentz en Trier werd 
een bestand getroffen, dat door den graaf van Benthem niet 
onderhouden werd, toen greep men weder naar de wape- 
nen. De Slichtschen leden een nederlaag by Ootmarsum en 
tot weérwraak viel de bisschop in de Veluwe. Otto zat ook 
niet stil, bemagtigde verscheidene Overijsselsche sloten, be- 
stormde Deventer elf dagen met magnelen en ander schutge- 
veente, zonder zich nochtans daarvan meester te kunnen ma- 
ken. Door bemiddeling van den hertog van Brabant, besliste in 
1196 keizer Frederik te Utrecht de geschillen, doch naau- 
welgks was de keizer weder naar Duitschland vertrokken of de 
Drenthenaars verbraken het verdrag , maakten zich meester van 
alle bisschoppeiyke renten ep inkomsten, en gaven ze aan 
Otto, Baudewijn hierover ten hoogste vertoornd, volgde den 
keizer op de hielen, trof hem te Mentz aan en ontving op 
zijne klagten de sterkste beloften yan bijstand. Hij beleefde 
echter 4e vervulling daarvan niet, wapt dep vijfden dag na 
zijne komst, stierf hg aldaar (^21 April 1196) en zgn Igk 
ijverd naar Utrecht gebragt. Deze dood gaf aanleiding tot nieuwe 
onlasten. Pirk vi)p lipllancl, domproQst, broeder van d,en 



Digitized by 



Google 



248 

overïedene en Arnold van Isenburg:, proost van Deren-* 
Ier, werden ieder door een gedeelte der kanunniken verko- 
zen. De graaf yan Holland hield Dirks zijde, terwijl Otta 
en de Orerijsselschen zich voor Arnold verklaarden. Keizer 
Hendrik beloonde Dirk met het wereldlijk bewind, en 
stelde hem tot ruwaard van het Sticht aan , lot dat de paas tas- 
schen de mededingers uitspraak zou hebben gedaan. Beide 
trokken naar Italië en stierven aldaar. Toen werd in li9& 
Dirk van Are, proost van Maastricht, totj bisschop verheven, 
't welk zoowel aan den graaf van Holland als aan O tto mis- 
haagde. In den tijd dat Dirk en Arnold over de Alpen een 
pauselijke beslissing zochten, nestelde zich de graaf van Hol- 
land op het slot ter Horst, waaruit hij in de Velnwe viel. 
Met een rijken buit beladen, werd hij door O tto op zijn 
feraglogt achterhaald. Aan den Heimenberg bij Rhenen, viel 
een hevig gevecht voor, waarbij de Gelderschen te kort scho- 
ten. O tto redde zich ter naauwernood door de snelheid van 
zijn paard over de Grebbe, met verlies van vele dooden en 
gevangenen. Kort daarna verkreeg hij eenen getrouwen bond- 
genoot. Willem, graaf van Oost-Friesland, broeder van de» 
Hollandschen graaf, kwam op de mare dezer overwinning bij 
zijn broeder op het slot ter Horst. Deze liet hem gevangen 
nemen, doch hij vond middel om te ontvlngten en een 
schuilplaats bij O tto, met wiens dochter hij het volgende jaar, 
1198, trouwde. De verkiezing van Dirk van Are bemoe- 
digde niet alleen de beide graven, maar bewerkte een 
naauw verbond tnsschen hen, tot welks waarborg O tto's oud- 
ste zoon Hendrik met Dirks dochter Aleida werd ver- 
loofd; maar ongelukkig stierven beide kort daarna. Dit stoorde 
de vriendschap niet, want de graven verzetteden zich geza- 
menllijk tegen den nieuwen bisschop, die schattingen in Fries- 
land deed heffen. O tto viel in Overijssel en de graaf van 
Holland sloeg het beleg voor Utrecht. O tto van Saksen, die 
in 1198 den Duitschen troon had beklommen, en wiens be- 
langen de Geldersche graaf zeer was toegedaan, beschreef de 
twistende partyen voor zich te Maastricht: O tto trok der- 
waarts onder 's Rijks geleide en dat van den aartsbisschop 
van Keulen -, maar de hertog van Brabant ontzag zich niet die 
te schenden en hem onderweg arglistig op te vangen. De bis- 
schop van Utrecht nam deze kans waar, brandde de Yeluwe 
af, nam Zutphen en Deventer, zonder slag of stoot in. Kort 
daarna werd O tto op vrije voeten gesteld, mits htj 25000 
mark zilvers tot losgeld betaalde. Tot zekerheid der betaling 
stelde hij zijne twee zonen en 25 zijner leenmannen tot gg- 
zelaars of wel hij verpandde Maas en Driel, Thielrewaard 
en Bommelerwaard. Het eindelijk verdrag werd in 1203 ge^ 
sloten. De verzoening was opregt en werd in 1204 door een 
naauwer verbond gevolgd, waarbij de hertog zijne dochter 



Digitized by 



Google 



249 

aan den graaf van G e 1 r e ten huwelijk beloofde. Deze goede 
verstandhoading gaf ook aanleiding dat Otto de zyde van 
den Roomschen koning Otto verliet en zich aan diens me- 
dedinger, Philip II van Zwaben, vriend van den hertog van 
Brabant, onderwierp. De laatste maal dat Otto gemeld wordt, 
vindt men in het verzoek, 't welk hij den 8 Maart 1206 aan 
den keizer Philip deed om toevrijheid te Keizersweerd voor 
de burgers van Zatphen te verwerven, welke gunst bij ook 
verkreeg. Hij overleed in 1207 en werd bij zijn vader te 
Kloostercamp vóór bet altaar van St. Stephanus begraven. Zijne 
vrouw Ricbildis, zeer waarschijnlijk de dochter van Rob- 
bert, graaf van Nassau, met welke hij in 1190 huwde, over- 
leefde hem en nam den geesteiyken staat aan^ Zij werd de eer- 
ste abdis van H klooster Munster, door haar zoon Gerhard 
te Roermonde gesticht. Zij overleed den 21 September 1231. 
Uit dit huwelijk zyn verscheidene kinderen geboren, die door 
van Spa en worden opgenoemd. Bij Otto's verzoening met 
den Ulrechtschen bisschop Dirk van Are in bet begin der 
XIII eeuw moest hij onder anderen beloven te Zutpben geen 
munt te laten slaan van de gehalte en met den Utrechtschen 
of Deventerschen stempel. 

Zie Slicht eo horst. Geld. OeteHed. bl.73vü1gg. ; Pon tan as, 
Hist, Geit. CAron, SHav, Supl. 127 ap. Leibniiz, Scr. Rer. Br, 
II p. 645; Schattea, Ann, Paderb. T. I p. 594, 595; Beka, 
Chron. in Balduino; Heda p. 56, Ckron. Tieli^, 156, 173; W i 1 h, 
Procurator mMatth. Jnal.T, lip. 496; Geld, Ch. Boek bl. 263 
T. II No.25, 86,87. 89, 97; Kluit, Eist. Crii. T. I p. 155. 179, 
194» Butkens, Tr. du Brab. T. I p. 155, Knippenberg, 
Sist, Eccl. Gelr. p. 76, van Spaen, Inleid, tot de Eist. van 
Geld, D. I bl. 228, 1). II bl. 20, 43, 45, 47. 57, 68, 84. Dez. 
Eist. van Gelderl. D. I bl. 69; volgg. Wagen aar, Vad. Eist. l). 
II bl. 272, van Wijn op Wagen aar, D. II bl. 93, 97, voorts 
Bilderdyk, Arend, Kobns en de Rivecourt; van der Cbys, 
de Munten der Graven en Eertog van Gelderl. bl. 10, 11. 

OTTO II, Graaf van Gelre, zoon van Gerhard en van 
Margriet, dochter van Hendrik, hertog van Brabant. In 
1233 nam de kerk en het kapittel van Emmerik hem tot kerk- 
voogd aan. Dien ten gevolge ontstond er geschil lusschen hem 
en Otto van Holland, bisschop van Utrecht, dat den 31 Julij 
1235 werd bygelegd. De beschuldigingen van ketterij tegen 
de Stadingers, waar aan de aartsbisschop van Bremen en de 
geestelijkheid een groot gewigt hechtten, veroorzaakten de 
prediking van een kruisvaart tegen hen. Otto, nevens de 
hertog van Brabant en de graven van Holland en van Cleve 
trokken derwaarts en 'allen namen deel aan de overwinning, 
die den 24 Junij 1234 op deze ongelukkigen behaald werd. 
Otto verwaarloosde geen gelegenheid om zijn gebied uit te 
breiden. In 1336 kocht hij Grolle met regtsgebied, gruit, munt 



Digitized by 



Google 



250 

en verder toebehooren vap Leer Hendrik van Borcnlo. 
In datzelfde jaar deed Otto hulde aan den bisschop van Luik, 
wegens de leenen, die bij van hem hield ; deze verpligting ver- 
hinderde hem echter niet Johan en Waleram van Lim- 
burg tegen hem by te slaan. Prie jaren sloot hij met ^yn 
oom Hendrik, hertog van Brabant, een pieuw veibond en 
hij beloofde hem hulp tegen een ieder, in alle voorkomende 
zaken. De Munstersche geschiedschrijvers verbalen dat Otto 
oorlog voerde legen Ludolf van Holte, bisschop van Mun- 
ster, dal hij in een gevecht gevangen werd en dat hy lot 
losgeld zyn heerschap Goije aan den bisschop moest leen 
maken. 

Pontanus stelt deze gebeurtenis op 1254, doch van 
Spaen bewijst dat zulks onmogelyk is en betwijfelt de ge- 
heele zaak. Nadat Innocentius IV keizer Frederik in 
1245, op de kerkvergadering van Lyons, van de kroon ver- 
vallen was verklaard, werd deze ook aan graaf Otto aan- 
geboden. Hij liet zich echter door dien hoogen rang niet 
verblinden en vergenoegde zich met den hertog van Brabant 
de belangen van Willem, graaf van Holland voor te staan. 
Hij hielp hem Aken en Keizerweerd belegeren en leende hem 
16.000 mark zilvers, waarvoor hij den burg van Nijwegen 
met heerschap, leen- en dienstmannen en al het toebehooren 
in pandschap verkreeg. Otto zag zich echter verpligt dezen 
burg met geweld te veroveren. Na dat Aken in handen 
van Willem was gekomen, werd hij er door den aartsbis- 
schop van Keulen, in tegenwoordigheid van vele vorsten, 
onder welke Otto, gekroond, Gysbregt van Amstel en 
Herman van Woerden achtten zich gebelgd over de 
afzetting van hunnen bloedverwant Gooswyn als bisschop 
van Utrecht en zij verbonden zich met de heeren van Goor, 
van Almelo en van Voorst, om den nieuwen bisschop 
Hendrik van Vianden, te beoorlogen. Na eenige sloope- 
rijen, bestemden beide partijen een dag om de zaak door het 
geluk der wapenen te beslissen. Hiertoe werd den 16 Junij 
1252 vastgesteld. Des avonds van dien dag keerde Hendrik 
als overwinnaar terug. Onder de gevangenen, die hy medebragt, 
bevonden zich de heeren van Amstel en Woerden, die 
gebonden naast zyn paard geleid werden . Door tusschenkomst 
van den koning en van den aartsbisschop werd de vrede ge- 
sloten, en Willem trok onmiddelijk naar Frankfort, waar 
by tegen het begin van JuHj eenen ryksdag bad nitgescbre- 
yen, werwaarts Otto hem vergezelde. De bisschop maakte vap 
diens afwezen gebmik om in de Veiuwe te vallen en alles te 
vnar en te zwaard te verwoesten. Hü bragt binnen Utrecht 
eenen rijken buit en een groot aantal gevangenen. Het voor- 
deel dat bij daardoor genoot, was toereikende tot bet vesten 
Vil het ^ot Vredeland, dat h\i legen de heeren vun Awslel 



Digitized by 



Google 



35t 

liet bouwen. Otlo werd bierdoor tot den vrede gedwongen, 
die in 1253 tot stand kwam. Otto nam geen deel aan de» 
oorlog die in 1253 tusschen den Roomschen koning ea Mar^ 
griet, gravin van Vlaanderen, gevoerd werd. Hij wordt niet 
genoemd tassohen de verbonden vorsten, die den 4 Julg bij 
de overwinning te Westcappel tegenwoordig waren, maar toen 
Karel van Anjou, broeder des konings van FrankrUk en 
vele Franscbe beeren, in 1254 Margriet te bnlp kwamen 
en Henegouwen innamen, beeft Otto zich mede beijverd on 
de grensen van het Rijk tegen hem te verdedigen, en hy 
heeft deswegens vele diensten gedaan en kosten aangewend , 
die hem door eene verhooging der pandpenningen van Myme- 
gen vergoed zijn. Ook ontving hij het slot Ooy als een rgk- 
sleen, benevens al hetgeen de edele Barthold van het rijk 
gehouden had. Ia 1256 was Otto middelaar tusschen Guido 
van Dampierre, graaf van Vlaanderen ea F 1 o r i s V, graaf 
van Holland. Het is echter niet denkelyk, dat hij zijnen broe* 
der zal hebben bygestaan in den oorlog tegen den hertog 
van Brabant en de burgers van Luik, dewyl hy in 1257 uit* 
spraak tusschen hem deed. Otto had vervolgens nieuwe on- 
eenigheden met den bisschop van Utrecht, die met het verdrag 
van den 5e Mei 1258, en met het kapittel van Zanten, die 
met dat 17 Maart 1259 werden bijgelegd. Nadat Floris^ 
ruwaard van Holland, in de lente van 1258, te Antwerpen 
op een tornooij gekWest en den 26 Maart aan de bekomeae 
wonde overleden ea na hem Hendrik, hertog van Bnbant, voogd 
van den jongen graaf Floris, gestorven was, werd Otto door 
de Hollanders tot voogd over Floris gekozen, terwijl de 
Zeeuwen de voogdij aan vrouw Aleid, weduwe van Jan 
van Avesnes, hadden opgedragen. Otto trok een leger 
bijeen met hetwelk hij naar Zeeland overstak om Aleid 
op te zoeken ; hij landde te Beimerswale , een eiland 
van Zuid-Beveland, waar Aleid hare magt verzameld had. 
Op Vernouts-Ee viel een hevig gevecht voor, waarin Otto 
eene volkomene overwinning behaalde. Hij legde mede den 
6 Jan. 1267 een geschil bij tusschen den bisschop van Luik 
en den heer van Mechelen. Dit verbond was echter van geen 
langen duur, want Otto viel kort daarop in Brabant om Meche- 
len te overweldigen, H geen hem mislukte. De Brabantsche togt 
was naauweiyks afgeloopen of Otto kreeg wederom de 
handen vol. De aartsbisschop van Keulen, oneens met de burgers 
zyner stad, had ,eeD en andermaal getracht die te bedwingen. 
De graaf van Gul ik was door de stad tot beschermheer in- 
genomen *fc geen de aartsbisschop Sngelbert zoo verdroot 
dat hy met zyne bondgenooten het Guliksehe te vuur en te 
zwaard verwoestte. De graaf zocht dadelyk hulp bij graaf Otto 
zyn Bwager, en de aartsbisachop en zijn broeder, de heer van 
Valkenburg, werden gevangen genomen. Hij onderatennde verder 



Digitized by 



Google 



252 

Jan van Nassau, bisschop van Utrecht tegen Gysbregt 
van Am stel (1268 of 1269) en in 127 L geraakte hij in 
onmin met den hertog van Brabant over de stad Tiel, waarop 
hij eenige regten meende te hebben. Na een langdurige en 
roemrijke regering van 42 jaren overleed hij den 10 Jan. 
1271 en werd te Grevendaal begraven, waar zijn graftombe 
en afbeeldsel nog te zien is. Hij huwde (IJ Margriet, 
dochter van Dirk, graaf van Cleve, die in 1251 overleed. Zij 
was moeder van E 1 i s a b e t h , gravin van den Berg en van 
Margriet, vrouw van Couey. C^) Philippotte van Dam- 
martin^ derde dochter van Simon, graaf van Ponthieu en 
Monstreuil, en van Maria, erfgravin van Ponthieu, weduwe 
van Raoul van Issoudam, graaf van Eu en van R a o u 1 
de Coucy, die Lodewijk de Heiligen op zijnen kruis- 
togt volgde, in 1250 in den slag van Massonne sneuvelde. Zij 
overleefde hem en schonk hem behalve Reinold, die zijn va- 
der opvolgde, PhiJippina, die met Walram, heer van 
Valkenburg en Montjoye huwde, E r m g a r d, vrouw van Dirk 
graaf van Cleve, en Maria, vrouw van Bell. 

Zie Pontanas, HUt. Oelr, p. 145, 147, 151, 152; Chron, Tiel, 
p. 151, 240; Beka, Chron, Traj , p. 57, 74, 88; Chron. Colon. 
fol. 235; Menc. Chron. ap. Matth. AnaL T. II p. 270; Bever- 
gene, Chron. Monast. p. 37; Melis Stoke, Eijmchr. D. III bl. 
BV. V8. 70 vülgg. Klait, Cod. p. 765; Klerk der laage landen, bl. 
147; Charterb. van Oeld, D. III passim; Slichtenhorst, Geld. 
Gesch. Meerman, Graaf Willem D. I bl. 294, 390. ü. 
II bl. 188, 262. D. V. bl. 92; Wagenaar, Vod. Gesch. D. II 
bl. 384, D. III bl. 7, 9; van Wyn, Aanm. op D. III bl. 7. 8, 9; 
Nalez. bl. 136, 137, 138, 139; Bilderdijk. Gesch. des Vaderl. D. 
II bl. 166—171; van Spaen, Inl. tot de Hist. van Gelderl. D. II 
bl. 199, 204. D. IV bl. 315, HisL van Gelderl. D. I bl. 195,223; 
Butkens, Tr, de Brab. p. 282, 283^ van der Chys, de Munten 
der Graven en hertogen van Gelderl. bl. 12 — 18. 

OTTO I, graaf van Zutphen. Niets is nopens hem bekend 
dan zijn aanwezen, zoo hij bestaan heeft. Van Spaen be- 
weert te regt dat het stuk van 1013, alwaar Magnus dux 
Otto de Zutphen getuigenis van een verdrag tusschen Wol- 
fannus abt van Prum en Hendrik, graaf van Limburg af- 
legt, hem niet moet worden toegeëigend. 

Zie Inl. tot de Eist. van Gelderl, bl. 178, 181. D. II bl. 47. 

OTTO (^Eberhard') , zoon van een koopman te Hamm, werd 
aldaar den 3 September 1685 geboren, studeerde er, ver- 
volgens drie jaren te Bremen, volgde drie jonge edellieden 
als hofmeester naar het gymnasium te Steinfurt en te Hall, 
werd 1714 doctor in de regtsgeleerdheid , professor in dit 
vak aan de Universiteit te Daisburg, en te Harderwijk , twee- 
maal te vergeefs beroepen te zyn, in 17)20 hoogleeraar in 



Digitized by 



Google 



«53 

hel burger- en staatsregt te Utrecht en in 1739 eerste syn- 
dicus en directeur van de kanselarij der rijksstad Bremen , waar 
hij 20 Julij 1756 overleed. Hij was de leermeester van Wil- 
lem IV en schreef: 

Disput atio philologico-juridica ad Z. ^S'. Si Servua 27 § 
28 ad legem Aquiliam. Sleinvord. 1710 4o. 

De Aedilibua coloniarum et munidpiorum liber singularis j 
in quo pleraque ad veterum politiam municipalem pertinent 
tia explicantur. Francf. 1713 8o. 

Papinianus^ sit>e de mta^ studiis ^ scriptis^ honorihus et 
morte Papiniani diatriha. L. B. 1718 8o. Bremae 1743 8o. 

Dissertationes Juris puhlici et privati, Ultraj. 1723 4o. 

De vïta, studiis, scriptis et honoribus Servii Stdpicii liber 
singularis. Üllraj. 1725 4o. Ook ia T. V. van den Tkesau" 
rus Juris mei P. Alfenus Vanu^ ab injuriis veterum^ et 
recentiorum liber atus, Ultraj. 1737 gr. 8o. 

De Diis vialibus plerorumque popalorum Hallae, 1714 
8o. Traj. 1731 8o. 

De statu Judaeorum pubïico. Ultraj. 1721. 

De jurisprudentiasymboliea exercitationum trias» Ultraj. 1730 
8o. 

Thesaurus Juris Römani continens rariora meliorum inter- 
pretum opuscula. L. B. 1725—1729 6 vol in fol. Ultraj. 1733. 
1735 5 vol in fol., nagedrukt te Bazel 1740— 1744. 

Deze belangryke collectie, door Meerman vervolgd, bevat 
97 werkjes, waarvan de titels worden opgegeven in de Hist. 
Liter» Jurisprud. van Dan. Nettelkamp, in de BibL Selecta 
'van Struvius, en in den Cat. der openb. bibliotheek te 
Orleans. 

Primae lineae notitiae rerum püblicarum. ultraj. 1720, 
saepius repetitae. 

Ad Instituta Justiniani notae criticae et commentaria, Ibid. 
1729 3e edit. Basil. 1760 4o. 

De tutela viarum püblicarum liber. Ib. 1731 8o. Dit werk 
is verdeeld in 3 deelen. Het eerste De diis vialibus etc. was 
reeds afzonderlijk verschenen, het 2e handelt de magistrati- 
bus viacuris en het derde De legibus ad viarum curam per^ 
tinentibtts. In weerwil der scherpe kritiek van P. Burman 
is dit werk zeer geacht. Bouchand heeft het vertaald in zgne 
Mémoire sur la police des Romains concernant les grands che^ 
mins. Barbier heeft dit plagiaat aangetoond in zijn 8up^ 
plement de la correspondence de Grimm^ p. 339. 

Jok. van Muyden , compendiosa Institutiónum Justiniani 
Tractatio^ cum additionióus Ever. Ottonis, Traj. Rhen. 1 737 8o. 



Digitized by 



Google 



Ui 

Sam. Pufendorfius de officio homifdê et cifdn cum eiuê 
annoéationibus. Traj. Rhen. 1737 12o. 

Men vindt in Miscell, Oèserv. crU. in and, vet, el recent, 
T. VI. p. 471. Epistola Charlottae Amiliae ad, Ëverh. Ot- 
tonem. 

Zie Strnvii JSibl, Juris selecta p. 12, 18, 51, 272, 182, 184,208 
214, 233, 356, 677, 715. Saxe, Onom. Ut. T. VI p. 163; Drac- 
kenborchii, Series Profess. Jead, Traieetinae No. LXV; Stol Ie, 
ad Heumannum, p. 447 — 488; Burmanni, Traj. erud. p. Bar- 
man dus minor in Anü'Klotzio p. 15 — 18; Herinjra, de auditorio 
p. 145, 189: Roterm., JBrem, T. II p. 84; Haaboldi, InsHtut, 
Jur. Ront. litter, T. I p. 161; Programma funcbre in Exequias. £. 
O. Bremae 1760 foL, Juglers, Beytrdge zur jurisOschen Piographie, 
Th. I P. l No. X p. 151—175; Meusel Lex T. X p. 240. 
Adeliing en Rotermund; Moser, Lex. der Rechtsgelehrten ; 
Weiblicb, Qeschichte der Jetzlebenden RecAtsgel. ; Baar, ffandwb. 
Piogr. nouv, gen. Biogr. Univ.; Diei, Univ.; van Kampen, Bein. 
Geschied, d, Letterk. D. II bl. 812; Bonman, OescA, d. Geld. 
Hooges. D. II bl. 85; Kok, Nienwenbnis, Kobas en de Rif e- 
conrt. Boekz. d. gel. Wereld, 1756. 6. bl. 104. 

OTTO (^George Daniël), predikant bij de Lnthersche ge» 
Dieente te Amersfoordt, gaf in het licht: 

GodedienHig onderw^a^ in schetsen, Amst. 183 7, Amersf. 
1847 kl. 8o. 

Feestrede ter viering van hét 1 bOjarig bezit en gebruik der 
Evang, Luth, Kerk te Amersf, naar aanl, van Openb, XXI: 
3 gek, op Zondag den 20 Nov. 1836. Dordn 1836. 

Leerrede ter gedachtenis vieringr van den ZQOJarigen ster/- 
dag van M, Lnther, Amersf. 1846 gr. 8o. 

Zie Schnltz Jacobi en Domela Nieuwenbnis, Bijdragen toi 
de Gesch der Ev, Luth. Kerk. St. I bl. 70; van Kampen, Bekn. 
Geschied, der Leit. D. II bl. 312; Bonman, Gesch. der Gelders. 
Hooges. D. II bl. 86; Kok, Nienwenhnis, Kobas en de Ri- 
vecourt. 

OUBOTER (Dingema), catechiseermeester te Dordrecht inde 
eerste helft der 17e eeuw, schreef: 
Koodige (^wekking, Dord. 1733. 

Korte wegwyser. Roti. 1736 8o. 

Heidelb, Catechismus verklaart met vragen eti antwoorden. 
Dordr. 1751, 1754. 4o. 

Wandel eto uiteinde des dierbaren gehofs. Dordr. 1755. 

Zie Boekz. d. gel. Wereld 83Bte D. bl. 8; van Alphen, BroUg, 
Oec. Cath. Palat. fZ col. 6. ; Koecher, Hist. des Heidelb. Cate- 
chismus bl. 820, 821; Schotel, Kerk. Pordr. D. I bl. 197» I)ez. 
Geseh. v, d. Seidèli, Caieeh. W. 127; Arrenberg, Naan4. bl, 
892. 



Digitized by 



Google 



21)5 

OUBOTER f Baatholoiieus) , zoon vim den rorige^ te Dord--^ 
recht geboren, werd in 1750 als proponent te S. Heer-Si- 
monshaven en Biert beroepen. Van daar vertrok hij in 1763 
naar Giessen-Oudkerk en verwisselde die standplaats in 1773 
met Wonbrugge. In 1788 emeritus geworden mogt hij sljn 
rast tot 1793 genieten , wantieer hij overleedw Hij gaf in het 
licht: 

Aaneenffeachakelde perklaring van den Heidelher^achen Ca^ 
teckismuê, Amst. 1791 3 dn. 

Verklafing van uitgezochte êtkriftuurplaataen, Anst. 1792 
2 D. 8o. 

Hij gaat in portret uit. 

Zie Schotel, Kerk, Borchr^ D. II W. 197; Bez. Gesch. v, d, 
HeideU. Catech, bl. 12^; Glasius, Oodgel. Nederl,; Arrenberg, 
Naamreg.; Boekz. d. gel. tTereld 1749. 6. bl. 486, 1750, a bl. 
239, 601, 718, 710, 1773 a bl. 114, 217, 608, 6 107; Br an 8 , IT. 
R. bl. 44, 66, 181. 

OUCOOP (Ja. HEüDRicitsz. van), een glasschilder te Utrecht 
in het midden der 17e eeuw. 

Zie Kramm, t. a. p. bl. 1237. 

OU DAAN (^Fbahs Jochbmsz.), geboren en opgevoed te Rot- 
terdam, hevig vioorstander der Remonstranten, die hij met raad 
en daad hielp, w eek om de vervolgingen te ontgaan van daar 
naar Rijnsburg, waar hij gelijk weleer te Rotterdam een brood- 
bakkery had. De levensbeschrijving van zyn xoon legt de vol- 
gende getuigenis van hem af: Hij was een man doordringend 
van oordeel en begaaft met zeik eente wysheid en hnisselijke 
besiiering, dat niet alleen zykie bloiedvrienden en gebaren; 
maar ook Iniden der aangrenzende landstreken bij hem in 
hunne verlegenheid om raad kwamen, die hy alle gedienstig 
en viytig teregt hielp en met de waardigheid zijns oordeels 
bijstond''. 

Zie Brandt, Sièt. der Ref. D. IV bl. 706; Hoogstraten, Le- 
ven van JoacMm Ottdaan. U. 7, 15. 

OUDAAN ^JoACHu}, zoon van den vdor^gaande en van Ma- 
ria, dodilet van Jan van der Kodde, werd don 7 Oct. 
1^28 te Rijnafonrg geboren. In zybe jengd werd bij ter schole 
besteld by Theodorus Schrevelins, rector te Leyden, 
dié door zyn zoon Gornelis Schrevelins werd opge*- 
vèlgd. Dageiyks ging hy liee* fm weer Ie voel van Ryns- 
bnfq neïir Leyden, en hielp zyn vader in zyne vrye «ren ia 
de bakkery. Reeds gaf hy In zyn vroege jeugd blyken vun 
aanleg voor de poëzy, en zyne vorderingen in de Latijnsche 
en Griek^che talen waren zéó groot dat hy reeds toen ge- 



Digitized by 



Google 



856 

meenzaara omging met de geleerde mannen, die in dien tijd 
te Leyden werden gevonden. Tot deze behoorde de beroemde 
Peter Schrijver of Petrus Seriverius, die zich als 
dichter den bijnaam van Hollandschen Martiaal had verwor- 
ven. Deze nam Ou daan eenigen tijd tot zijn gezelschap in 
huis, deze werd later toen Seriverius blind geworden was,diens 
amanuensis. Hij bragt o. a. uit zijn mond de Toeéstien op het 
oude Goudse Bollantscke Kronykje op hel papier. Na het 
verscheiden zijne ouderen, doch voor dat van Seriverius, 
die 31 April 1660 te Oudewater stierf, begaf hij zich in 1656 
om zijn huwelijk met Ewoutje Stout, naar Rotterdam ten 
woon, waarbij den steenhandel van zijn vader bleef voortzetten en 
zich even als te Leyden met het beoefenen der poèzy bezig 
hield. Reeds in 1648 had hij als 20jarig jongeling zich als 
dichter aangekondigd met zijn treurspel Johanna Gray ^ "WBat" 
men vele raeuwigheden en ook spreekwyzen vond, die ge- 
lukkiger konden uitgedrukt worden , doch dat toch algemeen met 
toejuiching werd ontvangen. In het volgende jaar (_1649J ver- 
scheen ander treurspel, getiteld: Konradijn , Koning van Napels 
en Hertogh Frederik, Ook dit treurspel „is wel krachtig 
maar uitermate stroef en hard^. Zijne volgende treurspelen Het 
verworpen huis vanEli(\%lV) en de Haagache broeder-moord 
of dolle blydschap^ 1673, benevens een fragment of vijfde 
bedrijf van Sevvetus, 1655, zijn van denzelfden stempel, de 
ongelijkheid van slijl, de afwisseling van hoogdravende en 
platte uitdrukkingen en het stijve kunstige van sommige re- 
gels maken de lezing min aangenaam maar duiden t«!vens den 
geoefenden dichter aan. 

Zijne gezamentlijke poêzij werd in 1712 te Amsterdam in 
3 d. uitgegeven, in 1714 voor de tweede maal zijne Schrif- 
tuurlijke Poézij en de Aandachtige treurigheid en hooggerezene 
vreugde^ op welke dichtwerken Poot in 1724 nog eenige 
onuitgegeven Gedichten van Oudaau liet volgen. 

In Oudaan vereenigde zich de vrijmoedige en rondborstige 
man met den stouten, krachtigen dichter. Het is niet te 
loochenen dat bij veel stijfs en gewrongens, vreemdaardige 
uitdrukkingen en zonderlinge benamingen , ook veel schoons en 
YOortreiTelijks in hem als dichter gevonden wordt. Zoo oor- 
deelde Witsen Geijsbeek: van Kampen noemde hem 
den Koornhert der 1 7e eeuw. Van zijne geleerdheid heeft hij 
' in zijne Roomsche Mogendheid eene proeve gegeven. Nog 
altijd is dit werk onder de penningkundigen zeer geacht. 
Voorts heeft hij verscheidene geschriften uit «ndere talen 
overgezet ook sloeg hij de hand aan een verbeterde Psalm 
overzetting. Zijn gehechtheid aan de gebroeders de Witt is 
bekend. Rene beroerte maakte den 26 April 1692 een einde 
aan zijn leven. 

Zijn portret is door D. Jongman gesneden. 



Digitized by 



Google 



257 

Hij gaf iii het licht: 

Anna Graij of Gemartelde onnozelheid ^ Irsp. Leijden. 
1648, 4o. 

Koning Konradljn en Hertog Frederijk^ trsp. Leijd. 1649, 4o. 

Het verworpen Huis van Eli ^ Hoogepriester en Rechter 
Israëls^ trsp. 1671, 4o. 

Servetus^ treursp. Het vijfde bedrijf, 1655. 

Afzonderlijk en met den titel van Tooneel-poè'zij 2 dn. gr. 
8vo. mei porlr. van O. naar Hoabraken door D. Jonck- 
man, 2e dr. Amsl. P. Visser en E. Visscher z. j. kl. 8o. 

HaagscJie Brocder-Moord of doUe blijdschap ; trsp, Frede- 
rik'Stad, bij J, F, Smith z. j ("16723 kl. 8o. Hier achter 
Aennierkingen op de Beschuldigingen der Heer en de IVitten^ 
door den zelven dichter. Frederik-stad. J. E. Smilb, z. j. 
kl. 8o. 

Hollands Dankbaarheijd ^ op den Dank-dagh den 13 van 
Herfstmaand 1651. Wilh. van Rijnenburgh 1651. 

Scheuring voor Ar noldus Montanus op zijn boek genaamd 
Beroei'den Oceaan, Amst. 1656. 

Zweedschen Hoogmoed gebroken , op het zeetreffen der Zweed" 
sche en Holland sche vloten in de Zont, Eolt J. Naeranus 
1658. 

Aandachtige treurigheid en hooggereeze vreugde^ getr. uit 
het lijden enz, van onzen Heer e, Rott 1660. 1694 8o. 

Vryheit in Staat en godsdienst , of zegenrijke stand der 
vrije Fereenigde Nederlanden. Botterd. J. Naeranus, 1666 
plano. 

Afschaduwing des Zegevpralenden rijk van Jesus Chris- 
tuê. 1666. Amst. 1714. 

Woestyn-stryd der Verzoekivge tusschen onzen Heiland en 
de Satan. 1666, 

Lijkdicht op Rabo Herman Sckeele. 1666. 

De vryheit op den troon gevestigt. 1667. 

God in het Goddel^ken gekent en doorzien in de schepselen. 
Rolt. 1670 4o. 

Uitbreiding over het boek van Job. Roti, 1671. Amsl. 
1714 8o. 

Op het overlijden van Frank van Diik (^overl. 3 Junij 1680) 
Rott. 16S0 4o. 

Uitbreiding over het boek der Psalmen, in verscheijde Dicht- 
maat door J. O., (hel eerste deelj op muzijk gebracht dow 
R. Schrijver, Rolt. 1680 8o. 

Darids Fsalmen nieuwelijkx op rijm maat gestelt, het 

17 



Digitized by 



Google 



258 

meest door J. O. Vitg, door de opsienders en dienaren der 
Vereen, Boopagesinde Gemeente binnen Amsterdam (^op mu- 
syk) Amst. 1684 met titelpl. van J. Lu ij ken 80. 2e druk, 
Amst. 1685 met andere titelpl. van Jan Lu ij ken 12o. 5e 
druk, Amst. 1727 12o. 6e druk, Amst. 1765 12o. 1766 2 
dn. 80. 

SchriftuurlijJee Poezy. Amst. 1714 80. 

Toepassing over eenige stukken der openharinge van johan- 
nes. Rott. 1687. 

Aan myne geboorteplaats Bynsb, Rot!. 1672; ook in Ne- 
derd. Keurdichten D. I bl. 96; ook in Nederd, Keurd, D. I 
bh 223. 

Boet' en Treurtranen over de ellenden onzes Vaderlands ^ 
uitgestort bij de arme weezen der stad Rotterdam over den 
ingang des jaars 1676, ook in Nederd. Keurd, D. I bL 187. 

Rakende de klagt van Iryntje Cornelis 1659, ook in Ne^ 
derd. Keurd, D. I bl. 435 en in Foézg (17I2J D. I bl. 
42 — 46 en in Bloemkrans van versch, Ged, bl. 569. Zie Na- 
vorscher D. VII bl. 352, 

Weeklage over Brittanjes bloedigen toeleg op overheerschend 
zeegebied enz. Rott. 1673 en in N, Keurd, D. I bl. 463. 

Bouwklage over den dood van de Ruyter, Rott. 1677. 

Lijktouw der Maas-stroom op de ontfanghenis van het l^k 
des nbeevoogds M. de Rug ter, Rott. 1677. 

Den grooten Rotterdammer in zijn geboortestad herstelt, 
enz. Rott. 1677. 

üytvaert van den Kato dezer eeuw , W, van der Aa^ vroed- 
schap der stad Rotterdam. Rolt. 1678. 

Lijkgedachtenis van Joost vanden Vondel enz, Rott. 1679. 
Lijkgedachtenis van Jac, Borstius, leer, d, Geref, gem, te 
Rotterd. Rott. 1680. 

Rouklage over de dood van G, Brandt, de jonge. Rott. 1683. 

Kngelandt, Romens gewetensdwang ^ ontheven door een vrij 
parlement, Amst. 1688. 

Op de Regtsvordering van mr. Abraham Bakker^ Roti. 1 690. 

Op het niwelinckze Parnas Pasquil der majesteijt schenders 
enz. Rott. 1691. 

Blijdschap en Zegewensch aan Pieter de Groots over des- 
zelfs betuijgde onschuldt en Gerechtige Vrtjkenning, door den 
Ed, Sove van Holland. Rott. 1676. 

Verschillende gedichten in Bloemkrans van verscheiden Ge^- 
dichten. Amst. 1659 passim, in Klioos kraam, dijeerste Opem. 



Digitized by 



Google 



259 

W. 171 en in Nederd. Keurd. D. I bl. 96, 112, 113, IIS, 
130, 144, 195, 200, 208, 222, 236, 330, 337, 340, 371, 
379, 383, 423, 426, 431, 435, 447, 463, 469, 471, 472, 
473, 475, 536. 

Aan mijn Broedera zoon Frans Oudaan, (Gorinch. 1844 
kl. 80.3 Met een woord van (oellchling medegedeeld door 
Mr. Bodel Nyenhnis in Noord- en Zuid-HoL Volksalm. 
1844. 

Foezy en leven ^ èeschr, door JD, van Hoogstraten, Amst. 
1712 3 dn. 80. Amsl. 1728 met pi. 

J. O. Gedichten meest voor dezen in H licht gegeven^ uit'- 
gegeven^ door H, H, Poot, Delft 1724. 

Korte Beachrijvtnge der wijd beroemde koopstad Rotterdam 
(ten geleide der jprofil teekeniug , of het gezigt der stad langs 
de JUlasiB^ geteekend en gegraveerd door Jacob Quacq,) Roti. 
gedr. by denz. 1662 lang. form. Door C. van Alkemade 
aau O. toegeschreven. Zie Mr. Bodel Nyenhuis, Tgpogr, 
Plaatsb, No. 1172, 

Boomsche Mogentheid, en gezag en staatabekleeding der 
oude keyzeren j Bemachtigen van Biiken en Landschappen enz» 
onder de achetae en achaduwe der Roomse Medalien, voorge^ 
stelt in zeven aamenapraken door J, O, verciert met afbeeld 
dingen der Medalien^ en eenige andere bijzonderheden^ inhou- 
dende twee en twintig koperen platen vervat, f Amaterdam, 
1664 4o. 

Roomsche Mogentheyt of naukeurige beachryvinge van de 
macht en heerachappye der onde Roomache keyaeren enz, met 
122 kopere plaaten^ waarvan de afbeelding der Medalien en 
andere besonderheden geaned. door A, Perryn^ A, Bloteling ^ 
H, Bary en C. v. Balen ^ 1671 2e dr., doch zonder eenige 
de minste verandering, dezelfde met die van 1664, uitgeno- 
men het titelblad, gelijk uit de lijst der drukfeilen blijkt. In 
den derden druk van Gouda 1706 zijn eenige veranderingen 
De laatste druk verscheen te Leiden bij Hendrik van 
Da mme 1723 4o. met den titel: Roomse Moogentheit, en gezag 
en staatabekleeding der oude Roomse keizeren^ opgehelderd 
uü meer ala dertienhonderd oude Roomse gedenkpenningen. 
Zie over dit werk: van der Chys, Tijdachrift voor de Al'- 
gem, Munt^ en Penningk, st. V bl. 407 — 417. Hy' pryst het 
werk zeer, maar bejammert het dut Oudaan er eenige val- 
sche penningen vaa Goltzius in heeft opgenomen. Ou- 
daan liet den druk van 1664 met wit papier doorschieten, 
waarop hij eenige aanteekeningen schreef, hij schrapte ook zeer 
veel uit den tekst weg, veranderde er in en schreef aan de 
kanteu. Ook Alkemade en van der Schelling, die dit 
liands. in be^it hebben gehad, hebben er eenige aanteekenin- 



Digitized by 



Google 



260 

gen bijgevoegd. Dit bands, werd later bet eigendom van Mr. 
J. H. Hoeufft. Zie BibL Hoeufft. p. 53 No. 468. 

Lasterkladde y onder de letteren It(aedè) B^aer) NQaer.) 
Roti. 1671. 

Hollants Venezoen^ in Engelant gebacken^ en geopent voor 
de Liefhebbers van '« Vaderlant, Gedruckt H jaer O. H. 
1672. Scbimpdichl op den prins van Oranje, die van verraad 
aan Frankrijk beticbt wordt. Voor den dicbter hield men J. 
Oudaen, doch anderen Pieter de Groot. De boekver- 
kooper Isaak Naeranus te Eotterdam en de advocaat 
Theophilus Naeranus enSamael Naeranus te "'s Hage, 
werden als helpers in het verspreiden en verkoopen van dit 
libel gevangen genomen. Zie Wa genaar,, Vad. Hist. D. V 
bl. 221-, BibL van Pamfletten, 1672 bl. 45. 

Verdeediging tegen de lasterlijke beschuldiging van Lavi^ 
bert van den Bosch ^ in zijne reizende Mercurius, de heeren 
de Witt ten laste gelegd, Leyden, meestal achter lijn Uaag- 
sche Broedermoord, 

Paraenesis aan den autheur van het logen-rym met den ty^ 
tel van wederroepinge tegen ''t advys van J, Boot j, C, aen- 
gaende de sent, v, J, v, Oldenb, enz. Roti. 1674. 

De laster 'kladde der landverraders ,^ op de magislr, uytge- 
worpen^ afgeke&i^d, Am si. 1672, (2 drukken.} 

Kenmerkingen over hei verhaal van het omkomen der Rijns- 
burgers, Roti. 1672. Tweede dr. met een bijvoegsel. 

Yertaliirgen uit het Latijn: 

Hymnus of Lofzang ter eere onzes Heeren en Zaligmakers 
Jesus Christus^ uit het Latijn tan Coelius Sedulius, Rotterd. 
1676, ook in Nederd, Keurd, D. I bl. 447. 

Arnobius tegen de Heidenen, Rolt. 1677. 

Henricus Cornelius Agrippa van de Fdelheit der weten- 
schappen. Rott. 1650. 

Lijkdicht van Oasper Dankerts^ Rem, pred, te Bodegrar>e„ 
getiteld : Spraekverbeelding van Christiaan Sopingius aan zijn 
treurige ouderen over deszelfs ontijdige dood den 23 van So- 
mermaant 1675. Rott. 1675. 

Zegepralende deugd van Mr, Pieter de Oroot^ door Casper 
Dankerts, Rott. 1678. 

Georg, Mebius van de Heydensche orakelen^ Nevens twee 
Brieven van de heeren Joh, van Beverwyck en Gerard. Joh. 
Vossius^ over de verschijning van Samuel aan Sauly 1 Sam, 
XXVIII. Met een voor- en naareden van /. O, Dienende ge- 
zamentlijk tot krachtige wederleggingh van 't gevoelen van 
D. Balth, Bekker en Dr, A. van Daalen, Rotterd. 1591. 

Uit hel Fransch: 

Verhaal van den Staat der religie, — Getrokken uit het 



Digitized by 



Google 



261 

Engelach van den ridder Edwin Sandia, Benevens eemge merk- 
waardige bijvoegselen^ gezamentlijk uit het Fransck vert. door 
J. O. Harlingen 1575. 

Ook gaf hg in hel licht: 

Stichtelijke rymen van D, li. Kamphuizen, Roti. 1658 en 
sedert meermalen herdrukt. 

J. Antonides van der Goes, Oorspronch van V lands 
ongevallen aen Joachim Oudaen, Amsl. 1573. De dichter 
zoekt dien in de Fransche zeden. 

Aanmerkingen over Q, Jo7'atius^ Fladus, JDichtk, enz , door 
A, Fels (^uitgeg. met Bericht van D. van Hoogstraten. 
Amsl. 1713 kl. 8o.) In de Bibl. der Maats, van Ned. Letterk. 
te Leyden berust een exemplaar met een anntal twistgeschrif- 
ten en spotverzen er achter gebonden, vóór en tegen Prof. 
J. Ie Clerc, naar aanleiding van Hoogst ra tens beschul- 
diging in zijne BereM met rugtitel; Hulde legende van J, de 
Klerk. 

Rotterdamsche en Haagsche aanteekeningen ^ gedaan door 
Joachim Oudaan^ van 1663 — 1691. Eigen geschrift van 
Oudaan^ bevaiiende vele merkwaardige bijzonderheden elders 
niet voorkomende» Fooral belangrijk ten aanzien van den 
moord der de JFitten in het oproer van 1696. Dit ms. be- 
hoorde aan v. Alkemade en P. v. d. Schelling en werd 
op de verkooping van 17 Jan. 1849 en volgende dagen in 
het huis met de Hoofden te Amsterdam, verkocht voor ƒ 33 — 
25. Zie Oat, v. Alkemade en P. v. d. Schelling bl. 12. Op 
bl. 41 van diep Cat, vindt men een verzameling van lof^ 
schemp- en hekeldichten onder welke van Oudaan, voor 
ƒ35 verkocht. Zie ook bl. 64. 

Zie Plögel, Komische Liter. Th. III, S. 216; Adelung en 
Rotermnnd, Saxe, Onom. T. IV p. 521; Morhof, Polgh. 
Zit. T. lp. 930 : Anselmi Bandarii, Biel. Numaria , No. 
XCIII p . 80—82 ; Foppens, Bibl . Belg . T . ; Levensbeschrijving 
van ber. Man. D. III bl. 147 — 162; Leven door D. van Hoogstraten 
v<5ór D. III zijner Poèzy ; Paquot, Mém. T. II p. 622; N G. 
van Kampen, Geschied, der Nederlandsche Letterk. en Weten- 
sehappen D. I bl, 846; Siegenbeek. Gesch. d. Ned. Letterk. bl. 
176—178; de Vries, Gesch. d . Ned . Dichtk . D. Ibl. 256; Witsen 
Geysbeek, B. A. C. Woordenb. o. h. w. ; Brandt, Hist. der 
Hef. D. IV bl. 840; Ypey en Dermout, Geschied, d. Ned. 
Hervormde Kerk; Schotel, Kerk. Bordr. D. I bl. 472; J. van 
lp eren, Kerkel. Hist. van het Psalmgezang D. I bl. 190; A n- 
dri essen. Aanmerk, bl. 90; Abcoude, Naaml. van Boek. bl. 
278; Arrenberg, Naaml. bl. 898; Cat. d. Maats, van Nederl. 
Letterk. D. I bl. 172, 178, 241, D. I 6 bl. 162; D. II bl. 12; 
516, 528; Rogge, Rem. Geschriftten ; Bibliotheek van Pam- 
fletten 1751 — 1690 passim; Scriverii Poêm. p. 75; Dez. vü(5r 
Boxhorn*8 Algem. Gesch.; P. Rabus, Boekz. v. Europa 1698 a 
bl. 297; Hoogstraten, Ko k en B ij v, Nieu w en h u i s, Ko- 
bus en de Rivecourt; Snellaert, Gesch . der Ned, Letterk. 



Digitized by 



Google 



262 

bl. 43; Uuberts, CAron, overxigt bl. 66; Kramm, t. a. p. • 
Muller, Cat, van Portr,; Cat. Qronovius II, p. 58: Cat. van 
Voorst, D. I, bl. 149, 188. 

OUDAAN (^Joachim}, kleinzoon van den vorige, niet min- 
der uitstekend 3ichter dan zijn grootvader, docb even gehecht aan 
het huis van Oranje als deze aan de gebroeders de Witt 
was. Hij moet dan ook min of meer gewigtige diensten aan 
het huis van Oranje bewezen en zijn leven lang een inkomen 
er van genoten hebben. In 1743 gaf hij een uitstekende dich- 
terlijke overzetting der bevallige Cytnba amoris van Adria- 
nus Marius, broeder van Janus Secundus, onderden 
titel van het Bootje der liefde en eenige, voor dien tijd 
uitmuntende gelegenheidsgedichten. Hij mogt zijn heldendicht 
Frederik Hendrik niet voltooijen. 

Men heeft van hem: 

Het Bootje der Liefde eni. Rolt. 1749. 

Oranje Meiboom^ ter verkiezing van Z, D, H. Willem Ka- 
rel Hendrik Friso tot Stadko2tder. 's Hage 1747 4o. 

Oranje Praalboog^ ter inhuldiging van Z, i>. H, JTillem 
Karel Hendrik Friso tot Stadhouder enz. 's Hage 1747 4o. 

Oranje Feeststoffen^ ter verjaardag^ van Z, D, H. Willem 
Karel Hefidrik Friao, 's Hage 1747. 

Verjaring begroetenis aan hare koninglijke Hoogheid Anna^ 
Princesae van Oranje, 's Hage 1747 4o. 

Zedige proef op den teugel des Predikstoeh, 's Hage 4o. 

Spiegelder tweedragt in het vaderland, Rott. 1757 8o. 2 dr. 

Boezemklagt ter uitvaart van hare Koninglyke Hoogheit 
Anna. Rotterd. 1759. 

Zie Witsen Geysbeek, B, A. C. Woordenb. D. V bl. 22volgg.; 
C. van Oeveren, Levenag. bl. 91; Arrenberg, Naaml, v. Boek, 
bl. 824; Cat. der Maats, v, Ncd, Dicht, D. III bl. 120. 

OÜDAERTIÜS, OUDARTIÜS, OUDARDÜS, OÜDAERT, (Mr. 
KicoLAis} van Brussel, een regtsgeleerde, kanunnik en inquisi- 
teur (^ofBcialis} te Mechelen, vriend van Justus Lipsius en 
beoefenaar der Latijnsche poëzy. Zyne gedichten zyn verspreid 
en niet verzameld, ofschoon Sweertius er de hoop op gaf, 
Eenige weinige heeft Gr uterus opgenomen in Tom. III zijner 
Bel. p. 999 — 704 , meest alle ter eere van J. Lipsius, toen pas 
overleden. Peerlkamp stelt zijn poëzy op geen hoogen prijs. 

Meq heeft ook nog van hem: 

Fphemeridae Fcclesisticae , seu Faati sacri. Antv. 1600 12o. 

Hij overleed in Junij 1608 en werd begraven in de St. 
Bomboutsk^rk, waar men zijn grafschrift leest, alsook bij Y a 1. 
Andreas» 



Digitized by 



Google 



263 

Zie Val. Andreas, £ibl. Belg, p. 695? Sweertii, Aih. Belg. 
p. 70; Foppens, Bibl. Belg. T. II p. 917; Hoeufft, Pam. 
Lat. Belg. p. 99, 100; Peerlkamp, de Poëtis Lat. Neerl. p. 217; 
J öcher. 

OUDART (NicoLAAS^, secretaris der prinses van Engeland, 
moeder van Willem III. Zij stierf 3 Jan. 1661 en maakte 
hem, benevens haar broeder, den Hertog van York en den 
Graaf van St. Albans tot uitvoerders van haren uitersten wil. 
Vervolgens werd hij Baad en Rekenmeester van den jongen 
prins, in 1665 wegens ongeoorloofde verstandhouding gevat, 
doch met Gringam, secretaris van den engelschen gezant 
Down ing, uitgewisseld tegen Petrus Cunaeus, secretaris 
van den ambassadeur van Gogh, die in Engeland gevangen 
zat. 

Zie Aitsema, Sak. van Staat en Oorlog, D. IV, bl. 619. D. V, 
bl. 396, 398; D. Estrades, Lettres et Negoeiat. Tom. III, p. 251; 
Wagenaar, Fad.Eiat.JiWll bl. 30, 163, 171, 

OUDART fj.j. Van dezen kent men alleen: 
Intoijdingh van H gehou van L, en A. Irip te Amsterdam 
(1662). 

Zie Cat. J. van Voorst, D. III, bl. 49. 

OUDE CReinier db3 was mede getuige onder het verdrag 
tnsschen Philips, graaf van Vlaanderen en Floris, graaf van 
Holland, volgens sommigen in 1147 of 1157, doch volgens 
Wagenaar, te Brugge, op Dingsdag na den Zondag van 
Reminiscere, in ^t huis van den proost van Brugge, in Hjaar 
van des Heeren Menschwordinge 1167 gesloten. Men vindt 
het bij Me ij er us, Annal, ad annum 1157, Pierre d'Ou- 
degherst, Chron. et Annal. de Flandrea^ chap. LXXVII 
/"ISé, Du Mont, Corps Diplomatique T. I, p. 1 , p. 67, 
Van Mieris, Charterh. Dl, bl. 113, Soriverius, Levens 
der Graven^ bl. 152;Wagenaar, Vod. gesch. D II , bl. 251 
volgg. 

0UDE6A (Bartholomeus van), weinig bekend dichter, van 
wien men slechts 2 grafdichten op Catharyne Lescaille 
kent. 

Zie C. lescaille. Toneel en Mengelpoêzij D I, bl. 35; van der 
Aa, N. B. A. C. Woordenh. 

OUDEGHERST (Pibrrbd'), afkomstig uit Poperingen, doch 
te Rijssel, dat toen tot Vlaanderen behoorde, geboren. De 
juisten tijd zijner geboorte is onbekend. In zijne jeugd be- 
oefende hij de regtgeleerdheid en geschiedenis, werd doctor 



Digitized by 



Google 



264 

in de regten en stedehoader van den baljuw van Doornik en 
het Doorniksche. In 1569 vertrok hij naar Duitschland\ waar 
hij zich eenigeu tijd ophield aan het hof van Maxi mi- 
liaan II. Later naar Spanje gezonden, overleed hij te Ma- 
drid, waarschijnlijk kort na 1571, het jaar der uitgave van 
lijn hier onder vermeld werk. 

Tot zijne vrienden behoorden Florentius van der Haer 
en Maxim i liaan de Vriend t, die een grafschrift in Lat. 
verzen op hem vervaardigde. Op verzoek van 'Urès vertuenx 
et illustre seigneur Fabio Masqui d'Urbino gentilhomme de S. 
M. catholique'" schreef hij: Chroniques et Annales de Flan- 
dres: contenantes les heroïques et tres -tiet orieux exploits 
des Forestiers et comtes de Flandres : dejjuis Van 620 Jus- 
ques a Van 1471 ; nouvellement composées et mises eu lumière 
par Pierre d^ Oudegherst ^ Docteur ès Loix^ natif de la ville 
de Lille, Anvers Chr. Plantin J571, 4o. 

In de voorrede, gedagteekend Ie Brussel den 1 Mei 1571, 
meld O. dat dit slechts het eerste deel van het werk is, en 
dat hij hel tweede {^\ geen echter niet geschiedde} binnen 
kort zal lalen volgen; dat hij het niet zou gewaagd hebben, 
na Me ij e rus de Ylaamsche geschiedenis te behandelen, zoo 
niet deze verdienstelijke schrijver, door het inlagschen van 
veel 't geen niet reglstreeks tot de Ylaamsche geschiedenis 
betrekking had , zijn verhaal vermengd en wijdloopig gemaakt 
had. Volgens de Wind, nam O. Me ij e rus ten grondslag en 
verkortte hem op zijne wijze, smukte de geschiedenis in een 
winderigen en gezwollen maar duisteren stijl op; maakte van 
schrale berigten uit oudere tijden, omstandige verhalen, die 
zich noch door belangrijkheid noch door juistheid kenmerken. 
Hierbij komt dat hij in leeftijd te ver van de tijden, die hij 
behandelt, verwijderd was om op zich zelven cenig gezag te 
kunnen hebben. Vroeger echter liep men hoog met Oude- 
gherst, en zelfs vermoedde men dat hij uit oudere,thans verlorene 
schriften had geput. De Wind echter oordeelde deze kro- 
nijk van geringe waarde. Er bestaat eene Vlaamsche over- 
zetting met een vervolg tol den jare 1781. 

F. d'Oudegherst, Chronijke van Vtaenderen met het 
vervolg loopende over de jaeren 600 — 1781. Gend 1785, 3 
deelen kl. 8o. 

In 1789 gaf Lesbroussart, te Gend in 2 vol. 8o eene 
fransche uitgave met zeer belangrijke aanteekeningen , waarin 
niet alleen de misslagen van den schrijver op eene geleerde 
en oordeelkundige wijze zijn aangewezen en verbeterd, maar 
ook hetgeen door hem was voorbijgegaan op eene breedvoe- 
rige wijze wordt aangevuld. Zij voert tot titel P. d'Oudc- 
gherst Annalea de Flandre enrickies de notea par Mr, 
Lesbroussart. 
Zie Val. Andreas, JBibl. Belg. p. 752; Paquot, 3Iém, T. 



Digitized by 



Google 



265 

III p. 269—271.. Foppens, möl. Belg. T. II p. 640; De Wind, 
Bibl. van Qeachieds. bl. 180 volgg. ; Biogr. Univ. 

OUDEMAN (NO schreef: 

Dis8» anat, physiol. de V^arum praecipm meaeraïcarum 
fabriea et actione. Gron. 1792. 

Zie Holtrop, Bibl. med. Chir. p. 272. 

OüDEMANS (Adruan) werd in 1743 predikant te Noordwijk 
aan Zee, in 1754 te Noordwijk binnen, in 1787 emeritus en 
stierf in 1789. Hij beoefende de Latijnsche poëzy, blijkens 
zijn Elegia in funere v, d. Honert en zijne Igkdichten op do 
boogleeraren B. de Moor en D. van der Kemp. 

Zie Bran8, Kerk. Reg, bl. 60, 61; Bockz. 1752, bl. 432. 1780, 
b. bl. 276, 277. 

OÜDENAERD of AUDENAERD (Robbert van), in 1663 
te Gend geboren, werd in de schilderkunst onderwezen door 
Frans van Mieris en later door Hans van Cleef en te 
Rome door Carolo Maratti. Alzoo werd hij een goed his- 
torieschilder. Op raad van Maratti legde hij zich echter lie- 
ver op de graveernaald dan op hel penseel toe en graveerde 
een aantal stukken. Hiermede ging hij na zijne terugkomst te 
Gend voort, doch vervaardigde echter ook van tijd tot tijd schil- 
derijen voor kerk3n , o. a. een altaarstuk in het Karlhuiser 
klooster te Gend, voorstellende St. Petrus^ door een aantal 
monniken van die orde omringd en een vergadering van het 
kapittel in het Museum aldaar. Zijne prenten bestaan in 8 
stuks portretten ; waaronder 7 kardinalen, 24, meest bijbelscbe 
historiën naar Carolo Maratti en 12 idem naar onderschei- 
dene Itaiiaansche meesters. 

Zie Immerzeel, t. a. p. Ü. I bl. 16^ Biogr. Univ.; Heinec- 
ken, JDicl. des Artistes. 

OUDENAERDE (Marinus van), dichter uit den aanvang der 
18e eeuw, leefde vermoedelijk te Rotterdam, en vervaardigde 
o. a. grafschriften op predikanten aldaar. Dat op Dan iel 
de Roy lezen wij bij de la Ru e. Gel. Zeel. bl. 149 en bij 
V a n d e r A a , i\r. i?. ^. C. Woordenb. 

OUDENAARDEN (W.) schreef: 

Biss, de vigilio sano et morhose, L. B. 1757. 

Zie Cat. h Boy T. II p. 560. T. IV p. 1887. 
OUDEN ALLEN of VAN ALLEN (Folbertüs van), een Utrech- 



Digitized by 



Google 



266 

tenaar, die waarschijniyk in het midden der 17e eeuw bloeide. 
Hij was hofschilder van den keizer van Oostenrijk. Op het 
stedelijk archief te Utrecbl bevindt zich van zijn penseel een ge- 
zigt door de Kortenieutostraat naar het Munster kerkhof en 
Domtoren en kerk te zien, in een goede manier behandeld, 
waarvan echter de stoflagie van eene andere hand, in den 
trant van Droogslool, doch fijner van kleur. Het stuk is 
op doek, en vóór 1674 geschilderd. Dat hij een bekwaam 
figuurschilder moet geweest zijn blijkt uit het portret van 
Justus van der Ny poort, door hem in zwarte kunst 
fraai bewerkt in kl. fol. Bryan vermeldt ook een F lo pp art 
van Allen, een Duitsch teekenaar en kunstgraveur, die om- 
streeks 1636 bloeide, en teekeningen heeft gemaakt, ge- 
zigten op de stad Weenen voorstellende, die Muller in 1686 
heeft gegraveerd en dat hij ook een groote plaat heeft ge- 
sneden, zijnde een gezigt op de stad Praag^ van weinig ver- 
diensten, en met zijn naam van Allen beteekent. Kramm 
houdt het nog voor onzeker of beide dezelfde personen waren. 

Zie Kramm^ t. a. p. B. I bl. 13. 

OUDENALIBR (Reinier van). Zie Ouwenaller (Beinier 
van') 

OUDENBOSCH (Adriaan van denJ of Adrianus de Ve- 
teri-Busco, alzoo genoemd naar zijne geboorteplaats Ouden- 
bosch niet ver van Breda. Hij was monnik in bet klooster van 
St. Laurens. Zijn geboorte en sterfjaar zyn onbekend , doch hij 
bloeide in de 1ste helft der XV eeuw. Hij vervolgde de kro- 
nijk van Luik QChronicon Leodienses van Jan van Stavelo 
of Stavelanus, (die nimmer is uitgegeven) van het jaar 1449 
— 1483, in het licht gegeven door de Benedictijnen van St. 
Maur in 't jaar 1729, in het IV deel der Collectie novissima 
vet, monument. 

Hij vervolgde ook de geschiedenis zijner abdij door den monnik 
Rupert, in 1135 gestorven, aangevangen. Ook schreef hij 
Brevis historia Ecclesiae collegiatae Sancti Fe tri Aicuriensis, 

Zie Val. Andrcas, Bibl. Belg. ^,19; Foppens Bibl. Belg.T.l, 
p. 22; De Vf ïn^ Bibl. der Geschied, D. I, bl. 87? Hermans, Con- 
speet.; JDict. univ. 

OUDENDIJCK (Cornelis.} Men heeft van hem: 
Quodlibeta Guilielmi Okan de ordine fratrum minorum 
emendata diligenter per eximium virum Corn. Oudendyck ar^ 
tium magistrum et in soera pagina licentiatum. 1513, 

Zie Bibl. math. No. 3911. 



Digitized by 



Google 



267 

OUDENDIJK (Adriaer), in 1648 te Haarlem geboren, 
werd door zijn vader (die volgt) in de schilderkunst onder- 
wezen. Hij schilderde stadsgezigten , door Dirk Ma es ge- 
stoffeerd, en landschappen met vee. Neestal vervaardigde hij 
echter copyen, meer nog nit brokstukken van Adriaen van 
de Velde en Thomas Wijck ontleend, van waar hij Ra- 
pianus werd genoemd. Blijkens eene teekening met Ruiters ^ 
door hem vervaardigd, leefde hij nog in 1696. 

Zie Imm erzeel, t. a. p. : Kramm, t. a p. 

OUDERDIJK (Evert), vader van den vorige, schilderde niet 
alleen, gelijk Immerzeel meldt, bedelaars en derj^elijke 
beeldjes uit den lagen, maar ook vele andere tafereelen uit 
den defligen huisselijken stand. Zoo werd o. a. in 1762 uit 
de kunstnalatenschap van Wier man te Amsterdam verkocht: 
een stukje verbeeldende een Dokter in zijn studeerkamer^ zit-- 
tende aan eene tafel , met eenige boeken en papieren , en kij^ 
kende met veel attentie naar een urinaal dat hij in zijn eene 
hand hovdt^ uitvoerig en krachtig door hem gepenseeld en 
een dito stukje^ verbeeldende een advocaat in zijn studeerka- 
mer^ zittende aan een tafel ^ met al zijne daartoe behoor ende 
documenten omringd. Beide golden ƒ 64. 

Zie Immerzeel, t. a. p.; Kramm, t. a. p. 

OüDENDORP (Frans van), werd in 1696 Ie Leyden gebo- 
ren, in 1724 rector der Latijnsche school te Nymegen, 
in 1726 te Haarlem en in 1748 hoogleeraar in de geschie- 
denis en welsprekendheid te Leyden, welke post hij 21 Oct. 
van dat jaar aanvaardde met eene redevoering de literatis 
Caji Julii Caesaris studiis. Hij verwierf zich door de uitgave 
van een groot aantal Latijnsche schrijvers grooten roem. In 
1720 verscheen van hem: Julitts Obsequens de prodigiis cum 
annotationibus Ia. Schefferi cum suis et supplementis Conr, 
Lycosthenis^ L. B. 8o.; in 1728 zijn uitgaaf van Lu^canus (JL, 
B. 4o.) ed. altera multo auctior et efnendatior, Ibid. 1779 4o. 
in 1731 van Sextus Julius Frontonis, (L, B. 8o. en 1779 
8o. maj.j in 1737 van Julius Caesar (L. B. 4o.) in 1751 
van Suetonius (h, B. 4o.) en 1757 van Thomas Magister 
Johannis Stephani Bernardi» (L. B. 8o. maj 1} en na zijn 
dood, door bezorging van zijn zoon Cornelius, die van 
Apulejus^ L. B. 1786 4o. Hy ontwierp een opschrift voor hel 
geschenk van curatoren aan hunnen secretaris D. van Royen 
en hield een lijkrede op prins Willem IV {Laudatio fune^ 
bris Guilielmi Caroli Henriet Frisonis. L. B. 1752), in 't 
Ned. verl. Leid. en op prinses Anna ^Laudatio funebris 
Annae, L. B. 1795 4o.) Bijzondere zorg droeg hg voor de 



Digitized by 



Google 



268 

plaatsing ou geschikte beschrijviug van het oudheidkundig le- 
gaat van Pape broek. Hij hield in 1745 een Oratio de 
Veterum Incriptionum et monumentorum uau legatoque Pa- 
penhroekiano L. B. 4o. (^1), en gaf in het volgende jaar 
JSrevU veterum uwnumentorum ab Amplüsimo viro Gerardo 
Papenbroekiano Academiae Lugduni Batavae legatorun descrip- 
tio in duas partes divisa^ quar urn prima Graecoa Latinosque ti- 
tulos et ana^lypha continet^ secufida statuas, imagincs etc, 
conplectitur (^2). 

Oudendorp overleed 14 Febr. 1761: zijn zoon Corne- 
lis vermaakte zijn vaders letlerk. nalatenschap aan de biblio- 
theek te Leyden. 

Behalve de genoemde werken heeft men nog van hem: 

Orat. de usu et necessitate puhlicarum scholaruni, Neom. 
1724 4o. 

Orat, inaug, de ingenuae educationis et ad eam scholarum 
necesaitale. Harl. 1726 gr. 8o. 

Carmen elegiacum de veris adventu. Lat.-Ned. Harl. 1734 4o. 

Zie Saxe, Onom. T. VI p. 336—337, 708: Te Water, Narr. p. 
95 — 96, 155 seqq. 219; P. Barmannns, Praef. ad Lucanum p. 3j 
G. Stol Ie, ad Hermannum p. 786—787; Noo. act. erud. 1747 Ju- 
nii, Parte I p. 317-320, Ylh%Septemh. Parte I p. 488—498; 1776 
Septemèn p. 426—432. Siöl. Crit, T. IX p. 109 seiiq. T. IV p. 
106; BjömstJihl, Beiz. door Europa D. V bl. 426; ^iegenbeek, 
Gesch, d, Leidsche Hooges. D. 1 bl. 272, 277, 281, 282, 302. D. 
II bl. 55, 123, 124, 196; Nieuwenhais, Kobus en de ilive- 
court; Schotel, Cesch. der Leidsche Bibl, ; Cat. de livres de la 
Bibliotkèqm de M. P. A. B. Orevenna No. 2496; 2857, 
2853, 3995, 5038, 6194, 6319; Cat. d. Maats. v. Ned. Leticrk. 
I). II bl. 77 D. III bl. 200, 324; Abcoude, Naamr. 3e Aüvh, 
bl. 12; Bibl. Hulthem. No. 7215, 8472, 11493, 12469, 17052, 17059, 
23408, 23407; W y ttenbacchii Opusc. T. I p. r»63 , 604; Elog . 
Tib . Hemsterhasli et vita D. Ruhnksnii ed. Bergman p. 82, 103, 
13S, 209, 224, 370, 469; N. Gel. Europa Th. IX S. 200—209; 
Götting., gel. Zeit. 1751 p. 24: Goetz, Bibl. Bresd. T. II S. 
450; Baamgartens, Nachr. van einer Halliscken Bibliothek 4 ter. 
Bd. S. 408; Bibl. raisonnée T. XIX p. 158; Biogr. Unio.; Biogr. 
mod. génér ; Vict. Univ.; Golting, Zeit. Zugabe zu 1779 — 187 
volgg. ; Adelung en Rotermund; "Hoeufft, Parn. Lat. Belg. 
p. 214; De Crane. de fam. Hemsterhuis bl. 77/ ^ekz. d. Gel. 
Wereld. 1726 a bl. 244, 377, 748. 1720 a bl. 118. 



(1) Op de Bibl. der Hoogeschool te Leyden berust een exemplaar 
de^er Oratio. Ace. H. Cannegieteri Epistola ms. ad Auctorem ; multo- 
rum Monumentorum effigies pictae ; uberrima J, G. te Wateri Annot. 
ms. in marginibns et schedis, quibus usus non est in Narratione de Rebus 
Academiae L. B. Sec. XVIII, a 1802 edita. Zie Catal. libr. Bibl. 
publ. Univ. L. B anno 1814—1847. illatorum. p. 255. 

(2) Istius descriptionis exemplum cum notis ms. ipsius Oudendorpit 
ex legato eruditis. filii nunc servatur in BibUotheca publica. Te Wa- 
ter, Narratio, p- 95. 



Digitized by 



Google 



269 

OUDENDORP (CoRNELis vai^') zoon van den vorige, kwam 
in 1759 als proponent Ic Sassenheim , stond in 1787 van zijn 
bediening af en overleed in 1790. 

Zie het vorig art. Bratis Kerk. Reg. bl. 63. 

OUDENHOVEN (Jacobus van^, werd niet gelijk sommigen 
willen Ie Oirschol, maar te 's Hertogenboscli geboren, en be- 
kleedde van 1626 de betrekking van predikant te Aelburg en 
Heesbeen, vervolgens (^1631} Ie Nieuwlekkerland, waar hij, 
in 1665 emeritus werd, en volgens Foppens, in 1683 zou ge- 
storven zijn. Pieter van Godewijck, weleer praeceplor te 
Dordrecht, noemt, in de opdragt van eene zijner gedichten: 
„zijnen vrandl Oudenhoven, een man eerwaerdigh om me- 
riten van godsvrucht ende eruditie.'^ AI zijne geleerde tijd- 
genooten, onder welke Cats, Blijenburg, van Beve- 
ren, van den Bos stemmen met het laatste gedeelte dezer 
lofspraak volkomen in. 

„'ƒ heb Schrijver^ van der Eijck^ Gondhoeven en Oudlho- 
ven^ zong Adriaan van Bl yen burg. 

// Wie zaV' , dus liet zich S n e 1 1 i n x hooren , y^dien Tact- 
tus der tegenwoordige eeuw^ 

y^Beloonen nae waardy voor zulke dierbre panden,'"' 

Van Oudenhovens meriten van godsvrucht {jloxjl de 
Dordsche ludimagister ook het oog hebben gehad op 's 
mans Predicatien over Ezechiel XII; 13 — 14?) vond ik ner- 
gens gewag gemaakt: integendeel, leest men in de Mss, Acta 
du Classis van Zuid- Holland^ dal hij, in 1655, in zijn dienst- 
werk geschorst, in 1665 gedwongen werd om zijn emeritaat 
te vragen, en in 1670 nog geen attestatie kon verkrijgen. 

Op het gros van herders tot V dienstwerck te DoidrecJit 
leest men J. O. S(ylva3 D(ucensis3. 

Oudenhoven was een der uitstekendste oudheidkundigen 
van zijn tijd, blijkens zijn Beschryvinge der stadt en 
Meyerye van 's Hertogenbosch ^ vervattende desself s begin ^ 
voorégangh ende toasdom, soo van Geestelycke als tcereltlyeke 
gestichten, oprecktingk van "'t capittel ende collegien^ maniere 
van regeering ende hare privilegiën ^ bevorderinghe haerda* 
Bisdom ende Bisschoppen: midlsg aders haerder Meyerye, ende 
daer inne gkelegene steden^ Baronyen, Heerlyckheden^ ende 
dorpen. Mies met grooten arbeyt uyt verscheyde schriften ende 
papieren te samen gestelt^ ter liefde syns vaderlandtsy door 
J. v. O. Amst. Broer Jiinsz. 1649 4o. 

Silva-Bucis aucta et renata of Een Nieuwe ende gantsch 
vermeerderde Beschryvinge van de stadt van '* Hertogebosch 
vervatend enz. 's Herlogenbosch 1630 4o. 

Eene nieiiwe ende vermeerderde Beschryvinge van de Meye- 



Digitized by 



Google 



270 

rye van '* Hertogeboach^ bekeUende cdle de Baronyen^ Heer^ 
lyckheden^ steden^ easteelen enz. Aid. 1670 4o. 

Volgens Oudenhoven zelven in zijne Beschryvivge van 
Zuyt'Hollandt bl. 15 in de eerste druk van dit werb slechts 
een vertaling van de Beschryvinge van den oorspronck ende 
opkotnen van de sladt '*s Hertogenbossche van den geleerden 
heer SimonPelgromus, in sijn leven Prior van de Jiee- 
ren van den Baseldonck , ende Provinciael van de Orde van 
8i, Wilhelm^ Herloge van Aguitanien ende Grave van Pictou. 

Beschryvinge der stadt Heusden^ waer in het begin ^ aen^ 
loas^ en teghenwoordighe staet dier stadt verhaelt worden; 
als mede veelderhande gedenckwaerdighe gheachiedenissen y 
oorloghen^ te ater vloeden , wyse van Regeeringhe^ hantveaten^ 
enz. Amst. 1650 4o. — Weleer ontworpen door J. v. O. Bog 
nu door verscheide liejhebèera der oudheit werkelyk vermeer^ 
dert, en met konatige figuren ver giert, Amstel. 1743 4o. 

Hermans bezorgde een herdruk der 1ste uitg. in zijne 
Geschiedk. Mengel, v. Noord Br, 

Out^HoUandt^ nu Zuyt-Hollandt ^ vervangende eene Ge- 
nerale Beschrijvingen mitsgaders de Privilegiën^ Keuren^ Hant- 
veaten^ Costuijmen^ Jierkomen^ Observanlien ende Gewyadens van 
de vooraz. Landen. Dordrecht, 1654 4o. Opgedr. aan Mat- 
thys Pomp e, heer van Slingelandt en met lofverzen van 
Cats. Huygens, Westerbaen, Blyenburgh, J. van 
Som eren. 

Ovdt ende Nieuw Dordrecht ^ behelaende desaelf a opkomste^ 
voortgangh ende Regeringe Loop ende verloop van den Rh^^ 
Wael , Maea etc. Gedruckt tot Haerlem bij Ambro- 
siua Vermer ck 1676 in l2o. , — Beschrijvinghe van Bord- 
recht, behelaende deaselfa begin, opkomate ende Regeeringe met 
veel gedenckwaerdige aaecken daer voorghevailen. Mitsgadera 
den Ouden ende Nieuwen loop van de Wael, Maea, Linghe, 
DMel en Yasel vergroot met eenen nieuwen Appendix. Ge-- 
druckt tot Haarlem b^ Ambroaius Vermerck. 1670 in 12o. 

De vermeerderingen in dezen laatsten druk , beslaan 40 biz. 
en zijn achter het werk gedrukt. Overigens zijn, uitgenomen 
den titel, beide drukken volkomen aan elkander gelijk. Het 
werkje, aan de gebroeders Johan en Cornelis de Witt 
opgedragen, met lofverzen van Huijgens en Snellinx 
versierd, en met een kaartje der ouden loop van de rivier 
Rijn, Wael, Maea^ Bubbel ende Strijne voorzien, is in 13 
hoofdstukken verdeeld, die alle blijken van ijver en oudheid- 
kennis dragen. Ofschoon men er veel in terugvindt, dat reeds 
bij Beverwijck voorkomt, en hij in dit werk te veel in hel 
onderzoek van zaken, die niet dan ter zijde te pas komen 
uitweidt, verdient het, en om de kennis, die er, ten aan- 
zien van den loop onzer oude rivieren uit is te putten en 



Digitized by 



Google 



271 

om de Handvesten en privilegiën, die bij er, gelijk ook in 
zijne Beschr'^ving vmi Zuid-Holland in heeft opgenomen, en 
vooral om de lijst der Privilegiën^ herustend£ in de ijzeren 
kaase en Burgemeesierskatne?- bijzondere opmerking. 

Hant-vesten , privilegiën^ Keuren ende Reglementen^ aen^ 
gaende den Dijck-rechte van den Alhlasserwaert, Tot Dord- 
recht 1678 12o. 

Generale heschrijvinge van den tegenwoordigen ingebroken 
Alblasserwaart in Zuyd-ho Handt, Dordr. 1645, 1659, 1670, 
1678, 12o. 

Ingebroken Alèlasser -waart, in Zuijd-Hollandt^ vervangende 
desaelf 8 situatie, grootte^ dijckagien^ oude ende nieuwe in^ 
breuken etc, , mitsgaders van den Souwen-dijk , ende hoeveel 
duijsent mergens daerdoor in het water at oen ^ alamede aijn 
atraffpredicatie in de Parochie van Nieuw- Lecker landt al^ 
daer , op deaselfa water-inbreuk gedaen. Tweede druk. Ver- 
meerdert met eenige aanteekeningen en ee9i bijvoeg ael rakende 
de overatroomingen van den Jlblasaer-waert van den Jare l6bS 
tot het jaar 1741 incluys. Alsmede de acht authentyke 
atukken rakende de tegenwoordige overatrooming. Tot Leyden 
1741 12o. 

Corte heachrijvinghe van aommighe dorpen in den Alblaa- 
aerwaard, Handveaten , privilegiën^ keuren en reglementen aeng, 
den dijckr echte van den AlbL Dordr. 1678, 1720; Gor. 1765, 
kl. 8o. 

Oud Hoüandsche landen^ heeren^ luijden^ rechten en rechta- 
pleginghen. Dordrecht 1743 ; 's Hage 1746 4o. 

Haerlemache wieg ^ id eat ^ Cititatia, Harlemensia Incuna- 
hula^ Antiqvitatea ac Privilegia. Haarlem, 1671 12o. 

Haarlema wieg of hiatoriache bedenkingen over eenige oud- 
heden van de selve atad; en herdruk van eene korte beachrij- 
ving van Haarlem,, alamede eene kleine beschr. van de ateden 
van Holland en TTeat-Vriealand ^ mitg, een klein Chronijkjen 
ofte eenige notabile verhalingen gedaan door J. A, Leegwater. 
Haarlem, 1668, 1671, 1706. 12o. 

Antiquitates Cimbricae renovatae. Haarl. 1682 8o. 

In handss.: 

Corte beachrijvingh van sommige dorpen in den Alblaaser- 
waert, 

Hiatorise aanteekeningen, 

Predicatie over U lijden. 

Eerate redactie raeckende de verleijdinge van de riviere de 
Maes ende den ouden loop van deaelve riviere de Maae, 

Antiquitates Batavicae. 



Digitized by 



Google 



272 

Besclirijving van' BomnieL 

Oudenhoven beoefende ook de poëzy, blijkens zijn ge- 
dicht vóór de herstelde Oudtheijt^ of Ie Beschrijving he tan 
Batavie door M. J. van Som eren Nymegen 1657 4o. en 
zijn Geluk op reyse aan den heer Birck van BleijswijcTc : rjjs- 
veerdigh na huijten '* lands, nadat hg kodde uytgegeten zijn 
Beschrijvingh van Belft, 

Zijn afbeeldsel beslaat met een onderschrift van J. van 
Someren. 

Zie Foppens, Bibl. Belg. T. 1, p. 531 ; Pars, Naamrol. bl. 159, 170, 
Paquot, Mém. T. I, p 538; Saxe, Onom. T. IV, p. 527, 528; 
F r e y t a g, Jnal. Liter. p. 649 ; van der "Wall, Verh. over de hondv. 
en Frivil. der siad Dordrecht y bl. 18 volgg. Dcz Privil.v. Dordr.x CR. 
Hermans in het tweede stuk van het Geschiedk. Mengelto. over de 
Provincie N. Brabant , D . I , bl . 132— 381 ; Schotel, in Vod. Let- 
teroef. 1859, d. II, bl. 260; {Jacobus v. Oudenhoven) Dez. Lev. 
V. Alk. e. V. d. Schelling, bl. 359; Dez. Beschrijv. v. Dordrecht. 
Inl bl. LXXI, LXXII; Kerkel. Dordrecht i). I, bl. 486. 
G 1 a s i u s , Godgel. Nederl. ; vanderAa, N. B. A. C. Woor- 
denh .; L. G. Visscher, bronnen voor de Geschied, van Dordrecht 
in Wap's Astrea 1855, bl. 170 verv. ; van Someren, Vytsp . d. 
Vernuften bl. 231 iGor. 1686); 1). v. Blijswijck, Beschrijv. v. Delft, 
bl . 883 • Bodel Nijenhuis, Topogr. Beschrijv. t>. Nederl. , 
No. 414-416, 428, 429, 497, 728, 1249, 1256.1257,1286. 
1287, 1416; Cat. d. Maats. u. Ned. Leiierk.,\) II,bl.39. 
107, 108, 117, 118, D. III, bl. 34, 303, 304, 347; Muller, 
Catal, 1859, No. 2233—2288, Hoogstraten, Kobus. de 
Riveeourt, Abcoude, Naamr. bl , 273; Arrenberg, Naamr. 
bl . 394 ; A d e 1 u n g . 

OUDESTETJN CMatthias"), geboren te Alkmaar, werd 8 Mei 
1642 lid van den Hoogen raad van Holland, Zeeland en West- 
friesland, en overleed 18 Jan. 1647. Men vindt een advies 
van hem in de Hall. consultat, D. IV bl. 755. 

Zie V reed e, Hoogen Jlaad, bl. 45. 

OüDHEUSDEM (Aernoüt Walraed Kabel Voet vanJ Zie 
Voet van Oudheusden (A. W. K.) 

OÜDIN (Casiwib) of o u d y n, afkomstig uit Rheims, werd den 14 
Februarij 1638 te Mezières aan de Maas geboren. Zijn vader 
was een wever , die hem in zijn ambacht wilde opleiden; maar 
hij had meer neiging voor de stndie, waaraan hij zich, tegen 
den zin van zijn vader, wijdde. Gedurende zijne eerste studieja- 
ren , was hij onderwijzer van den oudsten zoon eener weduwe, 
vrouw van Jaudun en Modignes, dorpen tusschen Mezières en 
Eèthel. Na de school verlaten te hebben nam hij het kleed aan 
van kannunik regulier van de orde der Premonstratensen van 
St. Paulus Ie Verdun, deed twee jaren later (30 Nov. 1658) 



Digitized by 



Google 



273 

cljne professie en veranderde zijn doopnaam Remi in dien 
van Casimir. Zgne oversten zonden hem vervolgens naar 
de abdy van Sery om onder Joachim la Plume de Philo- 
sophie en de theologie onder Jeremie Janot te leeren. Na 
het eindigen zijner studiën, legde hij zich toe op de kerke- 
lijke geschiedenis, waarvoor hij veet smaak had. Men zond 
hem in 1678 naar Bucilly. Lodewijk XIV "door deze land- 
streek reizende, gebruikte 1 Maart 1680 er het middagmaal. 
Daar de abt en de prior afwezig waren, werd Oudin be- 
last den koning te ontvangen. Toen deze in de zaal kwam, 
vertoonde zich eensklaps, na een nevelachtigen dag, de zon, 
en schoot hare stralen op het portret van den koning, waarop 
O n d i n terstond voor de voet deze dichtregels vervaardigde. 

vSolem fiere novum nunc Sol aniiquus adorat^ 
ttEt Martem primum JU ar Ha prima dies. 

De koning stond verbaasd zulk een talent in dit woest 
oord te vinden, doch ontdekte tevens dat Oudin zeer onbe- 
schaafd was ; want hem gevraagd hebbende , welk ambt hij in 
dit huis bekleedde , antwoordde hij : „y«7/ portoit son mous- 
quet et qtie, quand il ne pouvoit Ie porter^ il Ie trainoit. Dit 
gezegde was oorzaak dat de koning hem niet meer wilde 
zien. In 1681 gelaste Michel Colbert, overste en hervor- 
mer der Premonstratenzer orde hem al de abdijen en kerken der 
orde te bezoeken en uit hare archiven die stukken te ligten , welke 
tot hare geschiedenis konden dienen. Hij bezocht de verschillende 
huizen in de Nederlanden en Lnik en vervolgens in Frankrijk. 
Omtrent denzelfden tijd werd hij onder prior en provisor der abdij 
van Cuissy in bet kerspel van Laon. In 1683 werd hy naar 
Parijs gezonden, waar hij in vriendschappelijke betrekking 
met de Benedictijnen der congregatie van St. Maur en ver- 
schillende andere geleerden, inzonderheid met Placide Por- 
cheron, bibliothecaris van St. Germain des Prés en met den 
geleerden Stephanns Balnzius aanknoopte. „O n d i n,schreef 
de abt B o u i 1 U o ^\ a vait jusqn^alors joui d'nne répntation intacte. .. 
on Ie citait, comme un modèle de piété et de regnlarité , — mais 
ayant formé une étroite liaison avcc Ie fameux ministre Ju- 
rieu, il déchut insensiblement dans Testime pnblique. Ses su- 
périeurs alarmés Ie reléguèrent è Tabbaye de Ressons. Cette 
mesure qui Tenievait ó ses amis et è seslivres, Tindigna ; la 
sévérité avec la quelle on Ie Iraita, acheva de l*exaspérer; il 
réussit è s'échapper dn convent, on on Ie détenait et passa 
en UoUande. In 1090 verliet hij Frankrijk en vertrok hij naar 
Holland en kwam den 26 October van dat jaar te Leyden aan,waar 
hij tot de hervormde kerk overging. Spanheim, hoogleeraar 
in de kerkelijkegeschiedenis, zorgde met medewerking van den 
hoogleeraar Tri gl and, lien burgemeester D. van Alphen 
Simonsz. en .den predikant Knibbe, eenige jaren voor zijn 
onderbond, en wist door zijne aanbeveling te bewerken dat 

18 



Digitized by 



Google 



274 

caratoren hem in 1694 tot buitengewoon custos bij de bibliO'» 
theek aanstelden. Deze post vervulde hy met getrouwheid 
tot in Sept. 1717, toen hl) in den ouderdom van 79 jaren 
zijne studiën en leven eindigde. 

Hij schreef: 

Supjplementum de scriptoribus, vel de seriptis EccUHaiHciê^ a 
Bellarmino omis'sis^ ad annum 1460, vel ad ariem Typographi-- 
cam inventam^ collectore F. Casimiro Oudimo, Presbyiero 
veteris instiéuti ordinis Praemanêtratenne, Paris, 1686 gr. So. 
Volgens Cave is dit boek vol van de grootste fouten en 
grootendeels getrokken uit Miraeus, Labbe, Vossius, dio 
hij geplunderd heeft. 

Ze Frémontré défroqué. Leyde 1692 in 12o. 

Epistola de ratione atudiorum suorum, L. B. 1692 4o. 

Veterum aliquot Galliae et Belgii scriptorum opuacula sa^ 
era nunquam edita, jam vero e Msa, codidhus Mliotheca^ 
rum Galliae in lucem prodeuntia; cum effigiebus^ vUaeque 
eorum compendio. L. B. 1692 8o. 

Historia abbatiae Calvi Montiê in T. YII der Aeta 
Sanctonim. (170V), 

Trias Dissertationum criticarum. I De codice Alexandrino 
Bodleianae bibliothecae; II De quaestionibus ad AnHockum 
principum; III De collectione antiquitatum ConstantionO" 
pol. Bandurii, L. B. 1717 12o. De 3de, tegen den Bene- 
dictijn Anselme Banduri, bibliothecaris van den groot 
hertog van Toscane, was reeds uitgegeven in de Histoire cri- 
tique de la Bépub. des Lettres T. VIII p. 219 en T. VIII p. 
279. 

Diss, singularis de collectaneo^ seu collectione Anselmi Ban- 
durii, in Masson, HisL de la République des Lettres. T YII 
et VUL 

Commentarius de scriptoribuê Ecclesiae antipds^ illorumqme 
iriptis^ tam impressis^ quam manuscriptis adkuc extantibuê 
in celebrioribus Europae bibliotheds^ a Bellarmino j Possevino^ 
Pk, Labbe, Ouilielmo Caveo, Ltédovico EUia du Pi» et alus 
omissis^ ad annum M.CCCC.LX vel ad artem t^pogrqpAieam 
inventam; cum mulits dissertationibus ^ in quibus insigniorum 
Autorum Ecclesiae opuscula, atque aUa argumenta notabiliora 
accurate et prolixè examinantur. Lipsiae 1722 fol. 3 vol. 

Acta B, Lucae^ Abbatis Cuissiaeensis in T. II der Antiqui- 
tatis Monumenta van Hu go (Etival 1725 — 51 2 vol. fol. 

De jurisdictione quasi episcopali abbatis Stivagiensis ex" 
cercitium mss, in 4o. 

Zie^bwt;.XJ«.T.VIXp.l,p.l57--161ïNiceion.JMm. T. I p. 878 
^2S2 T. X. S. I p. 48^58; Dict. Siêt. T. I p. 48-*^68; Pa- 



Digitized by 



Google 



375 

t^uot, Mém, T. I p. 487—4831 Haag, La France Froiesi, T. VIII 
p. 58, 59; Hugo, Jnnale$ ord. Praem, T. I Col. 55; Bouilliot, 
Biogr. Jrdennaire T. II, Nom. Biogr. Genér. Bid, J/niv.; J ö- 
tïher, Adelung, Rotermund, Hirsching, Handbuch 6ten Ban- 
des 2te Abth. p. 814, Nova liter. Ups. 1718 Jan, 1 B. N. 172» 
p. 595 f. 601; Dnitsclie Acta erud,, 50 sier TL p. 210; Siegen- 
beek, Qcsehied, der Leydscke Hooges. B. II bl. 82 — 84; S eb o tel, 
Geseh, d. Leydscke Bibl, j Glaaius, Godgel. Nederl.; Sa ie, Onom, 
T. V. p. 347, Anal. p. 640; lo. Fabricii, Eist. Bibl. T. V. p. 
256-258; C. A. Heümanni, Via ad Bist. Lat.; C. VII § V, p. 
429; Stolle, ad Henmanmm p. 787, 1009, Cat, Bibl, Bunas. T. 
I vol. U p. 1463. 

OÜDSHOFF (W.) 
schreef : 

Voorstelling van de regelen van het Italiaansch boekhou" 
den. 's Hage 1814. 

Handleiding ter aanleering tan het kerkgezang. Rolt. 1822 
^r. 8vo. 

Gedachten over het voorlezen der Heilige Schrift enz, in 
de kerken. RoH. 8vo. 

Muzikale mengelHukken van vo0rname cor^oniaten. Roit. 
1823 2 st. gr. 4o. 

Gezangen voQr een Kerstfeest^ op drie en vier stemmen. Rolt. 

Be muzikale vriend der jeugd^ of zangsttikjes voor het op* 
komend geslacht Rott. 1826. 3 stukjes. 

Harmonion of twee., drie en vierstemmige zang stukken ^ ten 
gebruike van gevorderde leerlingen en zangvereenigingen ötjeen* 
verzameld en ten vervolge op den muzikalen vriend der jeugd 
uitgegeven. RoM. 2 st. 4o. 1829, 1833. 

Zie van Cleef, Alphab, Naattil. v, boei. bl. 448. 

OUDKERK (^Anna Maria'), dichteres uit het midden der 18e 
eeuw. Zij schreef in de Dichtk. Cijpressenhladen , gelijk ook 

OUDJKERK (SciPio), predikaut te Haamstede, in Zeeland, waar 
hy overleed 20 Maart 1760, ond ^6 jaren, denkelijk haar 
vader. Hij gaf ook in het licht: Heilig dienstwerk der stamme 
Levi, Zierikzee 1756 4o. 

OUDKERK (Rykje') geb. Bubbezon, echtgenoole der vo- 
rige , dochter vao Willem Bubbezon, koopman te Maar- 
ülttis en van Neeltje van der Burg. Zy huwdein No- 
vfiinhejr 1 733 Scipio Ondkerk, en plaatste hare ge- 
dichten in de Dichjt. Cijpressen bladen en in de Boekzaal 
der gel, wereld. 

Zie van der Aa, N, B. A, C, Woordenb. op Oudkerk en Bub- 
bezon; Boekz. 1746, Maart, 372, 1753, bl. 376, 1760, bl. 483,484; 
Arrenberg, iVirömr. bl. 393. 

OüDeROCIGE of OUDENROGGE CJonAifNEs). Van dezen knn- 



Digitized by 



Google 



270 

steiiaar, wiens geboorte en sterfjaar niet worden vermeld, 
doch wiens stukken op verkoopingen in de tweede helft der 
vorige eeuw voorkomen, vermeldt Kramm, een wever opzijn 
getouw^ met zijn huisgezin en een schoenmaker met zijn knecht 
in een binnenhuis^ thans in "'s rijks museum, eene koekehakster 
met hare kinderen. De heer Kramm bezit ook sijn portret, 
zeer fraai met bruin geteekent, in een ovaal in 4o. 

Zie Immer zeel, t. a. p.; Kramm, t. a. p. 

OUDHEUSDEN (Dirk Henricsz. van), een ülrechlsch kun- 
stenaar uit het begin der 16 eeuw. 

Zie Dodt, Archief. D. III bl. 204; Kramm, t. a. p. 

OUDSHOORN. Zie Outshoorn. 

OüLTREMANNUS (Antoniüs d'), geboren te Valenciennes , 
werd aldaar prior in de abdij der reguliere kannunnikken van 
St. Jan. 

Hij beoefende de geschiedenis en oudheden en schreef: 

Be Origine et fundatione êui monaaterii 
Bes gistae et vitae singulorum abbalum. 

Zie Val. Andreas, Bihl. Belg. p. 71. Foppens, BiU.Belg. 
p. 84. 

OULTREMAN (Fran^ois Henri d') den 22 Aug. 1546 te 
Yalenciennes geboren, waar hij 1 Oct. 1605 stierf. Hij stu- 
deerde te Leuven in de wijsbegeerte en reglsgeleerdheid, werd 
lid van den raad en eindelijk prevoost zijner geboortestad. 

Hij schreef: 

Triumphus et Spectacula aerenissimis Belgarum principibus 
Alberto et Isabellae in civitate Falentiana edita, Antv. fol, 
typis Plantinianis 1602 cum Spectaculis Joannis Bochii, 

Histoire de la ville et comtéde Valenciennes. Douai 1639 
et 1640 in fol. met portret, uitgegeven door zijn zoon Pierre 
d'Oullreman. Hij beoefende ook de Latynsche en Fransche 
poëzij en droeg verscheidene gedichten op aan zijn vriend J u s t u s 
Lipsins onder deze gedichten vindt men ook Epicedium in 
obitum Emantielis Lalani , Marchionis Eentiaci, versu elegiaco, 

Gesta pvaecipua et Elogia tvium Frincipum Alexandri 
Farnesü^ Parntae Dacis^ Alherti Anstriae Archiducis et Cü" 
roli Croiaci^ Bucis kreschotani mss. 

Zie Val. Andreas, Bibl. Belg. p. 364, 366; Pop pent 
Bibl. Belg. T. I, p. 458. Nouv, Biet. gén. 

OULTREMAN (^Philippr d'j, zoon van den vorige, in 1583 



Digitized by 



Google 



277 

te Valenciennes geboren, waar hij den 16 Mei 1622 over- 
leed. 

Hij trad in 1607 in het collegie der Jezuiten, wijdde zich 
zes en twintig jaren aan het prediken en schreef twee arce- 
tische werken: 

Le vrai ckrétien cathoUque, Saint-Omer 1622 in 8o. vert. 
in het Engelsch, 1623, in 8o. 

Le pédagoque ckrétien^ T. I, Luxembourg 1629 in 8o. 
T. II et lÜ. Mons. 1645, 1650, 8o. Roaea 1704 4o, ver- 
meerderd en nagezien door Brignon, en in "'t Ylaamsch 
Antw. 1637 8o. Dit laatste werk is herhaalde malen herdrukt. 
De dood belette hem het IV deel in het licht te geven. 

Zie Val. Andreas, Biel. Belg . p. 778 ; Foppens Bibl, Belg. 
T. II, p. 1061; Back er, Bibliotb. der Ecrivains de la Soc, 
de Jésus. Nouv. Biogr, GéTiér. 

OULTREMAN (^Pierre d^}, broeder van den vorige, werd 
in 1591 te Valenciennes geboren, waar hij 23 April 1656 
overleed. Hij trad in 1611 in de orde der Jezniten, legde 
zich met goed gevolg op het prediken toe, tot dat zijne 
zwakke gezondheid hem noodzaakte het te laten varen en 
zich aan de beoefening der geschiedenis te wijden. 

Hij schreef: 

Taèulae vitarum cum beatorum^ tum illusrium viforum SO' 
cietatis Jesu. Dnaci 1622 in 8o. 

Vie de Pierre VHermite^ ou brief recueil des Croisadea 
et entreprisea pour la délivrance de la terre sairde, Mons. 
1632 in 12o. Valenciennes, 1632, in 8o., Paris 1645, in 12o. 
(Deze uitgaaf bevat de Généalogie de Vancienne maison de 
VHermite, 

Constaniinopolis Belgtca^ sive de rebus gestis a Balduano 
et Henrico^ imperatoribus Constantinopolitanis ^ ortu Falen- 
tiniemibus Belgis ah anno 1171 ad annum 1207, libri quin* 
que Tornaci, 1643 in 4o. 

Amor in creaturas effusus, Rijssel 1651 in fol. 

Ascetische werken, die thans vergeten zijn, maar wier ti- 
tels men vindt in Bibliotkèque der écrivaina de la Compagnie 
de Jeaua door Br, Backer, 

Zie Val. Andreas, Bihl, Belg. p. 752, 997; Paquot, Bibl. 
Belg. T. II p. 997; Sottwel, BibUoth. Script. S. J. Nouv. Biogr. 
génér.; Adelung en Rotermund; Foppens, Bibl. Belg. T. 
II, p. 997. 

OURIJK (^B. C. DoLL. van") schepen en oudraad van Dord- 
recht, schreef: 

» Memorie ingeleverd bij eenige leden van de vroedackap te 



Digitized by 



Google 



378 

DordrevM over eene en andere noodige verheterinj in '< ver^ 
kiezen van Burgemeester^ en, Dordrecht, 1760. 

Zie Post van den Nederrhjn D. VI bl. 974 j Artren, 1855 bl. 174. 

OUT (S. J.) gaf in hel licht: 

Uytgereh. tafelen in ''t goud en silver, Amst. 1681 4o. 

OUTEREfI (Mr. Güillaüme PlERRte van), Eoon van Mr. Pie- 
ter vad Ouleren, werd den 23 Octöber 1 799 te Leyden, waar 
^ijii vader lid der regering was , gebofen. Als knaap op de latijn- 
sche school geplaatst , bragt hij de uren , welke hem van 
zijne letteroefenihgen overschoten, op het kantoor van den 
notaris, mr. F. F. Hubrecht door, ten einde zich vroeg 
reeds met de behandeling van zaken gemeenzaam te maken. 
In 1813 werd hij student in de reglen en verkreeg den 4 
Junij 1819 de doctorale waardigheid, na het verdedigen eener 
dissertatio de vudis aleatoriia in dvitate observandis nee non 
dei is , quae turn antiquiores , turn recentiores populi hac de 
re staluerunt. Hij zette zich als pleitbezorger in zijne geboor- 
testad neder en won meer en meer het vertrouwen zijner 
stadgenooten , en welke bijzondere moeite hij gewoon was aao 
de gedingen , waarin hij optrad , te besteden , toonde zijne 
keurige pleitrede, ter toestemmende beantwoording der be- 
twiste vraag over de regtsmagt der hooge en andere Heein- 
raadschappen , in 1834 voor het Hoogheemraadschap van Rijn- 
land uitgesproken en even zoo als die van zijnen beroemden 
tegenpleiler D. Donker CurtiUs door den druk gemeen 
gemaakt. Het Was dus erkennibg van wezentlijke verdiensten, 
toen de Regtbank hem bij de invoeHhg der regterlijke organi- 
isatie tot Deken der orde van Advokaten verkoos. 

Ook in andere betrekkingen was van Onteren Itiet den 
meesten lof ten algemeenen nutte werkzaam. In 1622 werd 
hy aan het hoofd gesteld der gemeente Soeterwoude, vaii het 
ambacht van dien naam en de daarin gelegene polders, in 
welke betrekking hij tot 1838 werkzalim wds, in 1837 hoog- 
heemraad van Rijnland) in 1889 lid der commissie tot beheer 
en toezigt over de werken tot droogmaking van het Haar- 
lemmermeer, ook was hij sedert 1824 lid van de stédelijken 
raad te Leyden, in 1851 werd hfj lid der provinciale staten 
van Zuid-Holland. De Maatschappij van Nederl. Letterk. be- 
noemde hem tot lid. Hij huwde op twintigjarigen leeftijd Ma- 
ria Catharina van Bergen en overleed den 6 Nov» 1855» 

Hy gaf in het licht: 

De regtsmagt van het Hoogheemraadschap van Legden ver- 
dedigd, Leyden 1855 8o. 

Zie zijn leven door D. Tieboels Siegenbeek, in Sandd. der 
Jami, Algem. wrgttd. der MaaU. p. IMerl, Letterk • 1S96; È^nsi- 



Digitized by 



Google 



279 

en letierb. 1818 No. 22 bl. 84; Bijdr. tot Regtsgel. óm Weigev. 
D. IX (1835) bl. 121; vlg. Leydsche Courant van 12 Kov. 1856. 

OUTËRFT (Z. yan) advocaat te Utrecht, wiens adviesen men 
viudl in ütr. Conmlt 1676 D. I bl. 506. 

OUTGERS (Hendrik^ door Rixtel een doorlachlig poëet ge- 
noemd, doch wiens poëzy onbekend is. 

Zie ?. d. Aa. i\r. B. J» C. Woordeni; Rixtel, Mengelrijmen , 
bl. 101. 

OUTËRMAN (Jaques} ook van Reninghen genaamd, 
leeraar bij de Ylaamsche Doopsgezinden in het Blok te Haar- 
lem, nam deel aan den twist, die tusschen deze en de Frie- 
sche was ontslaan, waarvan de berigten worden gevonden in ^t 
boekje dat hij uitgaf in 1609: Verklaaringe met beto^'suit 
den droevigen handel van Friezen en Vlaamingera ^ enz, met 
een Kppendix dienende tot conclusie van de verklaaringe enz. 
1609. Hij werd door den predikant Accronius te Haarlem 
beschuldigd, dat hij zich in ongewone termen had uilgelaten 
over het Goddelgk Wezen en over de menschwording van 
Christus , naar aanleiding welligt van zijn werk : Eene waar- 
dighe Christelijke verantwoordinghe ^ door de Leydsche facul- 
teit in 1626 veroordeeld als afgrijzelijke en Godlasterlyke 
ketterijen behelzende terwijl ook het Haarl. martelaarsboek, 
waarin hij met Hans de Ries de hand had, aan vele Her- 
vormden mishaagde. De Staten committeerden eenigen uit het 
hof van Holland om met hem te spreken over sommige ar- 
tikelen vervat in de Belijdenis des geloofs, welke hij aan de 
Staten had overgeverd, ondergeteekend door 19 andere Ylaam- 
sche leeraars. Dit had ten gevolge dat de Staten (1626} 
daarin genoegen namen en hem niet verder lastig vielen. In 
eene verzameling van liederen der Poopgez. van P. Gryspeer 
vind men er ook een van J, Reninghen of Outerman. 

Zie Kobus en de fieveconrt. 

OUTHOF CGerardus) werd tusschen den 26 en 27 January 
1673 te Amsterdam geboren. Zgn vader was Gerardus Out- 
hof, en zijne moeder Maria, dochter vanden Wormer bur- 
gemeester Gerrit Bakker. Na den dood van O u l h o f her- 
trouwde zij met Joan Muntingh, secretaris van de wees- 
kamer te Groningen. Hier werd Gerardus, die toen zijn 
achtste jaar nog niet bereikt had, ten latynsche scholen be- 
steld. Vervolgens oefende hij zich aan de hoogeschool van 
die plaats in de regten onder Berteling en Pagenste- 
cher, vervolgens onder Joh. Mensinga in de welspre- 
keidheid, gefchiedenis en oudheden, onder Gousset ia het 



Digitized by 



Google 



280 

Hebreeuwsch, onder Berteling en Lamberts, laler on^ 
der Bernouilli, in de wijsbegeerte (^Oulhof was een Car- 
tesiaan^ ; onder k Marck, Hulsius en Brannius in de 
joodsche oudheden en godgeleerdheid. Later bezocht hij de 
hoogeschool te Franeker, aan welke hij van der Wayen, 
Vitringa en Roëll; te Utrecht, aan welke hij Wilsius 
en Graevrus, en te Leijden, aan welke hij Spanheim, 
Gronovius enPezizonius hoorde. Bij gelegenheid dat 
hij zich te Emden, waar eenige verwanten van zijn vader 
woonden, ophield, werd hij aldaar den 16 Ang. 1697, in 
plaats van F. ten Houten die naar Friesland beroepen was, 
tot leeraar aangesteld. In 1721 aanvaardde hij bet ambt van 
predikant en rector te Kampen, waar hij den 20 Jan. 1733 
overleed. 

Outhof was geen onverdienstelijk theologant, en een vrij 
goed literator. Zijne geleerde werken en verhandelingen, zoo 
in het nederduitsch als in het latijn in het licht gegeven , ver- 
wierven hen grobten roem en de vriendschap van Hareken- 
roth, Stireso, Gargon, Ehenferd, Snabelius en 
anderen. Als godgeleerden maakte hij zich bekend door: 

Excercitium PhiloL de Manna Israè'lis Gron. 1694. 4o. 

In locum Mare. IV. 39. Dissert. in'qua divinitas Christi ex 
miraculosa e jus maria et ventorum seditione demanatratur in 
Bibl. Brem. Cl l fase. II p. 47. 

Observ. in lióros Biblicos V. T, in quihus textus Hébrai- 
cus cum versione LXX confertur, specimen. L.c. fase. III 
p. 163. Commentarii in Psalmum L. colL cum textu 
Ebraïco LXX. — Conünuatio. L.c, fase. IV p. 357. 

In Fs. 11 : 6. Oèservat. in quihus prolixius de montibui 
Sionis et Moriae agitur. L. c. Cl. II fase. II p. 208. 

In Fê. VII: 7. Observationes ^ L. c. ^. 514. 

De Rahab , et JRachab dissertatie^ qua probatur eas divers 
sas muiier es fuisse L. c. fase. III p. 430. 

Dissertatio in Matth. 24: 15, 16, L. c. fase. IV p. 617. 

Delincatio Monarchiae primae seu Assyriacae L, e. CL V 
fase. I p. 1. 

Observationes ad Fs. XXII: 17 et ad Lucam VI: 1. L. 
c. fase. III p. 407. 

Ad locum Matth. I: 19 diss. in qua nonnulla de statuis 
Rulandinis et fVeickildis inserta sunt. L. e. Cl. VI p. 18. 

Be Messiae principatu super humerum ejus ad Es. IX: 5. 
diss. L. e. Cl. VI fase. 5. p. 812. 

Ad locum Jacobi V: 16. observatio L, c. Cl. IV fase. U 
p. 417. 

De quarundam vocum disquisitio. L. e. Cl, VIII p. 93. 



Digitized by 



Google 



281 

Epislola ad amicum^ seu Disaert. de veritate resurrecHo^ 
nis Christi vi propria sua divina, Ëmbdae 1710. 

Judicia Jehotae Zebaoth seu bellum divinum^ gui j>etit 
Detis peceatores ^ adversus quos variis exercitibus horificisque 
ar mis bellat, Oui operi adjunclum est c ar men Severi Sancti 
i. ^., Eudelechi , de mortibus boum^ cum notis fFeckii , Seberi 
et Outhom Gron. 1721 8o. verg. Bibl. Brem, CL V. p. 150, 
151. 

Orai. auspical, de neceasitate siudü Linguarum eet Campis 
1725 4o. 

Linguae Gracae Rttdim, praesertim WiUeriana composita 
tma cum signif, verb, m^d, ac derivat. temp. breviqtw Syn^ 
taxi, Amst. 1729 8o. 

Profecy van Obadias verklaard. Groning. 1700 8o. Dordr. 
1730. Amst. 1735. Zie 

Rabiis. B. V. E. D. XVIII bl. 302 volgg. 

„ „ letterlijk uit de oudtheit verklaart. — 

Synod. Eerkred. over Pred. XII: W.^- Aanm. over H Doop- 
formul, Gron. 1730. 

Verklaring van den Brief van Faulus aan Titus. Amst. 
1704 4o. Leiden 1743 4o. 

Verklaring over het Boek Ruth , en '< Losserachap. Amst. 
1711, 1717 4o. Leiden 1743 4o. 

Boek van Propheet Jonaa verklaart^ uit de oudtheit opge~ 
heldert^ nevens een byaonder verhaal van de Aasyrische Mo^ 
narchie van Ninivé ^ Ninua ^ enz. van Ofyr en Tharachich^ 
als ook over Spreuk. XIX: 34. Amst. 1723 4o. 

Zedeleaaen der Oudtvaderen verzaineld enz. met een brief 
van P. Queanel. Amst. 1715 8o. 

Gerardi heilige bedenkingen ^ uit het Lat. vert. en met 
brede Aanm, en Geestel. gez. verrijkt. Embden 1715 8o. (Dit 
werkje was reeds in 1647 door Joh. van Someren vertaald. 

Zie Balen en Paquot, Schotel, G, L. en Oudheidk. 
Verl. bl. 66, 104. 

Verhaal van de watervloeden» — Predikatie over Joh, 
II: 3—4. 

Verh. van de cometen, Embden 1718 8o. ruim een derde 
verm. en met uitv. verh. over de Cimb. vloeden en volkeren. 
Embden 1718, 1720 8o. Over dit werkje, ook te Halle in 
het Hoogd. vertaald, is een aanmerkelijke brief van Outhof 
aan L. Smids, in de Bibl. v. d. Maats, der Ned. Letterk. te 
Leyden. Zie over hetzelve Boekz. Ocl. 1718. 

Afacheits kerkreden te Embden en Intréred. te Kampen^ 
nevena noch drie kerkred. en Godtgel, aanm. Amst. 1725 8o. 
Zie Bibl. Brem. bl. II p. 897. 



Digitized by 



Google 



282 

Korte inhoud van de leere der toaerheit of eerHe beginsel 
tan onzen Christel, Herv, Godsd. in vrage en antu>. Embden 
1709, verbeterL Embden 1789, Kampen 1726 8o. 

Waarschuwingen aan alle Christenen tegen de haast nade- 
rende allerzKoarste verdrukkinge uit Openb, III: il, nevens een 
korte schets van de Openbaringe, daarby een geschiedk. berigt 
van de kerkreform, in ZmtserL^ Duits chL en OostvriesL en 
Levensbeschrijving van Zwinglius, LutheruSy Apertanus^ a 
Lasco^ Menso Alting, Embden 1723 8o. Enkhuizen 1728 8o. 

Ook vindt men vele verhandelingen en opmerkingen van hem 
in de Boekzalen der Gd. Wereld van 1719, 1720, 1721, 
1723 als ook Aanmerk* over eenige NederL Bijbeldrukken ^ 
hoe er nooit een Bijbel op een schip is gedrukt ^ maar hoe 
de oude NederL Byjbels van de jaren 1556, 1560, 1563, te 
Enibden bij Stephanus Miermany Bieskens, en Lenart der 
Einder en zijn gedrukt. inBoekd. April en Meii723, Hij heeft 
ook bijdragen geleverd tot de Boekzaal des Neder d. Bijbels 
van Ie Long, met wien hij bevriend was. Zie Boekz. bl. 
375. Na zijn dood heeft nog een Verzameling van Kerkre- 
denenen (^Leiden bij Hasebroek 4o.) als ook van Vilge- 
lezene kerkredenen (Leiden 1740J en van Bijbelsche Keur- 
stof en (Gor. 1737 van hem het licht gezien. 

Ottthof stond in vriendschappelijke betrekking tot de beste 
dichters van zijn tijd , zoo als Fran^ius. Brouekhusias, 
Hoogstraten, Pluimer, Moonen, Rotgans, Vollen- 
hoven, doch beoefende minder gelukkig de poëzg dan zy* 
Hy was een middelmatig dichter, ofschoon zyne Stichtelijke 
gedichten Amst. 1703, meermalen (^Embden 1711, 1713, 
Gouda 1711, Leijden 1559) herdrukt zyn. 

Men heeft nog van hem: 

Keizerlijke Rijks Sinspreuken of Bymhola en Levensbeschrg- 
ving van de Keizer en ^ met zedelessen opgeheldert. Gouda 1711 
en Levens-tafereel van Ceèes den Thebaner, uit het Grieks 
ondigf in Neerlands Digtmaat overgezet met breedvoerige 
zinv er klaringen en Taal- en Oudheidk. uitleggingen^ als ook 
nog met zeven bijzondere bijgevoegde verhandelingen verrijkt 
enz. Amst. 1727 8o. 

Als beoefenaar der NederL taalkunde maakte hij zich be- 
kend door zijne bijvoegselen op de lijst der gebmikeiykste 
zelfstandige naamwoorden door zijn oudoom Hoogstratea 
verzameld. In de Tatd^ en Dichtk. B^r. D. I, bl. 123 
wordt, "zijne taalzncht Coonende voorrede voor de verkla- 
Hnge van O b a d i a s**^ geroemd. In de bibliotheek d. Maats, vaa 
Ned. Letterk. te Leijden berusten mss. brieven van Outhof 
en Hareken roth aao Lndolf Smida, waarvan een 
niUreksel voor komt bij Scholel, Kerk, Dordr. D. I, bl. 
288, 269. 



Digitized by 



Google 



383 



Outhof huwde met tijne nicht Sara, dochter van Her- 
mannus van Kemst, burger te Amsterdam, en liet kinde- 
ren na. 

Zie Boekzaal voor 1733; Aanhangsel op Nieuwenhuis, D. IV, bl. 
766; Schotel Kerk. Bord. D. II, bl. 26 verv. Ypeij, Geseh, der 
Chrisi. Kerk. in de 18e eeuw. D. VIII, bl. 452; Glasius Godgel. 
Ned.x Witsen Geijsbeek, B. A. C, Woordene. D. V. bl. 86; 
Snellaert Schels eener geschied, der Nederl. letter k. bl. 172 , Ar- 
renberg, Naamr. bl. 395; Cai, d. Biel. v. d. Maats, Ned, Leiterk. 
D. I, bl. 82, 191, I). III, bl. 84, 124, Jöcher. 

- OUTSHOOREN (Jacobus van) deken en Gijsbertus van 
Ëverdinge, oudste kanunnik, legden 22 Maart 1321, ten 
overslaan van verscheidene kanunniken, vicarissen en koor- 
gezellen, den eersten steen van den domtoren te Utrecht. Hij 
werd in 1382 voltooid. 

Zie Utr, Folksalm. 1865, bl. 101, 112. 

OUTSHOORN (Willem van), zoon van Diderik en 
Hagtild van Outshoorn ridder, deed de jurisdictie der 
stad Amsterdam vergrooten, volgens het privilegie van graaf 
Willem van Holland van 9 Dec. 1342. HIJ was rentmeester 
van graaf Willem IlI, biykens een brief van 1333. Hij overleed 
in 1352 en werd te Haarlem begraven, nalatende een zoon 
Jacob. 

Zie Wagenaer, Amsterd. i). I, bl. 89; van Leeuwen Bat, 
ilLhl. 1145; Mieris, Charierb. D. II, bl. 644. 

OUTSHOORN (CoRNELis van), zoon van Cornelis van 
Outshoorn, gezegd de Vlaming, nevens prins Maurits 
van Nassau in 1587 en 1588, gedeputeerde van H. H. Mog, 
in het superintendent collegie over al de admiraliteiten , liet 
2 kinderen na. 

Zie van Leeuwen Bat. ilL bl. 1046. 

OUTSHOORN (Dirk de Vlaming van), heer van Oulshooru, 
Gnephoek, en Heemstede, zoon van den vorige, werd in 
1618 (h\i was toen oud-schepen} door prins Maurits uit 
de regering te Amsterdam gezet. In 163o, 1633, 1635,1640 
en 1642 waa hy burgemeester en ook gecommitteerde raad 
van Holland. Hy huwde Wendela van Bronkhorsl ea 
liet onderscheidene kinderen na. 

Zie van Leeuwen, Bat, lil, bl. 146; Wagenaar, J^ad, ^st. 
D X. bl. 280. 

OUTSHOORN CCoftNBiia de Vlaming van), zoon van den vo* 



Digitized by 



Google 



^84 

rige, heer van Outshoorn, en Gnephoek, was van 1649 — • 
1655 hoofdschoat van Amsterdam, later verscheidene malen 
burgemeester van Amsterdam, gecommitteerde raad van Hol- 
land en gedeputeerde in den raad van state. Hij huwde Ni- 
colaa Hooft en was het laatste mannelijk oir van zijn 
geslacht. 

ZievanLeenwent. a. p. 

OUTSHOORN CJr. Willem vanJ, gezegd SONNEVELT, geb. 
155, sinds Junij 1605 bailliu en schout van den Hage, uit 
welke bediening hij 23 Julg 1620, om de zaak der Remon- 
stranten verlaten werd. D. V. Coornhert was zijn voogd 
geweest. Er gaat van hem een fraai portret uit, en medail- 
lon, in zijn 48e jaar. 

Zie de Riem er, Beschrijv. v. *s Chravenh, D. II bl. 2. bl. 49— 51. 

OUTSHOORN (Arnold de Vlaming van) , Levinus Ror be- 
schreef de Amboinsche oorlogen door Arnold de Vlaming van 
Outshoorn^ als Superinlendent van de Oosterse gewesten oor-- 
loglieftig ten einde gebracht. Delft 1663, 12o. Nopens dezen 
Outshoorn verhaalt Wouter Schouten een merkwaar- 
dige bijzonderheid, voorkomende in het leven van Maetsuy- 
ker^ en Zevens van Ber. Man. en Vrouw. 

OUTSHOORN (Mr. Willem van) werd den 4 Mei 1635 te 
Larique op Amboina geboren, ontving zijne opvoeding in Ne- 
derland, bezocht aldaar de hoogeschool en keerde na zijne 
studiën volbragt te hebben, in 1659 als onderkoopman naar 
O. I. terug. Drie jaren later werd hij aangesteld tot lid van 
het hooge geregtshof, in 1672 tot ontvanger ^generaal, in 
1678 tot buitengewoon raad van Indië, in 1681 tot gewoon 
raad van Indië, in 1689 werd hem het algemeen bestuur van 
den Indischen handel opgedragen en twee jaren daarna werd 
hij tot gouverneur-generaal verheven. Na die waardigheid ge- 
dureniie veertien jaren bekleed te hebben, legde hij haar neder 
doch bleef tot zijn dood te Batavia wonen. Hij overleed 27 
1720 in den ouderdom van ruim 85 jaren, en werd in de 
groote kerk te Ratavia begraven. Zijn eenige dochter huwde 
zijn opvolger Jan van Hoorn. 

Zie y a 1 e n t ^ n , N,0, Indië ; Du B o i s. Vies des gouverneurs ge- 
neraux p. 253 — 267 (waar zyn beeldtenis voorkomt). 

OUTHUIJS (GerriO werd den 20 Aug. 1773 te 's Gra- 
venhage geboren, bezocht aldaar de Latijnsche scholen en van 
1791 — 1796 de hoogeschool te Leyden, werd in 1797 pro- 
ponent en predikant te Ooster- en Wester Blokker, in 1800 



Digitized by 



Google 



285 

te Heilo, in 1802 te Bommel op Overfliakkee, in 1812 te 
Minnersga , waar hij werkzaam bleef tot de dood hem in 
1835 aan zijn gemeente en betrekkingen ontrukte. Volgens 
Glasins heeft hij een geschrift geleverd over de verschillende 
uitgaven der Polyglotten. Ook beoefende hij de Nederduitsche 
poëzy, blijkens zijne Jeugdige Gedichten, Franeker 1820, 
Kleine dichtaiukjes hy en na de Goddelijke verlossing van 
ons dierbaar Vaderland 'm 1813. Aid. 1821 en eenige dicht- 
stukjes van zijne hand in de Kleine dichterlijke Handschrift 
ten. Schak, VI. 139, 2e dr. D. IV bl. 269. Hij was een groot 
vriend van Bi ld er dijk, met wien hij briefwisseling hield. 

Zie Glasius, Godgel, Nederl.; van der Aa, JV. B.A. C. Woor- 
denh.; Boekz. over 1835, D. II bl. 124, verv. Bilderdflk's brieven, 
door W. Messchert D. I bl. 241-302. 

OUTREIN (JoHANNES d') werd den 17 van Oogstmaand 1662 
te Middelburg geboren, ontving zijn eerste opleiding op de 
Lalijnschool te Breda, vervolgens te Middelburg, werd in 1680 
te Franeker student en woonde er de lessen bij van B 1 a n k a r d, 
Andreae,de Grauw, Rhenferd, Perizonins, è Marck, 
van der Waeyen en Vitringa. Nog geen 19 jaren oud 
(1689) verdedigde hij opentlijk een academisch proefstuk, de 
lumine rationis en viermaal een ander de immortcUitale animiy 
onder Andreae, en onder Vitringa een de Beo Mauzzim , 
ad locam. Dan. XI: 38 , en , voor hij 20 jaren bereikt had , 
zag hij zich, na onder van den Waeyen over een deel 
zijner Summa Theologiae en onder Andreae de colore nog- 
maals geredetwist te hebben onder algemeene toejuiching met 
de waardigheid van Meester in de vrije kunsten en doctor in 
de wijsbegeerte bekleeden. Hg bleef echter te Franeker wo- 
nen en hield zich aldaar bezig met eenige studenten in de 
gronden der godgeleerdheid te onderwazen tot het jaar 1683, 
toen hij tot proponent werd aangenomen. Den 25 Februarij 
1685 werd hij, in plaats van Wilhelmus Everdij k, naar 
^s Hertogenbosch vertrokken, predikant te Oost-Zanen in Noord- 
Holland. Drie jaren arbeidde hij in deze kleine gemeente en 
vervaardigde er verscheidene godgeleerde schriften, die zijnen 
reeds lang verworven roem bevestigden. In 1687, niet gelijk 
Veeris wil in 1688, verliet hij Oost-Zanen, en vertrok hij 
naar Franeker, waar hij later door curatoren der hoogeschool 
tot opziender der openbare bibliotheek werd benoemd. Den 19 
April 1691 deed hij te Arnhem zijne intrede, bedankte in 1694 
voor Alkmaar, doch nam in 1703 het beroep te Dordrecht 
aan, en toen hij, kort daarna, in plaats van van Til, tot 
boogleeraar in de wijsbegeerte en gewijde oudheidkunde door 
curatoren benoemd was, aanvaardde hij den 14 van oogst- 
maand van datzelfde jaar deze waardigheid roet eene Oratio 



Digitized by 



Google 



286 

inauguralia de Nasar aei%^ die ook in het Nederdoiisch het 
licht zag. In December 1708 verwisselde hij Dordrecht «et 
Amsterdam, waar hij den 24 Febr. 1722, in den onderdora 
van ruim 59 jaren, ontsliep. Hij huwde in 1689 te Franeker 
met Geertruid Sluiter vau Wezel, cene wakkere vrouw , 
die zich als schrijfster heeft bekend gemaakt. D'Ontrein was 
een Coccejaansch theologant, maar tevens leerling van Yi- 
tringa, die van den voortrefFelfjken meester geleerd had 
minder slaafsch dan men tot nog toe plagt het -spoor van Coc- 
cejus te volgen en meer zijn eigen en geoefend oog te 
raadplegen. Zoo ontmoeten wij hem dan ook als uitlegger der 
H. Schrift wel achter staande bij hetgeen lateren tijd geleverd 
heeft, maar toch den zijnen vooruit en nede den weg ba- 
nende lot het betere van volgende dagen. 

Ook op het gebied der leerstellige godgeleerdheid was hij, 
gelijk trouwens van zelf spreekt, Coccejaan, maar een die 
aan het dogmatische dadelijk eene praktikale rigting toevoegde : 
vooral echter pastte hij het praktikale toe in zijne leerrede- 
nen en verkreeg daardoor een allerbelangrijksten invloed op 
de Hervormde kerk. Was Flud van Giffen de eerste voor- 
ganger geweest van die Coccejanen , welke men met den naam 
van ernatiffnn onderscheidde, d'Ou trein streefde hem, met 
wien hij bijzonder bevriend was, in dit opzigt verre vooruit. 
Hij was wel de voornaamste, die, in plaats van de drooge, 
vaak onverstaanbare , wettische en schoolsche Coecejaansche 
leerredenen, stichtelijke predikalien gaf , evangelische verstaan- 
baar, verwarmd door den innerlijken gloed van christelijken 
zin, praktikaal. Hij openbaarde zijne praktikale rigting ia 
alles, niet het minst ook in zijne belangstelling in het gods- 
dienstig onderwijs der jeugd. Overigens was d'Outrein een 
man van veelzijdige keunis, zeer ervaren vooral in de oude 
talen, ook heeft hij zich als nederduitsch dichter bekend ge- 
maakt, doch met vrij wat minder verdiensten dan hij als theo- 
logant mogt inoogsten. 

Er bestaat van bem een fraai portret geteekend door 
Boon en, gegraveerd door van Gunst, en een ander naar 
Boon en, door Philips, in veel kleinder formaat, gegra- 
veerd. Van dit laatste is voor eenigen tijd een niet onaardig 
steeodrukplaatje , door Soetens te ^s Hage uitgegeven. 

Hij schreef: 

MsêertatïQ jphilologica de Beo Mauzzim. Dan, XI: 38 
Francq. 1^1 4o. 

Exercitationes IV Academicae de Mente humand^ e^usque 
praecijpue immortalitate, Francq. 1681 — 1682 4o. 
BUputatio inauguralis de colore. Fraocq. 1682 4o. 
Den Smdbrief aan de ChtlaUren korUIfk verJcUmri door 



Digitized by 



Google 



287 

H. Johanneê van der JFaeyen^ uit het Latyn vertaalt. Leeuw* 
1682 12o. 

Korte uitbreiding van H Hooglied van Salomo in rym^ UC" 
vens eenige andere Gezangen, Aid. 1682 12o. 

Korte schets der Godlyke waarheden^ soo ala deselve in 
kaar natuur lyke ordre te samen gesekakelt zgn^ waar in 
kortelyk de H, Godgeleertheit doorloopen^ de toegen Gods in 
syn kerne nagespeurd en insonderheid de verschelde bedoelin- 
gen van het genaden^verbond wat nader uitgepluist worden^ 
tot oeffening van waarheid en deugd. Amst 1687, 1690,1691, 
1696, 1703, 1710 (^den twaelfden druk^ waarin (behalven 
eenige vermeerdering^ de Sehriftuurplaatsen, tot bewys die^ 
nendcy z^n uitgedrukt^ op niewa beschaaft^ en werkelgk ver-- 
betert^ 1719, 1732 12o. Amsl. 1699 (in 'I Fransch). In 
Duitscnland sedert 1687 tneermalen te Bremen en te Frankfort 
aan de Hain. 

Zie Ra bus, Boekz, der gel. 1696 bl. 531 yolgg.; Bibl. 
Brem, bl. I p. 146. 

Het Hooglied van Salomo^ kortelijk verklaard door den heer 
Nikolaas Lydius, in rijm nagevolgd en nu vermeerdert eng. 
Amst. 1690, 1713 12o. 

J)e gelykenisse van den verhoren zoon en onregtveerdigen 
rentmeester. Luk. XV: 16—29 en XVI: l — 48, beneffens 
nog eenige andere stoffen ^^ als 1. Be gelgkenis van de kin^ 
derkens op de Markt ^ Matth. XI: ld — 29, 2 van den on^ 
vrugtbaren vy genboom ^ Luc. XIII: 6 — 9, 3. Het oordeel 
Gods over LotlCs wgf ^ Luc. XVII: 32, 4. Be geschiedenis 
van den vervloekten vggenboom^ Mare. XI: 12, 14, 20. 5 
Bileams prophetie van den Messias^ Num. XXIV: 17. 6. 
Be onbestendig heil van alle vleesch^ en eeuwig duur entheit van 
het woord Gods ^ les. XL: 6 — 8, 7. Be gelijkenis van "'t op* 
wassend zaad uit de goede aarde. Mare. IV: 21 — 29. Arnb. 

1692 Amst. 1699 4o. Be tweede druk, merkelijk verbeterd^ 
nevens een zedige verdediging van de verklaring over Lucas 
XV: 11 — 32, tegen de zwarigheden geopperd door den heer 
Joh. Kreichton. Ook in H Duitsch vertaald. Rabus, Boek». 

1693 bl. 300 volgg. 

Ontleding^ uitbreiding en verklaring van den Sendb. van 
JPankis aan de Colossensen ende den CYII Psalm. Amsterd. 

1694 4o. Bibl. Brem. cl. III p Itl , met het J/scheid van 
Franequer^ de intrede tot Arnhem, de inhuldiging van J. Bo^ 
daan en den CXXVI Ps. in drie leerredenen verklaard en 
toegepast. Anst 1695 4o. Ook in het Hoofd. vert. Rabus, 
t. a. p. D. VI bl. 36 volgff. 

Be kerk in rouw , getroost over het smartelijk en weerga^ 
loos verlies en droevigst afsterven van de grootmagtigste vor- 



Digitized by 



Google 



288 

ttinne Maria^ Koningin van Engeland enz. uyt Mare. XIV. 
4. Amst. 1695. 

Honigraat der verdrukkingen^ ofle een hundelken van leer~ 
redenen over Rom. V. 3—5, Ps. XXX/X.- 10 en \CIF'. 
19. Sprekende van de verdrukkingen der geloovigen ende hun 
gedrag en vertroostingen in deaelve. Amst. 1697, 1700, 12o. 
en met J. Ia Placette, over *** gebruik en misbruik der ver- 
troostingen, vertaald. Amsl. 1719, 1720, 1742, 12o. Zie Ra- 
bus, t. a. p. D. XI bl. 63—69, Bibt. Urem. cl. V p. 513. 

Proefstukken van heylige minnebeelden^ met een breede in- 
leidivge over de veelheid^ grootheid en wysheid der werken van 
God. Fan de sinnebeeldige Godtgeleertïieid ende het sinneheel- 
dige der scheppinge. Den CIV Psalm Prophetisch en sinne- 
beeldig uytgebreid. Het tweede deel bevat Heilige versegelingen, 
ofte het verzegelde Fundament Gods^ over 2 lim. XI : 19, 
met een breede inleidinge^ waarin^ behalven eenig berigt nopens 
dit werk, verscheide saken en naleezingen, als ook eenige 
brieven van de heeren J. Gronovius, J. Perizonius en Th, J, 
ah Almel&oeen.^ tot nader ophelderinge van hetselve dienende. 
Nevens een Aanhangsel waarin breed pralig verhandeld en uit 
de ouwdheden opgehelderd worden Exod, XVII: 15, 17. Zoek. 
XIV: 20. MaLVf: 5, 6 en J^r. XXIII: 5, 6. Amst. 1701 2 
vol. 4o. Z. Ra bus Dl. XVII bl. 295—323. D. XVIII bl. 113— 
123. Kmst- en Letterb, 1842 bl. 393. 

Roosendaalsche vermaaklijkheden, of wegwyzer door de Heer- 
Ujkheid Roosendaal, Amst. 1700 4o. en 12o. Vermeerderd 
1712 12o. It. met nieuwe vermeerderingen en platen, Amst. 
1718 gr. 4o. 

Be wei'ken van Jean cTEspagne^ uitgegeven, met een brede 
voorreden en verscheide aanmerkingen van J, O. over dien 
schrijver. Utrecht 1700, 1731, 1732, 4o. 

Gods tabernakel onder de menschen, ende de heerlijkheid des 
zoons Gods^ over Joh. I: 14, mitsgaders het heilig Sabbath 
en Juleljaar^ over Lev. XXV: 1 — 13, het Alphahet der Gorf- 
saligheid, Amst. 1701 12o. 

Bijhelsche keurstoffen of schriftmatige verhandeling van 
eenige uitgelezene plaatsen der H. Schrift^ als Ps. CX: 3 
Judae VS. 3. Eph. V: 10, 17. Hoogl, V: 16. Eph. U: 13— 
16. Gal. V: 25. Ezechiel XVII: 22—24. Matth. IX: 37—38. 
Spreuk XI 30. Amsl. 1702 12o. 

Alphabeth der Godzaligheid, of den CXIX Psalm ontledet, 
verklaart en in rijm nagevolgt. Amst. 1701 12o. 

Het groote goed van Gods uitterkoornen ende Gods wonder^ 
bare goedertierentheden omtrent Nederland in den jare 1702, 
over Ps. XXXI: 20 en 22—25. Amst. 1702 12o. Met twee 



Digitized by 



Google 



S89 

toorèereidinff^ tot de openbare geèede» over Ezeeh. XXII: 
20. Amst. 1712, 1732 12o. 

Bybelsche keur stoffen^ of schriftmatige verhandeling over 
menige uitgelesene plaatsen der H. Schrift, Amst. 1702 l2o. 

Eben haezer, ofte gedenksteen der hulpe van Jehovah^ over 
t 8dm. VIII: 12o. Tweeden Eben haez(*r^ ofte de gedenksteen 
der hulpe van Jehovah uit Bent, XXXIII: 26; benevens eene 
waarschouwing tegen alle onmatige en sondige bhidschap^ uit 
^os. IX: 1. 2 D. 12o. Amst. 1702, 12o. 1704 12o. 

Redenen van Vreeze en Hoope^ in desen tpgeniooordigen 
Oorlog. Mitsgaders de hoope en vertroostivge der kerke^ nyt 
de Propheliscke schriften, van Mozes af tot de Openbaringe 
Johannes, Amst. 1703—1707 3 D. 12o. 

Afscheids-reede gedaan in de gemeente van Arnhem ende 
intreé-reeden tot de gemeente van Dordrecht. Amst. 1703 4o. 

Oratio inaug. de Nazeraeis. Dordr. 1703 4o. Ook in het 
Ncderd. door den schrijver zelvcn. 

Be ziflsopheffing van een godvruchtige Bidder en Dank- 
zegger tot Jehoza\ over Jer. XXV, CXVI, LXXXIII, XC en 
LXVII. Dordr. 1704 4o. verm. 1714 12o. 

Noodige Aanmerkingen op een boeksken, genaamt de eenige 
Gereformeerde waarheid,, uitgegeven door de sogenaamde He^ 
breen; met een Nareden tegen F. van Leenhof, Dordrecht, 

1704, 4o. 

Gods betuyging tegen Israèl Ps. LXXXl: 14—17 op onse 
tyden en seden gepast, nevens het Reukwerk van de gebeden 
der Heyligen, over Ps, CXLl: 2. Amst. 1704 12. 

Het slot van Beborahs Triomflied, Rigt. V: 31, Bene- 
vens een wensch en bede enz, voorgesteU op den algemeenen 
dank-' en bededag, den 20 van Louwmaand 1705, Dordrecht, 

1705, 120. 

Be kracht der Godzaligheid, ofte de ware Heilig hmakinge 
ffi kaar aart en nature enz. Dordr. 1705 12o. 

Brief van een vriend nopens het boek van Mr, de Jon- 
emrt, over de verscheide wyzen van "t verklaren der H. 
Sehrift; nevens een voorberigt en Joncwriiana. Dordrecht, 
1708 12o. 

Naberigt op het dank-adres van L, v, G. Dordr. 1708 12o. 

Kortbondig antwoord op het klaag --adresse van nur. de 
Joncourt, Dord. 1708 12o. 

Be droefheid die naar God is, ende de ware eelfwerloo- 
cheninge. Dordr. 1708 12o. 

Eerste beginselen der Goddelyke waarheden voor de kinae- 
ren in Jaaren en in verstand, te» deele getrokken mt de 



Digitized by 



Google 



390 

Béieta der waarheden en verrijkt met Hietorieche wage» moer 
het O. en iV. Testament Amst. 1696, 1411. 12o. 

Rabus l. a. p. 1696 bl. 351 volgg. 

Groote nuttigheid der cat^chisatien. Daarbij genoegt is een 
verhandeling van Stephanus Ganasenus^ over het regte gehrvik 
der sleutelen omtrent de kr anken ^ vertaalt en agtervolgt fnet 
eenige aanmerkingen^ omtrent de regte behandeling der kran- 
ken. Amst. 1708, 3e dr. 1714, 1742 12o. Dit werk wordt 
door de schrijver der Unschuld^ Nachrichten von alten und 
neue Theol, Sachen en door Koecher, Gesch. v. d. Hei- 
deló. Catech. zeer geprezen. 

Paulus laatste zegenwensch en Salamons Bedde bewaakt, 
Amsl. 1709 4o. 

Nederlands Bankaltaar voor de overwinningen hevogten in 
1708. Amst. 1709 12o. 

Christelijke Godgeleerdheid van Adam en Mozes^ benevens- 
het genaden Verbond aan Israël^ voorgesteld door J. d, O. 
Amst. 1710 l2o. 

Eerste beginselen der Goddelijke waarheden^ voor kinderen 
in jaren en verstand, Amst. 1712 12o. Middelb. 12o. 

De Frophetïsche Godgeleerdheid, Amsl. 1712 12o. 

Commentarius in quinque priora Capita Epistolae Pauli 
md Hebraeos, Amst. 1712 4o. 

De Sendbrief van Faulus aan de Uebr eeuwen cntledest, 
'Uitgebreid en verklaart. Amst. 1711 — 14 — 15 4 d. 4o. 

Het Fondament of de Godgeleertheid der Jposlekn, AjMt. 
1712 4o. 

Jesns Christus^ de Hogepriester na de wijze i>an Melchize- 
dek^ en het tegenbeeld van Jaron, Amst. 1713 12o. 

Dissertatio Fhilologico- Theol ogica de Melchisedecho , non 
Henocho : et observationes miscellaneae in selecta sacri codiois 
loca. Amst. 1713 12o. betreffende zijn twist met Uenricas 
Hulsius. 

Uitgegevene Tredikstoffen op verscheidene tijden eedert 
17C9 tot 1713 12o. 

De clangore Euangelico Dissertationes XV, Amst. 171 4^80. 
Boekz. der Gel. Wereld. Sept. 1715. Paquol T. 1 p. 441. 

De geestelijke tempelbouw uit levendige steenen ende het 
Christelijk Priesterdom^ over I Petr, II: 4, 6 ter gelden- 
heyd van de inwyinge van de hervormden kerk te Mansdorp. 
Amst. 1720 8o. 

De Tabernakel van Mozes^ en zijnen oorsprong ^ gestaUe^ 
eieraad^ voorbeeldig gebruik en geestelijke keduidems be- 
schouwt en terklaairt, met kopere plateti, Amst. 1715 12o. 



Digitized by 



Google 



291 

De Godvruchtige nachtmaalhouding door de heer Jeaa de 
la Placetle, vertaald door J. d. O. Dordr. 1715, 1716, 12o. 
^zie hel art. Flaceéte.') 

Campegiua Vitrlnga^ over alle de Evangelische Faraholen^ 
vertaald en door aanteekeningen opgehelderd. Amst 1715 4o. 
verl. in het H^d. Herborn. 1717 4o, Bibl. Brem, Cl. III p. 
287 Cl. VI p. 709. 

Korte schets van de Christelijke zaedeleer^ ofte van het 
Geestelyk leven; door de heer C. Vitringa^ vertaalt door 
J. d. O. Amst, 1717, 1718 12o. (I^at.) Francq. 1716 8o. 
Bremae 1717 io het Fr. overgezet door D. Li mier es. Amst. 
1727 8o. 

Gottden kleinood van de leer der waarheid^ mervat in de 
Heidelóergsche Catechismus, Amst. 1709 4o. 1724 4o. met 
amteekk, van Fred. Adolph Lampe 1762,80.1735,1770, 
4o. (voor de negende maal}. Bremen, 1721 in het Hoo^d. 
door H. G. Tegel er. Zie Koecher, bl. 322 BihL Brem. 
bl. 11 p. 293, 771, 895, bl. IV p. 1070, 1071. CL V. p. 
326. 

Godvruchtige zielsbetrachting voor^ onder en na het -ff. 
Avondmaal des Heeren in eene verklaringe over Ps. XXIII. 
Dordr. 1721 12o. 1732 12o. 

In de Bibl. Brem. 

Dissertatiunculae in Jerem. XXX: 21 'Cl. 1 p. 1 — 12. 

Bisser latio Philologico-Theologica de piscina Bethesdaea 
ad Joh. V: 1—5. Cl. I. p. 475—509. 

, de velandi capite «a- 

liebri, propter Angelos^ ad locwn I Cor. XI: 10. Cl. lÜ p. 
35—73. 

Be loco Actor. XIII 82. Biseeptatio Epistoluris. Cl. II p. 
711—728. 

Stricturae ad hinas Upistolas airi eyjusdam ctar. de Md- 
ehi'sedeco. Cl. III p. 858—871. 

Bissertatitmculd in locum L'atth. VIII: 2, de accuhitione 
gentium in regno coelorum cum Abrahamp^ Isaaeo etJacobo. 
€1. III *p. 1049—1060. 

Jnnotationes ad locum I Pet. II: 24. Cl. IV p. 130—141. 

Specilegium de indutione Christi^ ad ioca Bom, XIII: 14 
et Gd. IlI: 27. Cl. IV p. 384—347. 

Diatribe 4e Fhrasij in epilogis JEpist. Jpocalypt, Cl. lY 
p. 603—629. 

G. Croesii JSpist. iid Cl, V. J. d, O, in gua e^pUemntmr 
■énteripüoneê ^ quae in /emorièus iounoulae tüetustacj ex Bihl. 
Mittiana depromtae , ^cmsgxicimniur. 



Digitized by 



Google 



t9f 

Diaceptio Epiatolaris inter tiros élar, Jae. Perisonium ei 
J. d, O. in Bibl. Brem. Cl. II p. 711 seqq. 

Theodori Jaassonii ab Almeloveen , Epistola ad J. d, O. 
in qua multa S, Scripiurae loca illustrantur^ in Biel, Brem. 
1. III p. 230—253. 

Epistolae conlinenteê ohservationes quaadam ad fraciatum 
d'Outreinii de Tabemaculo Dei inter kotnines. Joh. I: 14 
epectantia. 1. c. p. 1085 — 1092. 

Bpiatola de loco Cant Cl. Y. p. 989 -996. 

Arrenberg vermeldt nog: 

De bahem Giliads voor de breuke van de dochter Zions^ 
uit Jee. VIIl: 12, mitsgaders over Luc. XI: 5: 8. VI: 11 — 
13. XVIII: 1—18. Amsl. 1712, 1742 8o. 

Gezangen of nuttige bestedingen der afgebroken uren, Amst. 
1717. 

Jehova de Baniere van zijn volk. 4o. 

Over de vergeving der zonden. 8o. 

De Heidenen met de joden vereenigd. Amsl. 1691. 

De ware oorzaken van de rampspoeden des jaars 1707. 
Leyd. 174. 

Zie Ypey en Oermont, Oeich, d, Herv. Keri p. IT bl. 628. D. 
III bl 315; Ypey, Otseh, d. Chr, Kerk in de XVIII eeuw J^ . 
VIII bl. 40 volgg. bl. 699—603; Paquot, Mém, T. IV p. 427— 
487 8o. Tom. I p. 438—442 fol. Bibl, Brem. Cl. I p. 141—151; 
La Rae, Gel. Zeel. bl. 77—85; Boekz. v. Maart. 1722, 351 volgjr. 
cl*0 n t r e i D , over den XXIII Psalm, zijne aoondm€uilpredikalien, tweede 
druk verm. m. h. leoen v. d schrijver. Dort. 1753; Lijst van aüe 
de schriften, uitg. van 1681—1720, door J. éCOutrein, Gedr. te Jm* 
sterdam bij J. Èorstius ; de Jong, Naaml. Geld. Syn; yan Kam- 
pen, Geseh. d. Lelt. en Wetens. D. III bl. 133; Vriemoet» ^M. 
Fris. p. 893; Arrenberg, Naamr.; Brans, Kerk Reg. bl 3; M. 
Veeris, Chr. Eccl. p. 43; Koecber, Catech. Eist der Qeref. 
kerk bl. 266; van Alpen, Geseh. v. d Ueid. Cateeh. ; Scbotel, 
Gesch. V. d, Heidelb. Catech.; J. Ie Loog, op Bademakers Kabi- 
net D. VI bl. 213, Croese, Kerk. Reg. der pred. van Jmsterd. ; 
Wagenaar, Jmst. D. VII bl. 492; Willink, Mengeip. bl. 181; 
Witien Geyabeek, B. J. C. Woordenb. D. V. bl. 27; Hoog- 
straten, Kok, Nieuwenhnis, Kobus en de Riyecoart« Scho- 
tel, Kerk. Dordr. 1>. I bl. 120 volgg., Giasins, Oodel. Nederl.; 
Bonman, Gesch. der Geld. Hooges. D. II; Mnller, Cat. vam 
Fortr.: Bibl. Te Water T. II p. 15; Bibl. J. Koning D. I U. 
87; Jöcher, Adelnng en Botermnnd. 

OüTREIN (Gbertbüid d'), ^eb. Sluiter van Wezel, hiiis- 
TTOuw van den vorige, waarmede hij In 1689 te Franeker 
in den echt trad. Dit huwelijk werd door van der Meer vaa 
Houten, van Leeuwarden en andere dichters bezongen, 
doch bleef zoover bekend is, kinderloos. 



Digitized by 



Google 



993 

Zij ^f in het licht: 

Verhandeling over 't geestelijk leven. Amst. 1742. 
Verhandeling tem 7 geestel^k huwelijk en H lijden van 
^eeu Christi. ütr. 1748 8o. 

Zie Schotel, Kerk. Dordr, D. Il hl. 150; Jöeher. 

OU WATER Qzaar} een tamelijk ervaren teekenaar êik 
schilder van stadsgezigten , werd in 1747 te Amsterdam ge- 
boren. Op "'s rijks maseum te Amsterdam zijn twee schilde- 
rijen van hem aanwezig, als de onvoltooide toren der Nieuwe 
kerk en de 8t» Anthonie-waag te Amsterdam. 

Hij overleed aldaar in 1793. 

Zie Immerzeel en Kramm t. a. p. 

OUWATER (Jacob), in Zeeland geboren, woonde een gemi* 
men tijd te *s Hage en vertrok van daar naar Middelburg. 
Hij was in 1754 lid der confrerie-kamer Picture te ^s Hage en 
schilderde, behalven bloemen en vruchten, ook landschappen. 
Kramm vermeldt van hem een gezigt tan buiten te zien 
naar een der punten van eene stad^ gestoffeerd met verschei- 
den beeldjes en verder een bevallig verschiet, alles helder, 
krachtig en uitvoerig. 

Zie Immerzeel en Kramm. 

OOWATER (Albert van) werd te Haarlem in het laatst der 
XlVe eeuw (volgens Zani in 1374, Balkema in 1360, Im- 
merzeel in 1444) geboren. Volgens Nagler was zijn werk- 
kring tusschen 1400 — 1440, ea hij een tijdgenoot, doch ouder dan 
Jan van Eijck. De eenigste die ons een naauwkeurig berigt 
nopens hem geeft is van Mand er en na hem Kramm. Hij 
was een der eersten die met olieverw schilderde, en vervaar- 
digde voor de Pelgrims-kapel in de groote kerk te Haarlem , een 
St. Petrus en Paulus, levensgroot, staande in een bekoorlyk 
landschap, in hetwelk men op eenigen afstand reizigers en 
pelgrims ziet, die uitrusten of zich met spijzen verkwikken. 
De omtrekken er van waren zuiver, de draperien schoon en 
het landschap, waarin hij, volgens van M a n d e r, het eerste nit- 
mnntte, een meesterstuk. Zijn opwekking van Lazarus werd 
algemeen bewonderd, en door de Spanjaarden bij het innemen 
van Haarlem , geroofd, doch zijn beroemdste schilderij is het laat- 
ste oordeel in de St. Maria kerk Ie Dantzig. Kramm zegt 
dat dit stuk van een uitvoerige compositie is, en zóó juist 
gedacht dat er fragmenten van worden aangehaald, om tot 
voorbeeld van de volledigheid dier voorstelling te dienen, zoo 
als in het Conoeraations Lexicon för bildende Kunst «. ». w. 
Uipzig 1830 op het art. Engel. 



Digitized by 



Google 



294 

Te Weenen berust van hem de koperen slan^, Christus aan het 
kruis en Esrtier voor Ahasveros (een leekening'). Hel stedelijk 
Maseum te Keulen be^it van hem de afneming van het kruis. 
Vroeger M^erd Christus van het hrms afgenomen te Weenen 
aan J. v a n E ij ck toegeschreven,doch wordt thans voor het werk 
van On water gehouden. Morel li noemt eenige landschap- 
pen van Alberti de Olanda, vroeger in bezit van den 
kaFctkiaal- Grimano. Zijne beeldtenis komi voor bij van 
Man der, naar een zeer oude houtsnede, die aim Lonren» 
JftnazooD Coster wordt toegekend. 

Zie V a n M a n d e r, Schilderboeck bl. 205 ; Annalen der Niederl. Mahh- 
lerci (Gotha 1844) S. 121—124; Kunstblatt 1841 No. 10 bl. 39; Mo- 
relli, de anonyme reizigers bl. 76; Biogr. Univ.; Biogr. Gén^.; 
Pelkington, Dict. of painters; Descamps^ les vies des peintres Hott , 
T. I p. 6; Immerzeel, Kramm, Kobas en de Ri?ecoart. 

OÜWEJANS (Jacob) geboren te Zaandam, waar hij het lec- 
raarsambt bij de Doopsgezinden bekleed heeft. Van d«Br ver- 
trok hij naar Dantzig, waar hij beroepen was. Toen hij in 
1741 tot de volte bediening bevestigd was, waren in die 
gemeente verdeeldheden ontstaan welke hij mogt bijleggen. 
Hij bleef daar slechts zes maanden en aanvaarde toen' de dienste 
te Rotterdam. Hij was een ijverig voorstander va» de gevoe- 
lens der Zonisten. 

Hij gaf in het licht: 

Lykrede op prins Willem IV, Rott 1752. 

XI Leerredenen over het verloren schaap^ den verloren? 
penning en den verloren Zoon. Roti. f76 ƒ . 

Simons tempelvrcugd ter gelegenheit der inwijding van de 
nieuw herbouwde Mennoniten kerk te Rotterdam, Rott. 1775» 

ZieBIaupot ten Cate, Gesohied. der Doopsgez. in Holland D. 
II bl. 185; Glasiua, Godgel. Nederl. ; Arrenberg, Naamr, bl. 
398; Adelnng en Rotermund. 

OüWENS (RüTGERüs} werd in 1692 geboren, wa* rector 
te Alkmaar, vervolgens te ^s Hage en overleed 18 Jan. 1 780, 
in den onderdom van 88 jaren. 

Hij schreef: 

De Nemesi Thidiaca, Alcm. 1733 4o. 

De antiqwy Foëla Musa^o, Ibid. 1734 4o.. 

De difficfiMatihus qmhusdam disdpUnae Süholasstdcae'j 00- 
rumfue remediis, Hagae oom. 1735 4^*. 

Oratio demonstrans Bypothesin Ptolemaicam de currente 
sole Sacris Literis esse contrariam , sive curstim solis secun- 
dum hypothesin Ftolemcdcam male defendi ex libri Josuae cap, 
X VS. 12 ^ 13. haèita Hagae Comitnm a, d. 6 Sept, 1?68l 



Digitized by 



Google 



295 

^ttifi soltmnis Discapulorun in Sckola Laüna cetehvare^r 
promotio in Bibl, Hag, CL V. p. 149 seqq. 

Disquisitio unde^ matata in sanguinem iussu Dei omni Ae- 
gyptiorum aqua^ nanoisci aquam Magi potuerint^ quam et 
ipsi in sanguinem mutarint ad Exodi VII: 17. Tars prior 
in S^mh, Lat, Rag, Hagae com. 1778 67. 1 fase, II Tars. 
posterior, Ibid. fase, III p. 469 s. 

Redevoering betogende dat de stelling van Ptolomeus aart" 
gaande het loopen der zonne strijdig is tegen de schrift^ of 
dat men de stelling verkeerdlijk tracht te bewtjsen uU ^osua^ 
X; 12, 13. \ Hage 1779 8o. 

Onderzoek van waar de to over aars van Fkarao waiet fcrè- 
hen kunnm bekomen om hetselve in bloed te veranderen, 's 
Hage 1779 8o. 

Na zijn dood verschenen: 

Noctes Haganae^ sive observationes ^ in ^ibu» multiffHere» 
seriptores illustranlur, Francq. 1780 4a. 

Hij slelde dit werk in slaaplooze nachten ten gevolge van 
het gebruik van het laudanum Sydenhami op en gaf het ia 
90jarigen ouderdom, op raad vaa Janus Grotins, advocant 
te 's Hage, in het licht. 

Zie Bihl. Crit. p. VII p. 91 seqq.; Sax e, Onom. p. VI p. 498 { 
Ai renberg, Naaml, p. 398; Dict. Univ. i, v. Poot, Oedicht. 
D. II bl. 435; Slichtenhorst, Tooneel. van Gelderl, bl. 38. 

OÜVVENS (WiLHELWs) in 1717 Ie Delft geboren , werd jur. 
ulr. et med. dr. en in 1749 hoogleeraar in de geneeskunde, 
chemie en botanie te Franeker, was sedert 17ö3 profes- 
sor honorarius en archialer Frisiae en overleed te 's Hage 
15 Blaart 1779. Hij schreef de opera medici ad longaevitatem 
kominum plurimum conferente. 

Zie Adelang eo Rotermand, JSoekz. der Qcl. Wereld \TISk 
4o. bl. 535. 

OÜWERKERK Cz. (Jan van) werd den 15e Augustus 1774 
te Middelburg geboren. Zijn eerste onderigt genoot hij aan de 
teekenacademie aldaar en behaalde in het teekenen naar het 
naakt model den gouden eerepenning. Vervolgens ontving hij 
tot onderwijs van Mariuns Piepers. Hij schilderde zee- en 
stroomgezigten. 

Zie Immerzeel> t. a. p. 

OÜWERKERK (Hendrik van) Zie Nassau. 

OÜWERKERK DB VRIES C^* ^an) werd geboren te 



Digitized by 



Google 



m 

Tot den koophandel opgeleid, was hij jaren achtereen een 
sieraad der Amslerdamsche beurs. Later zich aan hel koop- 
bedrijf onttrokken hebbende, vestigde hij zich te Zeist, 
waar hij zich met zijne gelief lioosde letteroefeningen , tot de 
staathuishoudkunde en eene grondige kennis inzonderheid van 
den vaderlandschen koophandel belrekking hebbende, bezi^ 
hield. Een schoons vrucht van deze oefening verscheen in 
1827 in zijne Verhandeling over de oorzaken van hei verval 
en de middelen tot herstel van den Nedertandscken koophan^ 
del, ten antwoord dienende op eene vraag, over dit onder- 
werp door de Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem 
voorgesteld, welke dit antwoord met den gouden eereprijs 
bekroonden. Behalve deze verhandeling gaf hij nog in het licht: 

Wat is waarheid? wat moet men vreezen? wat mag men 
hopen? of de omwenteling van Nederland van 1813, onpar-^ 
tijdig beschouwd, en de daarvan verwachte en tot hiertoe 
verkregene gevolgen; en: welke belastingen zouden toch wel 
de beste zijn? een vervolg (^daar)qp. Amst. 1819, 20 2 st. 8<k 

Onpart, beschouwing van den toestand des koophandels 
binnen de vereenigde Nederlanden^ in brieven {l — YIII) Amst. 
1819, 1820. gewigtige aanm, medeged. aan den schryver van 
de Brieten enz. door een regtsgel. 2e dr» Amst. 1819 8o. 

Handel en N^verheid, of proeve om derzelver uit- en in^- 
heemsche belangen in overeenstemming te brengen. Amst. 1834 
8o. 

Br. O. K. Nahuijs, schets van Benkoelen , op de Westkuêi 
van het eiland Sumatra (medegedeeld met eene voorrede en 
aanteekk. door J. v. O. d. V. (Amst. 1826) 8o. in Mag. 9. 
wetens., kunsten en Letterk. D. VI st. L 

Nog iets over de doodstraf. (^Amst. 1839 8o.) het Men- 
gelw. der Vad. Letteroef. 

Het godsdienstig onderwijs der Negerslaven en de bloei 
der kolonie Suriname in groot gevaar. Amst. 1840 8o. 

Ferhand. over den omgang met menschen , of Proeve van 
beantwoording der Vraag over het al of niet geoorloofde^ 
om zich^ ten einde in den omgang bemind te zijn, eenigermate 
naar anderer smaak en denkwijze te schikken enz. Amsterd. 
184)0 in den Volksbode. 

Oowerkerk de Vries was lid van het Ulrechtsch Ge* 
nootschap van Kunsten en Wetenschappen en van de Maats, 
van Ned. letterk. te Leyden. Hij stierf in Oct. 1842, in den 
ouderdom van 72 jaren. 

Zie Siegenbeek, Handel, der Jaarl. vergt . der Maats. 0. Ned. 
Letterk. 1843 bl 9; l)ez. io Komt- en Lelierh. 1828 D. I bl. 
147—168, 165—174; Cat. d. Maats. v. Ned. Letterk. D. Il W. 
88, 05, 178, 174, 451, 468, 468. D. III bl. 880. 



Digitized by 



Google 



S9T 

OUWBNDIJK (Cornbliusvan), gaf in het licht: 

Admodiatie^ — Foorsêel van Zevenhuizen, begrijpende een 
Eequeste^ mitsgaders memorie of nader berigt aan de Ede^ 
Groot Mog, Heer en Staten van Holland en West- Friesland 
gepresenleert ^ en overgeleverd, by of van wegen den Heer^ 
mitsgaders Schout , Amhagts-bewaarders en Gezioorens van Ze- 
venkuisen; als mede de meeste en breedste geerfdens en in^ 
gelanden aldaar. Bij welke haar Ed, Groot Mog. worden ver- 
zogt met de Supplianten aan te gaan een contract van 
Admodiatie van alle impositien en accgsen over haar luider 
ingezetenen^ en waren van turf en andere. Waarby gevoegd 
is een tweede memorie jnet verscheide andere stukken, mede 
tot die materie dienende^ werdende daarmede aangewezen^ het 
groot verval door het onbehoorlijk verveenen der landen. De 
middelen omme '< zelve voor te komen. De verzekering voor 
den Staat van een altijdduerig genot harer verponding^, en 
andere lasten. En voorts het voltrekken en gevolg van een 
considerabele dykagie. Alles tot een overgroot voordeel zoo 
voor 7 gemeene land^ als particuliere plaatsen en personen^ 
die hun met de veenderij in Holland generen. Bij een ge- 
bragi door C v. O. Te Rotterdam bij Pieter van der 
Seaart 1694 in fol. 

Zie Rabus, Boekz. v. Europa 1694 l>. bl. 353, 354. 

OVENS (Juriaen), kunstschilder, wieos geboortepl^iats , vol- 
gens den een Amsterdam, volgens den ander Frederikstad was, 
gelijk ook zijn geboorte- (1600 of 1620) en slcrrjaar (1668 
of 1678) onzeker bleven. Zeker is het dat hij in 1675 nog leefde, 
blijkens een altaarstuk van zijne hand van dat jaar. In de Dom 
kerk te Sleeswijk vindt men schilderijen van zijne hand get. 
1644 en 1670. Hij volgde in zijne historiën en nachtlichteA 
den krachtigen stijl van Rembrandt, in wiens schq^l hy 
was opgekweekt, gelukkig na. Voor de gallcrij van het 
Amsterdamsche raadhuis schilderde hij een kapitaal stuk, 
voorstellende de zamenzwering der oude Batavieren in het 
Hertog of Schakerbosch ^ op het oogenblik dat Claudius 
Cevilis de voornaamste krijgsoversten en edelen, op een 
gastmaal genoodigd, tot het besluit beweegt om het Romein- 
sche juk af te werpen. Ook heeft men fraaije portretten van 
hem. 

Ovens beoefende ook de graveerkunst. Zeer zeldzaam zijn 
<ie prenten voorstellende de inwijding der universiteit te Kiel 
voorkomende in Academiae Kiloniae fundatae ejusdem inau- 
gurationis panegyrica descripta. Auctore A. J. Torquato en 
van Adotph Kielmann , Oottorpp^ scher Kanzler; een walvisch 
waarop vier personen aanwezig zijn. In de Pinakotheek te Nunchen 
vindt men onder de werken van Gerard Dou de 4fbeeldin§ 



Digitized by 



Google 



298 

van een ouden kunstschilder voor zijn ackUdencerk gezeten y 
die voor het portret van Joriaan Ovens wordt gehoadea» 
Het komt ook voor bij Hoabraken en Descamps. 

Zie Houbraken Immerzeel, Kramm, Kok; Wagenaar, 
Amst. D. VII bl. 44. 

O VERBEEK of OVERBEKE (Bonaventura van) vrerd in 1660 te 
Amsterd. uit goeden huize geboren, ontving een zorgvuldige opvoe- 
ding, en heeft waarschijnlijk Gerard de Lairesse tot leer- 
meester in de leeken- en schilderkunst gehad. Tot drie keeren 
reisde hij naar Italië er verzamelde te Rome een menigte teekenin- 
gen en oudheden, statuen en andere kunstwerken, deels door 
hem zelven, deels door anderen, die hij in dienst had, ver- 
vaardigd. Van deze benevens van de boetseersels en afgiet- 
sels, die hij uit Rome medebragt, bediende hij zich naderhand 
tot hel zamenstellen en graveeren van zijn bekend plaatwerk 
Reliquiae antiquae Urhis Romae, Amst. 1708 3 vol fol, ook 
in het Fr. Lee restee de Vancienne Rome, Amst. 1709, La Haye 
1763, in 3 deelen, Atlas formaat, door zijn neef en erfgenaam Mi- 
chiel van O verb eek bezorgd. Hij overleed, tengevolgezijner 
ongebonden levenswijs te Amsterdam in 1706. Zijn portret/. C. 
Ie Blon pinx, C. Vermeulen sculp vindt men voor hel aan- 
geh. werk en bij van Gooi, Kunstschilders en schilderessen 
D. I bl. 154 volgg. 

Zie Immerzeel, Kramra, Kok Mém. de Trevoux y Juin 1708 p. 
1093; Le Clerc, Bibl, Choisie T. XX p. 1—22; Paqnot, Mém, 
T. I p. 338, 330; Saxe. Onom. T. V. p. 398; Wagenaar, Amst. 
D. XI bl. 432; Jócher, Rotermund. 

OVERBEEK (Leendert) werd le Haarlem geboren, en ont- 
ving het onderwijs van Hendrik Meijer, was in 1775 en 
eerstvolgende jareo medebestunrder van de Haarlemsche tee- 
kenakademie, waarbij hij eenige redevoeringen heeft gehouden 
die in druk zijn verschenen. Hij was de uitvinder der kunst 
om met goud en zilver op glas te teekenen en te etsen, 
waarvan nog eenige proeven aanwezig zijn, doch deze bewer- 
king ging met zijn dood te loor. 

Hij schilderde behangels en zaalsieraden , teekende fraaije 
landschappen en boekplaaljes. Behalve twee naar zijn eigene 
teekeningen gegraveerde prenten, looneelen voorstellende uit 
de verwoesting in 1807 te Leyden door het springen van een 
schip met kruid aangerigt, heeft men van hem: 

6 stuks Landschappen met boerenwoningen en figwen, 4o. 

6 stuks idera met dieren en figuren in fol. 

6 stuks idem en Geugten bij Haarlem mei stoffagie, met 
onderschrift, 1791—1793. 

Twee kleine Landêchappen met hutten enz. 



Digitized by 



Google 



299 

De gestrande zeevisch^ tusschen Wijk aan Zee en Zand- 
*voort met veel figuren ia fol. 

Hij overleed te Haarlem den 24 Maart 1815 in den oa- 
derdofQ van 63 jaren. 

Zie Kunst- enZetterh, 1815 D.I bl. 104; Immerzeel en Kramm, 
Kobos en de Rivecoart. 

OVERBEKE (Aernout van), werd in 1632 Ie 's Hage ge- 
boretr, verkreeg den titel van meeseer en vertrok i» \%%9 
naar Batavra om zijn fortuin te beproeven. In 1672 was hij 
commandeur en opperbevelhebber der O. I. retoun^Ioot en 
overleed in 1674. Hij was tijdgenoot van Focqenbro<ch 
en vervaardigde gedichten in dezelfde smaak als deze. Zij zijn 
luimig en niel zonder vernuft, doch hebben overigens dezelfde ge- 
breken als die van den genoemden dichter. Zijne tijdgenoolen wa- 
ren zeer met zijne gedichten en geestigheden ingenomen, blijkens 
de vele uitgaven, die er van bestaan, en hielden zijn Zegezang 
op de verovering van 't egiant Funen 1 659 voor een proefstuk in 
het heldendicht. Hij beoefende ook, doch minder gelukkig, de 
Latijnsche poëzy. Zijn portret vindt men vóór zijne R^m- 
toereken^ door 11. Caude gesneden. 

Men heeft van hem: 

Geestige en vermaecJclijeke Reijsèeschrijving naar Oost^ht" 
dien in 1668. Ook gedrukt achter zijn Rijmwerckenu 

Rijmwercken. Amst. 16.. f 2e of latere druk.} 1678 Gees- 
tige werken^ bestaende in Liederen en Gedichten; nevens sgn 
vermaeckelijcke Reys naar Oost- Indien, Met groote moeyte 
hg een vergadert^ ende in "'t licht gehracht\ 1696 (Zesde dr.) 
1699, 1699 (9e dr.) 1701 (8e dr.} 1719. 

Het gedicht Victory vreugt over een glorieusen en welge- 
lukten aenval op de Engelsche Oorlogschepen in hare eygene 
havens, 1667 enz. is ook gedrukt in het V'erheerlijkt Neder- 
land bl. 38, 39. 

De Psalmen Davids in Neder d. rijmen gestelt door A, t?. 
O., op deselve wijzen,,, en getal van sangversen,, als die in de 
Gemeenten in NederL de confessie van Aug^hurg toegedaan^ 
toerden gesongen: de sang nooten op ontelbare plaatsen 'ver- 
betert; als oock alle de Lof sang en enz, met eenige nieuwe 
Liederen vermeerdert, Amst. 1663 4o. 

Deze berijraing werd vervaardigd met het oogmerk om de 
verouderde berijming van W. van Haecbt te vervangen. 

Zie Witsen Geysbeek, B. A. C, JToordenb, D. V bl. 26,27; 
J. vaa I peren, Kerkel. Eist, van kei Psahngen, D. I bl. 183; 
Andriessen, Aanmerk, bl. 187; van Gooi, Leven d^ St'hild, D. 
I bl. 155; L. V. d. Boa, Toon. des Oorlogs D, I bl. 330; voorr. 
der Bifmwercken (1709)^ Cat. d. Maats, v. Ifed, Letterk. B.' I. W. 



Digitized by 



Google 



300 

171, 244. T). II b1. 529, Muller, Cat, v, JPortr.; Kobas en de 
Riveoourt. De wandelende Ueize door gantseh Zuid'HoUand D. II 
U. 120 ?ülgg. 

OVERCAMP of OVERKAMP CHetdentrijk) , geb. te Koe- 
vordcD, Pbil. et Med. doclor te Harlingen en Hoorn, volg^ens 
Joch er te Amsterdam, was even als zijn vertrouwde vriend 
B o n t e k o e, „een Cartesiaan en verachter van Aristoteles/* 
bloeide in de tweede helft der 17e eeow. Er zijn van hem 
twee portretten gegraveerd, één in vroegeren, in 8o., één (door 
A. Haelweg) in lateren leeltijd in 4o. Zijn zinspreuk wat 
modeste et vere. Hij overleed in Amsterdam den 22 Jaly 
1693 en schreef: 

Be gangraend ei Sphacelo, L. B. 1677. 

Medicina Fkarmaceutica. Brux. 1681 fol. 

Bericht van het leven en doot van Cam. Boniekoe. Amst. 
1681 4o. 

Oeconomia animalie^ door Joh. Schrbijer, overgezet met den 
Utel: 

y^OründlicAer Unterricht von der Oehurt^ Nahrüng nnd 
Wachathum des Menschen, 

Nieuwe beginselen der genees- en heelkunsi. Amst. 1682. 

Nieuw gehmiw der Chirurgie. Amst. 1685 8o. In het ilgd« 
overgezet door Joh. Schreijer 1689. 

Verhandeling van de pokken en haar geneesinge, Amsterd. 
1685, 1695, 8o. 

Verval der Chirurgie, 8o. 

Nader ondersoeck over hei tweede Deel van de Beginselen 
der ïVyshegeerte van Rem, Descartes waarschijnlijk hetzelfde 
met over de wijsbegeerte van Descartes, Amst. 1685 8o. 

De Gereformeerde of verbeterde geneeskonst, waarin het 
onderscheidt van de oude en tegenwoordige Fraclijk werd 
aangewezen. En leerende^ hoe de eerste gebreklijk en in de 
meeste deelen schadelijk^ soowel voor de gesonde en ongesonde 
stand van H Ligchaam is. Daar de laatste ontdekt^ hoedanig 
dat alle innerlijke geneeslyke siektens, sonder antimome em 
quiksilver^ door vlugtige en- vaste souten ^ geesten^ oliën ^ ex- 
tracten van saden , hruyden , wortelen als mede gommen em. 
veilig sonder eenige alteratien in U ligchaam te brengen^ en 
verlies van kragten genesen konnen worden. Ie Deel verkan- 
delende de opkomst, voortgang en de geneainge van de siek- 
iens des Hoof ds. Amst. 16S6 4o. 

Alle de Medicinale, Chirurgicale en Pkilosophische werken 
van H. O. M, />. , bestaande in de Nieuwe beginselen tot de 
genees-» en^ keelkonsi^ ontdekkende de^ voornaamste bewegingen 



Digitized by 



Google 



sot 

Ml bedieningen der dierlijke huiaJwuding in "s menleken lig^ 
chaam: steunende op de gronden der Fermentatie^ en deze 
op die van Benatua Descartes: nevens een verklaring over 
de doonoaaeseming van Sanctoriua en nader onderzoek over 
'l // Deel der teysbegeerte van H. Bescarées, Amsl. 1696 4o. 
HoorD 1719 4o., in het Hgd. Leipzig 1705, 1720 4o. 

Zie Rabns, Moekz. v. Europa 1694 6 bl. 433, 455; Bihl. Med, 
€. H. ^ Boy. T. II p. 904, T. III p. 1034; Abcoude, Naamr, 
bl 70; Arrenberg, Naamr. bl. 398, Cat. Bibl. Jmsterd. D. V. 
bl. 164; Jöcher, Rotermund. 

OVERDATS (Lodewijk), med. dr. omtrent 1630 te Engien 
geboren, was lijfarts van den markies Castello Roderici 
Ie Brussel en overleed omtrent 1682. Hij schreef: 

Kort verhaal van de peate met kaere geneea-middelen, dien- 
êtigh voor alle aerme menachen, Brussel 1668 12o. 

Zie Foppens, Biel, Belg, T. II p. 835; Jöcher, Rotermond. 

O VERDIEP (A. A.), in 1822 te Heereveen geboren, uil- 
stekend violonist, leerling van J. van Bree. Hij was adjucct 
directeur van Caecilia en overleed 31 Mei 1852. 

Zie Gregoir, Biogr, dei Art. Mus, p. 141. 

OVERDORP (^Elisabeth Maria.) Zie Post. {Eliaabeth Maria,) 

OVERDORP (JusTUS Lodewijk), predikant te Sassenheim en 
Noordwijk-biunen , later te £pe« waar hij in 1826 emeritus 
werd. Hij overleed te Zulphen 15 Junij 1844 in den ouder- 
dom van 82 jaren. Hij was voor de tweede maal gehuwd met 
B. M. Post (^die voorafgaat). 

Hij schreef: 

Verhandelingen over de Prophetien van het O. T. Amsterd. 
1838 3 d. 8o. 

Zie Boeig, d. Gel, Wereld 1844 bl. 00, 94. 96, 97. 

OVERDORP (K- B. L.) 

schreef: 

Eet gebruik van den Hefboom (vectia ) in de verloskunde 
van den tegenwoordigen tijd vergeleken met dien van vroeger 
ti'den in Schei- Artaeneimeng, en Naluurk, Bibl. door B. Mey- 
Huk. 1S30 Dec. bl. 542. 

Iets voor liefhebbers der Osteologie. T. a. p. Hei 1830 
W. 197. 

Nieuwe Gedachten over tekere plaats hebbende omatandig^ 
heden Lij de dierl^ke voortleling. T. a« p. 1830 » Kov.bl.497. 



Digitized by 



Google 



803 

Zie Holtr.op, Bibl. Med. et Chir. p. 271. 

OVERDÜIN (J.), apotheker en cbemist te Breda. 

schreef : 

3 Scematische en anatomistische verhlarwg der onderschei- 
dene theorien van de lereidinf/en uit de Nederlandsche apo^ 
theek; tot spoedig en gemakkelijk onderwijs voor leerlingen 
Dordr. 1835 8o. 

Iheoretische verklaring der voorkomende bereidingen in de 
pharmacopaech Belgica , ^voorgesteld in vragen en antwoorden , 
bevattende een aantal aemische verhoj? delingen^ ten dienste 
van de zoodanigen^ welke zich voorbereiden tot het afleggen 
aan examen. Dordr. 1825. 

Leere der scheikunde lijzonder wat de eigenschappen en 
verhoudi'Mien van de hestanddeeltn der ligchamen betreft^ 
aangemeten aan den tegenwoordig en toestand der wetenschap^ 
pen in het electrochemisehe tijdperk, Breda 1826 8o. 

Zie Holtrop, Sibl. Med. ac Cfiir, p. 273; van Cleef, Nttaml, 
V. Boek.; C. H. k Roy, Bibl. Med. T. II p. 819. 

OVERÖUIJN (C. A.3 schreef: 

DissertaMo med, de Syphüitide vnfeaéum, Gfoq. 1819. 

Zie Holtrop, Bihl. Med, ac Ckir. p. 273. 

OVERGAAÜW PENNIS (C.) ^eb. te Delft an 1765eni8lsoud- 
burgemeester van die stad, 30 Jan. 1843, gestorven schreef: 

Diss, juris publiai Belg, de antiquisstimo privil. urbis Del^ 
fenns. froj. ad Bhen. 1786 4o. 

Zie Cai, d. Maats, v, Nederl, Zetterk, D. II bl. 125. 

OVERLAET (^Anthonte), bakker te Antwerpen in de 2de 
helft der 18e eeuw, hanteerde de teekenpen, verslond de 
kunst met pen en inkt prenten zoo na te maken, dat de kopy 
van het orgineel mocijelijk is te onderscheiden, en heeft 
daardoor mienigen liefhebber verschalkt. Zoo lieb ik, verhaalt 
Kramm, in de verzameling van wijlen den heer Six van 
Hillegom, te Amsterdam, gezien eene els van Hefn brandt^ 
j^ljnde het portret, zoo ik het niet heb, bekend cwder den 
naam van .advokaat Tolli^g, waar bij de kepy door een 
ËftgEelseh kfMtötenaaf, zeer bedri^elijk nagemaakt, was ^- 
voegd, eoodat het genoegzaam CMMnogelijk werd, eenig ooéer- 
scheit in beiden te kunnen ontdekken, voor welke zeldxane, 
ja, éénsge proef vao deze volmaakte knostverlooting door den 
heer Six meer dan het dubbele der waarde van het origineel 
is JbetaaJd. ik tezit van Overlaet eene op dezelfde wijze 
«rervaaMK^de |>renlteekening , synde de doek s>m Vetumimj 



Digitized by 



Google 



303 

waarop een fraai hoofd van Christus met de doornenkroon. 
Dezen vooral merkwaardige, omdat hierin, volgens Kramm, 
behalve de gewone graveerkunsl, nogr een grooler talent is 
aangewend, namelijk, dal alles door ééne onafgebroken lijn, 
die op den top van den neus begint, steeds cirkelvormig, als 
«en spiraaltrek, rondgaat, en zoodoende door het verdikken 
en verdunnen der Tyn, soms een weinig geslingerd, en den 
achtergrond een volkomen geheel vormt. Er beslaan onder- 
scheidene gravuren in allerlei formaten van dit meesterstuk. 
O ver la et heeft ook geëist en veel met de drooge naald 
opgewerkt zoo als een landschap hij nacht ^ een bedelaar en 
eene hedelaarster ^ en de ingang van een Hollandsch dorp 
naar Rembrand t. 

Zie Immerzeel, t. a. p.; Kramm, t. a. p« 

OVERMERR (Wter van) schreef: 

Biss, de rebus, qüae bonam valetudivem vel laedunt vél 
turntue, Ultraj. 1728 4o. 

Zie C. H. k Roy, Cat. BiU. Med. T. IV. p. 1862. 

OVEKSCHIE (Mr. Francois Jacob van), zoon van Fr e de- 
rik Wolpherd van Overschie en Johanna Ëlisabeth 
de Courcelles, stuVieerde te Leyden in de regten , en was in 
1735 raad en sehepen te Delft, toen het Rolterdamsche kunst- 
genootschap Natura et Arte van hem uitgaf: 

Oiwd Niiws of volhragte belojte, by Tyd-uythoop^ bestaande 
in een geheel leeves bestuur ^ voor den Uytgeever en de zyne 
bezonder by een gesleltj ook ten diensie van andre op vrnn- 
delyk en sterk aansouk^ of 7 nut deed ^ medegedeelt: ondtr 
andre is hiir in 'i Godlik kindschap beknopt ie siin. Delft, 
bij Pieter van der Kloot 1737, meer door vreemde 
spelHng dan door dichterlijke gedachten of sobootien versbouw 
'merkwaardig. Zijne spelling gaf aanleiding tot verschillendo 
'pasquillen, die in het 8ste vervolg der Nederl, Keurdichten 
voorkomen. Hij stamde af van Willem, oudste broeder van 
Huig de -Groot, en „dor^l in zijn jeugd den dwingelanden 
'den oorlog verklaren" zoo als gezegd wordt in een Betuyging 
"vem dankbaarheid hem toegezongen. Hij werd in zijn tyd aan 
Vondel en Homerus gelijk gesteld. 

Brief aan den Edelen achtb. Heer Mr, ¥r, J, v, O. op 
Se uitgaaf van zijn Oiwd Nüws enz. Rolt. 1735. 

Verseheide Lofdichten voor den schranderen en geestrijken 
Dichter den heere Mr. Fr, J, v, O, Delft 1735. 

Christelijke betragting door den oejfening des geloof s en 
Uffde^ metJkoopf b'ij verseheydegelegentheden em. Delft 1736 8o. 



Digitized by 



Google 



804 

Zie Vitseo Geysbeek, £. J, C. JToordenèoek J) , V bl. 89^ 
JHcAn, oefen, v, h, Kuustgen. N. ei J h\ 268; A. de Ha en, ffer* 
dersz. en Mengeld.; Navoncher D. III bl. 228, IV bl. 302, Bijbl. 
1855 bl. XXIV . Cat. d. Maats, v Ned. Letterk, D. I U. 264; 
Abcoude, Naamr, Aanh, bl. 57; Bibl, HarL 

OVERSCHIE (J.), gonvernenr en directeor van wege de O. 
t. compagnie in Persie. Onder de stukken betreffende de O. I. 
Comp. komt een missive voor door den gouverneur generaal 
Hendrik Brouwer in 1633 aan hem gesebreven. W^aar- 
schijnlijk was hij vader of broeder van Nicolaas Over- 
schie Jacobs z. opperkoopman in Persiê. 

Zie Ckr. o, h, Hist. Genoois. D. VIII bl. 270, 836. D. IX bl, 
45, 46. ö. X. 81, 83, 85, 90, 92, 97, 98. 

OVERSCHÜÜR (R. van). Hij vertaalde uil hel Latijn en 
verrijkte met eene voorrede A, Nuck, genees- ofte keelhm^ 
dige handwerken en ondervindingen. 01 el pi. Leid. 1710 %o. 

Zie C. H. k Roy, Cat, Bibl, Med. T. IV p. 1634. 

OVERSLÜYS f C. van) schreef: 

Iets over het zeef bereide loodpleieter ^ {^empl, plumbi) in 
Schei'Artseneim, en Natuurk. Bibl. 1830 D. X. Mo. 10 bl. 151. 

Zie Holtrop, Bibl, Med. et Chir. p. 273. 

OVERSTEGE f Cobnelis van), afstammeling van een aanzien- 
lyk Dorisch geslacht, dal aanzienlijke regeringsposten be- 
kleedden. Zoo werd zijn vader Willem van Overstege 
Willemsz. achtereenvolgende raad en schepen van Dord- 
recht, hoogheemraad van den Alblasserwaard , walergraaf in 
den Mederwaard, hoogdijk heemraad van verschillende polders. 
Zijne moeder was Barbera van Reyen, dochter van Jo- 
han, schout en kastelein der vrije heerlijkheid Oosterhout. 
Volgens gewoonte dier dagen volgde de zoon den vader in 
de meeste ambten op, of verkreeg hij andere waardigheden 
die in aanzien en inkomen er aan gelijk stonden. Zoo ont- 
moeten wij hem als welgeborene of mansman van den Hove 
en Hooge vierschaar van Zuid-Holland, Walergraaf in den 
Nederwaard , Dijkgraaf op den grond van de Myl en de Crabbe 
en den Zuidpolder van Dubbeldam, Heemraad van oud-Dub- 
beldam en den Merwede-polder, hoogheemraad van Mijnshee- 
renland, van Moerkerken enz. Hij huwde den 7 Maart 1649 
Johanna Cools, van haar vaders groolmoederszijde uit 
het huis vai^ Lek en Bergen, en hertrouwde den 9 Oct. 1654 
met Ellsabeth, dochter van mr. Ja co b Ie Petit, be- 
windhebber der O. L compagnie ter kamer van Amsterdam. 
Zyne dochter Maria (van andere kinderen wordt geen mei- 



Digitized by 



Google 



305 

diiiff g^eniaakQ huwde <lr. J o h a n Snellen, medicijn ordi- 
uaris der slad Dordrecht, die 2 Junij 1C73 kinderloos stierf. 
Onze dichter, in 1620 a 1625 geboren, overleed denl9 0cl. 
I6t52. Zijn afbeehling, in 1661 door C. G. Fe na gegraveerd, 
vindt men bij Balen mei dit onderschrift van A. van Nispen: 

"Heer Overslege hier, die om kort-scherpe taal 
"In Holland was benaamt den tweeden Martiaal." 

Het boeksken, dat üverstege den titel van dichter be- 
zorgde, voert tol litel : 

Wereldlijke en geestelijke Poé'ziJ. Tot Dordrecht, Ter druk" 
kerije van Gilles Neej'ing tegen over de Lomherdehruy. In '/ 
jaar 1661, 12o. Het is opgedragen aan 's mans neef Dirk 
van Zevender, schout der vrijheid van Rozendaal en Nis- 
pen, bevat lofdichten van R. de Carpentier, C. de Be- 
vere, J. van Someren, Joh. Osorin, is in vijf afdee- 
lingen Jufferpllgten^ Bruilofsdjglen^ Lofdigten^ Funtdig^ 
ten en Geestelikke gedlgten verdeeld , en bevat ten slotte 
eenige gedichten van zijne tweede gade Le Petil. Vooraan 
vindt men zijn afbeelding met het genoemde onderschrift en aan 
den linkerhoek zijn wapen dat bij Balen niet voorkomt. Uil 
de voorrede blijkt dal deze de tweede en vermeerderde druk, 
en dat zijne poezij door velen, die hij wijzers^ waanwijze7*8^ 
alle dingen misprijzers noemt, i»:elaakt is. 

Overstege behoorde lol de zoogenaamde dichterenschool, 
die zich sedert het verblijf van Cats aan de Merwe, te Dord- 
recht vestigde , en waartoe een reeks van mannen behoorde , 
wier namen alleen uit de w^erken hunner stadgenooten bekend 
zijn, doch ook de van Somerens, van Nispens, Ly- 
diussen, Hoogstralens, Beaumonl, van de Mer- 
we de en anderen onder hare voetsterlingen telde. Van velen 
hunner vindt men lofverzon op Overstege's poëzij, anderen 
bezongen zijn beide huwelijken, zelfs droeg Adriaan van 
N i s p e n hem zijn Grieksche Venus op. Overstege spaarde 
van zijnen kant ook het wierookvat niet, en toonde dat hij 
niet minder laag tleijend dan kort-scherp kon zijn. 

Zie Balen, Beschrvjü. v.' Bordr. bl. 781, Scheltema Geschied, 
en Letterk, Mengelw, D. III •• Schotel C. van Overstege in Vod. 
Leiteroef. D. II, bl. 185; Witsen Geijsbeek B. A. C. W, D. II, 
bl. 39; Balen, Beschr. v. Bordr bl. 121, 122, 937, 1299; Over- 
stege's Poeziji bl. 17, 22, 23 60; Paquot Mém. T. II. p. 45; 
Muil er, Cat. v. Forir . 

OVERSTRAATE, [A. van) beoefende de Nederduilsche 
poëzy. 

Men heeft van hem: 
Verheei'lijkte Middelaar,, Dordr. 1728. 

20 



Digitized by 



Google 



306 

Ootmoedigheyd en traenen^ Rott. 1733, 80. 

Gekroonde Jieilzucht, Roti. 1730, 80. 

Geestelijke gezangen en gedichten^ Rolt. 1730, 80. 

Zie Abcoude, Naaml. bl. 278. 

OVERSTRAETE (Louis van) In de Messager des Sciences 
/list 1849, p. 359. 

^'L. V. O. un jeune architecte de grand avena, è qui Ton 
doil Ie plan de Ia nouvelle église de St. Marie è Bruxelles, 
ainsi que celui des bas-fonds de la rue royale dans la même 
ville.'' Hij overleed 25 Julij gl848 in den ouderdom van 32 

ren. 

Zie Mess, hisl, 1849 p. 359; Astrea 18^1 bl. 27; Krammt.a.p. 

OVERSTRATEN (Adriana van) in 1756 te Bergen op Zoom 
geboren, maakte zich op den Nederlandschen Zangberg bekend 
door gezamentlijk met de dichteres Petronella Moens uit 
te geven VaderlandscTie Dichtproeven Haarl. 1781, waarop 
in hetzelfde jaar volgde, ook met Mejufvrouw lUoens, het 
veel uitgebreider dichtstnk Esther in vier hoeken,^ dal werd 
opgedragen aan de Farnassijns der Joodsche synagogen te Am- 
sterdam, welke de dichteressen met een' gouden eerepenning 
daarvoor beschonken. In 1788 verscheen haar Eerekrans op 
hare geboortestad Bergen op Zoom (Amst), tegelijk met dien 
op Aardenburg van Petronella Moens. In 1790 gaf zij 
met hare vriendin lluth^ in vier hoeken., 's Grav. 4o. in het 
licht. Later te Amst. 1 793 80. en mede gemeenschappelijk met die 
dichteresse gaf zij twee treurspelen Johanna Grag en Dolscg 
en Amelia maar afzonderlijk Jacoba van Beijeren. 

Van haar dichttalent worden voorts mede proeveng evonden 
in onderscheidene bundels van de Genoolschappen , Studium 
scientiarum genetrix te Rotterdam, de Goudsche Rhelirijkka- 
mer de Goudsbloem^ en van andere letterkundige maatschappijen 
zoo te Utrecht als Amsterdam, waarvan zij lid was, alsmede 
in den Vaderlandsch€9t Dichter bij Loosjes en in de Kleine 
Dichterlijke Jlandschriften bijUylenbroek uitgegeven. INa het 
lijdvakvan 1786 — 1793 schijnt zij geen offers meer aan de dicht- 
kunst gebragt te hebben. 

Hare dichtstukken zijn meestal van geschiedkundigen aard 
en getuigen van hare uitgebreide belezenheid, en hoezeer de 
uitvloeisels van haar poëtisch genie de kenmerken van dien 
tijd, waarin Éj gemeen werden gemaakt, dragen, warden 
daaronder echter fraaije gevonden. Zij huwde mr. N. vanCuy- 
lenborgh en overleed te Bergen op Zoom den lO^ea Jao. 
1828 in den ouderdom van 72 jaren. 

ZkKonstenZetterb.lS2S\>\. 34 en 35. J. Witsen Gijsbeek, J?.^.C. 



Digitized by 



Google 



307 

Windst. I). V bl. 79, Hermans, Geschiedk. Mengelw. 1). lï bl. fS, 
€at. d. Maats, van Ned. Letterk. D. III bl. 99, 100 168. 

OVERSTRATEN (Jan van), geboren te Bergen op Zoom, beoe- 
fende de poëzy en gaf bij hel vertrek van zijn zoon Mr. Pi el e r 
Gerardus van Overstralen, als extra ordinair raad van 
Neerlands Indie, een afscheidsgedicht in het licht. 

Zie van der Aa, iV. A, B. C. Woordend, o. h. w. 

OVERSTRATEN (Petrus Gerardüs van), zoon van den vorige , 
in het midden der iSe eeuw te Bergen op Zoom geboren, 
studeerde in de regten, verliet in Aug. 1780, in hoedanig- 
heid van lid van den Raad van Justitie te Batavia, aan boord 
van het compagnie schip ,,het slot ter Hooge," onder be- 
vel van kapitein A. Halffman, de reede van Vlissingen, 
landde in het voorjaar van 1781 te Batavia aan , en werd , 
na slechts anderhalf jaar de belrekking van raad van Justitie 
bekleed te hebben, door den gouverneur generaal Mr. Wil- 
lem Arnold Alting tol secretaris der Hooge Indische re- 
gering benoemd. Hij bekleedde dit ambt tot 1791, toen hem 
de belrekking van gouverneur en directeur van Java's Noord- 
Oostkust werd opgedragen. De roemwaardige wijze, waarop 
hij, gedurende zes achtereenvolgende jaren, die betrekking 
vervulde, legde den grofcd tot zijne verheffing lot commissa- 
ris en gouverneur generaal van Nederlandsch Indie, waartoe 
hij in 1796, nadat Alting zijn ontslag gevraagd en verkre- 
gen had, door de kommissarissen generaal werd benoemd , welk 
ambt hij den 18 Febraarij 1797 met de meeste plegiigheid 
aanvaardde. Hoe vereerend de opdragt der hoogste waardig- 
heden in Nederlandsch Indie ook zijn mogl, hij vervulde haar 
nogthans met regtmalige bekommering, en was de taak van 
den opperbestuiirder dezer bezittingen onder gewone omstan- 
digheden moeijelijk en zorgverwekkend, zij was zulks vooral in het 
toenmalig duister lijdsgewricht. Handel en scheepvaart kwijn- 
den; met het moederland kon geene geregelde betrekkin- 
gen meer worden onderhouden en de aanzienlijke voorraad 
van producten in de pakhuizen op Balavia voorhanden, kon 
slechts in neutrale lodems een uilweg vinden. De Kaap, Cey- 
lon, al de bezittingen der compagnie op Coromandel en Ma- 
labaar in Bengalen en op Sumalras-Weslkust , waren in den 
loop van 1795 in handen der Engelschen overgegaan , en reeds 
in Februarij 1796 was de Brilsche vaan op de wallen van 
het fort Victoria te Amboina geplant geworden. Banda moest 
kort daarop ook voor de overmagt des vijands bukken , en 
werd door den gouverneur Fran^ois van Boekholtz, 
aan de Engelschen bij capitulatie overgegeven. En zoo waren 
Java, Palembang, Macasser en Ternate de eenige belangrijke 



Digitized by 



Google 



308 



bezillingen der Maatschappij , welke zich nog voor haar en hel 
vaderland haddeu staando gehouden. Hij vond Batavia en om- 
streken in een geheel weêrloozen toestand, ver.sloken van alle 
middelen van verdediging en toegankelijk voor elke vijande- 
lijke magt, die lust gevoelde haar te overweldigen. Hij vond 
kommissarissen-generaal , die men in de eerste hitte der om- 
wenteling en zelfs ook na de instelling van het committé 
tot den Oost^Indischen handel en bezittingen (dat den Isten 
Maart 1798 in de plaats van 't bewind der compagnie in het 
vaderland was getreden) in hunne betrekkingen had gelaten , 
waaraan zulk een uitgestrekt gezag verborden was, geheel 
in ongenade bij dat committé, blijkbaar uit diens vernede- 
rend mistrouwen omtrent alle daden der commissie, welke, 
op bloote aanklagten en partijdige berigten, zonder baar te 
hooren, of zelfs de officiële mededeelingen omtrent de ge- 
beurtenissen af te wachten, door hetzelve in het aller ongun- 
stigst licht beschouwd en bij voorraad veroordeeld werd. On- 
der deze rampspoedige omslaidigheden aanvaardde van O ver- 
stra ten de hooge waardigheid van commissaris en gouver- 
neur-generaal van Nederlandsch Indie, en zijn geheel daarop 
volgend vierjarig bestuur was een tijdperk van nood en bui- 
tengewone verlegenheid, gedurende hetwelk deze bezittin- 
gen buiten staat waren , om aan het eerste en voornaamste 
oogmerk van haar bestaan te voldoen en om regtstreeks 
iels noemwaardigs tot welzijn van het ongelukkige moeder- 
land bij Ie dragen. Het is hier de plaats niet over de hande- 
lingen van Overst raten uil te wijden. Zij zijn uitvoerig 
door Mij er geboekt, liet zij voldoende te melden dat hij 
zich in 1801, ten gevolge eener ulceratie aan den voet, in 
1796 bekomen , die onverhoeds in eene gevaarlijke onge- 
steldheid ontaarde, geheel ongeschikt gevoelde, om de ge- 
wone vergaderingen der regering bij te wonen , en zieh ver- 
pligt zag het voorzitterschap er van aan den Directeur-ge- 
neraal Si berg op te dragen. Inmiddels had hij van het uit- 
voerend bewind in Nederland nog een vleijend bewijs van 
hooge goedkeuring ontvangen, door eene aanstelling op den 
llden November 1800 tot luitenant-generaal in dienst der 
Bataafsche Republiek. Doch zijne aanhoudende ziekte vergunde 
hem niet aan dat bewind door daden te toonen, dat hij ook 
die waardigheid met eere wist te bekleeden. Hij ontsliep 22 
Aug. 1801 en zijn lijk werd met groote statie ter aarde be- 
steld op het nieuwe kerkhof dat hij drie jaren te voren had 
doen aanleggen. 

Zijne weduwe Jacoba Maria Lodicio huwde later met 
zijn vriend, den raad-extraordinair Albertus Henricas 
Wies e, in 1838 te Utrecht overleden. 

Men heeft van hem een Memorie — otergegeven aan J, F. Ba- 



Digitized by 



Google 



309 

rx>n van llkeede tot de Parkeier , aankomend gouverneur en 
directeur van Java^s noordoostkust dd, 13 Ocl. 1796. 

Zie J. C. 6 a a D e , Reis door een gedeelte van de Neder/. 
Bezittingen in O. L bl. 3. Mr. S. C. Nederburgh, ver- 
handeling over de t^oee vragen , 's Hage 1802. N. Engel- 
hard, overzigt van den staat der Tfederl, O. I. bezittingen 
onder het bestuur van den gouverneur -generaal H. IV, 
Daendels^ 1816. Verhandelingen van het Batav, Genootschap 
Tan k. en w. D. 1. Dirk van Hogendorp, Berigt van 
den tegenwoordigen toestand der Bataafsche bezittingen in O. L 
Delft 1800. 

Verslag aan de algemeene deelnemers ^ megens het voorge-- 
vaUena in het Samarangsche marineschool , sedert den jare 
1788, opentUjk gedaan op den 4den Maart 1797; Echte stuk* 
ken^ betreffende de verrigtingen van de hoog e commissie^ 
uitgegeven door het eerste lid der zelve , mr. S. C. Nederóurgh , 
's Hage 1803. N. G. van Kampen, Geschiedenis der Neder- 
landers buiten Europu, d. III. J. van den Bosch, Nederl, 
Bezitt. in Azia, Amerika en Afrika {1%\%) d. I. Mr. P. Mij er, 
mr. Pieter Gerardus van Overstraten , kommissaris en gouver- 
neur-generaal van Nederl. Indie^ in Tijdschrift voor NederU 
lands Indie^ d. I. bl. 20 en volgg. Kobus en de Eive- 
court. 

OVERVELT (^George Constantijn van) , zoon van N i c o I a a s 
van Overvelt, in 1751 s. s. min. cand. Ie Leyden, werd 
in 1753 predikant te Zwartewaal en stierf aldaar in 1774. 
Er komen gedichten van hem voor in de Bichtk. Cypressen- 
bladen en in de Lauwerbladen voor de zonen der vrijheid. 

Afzonderlijk verschenen : 

Inwi/'dings Eedevoering op de achtiende geboorte-vergaring en 
inhuldiging van Z D. H, PTillem den Vijfden op den 8sten Maart 
1766, Delft 1766, 4o. 

Dicht-groet aan den Heere Hendrik Cleijn^ als zijn Ed. 
na gedaane Redenvoeringe over den lof van Hippocrates^ van 
de Schoole tot de Academie- studie bevordert wierd in den 
Brielle den 30sten van Novemb, 1766. 

Op de agttiende ver jaar ing van zijn Doorlucht, üoogh- 
Willem V, 4o. 

Gedenkzuil op den Bedendag ^ 4o. 

Zie v. d. Aa, N. B. J. C, Woordenb., Brans, Naarnr. van predik, 
bl. 128. Boekz. der gel. wer. 1766 en 1776, bl. 321, 222. 



Digitized by 



Google 



310 

OVERVELD (_NicoLAAS vasJ, mogelijk de vader van den vo- 
rige, schreef een treurspel. 

Philomeus en Tkirene^ Irsp. Leyd. en Amst. 1720, kl. 80 
m. pi. 

Zie Witsen Geysbeek, B. J. C. Woordend. D. V. bl. 41; 
Cat. d. Maaisch. v. Nederl. Letterk . ü, I, bl. 163; M on rik. NaamroL 

OVERVEST, zie Cup. 

OVERWIJK (Jacos van), vriend van Claas Bruin, ach- 
ter wiens Overgeblevene Poezij , Amst. 1741 men gedichten 
van hem aantreft. 

Zie Heringa, Naaml. v. dicht. bl. 69. 

OVERWIJK, (R. van) 

schreef: 

Hoofdzakelijke nieening van Maitïieus ^ Amsl. 1724, 4o. 

Zie Abcoude, bl. 278; Mourik, Naamrol. 

OYA, (^Seabstiaan d') Zie Nooye. 

OYEN, (Louis Anthonie van), zoon van Willem en van 
Adriane Peper, geboren te Thiel 5 Mei 1704 trad als 
vaandrig in dienst in 1723, werd voorts kapitein, majoor, 
in 1747 generaal-majoor en in 1766 luitenant-generaal. 

Hij overleed te 's Bosch 18 Aug. 1775 en was gehuwd mei 
Maria Leopoldina Catharina de Quay, waarbij hij 7 
kinderen verwekte. 

Zijn broeder Hendrik Jan van Oyen sneuvelde als 
majoor in het beleg van Namen 174 . 

Hij liet na: 

Willem Adr|iaan geb. in 1742, kapitein ter zee in 1795 
burgemeester te Thiel, wiens zoon Hendrik J an graaf van 
Oyen, is geweest minister van oorlog in Belgischen dienst en 
overleed 23 Febr. 1850 oud 79 jaar. 

Partic. herigt. 

OYEN, (Adriaan Leopold van), zoon van Louis Antonie 
voormeld. Geboren te Thiel 24 Junij 1739. 

Als luitenant bij de kavallerie trad hij in 1765 in dienst, 
doorliep alle rangen en werd 10 Jan. 1794 generaal-majoor 
der kavallerie. 

Hij overleed December 1801 en werd te Tiel begraven. Hij 
huwde met Balthazarina Wilhelmina Pasques de 
Chavonnes, waarbij hij verwekte één zoon die volgt. 



Digitized by 



Google 



311 

OYEN, (Louis Anthonie Cock van), zoon van Adriaan Le- 
opold, voormeld, geboren te 's Hage 8 Julij 1769. 

In 1786 werd hij bij de kavallerie der hollandsche garde 
geplaatst, in 1788 luitenant. In 1795 nam hij zijn ontsla*!^ 
doch na de troonsbestijging van koning L o d e w ij k werd hg , 
26 Febr. 1807, benoemd tot ritmeester bij het 2de reg. ku- 
rassiers en maakte den veldtogt in Pommeren tegen de Zwe- 
den mede. 

Hij overleed als gepens. generaal-majoor te 's Hage, 26 
Aug. 1836 en was gehuwd met CorneliaAdriana Mar- 
tina Pa tij n, waarbij hij 2 zoons verwekte Adriaan Leo- 
pold Balthazar Willem en Jakob Johan Fran^ois, 
die beide bij de kavallerie in dienst als rilmeester zijn gepen- 
sionneerd geworden. 

Partic. herigt. 

OYEN (Jan van}, dichter uil het midden der 18e eeuw. Men 
vindt zijn poëzy o. a. in de Dichtk. Cypressen bladen. 

Zie V. d. Aa, N, £. J. C. JF. B. 

OYEN (KoRNELis van^, dapper zeekapitein, hield in 1631 
een gevecht uit tegen drie Duinkerkers en sloeg er eindelijk 
door. De admiraliteit van Amsterdam schonk hem een gouden 
keten, aan welke de algemeene Staten een gouden medaille 
hingen. Men zond hem vervolgens naar de bogt van Frankrijk 
ter beteugeling van eenige daar kruisende Biscayers. Een 
soortgelijk gevecht wordt op den naam van kapitein Licht- 
hert medegedeeld door A. v. d. C a p e 1 1 e n , Gedenks, d. I, bl. 609 ; 
NeêrL Heldend, ter zee^ bl. 313. 

Zie van Wijn, Bijv. en Aanf. op Wagenaars, Vad, Eist. bl. 69. 

OYEN Az. (L. vün), dichter uit de tweede helft der 18e 
eeuw. Zeer bombastisch is zijn gedicht 

Be Godgeleerdheid in rouw bij het afsterven van den 
R, Gel, Heer G. J. Nakui/s, beter zijn dichtstukje de Mor- 
genzon in de Volksliedjes van de Maatschappij tot Nut van '* 
Algemeen, 

Zie V. d. Aa, N. B. A. C, W. B. 

OYENBRÜGGE of OYEMBRÜGGE (Francois d'), heer van 
Milse, kapitein in slaatschen dienst, liet in 1576 bij het in- 
nemen van Antwerpen zijn leven. Men vermoedt dat hij tot 
de verbondene edelen behoorde. Hij huwde Anna van der 
Noot, dochter van Engelbert van der Noot, ridder, hofmees- 
ter van Prins Willem L Mogelijk was het zijn broeder Phi- 
lips René, heer van Oyenbrugge, die hel smeekschrift tee- 



Digitized by 



Google 



312 

kende. Deze werd in 1531 te Brussel geboren, had lot doop- 
getuigen Philips van Croy, hertog van Aarschot, René 
van Nassau, prins van Oranje en Margaretha vau 
Cr o ij echtgenoole van graaf Karel van Lalaing, en was 
door zijn huwelijk met Louis e, dochter van Wouter van 
der Noot en van Catharina Hinckaert zwager van 
Karel en Jasper van der Noot, die ook beiden tot de 
verbondene edelen behoorden. Ook liunnen in aanmerking ko- 
men Gerard d'Oyenbrugge, gehuwd met Filippotte de 
L i g n e , dochter van Jan heer van (lamme en van P h i 
lippotte van der Noot en dus de zwager van Antoine 
de Mol, een der bondgenooten , ofEngelbert d'Oyen- 
bru gge, zoon van FranQois en Margaretha Quarré, 
doch eertijds kommies van de finantieu te Brussel, die ten tijde der 
beroerte naar Holland week en in hoogen ouderdom te Delft 
in 1611 overleed. Tot dit geslacht behoorde ook, doch van 
eene tegenstrijdige denkwijze met de bondgenoolen, Ëngel- 
brecht of Ëngelbert d'Oyenbrugge^ die in den blaf- 
aard van de goederen der fugitiven iu H land van Heusden , 
bekend staat als een der twee raaden en kommissariseu des 
konings van Spanje, wier ambt was de goederen der gevluch- 
ten ter oorzake van de Nederlandsche beroerten aan te slaan. 
Men vergelijke, in de Sententien van Alva bl. 320 — 323 het 
door hem bekrachtigde doodvonnis legen een onroomschen ge- 
vangenen van Heusden. (1) 

Zie over dit geslacht en de gemelde personen 1' E s p i d o y, 'Récherches 
de la Noblesse de Flandre , p. 275 en vvg. ; Butkens, Trophées de 
Brabant, T. 3, p. 223; Nobiliaire des P. B. T. I, p. 314, T. II, 
p. 408 ƒ Suite du Supplément au Nobiliaire des Fays-bas, T. I, p. 220, 221, 
T. JII, p. 151—177; Ie Carpentier, Kist. de Cambr., T. III, p. 
425, 493, 602; J. C. Loyens, Recucil, herald, des Bourguem, de 
Liège, p. 480—481; Quariiers, Généal, T. I, p. 232, 276, 282, 385; 
Sentent. v. Alva, bl. 109 ; C h r i s t y u, Jurispr. her., T. I, p. 309, 310,353 ; 
van Leeawen, Bat. UI. p. 232; Te Water, Verb.d. Edel., 11. II, 
1). III, bl. 200 volgg. 

Zie Messager des Seienees hist. 1844, p. 324. 



(1) Ook behoorde tot dit geslacht Marie d'Oyenbrugge, 

In 1844 verscheen te Brussel in gr. 8o. 

Vie de la comtesse Marie d'Oyenbrugge, dite de Duras, première 
superieure du convent de Barlaymont , a Bruxelles , pricédée d'tme 
noiice sur Marguerite , comtesse de Barlaymont , née comtesse de La- 
taing, fondatrice dudit convent, par S, J, Léon de KercJcenroüe de 
St. Troud d*après les mémoires de Cecile Malaise, Victoire de Cam- 
heil et N. Houllarte , religieuses coniemporainos de Marie de Duras 
Ie edition, ornée de 3 portraiis et sutvie de quelques notes histo- 
riques. 



Digitized by 



Google 



313 



OYENBRUGGë ( Hkndrik van), een brabantsch edelmau uit bet- 
zelfde geslacht, volgde waarschijnlijk Pieter vao Sickingha 
(^1579) als grietman van Barradee! op, gelijk hij hem opge- 
volgd was als Drossaard van Harlingen , zeer teg^en den wil 
der staten, die hem evenals Rennenberg mistrouwden. Ook 
wordt hij beschuldigd een van de voornaamste aanraders van 
diens verraad te zijn geweest. In October 1580 werd hij door 
Rennenberg, nu reeds geheel aan de Spaansche zijde, met 
eenig krijgsvolk naar de Zevenwouden gezonden , waar een 
aantal Friezen, onder bevel van Juw van Bot n ia en 
Joban van Vervou verzameld waren, om de brandschat- 
tingen en strooperijen van den vijand te beletten. Onverwacht 
zijne vijanden aanvallende, had hij het geluk hen te verjagen 
en de overwinning te behalen, bij welke gelegenheid Joh an 
van Vervouw en George, zijn jongste broeder, sneuvel- 
den, en een ander broeder van hen, F red e rik, die vaan- 
deldrager was, ter nauwernood zich door de vlucht redde. In 
een schermutseling dm 1 Maart van het volgende jaar en bij 
Zoppersum in het heen geschoten, werd hij gekwest naar 
Groningen gevoerd en is kort daarna aan zijne wonde over- 
leden, weinig beklaagd, zelfs bij zijne partij. 

Zie Winsemius, Chron. bl. 650; Schotanus, Rist. v. Fries!» 
bl. 877; te Water, Verb. der Edelen, D. III bl.201; Fresinga, 
Memor. d, Nederl. Geschied, (ia Dumbar's, Anal. T. III) bl. 22, 46, 
195, 495; Bondam, Onuitg. stuk. ü. V, bl. 341; v.' d. Heyden, 
Verk. V. d. Verrigt. der Jesuit. i» Fri>*/. bl. 223, 224; van Sininia, 
Naamen der Grietm, bl. 212, 213. 

OYSELEÜR, (PiKRRE l). Zie Loyseleur, (_Pierre). 



Digitized by 



Google 



VEEBETERING. 



OSTADE (Adriaan van), is geboren in Dec. 1610 te Haar- 
lem. Zijn vader die den naam van Ostade, toen nog niet 
droeg was, boewei van Ëijndhoven afkomstig evenwel reeds 
in 1605 te Haarlem als burger gebnwd en gevestigd. Zeker 
is A. v. O. niet in 16ö2 naar Amsterdam verhuisd uit vrees 
Toor de Franschen , want men was toen in volie vreden. Ook 
is hij aldaar niet overleden maar wel te Haarlem in 1685. 

Aangaande zijne geëtsle prenten valt hier te vermelden, dat 
zich in 1867 te Haarlem, in de kostbare kunstverzameling van 
Teylers stichting, het fraaijst en volledigst exemplaar bevindt. 

OSTADE (Izaakvan) broeder van den vorige, werd in Mei 
1681 te Haarlem geboren. Zie over A. en J. v. Ostade, A. 
V. d. Willigen, Pz. Geschiedk. Aantéek. over Haarlemsche 
schilders. Haarlem, 1806 en nog eenige latere berigten door 
hem geleverd over beide broeders voor de Schilderschool Ie 
afl. onder redactie van G. Vosmaer. Haarlem 1867 in fol. 



■>-tr3ftrg^ - > 



Digitized by 



Google 



A A Al W U Z 1 1\ 6 



DRR 



PERSOPïEl\ 

IN DIT DEEL VERMELD. 



Blz. 
Obando, (M.) . . . 
Obbes, TAsse) . . 

CObbe) . . 

(Nitterl) . . 

(Philipsz) zie Phi- 

Hpsz (Obbe^. . • 
Obdam. Zie Wassenaar 
Oberdsek, (J. CO . 
Oberman , (AnthonyJ . 
Obert, (Walius) . . 
Obrecht, (^Jacobus of Jo 

bannes^ .... 
Obreen, Jacobus^. . 
Obrizius, (_RobertJ . 
Obrij , (Adriaan^ . . 
Occo Scarlensis of van 

Scharl . . 

fAdolphus) . 

(^Pompejus) . 

^^Sibrant^ ... 8 

Ochs, (Joban Ceph} . 
Ocbsendorf , fJohan Matbias 

Wilhelm). . . . 
Ocke, (^Beunardus} . . 9 
Ockeubergh, (Gerardus) 
Ocklen, fPrun) ... 10 
Ockers, nVillem Adriaac} — 
(Willem) Arren- 



berg 



Blz. 

Ockerse , (_Willem Antonij) 11 

— (Jan Cornelis) . 16 
Ockes , (Herman) . 
Ockinga, (Tjalling) 

(Watze). . . 17 

(Hero van) 

— (Lolle van) 

— (Wutze van) . 18 
Ockerse, [Antoinelte) . — 
(Adelaide Geer- 

Iruida) 19 

Ockinga, (Jarich van) . — 

Ocko ten Broeke ... 20 

Oder — 

Ode, (Jacobus) ... 21 

Odelard 22 

Oden, (van der) ... — 
Odevaere, (Joseyp Dio- 

nysius) 24 

Odelbaldus — 

Odilin van Salvis en Jan 

van Salvis .... 25 

Odimarus — 

Odo of Odardus ... — 

Odokar 26 

Odrada 27 

Odrij — 

Odulphus — 

Odijk, zie Nassau (Wil- 



Digitized by 



Google 



316 



lem van) . . . 
Oe, (J.). . . . 
Oedsema (Mr. Augustinus 

of Anke) . . . 
Oelen, (Abrah. Jansz. van 
Oem, (Claas) . . . 

(Godscbalck) 

(Johan) . . . 

(Jan) .... 

— — (Adriana) . . 

(Godschalk) . . 

.-_ — (Jacob) . . . 

(Tieiman) . . 

(Willem) . . 

(Mr. Cornelis) . 

(Herman) . . 

(Mr. Anlhonis) . 

(Calharina en Wil 

heimina). . . 
— ■ — (Joannes Sinion Hei 

mannus) ... 

— — van Wijngaarden 

(Floris) . . . 
van Wijngaarden. 

(Tieiman) . . . 
van Wijngaarden 

(Floris) . . . 
van Wijngaarden 

(Jacob) . . . 
van Wijngaarden 

(Gerard) . . . 

van Wijngaarden 

(Gerard) . . . 

— — van Wijngaarden 
(Willem) . . . 

van Wijngaarden 

(Cornelis) . . . 

van Wijngaarden 

(Jonkh. Cornelis) 

van Wijngaarden 

(Mr. Floris) . . 

van Wijngaarden 

(Daniel) . . . 

Oenema, (Heclor). . 

(Douvre Annes 

van) . . 

(Tinco van) 



Blz. 

28 



) 29 



30 



31 



32 



33 



35 



36 



40 

41 



Blz. 
Oenema (Jiberius vau). . — 

(Jacobus of Jaques 

van) .... 42 
Oeisen, (Jacob) . . 
Oenkerk, (Sixtus van) 
Oemus of Oemius, (Pasehi 

siiis) 

Oentjes, (Ruard) . . • 
Oerschot, Henride) . 
Oertel, (Abrah.) ... 43 
Oeslbroec (Claes van) 
Oeschelwitz, (Z. W. F.) 

Oetberl 

Oerer, (Hendrik ten) 
Oetgens van Wa veren 

(F. K.) 44 

Oets, (Pieter) . . 
Oerel, (A. van) . 
Oever, (A. H. ten) 

(Aleltaten) . 

(Mr. Gebr. Johan van) — 

(Heuricus Herony- 

mus len) — 

(Lambertus van 

den) Hz 45 

Oeveren , (Cornelis van) . — 
Oexmelin,(Alexander). . 47 
Oeij , (Philip Jansz. van) — 
Oeijenburch, (Hendrik van) 48 
OiTenhuizen , (Frederik van) — 
Offerhaus , (Christiaan Ger- 

hard) ... — 

(Leonard) . . 49 

(E.D.Assonrille) 51 

Offermans, (Johannes). . 52 

(Josuah) . . — 

OfBgnies , (Jean d') . . — 
Ofügnies, (Thieri d') . . — 
Olfriga, (Nicolaas) . . -— 
Ogelwighl Junior (Hen- 
drik) 53 

Oggelbeek, (Robbert Jo- 
ris) 54 

Ogiers, (Anneken) 
Ogier, (de Deen) 

(Carolus) 

— (Simon) . 



Digitized by 



Google 



317 



Blz. 

Ogrier, (Barbara) ... 55 

(Guilelmus) . . 56 

Ogiers, (BauwiuJ ... 57 
Ogle of Ogly, (Jean) . 58 

(Ulrica) . . . 

Oguier, (Robbert) . . 
Orimomius, ( ) 

Oesel, ( ) . . 

(Philippus) , , . 60 

Okeghem, (Jan) ... 61 
Oldeiibarneveld, (Mr. J 

van). . . 62 

(Dr. Elias van) 72 

(Reinier van) 73 

(A. W. van) 76 

1. (J. G. van ge- 
naamd Tuil- 
lingh). . . 77 



Oldenborgh, (Pieter van) . 
Oldenburg, (Fr. Justus van) 

Jan, (F. J. van) 

(Marcus van) . 

(Jacobus) . . 

Odeland, (Hendrik) . . 
Oldeneci, (Willem Anlhonie 

Joseph Bar. van) . . 
01e, (^Cornelis Cornelisz.) 
Olen, (Jan van). . . . 

Olennius 

Olffen, (H. G.) . . . . 
Olibol, ( ) . . . . 
Oling, (Lucas) .... 
Oldenburor, (Johan van) . 
Olikan, (P. Jacobsz.) . . 
Olikan of Olijcan, (IJsbrand) 
Olier, (D. F.) . . . . 
Oliphant, (Mr. Jacobus) . 

Olis, (Jan) 

01is1ager,(J. M.W.) . . 
Olivarius, (Jan). . . . 

(Scholasticas) . 

Oliverius (Arnold) . . 

(Joh. Engelberl) 

(Johannes) . . 

Olivier, (Jordan) . . . 

(Antoine) . . . 

(Willemsz.) . . 



78 



81 



83 



84 



Olivier, (van Dixmnde) . 

^Gerril van). . 

( Adolphus) . . 






(N.) . . . . 

(W.J.) . . . 

Schilperoort (T.) 



Blz. 
85 



87 



89 



Ollefen, (L. van) 

(Willem van) . 

Olm , (J. M. van) . . . 

(L. van) . . . 

(iVIathueas van) . 

Olme, (J) 

Olmiers, (Joos) . . . 
Olmeri, (J. van) . . . 
Olnhansen, (J. H. van) . 

Olon, (J) 

Olorinus ook Cygnaeus . 
Olpen, (Abraham Isaök van) 
Olphen, (Henricus van) . 
Olpherl, (^Barendsz.) . . 
Olpherus, (J.) . . . . 
Olthof, (Jan) .... 
Olofzoon, (Dirk) . . . 
Ollmans, (Alexander). . 
(Jan Frederik) 



92 
93 



94 



95 
96 

97 

Olijve, (S.) .... 98 

Omaers,(Janvan) ... — 

Omal, (Johan). ... — 

Omaruis, (Johannes Faber) 99 

Omazur, (N.) .... — 

Omeijer Jr., (R.) ... 100 

Omius, (J.) zie Oomius (T.) — 

Omme, (H. van) ... — 

Ommen, ().... — 
OmmeganeU, Olaria Jacoba) — 

Ommeren, (.1. van) . . 102 

(Mr. J. van) . — 

— (Richens van). — 

(Siccovan) . 104 

(Rudolph van) — 

(Carelvan) . — 

Ommering, (luilenanl-kolo- 

nelvan . . 105 

^~ Jacobszoon, 

Adriaan) . — 



Digitized by 



Google 



318 



Biz. 
Omüaering, (Jacobus van) 105 
Omminghau, (Hanek) . . — 
Omphal , (Mr. Jan Floris 

van — 

(Anlhonie Frederik 

Jan Fioris Jacob baron 

van) 106 

Ondaatje, (M. J.) . . . — 
(Mr. P. Ph. J. 

Quint). — 

Onderdewijng'aarl , (Mr. 

Canzius) 107 

Onder de Wijng:aart, (P. .) — 
Canzius, 

(Mr. Jacob Hendrik) . 
Ondereet, (B. C. J.) . . 110 
Ondermark ook Undermark 

en Ondermark, (Maarten) 111 
Onderijk, (F.) . . . 
Onderwater, (Dirk) 

(Pompejus). 112 

- (Cornelis) 



Ondorp, (Andr) 
Onesimus, (de Kien) . 
Onghena, (Jan). . . 
Onghers, (Jacobus of Jan) 
Ongnyes, (Gnelberi) . 
Ougoys, (Jean d') . 
Olst, (Renier van). , 
Onkruit, (Theodoris) . 
Onnen , (F. J.) Med. Dr. 

(H.) Med. Dr, 

Onselen, (A. van) . . 
Onzenoort, (Anthonius Ge 

rardus van) . . 
Onraet, (Jan Baptisle) 
Onversaagd, (Hans) 
Onzante, (J.) . . 
Ooghe, (H.J.). . 
Oogwant, (A.) . . 
Oomen, (Cornelis Wilhel 

mus) 

Ooms, (Johannes Baptisla 
Oomius, (Simoo) ofOmi 

sus . . . . , . 
Onstein, (G.) . . . 
Ontijd, (C. G.) . . 



113 
114 



115 



125 



126 

127 



129 



Bk. 
Ooien of Olen, (Adriaan 
van ...... — 

Oonselins of van OonseL 
(Willem) . . . . — 

Oordt, (Gabriel van) . .133 
(Joan Frederik 



van) 
Oort, (Mr. Jacob van) . 

(Jacob vao") . . . 

(K. van) . . . . 

(Willem) . . . . 

(Lambert van) Zie 

(Noort Larabertus 
van) . . . 

(Pielervan) . 

(Henricus) . 

(Frans van) . 

(Jacob van) . 

(Jacob van) . 

Oosten, (A. van) . 

(J. van) . 

(Henr.van) 

— — de Bruin, (Gerrit 

Willem van) . . . 
Oortman, (G. J.) . . 

(Jan) . . . 

(Joachim Jan) 

_ (J. G.)-. . 

Oorlhuis, (Gerard) . . 
Oortwijn, (H.) . . . 
Oosders, (Gerrit) . . 
Oosterbaan. (Hero) . 
Oosterbeek, (Andreas) 

(J. G.) . 

CG-) • 

Oosterdijk Schacbt , (Her 

mannus) 

(Huberlus) 

Schacht, (Jo 

hannes) . . 
(Hermannes 

Gerardus . 
(Nicolaas Ge 

orguis 
Oosterdorp of Oostendorp, 

(Johannes) 
Oosterga, (Cyprianus Reg 



134 
138 
139 



140 

142 



143 
144 



145 
146 



147 



149 
149 



150 



151 
152 



155 



Digitized by 



Google 



319 



Blz. 

ncri ab) — 

Ooslerhaern, (Herincus) . 158 
Ooslcrhoudl Dz., (Dirk 

van ... — 

(D. van) . . — 

Ooslerland, (Abraham) . 159 

Oosferlo, (F.) .... — 

Ooslerwijck, (Maria van) — 

(Volkeriïs 

van) . . 160 

Ooslerwijck, (Cornelis van) — 

(j.) . . . - 

(Koenraad van) — 

Oosferzce, (Jancke) . . 162 
(Christiaan Jo- 

liannes) ... — 

(Cyprianus). 



(Timannns van) 

(WoBler Leo- 

nardus van) 
Ooslfries, (Jozef) . . 

(Katharina) . 

Ooslhem, (Hessel van). 
Oosthoorn, (Abraham) . 
Ooslhout, (Pieler) . . 
Ooslerwoud (Maarten) . 
Oosling (Mr. Petrus) . 

(G). . . . 

(Laurens) . . 

Oostkamp (Jan Antonie) 
Ooslrum (Anna van) . 
of Ooslerum, (An- 

tonius van) . . . 
of Oostpom, (G 

van) 

(Gerberlas) . 

(P. van of Ostrum) 

(Francois Willem 

van Brienen van) . 

Oostwerf 

Oostwoud (Jacobus) . 
Oortwijn (Hermanus) . 
Oostzaan (Jacob Comelisz. 

van zie Cornelis Jacob) 
Ooijevaer (Guilaume Abra 

hams) 

Opbema (Taecke) . . 



164 



165 



166 



167 



169 



170 



171 



172 



173 



BJz. 

Opber^bem (Norberl van) 174 

Op den Hooft (Mr. Jan) 176 

Opdorp, (T. F. van) 

(j. H. van) 

Ophemert, (G) . . . .177 

Ophovius of van Ophovens 
(Michael) 

Op den Bosch, (Henrielle). 181 

Hof, (George Wil- 
lem) 

Opheiden, (^Gozenius} . 

Ophem, (Karel Andreas 
van) . . . . . 

Opiler (Christiaan de). 

Oploo, (P. van) . . 

Opmeer, (Pieler van) . 

(Petrus) . . 

(Nicolaas van) 

(Dirk Antonisz) 

Oppenbusch (Michael van) 

Oppenheim, (F. W.) . 

Oppendoes, (Willem) . 

Oppenheim, (J. C.) 

Opperdoes, ( Cornelis Jan 
van) . . 

Opperveld, (J.) 

Oprode, (Joachim van of 
de) 

Oproede, (Mr. Jacob von) 

Opsomer, (Johannes) . 

Opstal, (Antonius van) 

(Aug. van) . 

(Casper Jacob van) 

(^Casper Jacobus 

van) 



182 



185 

186 



187 



188 



(Gcrard van) . 

(MIcI.il van) . 

Opten Noorl (.Mr. F. J.) 

Noorth (J. J.) . 

Oplerbeek, (^Stephanas) 

Jan Casp. 
Or, (Francois d') . . 
Ora, (Willem van) . 
Oranje, (Anna van) en 

Nassau .... 
w- (Frederika Sophia 

Wilhelmina prin- 



189 

190 



191 



Digitized by 



Google 



320 



Blz. 



ces van) .... 
Orangiiis (Parpasins) . 
Ora^e (Frederika Louisi 

Wilhelmina) . 
(Frederika Wilhel 

mina Louise) . . 
Oranus (Johannes). . 

(Nicolaas) . . 

Orden, (Gerrit Jan van) 

(Gerrit van) . 

Ordonie, (E. V.) . . 
Orenus, (A.). . . . 
OrgeL (Martijn) . . 
Orizant (J.) .... 
Oresmieux (Francois d) 
Oridryus (Arnoldus) . 
Ondryens (Joachim) . 
Orlers (Jan) ... 
Orieij (Barend). . . 

(Hieronymns) 

(Joannes van) . 

(Leaaert van) . 

(Richard van) . 

(Jan van) 

Oriiens (Catharina 

(David) 

Ormea (Marcus.) 

(Willem) . 

Ormero, of Ornerio (Ge- 

rard) 

Orles (A.) . . . . 
Orobio (Isaac) . . . 
Orssaghem (Johan van) 
Orsoij (Jan Arnold van) 
Orlelianus (J. B.) . 
Orielius (Abraham) 
Orlell (Joachim) . 
Orih (I. P.). . . 
Ortsen (Iwan) . . 
Orval (Gilles dO . 
Orville (Pierre d"). 

(Jaques Philippe 

([Wilhelmina dj 

Os (Peter van) . . 

— (Tynannus) . . 

— (Hendrik van) 

— (Islradus van) 



van) 



dl 



192 
196 
197 



200 
201 
202 



203 

205 

206 



20^ 



211 



212 

213 



Os of Oss (Dirck van) . 

(Francois van) 

(Petrus van) 

— (Antonij van der). 
-- (G. van). . . . 

— (Jan van) . . . 
— (Jac. Joh. van) . 

— (Maria Margarelha van) 

— (Pieier Gerardus van) 

— (George Jacobns Jo- 
hannes van) ... 

— (Susanna vau) . . 

— (M. van) . . . 

— (Willebrord van) . 
Osch (11, van). . . 
Os (Chrislina van). . 

— (van) 

— (^Thomas van der). 
Osch (Ida Bartha). . 

(Cvan) . . . . 

Osdorp of Osdorpius (Fran 

ciscus) 

Oserijn (Isaak) . . . 
Osinga (J. Agge) 
Osinga (Jancke van) . 

(Sybrand van) 

(Syls van) . 

(Sybrand van) 



Blz. 
218 

219 

221 

223 
224 

225 



Oskamp (D. L.) Med. dr. 
Osorin (Joh.) . . . 
Ossanceus of Ossanius 
Ossenbeek of Ossenbeck 

[Jan of Joost van) . 
Ossenberg ( ) . . 
Ossenbroek of Narebroek 
Osseweijer ( ). . . 
Osorij (Daniël Baron d') 
Osorio (Don Gabriel) of 

Dosino 

Ostade (Jacobus van), 

(Adriaan van) . 

(Isaak van) . . 

Ostende (Jan van) . . 
Ostendorpins( Johannes) 
Oslens (tfacobus) . . 

i^Gijsbertus}!. . 

Ostenhaern of Oosterhaern 



2)26 

227 

228 
229 



230 

231 
233 

234 



235 



Digitized by 



Google 



321 



(Nicolaas) . . . 
Ostens (Joh. Jac.) . 
Ostrum (P. van) . 
Ostorod (Crislophorus) 
Oswald I. . . . 
I. . . . 



Oslerwijk (Jan van) 
Otbertus of Oberlus 
Oterdoom (J.) . . 
Olg^er of Otgerus . 
Olbilde .... 
Othmar of OUiimar 
Otho (Johannes) . 
Otho of Othonia fJohanna 
Otbonis of Otlonis (Jo- 
hannes). . . . 

Olthonis of Ottem 

(Gerard) . . . 
Ott (J. C.) . . . . 
0«en (Thomas). . . 
Ottens (Frederik) . . 

(Jan) . . . 

(Rein) . . . 

Otterbein (Daniel Ëber 

harl) 

Ollerbos of Ollerbosch (L, 
Otteren (Haberl van) . 
Ottevaen (August) . . 
Olthez (Frederik) . . 
OUing (_ Johannes Wences 

laus van) .... 
Oltinga (Rudolphus) . 
Otter (Chris(iaan) . . 

(Dirk Hillebrantsz) 

(Floris Dirksz) 

Ollo 1 

Il 

lil 

I 

Il 

I 

(Eberhard) . . 

(George Daniel) 

Onboler (Dingema). . 

(Bartholomeus) 

Oncoop (Ja. Hendriksz, 



Blz. 
235 

236 
237 



van) 



239 



241 



242 

) - 



243 

244 

245 
246 

249 
252 

254 

255 



Blz. 
Oudaan (Frans Jochemsz.) — 

(Joachim) ... — 

(Joachira) . . . 262 

Oudaertius, Ondartius. . — 
Ondarl — 

Nicolaas) 263 

Oudant (J) — 

Oude (Renier de) ... — 
Oudega (Bartholemeus van) — 
Oudeghersl (Pierre d'). . — 
Oudeman (N.) ... 265 
Oudeman (Adriaan) . . — 
Ondenaerd of Audenaerd 

(Robbert van) ... — 
Oudenaerde (Marcus van) — 
Oudenaarden (W.). . . — 
Ouden Allen of van Allen 

(Tolbertus van) ... — 
Oudenaller (Renier van . 266^ 
Oudenbosch (Adriaan van 

den) — 

Ouerdijck (Comelis) . . — 
Ouderdijk (Evert) • . . 267 
Oudendo p (Frans van) . — 

(Comelis van) 269 

Oudenhoven (Jacobns vau) — 
Oudesterjn (Mal bias) . . 272 
Oudheusden (Arnout VVal- 

raed Karel Voet van) . — 
Oudm (Casiniir) ... — 
Oudshoff (W.) .... 275 
Oudkerk (Anna Maria) . — 

(Scipio) ... — 

(Kijkje). . . . — 

Ouderogge of Oudenroggc 

(Johannes) .... — 
Oudheusden (Dirk Hen- 
driksz. vpn) .... 270 
Oudshoorn, zie Outshoorn — 
Oultrenian (Francois 

Henri d') . . — 

(Philippe d') . -~ 

(Pierre d'). . — 



Out (S. J.) 

Onteren Cmr. Guillaume 

Pierre van) .... 

Onterft (Z. van) . . . 



119 



21 



Digitized tjy 



Google 



322 



BI*. 
Outerman (^JaqaesJ . . 279 
Oathof (Gerardus) ... — 
Oatsbooren (Jacobus van) 283 
Outshoorn (W1lem van). — 

— (Corneiis van) -^ 

(Dirk de Vla- 
ming van) . — 
(Corneiis de Vla- 
ming van) . -^ 
-rr- (Arnold de Vla- 
ming van). . — 

(Jhr. Willem van) — 

(yir, Willem van") — 
Onthuijs (^GerriQ . . 
Outrein (Johannes d') 
Geertrnid d'). 
Onwaler flzaak) . . . 293 

f Jacob ) . . 

f Arent van) 

^ 294 



295 



Ouwejans (Jacob} 
Ouwens (Rutgerus) 

.^ — (Wilhelmus) 

Ouwerkerk Cz. (Jan van 

— — (Hendrik van 

Zie Nassau 

de Vries (J. van) — 

Ouwendijk (Cornelius van) 297 
Ovens (Jurian) . . . . -r- 
Ovenbeek of Ovenbeke 

(Bonaventura van) 297 

(Leendert) . — 

Overbeke (Arnout van) . 299 
Overcamp of Overkamp) 

(Heijdenrijk) . . . 300 
Overdats (Lodewijk) . . 301 
Overdiep (A. A.) ... — 
Overdorp (Elisabeth Maria) -^ 
zie Post (E. M.) — - 
^ (Justus Lodew.) — 



Overdorp (K. B. L.). . 
Overduin |(J.) . . . 

(CA.) . . 

Overgaanw Pennis (C.) 
Overlael (Anthonie) . 
Overmeer (Wyer van) 
Overschie (Mr. Francois 
van) 



BIz. 
302 

303 
304 

306 
307 



Overschuur (R. van) 
Oversluys (C. van) 
Overstege (Corneiis van) 
Overslraale (A. van) . 
Overstraete (Louis van) 
Overstralen (Adriana van) 

(Jan van). 

_ (Petrus Gerar- 

dus van) . 

Overvelt (George Consfan- 

lijn van) . . . 309 
Overvest. Zie Kup. . .310 
O ver wijk (Jacob van) 
Overweg (Adolph) . 
Overwijk (R. van). 
Oya (Sebastiaan d"). Zie 

Nooye 

Oyen (Louis Antonie van) 

(Adriaan Leopold 

van) 

(Louis Anthony Cook 

van) 

(Jan van) . . . -r- 

(Kornelis van). . — 

— r— (Az. L. van) . . — 
Oyenbrugge of Oyenbrug- 

ge (Francois d'). . .312 
Oyenbrugge (Hendrik van) — 
Oyseleur (Pierre d'. Zie 

Loyseleur) Pierre d' . — 



310 



311 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



BWLDING 
USEOJsJLy 

3 901 5 06633 «21 8^ 





Digitized by 



Google 



-^^ '^^^ 



SSNC 



^--:é. 



'.'^'z- ■ 





'Z^WlJr-